Andersens Sproken en vertellingen Morgenrood
Chapter 3
«We moeten eerst eens zien, hoe je je bij de groote manoeuvres zult houden! Gedraag je je slecht, zoodat de generaal je den snavel door de borst stoot, dan hebben de jongens immers gelijk, althans in een zeker opzicht. Laat ons nu eens zien!»
«Ja dat zult ge!» zeiden de jongen, en nu deden zij hun uiterste best; zij oefenden zich alle dagen en vlogen zoo netjes en zoo vlug, dat het een lust was om te zien.
Nu kwam de herfst. Al de ooievaars begonnen zich te verzamelen, om naar de warme landen te trekken, terwijl wij winter hadden. Dat waren de manoeuvres! Over bosschen en dorpen moesten ze, alleen om te zien, of ze wel goed konden vliegen; want het was immers een verre reis, die hun te wachten stond. De jonge ooievaars deden hun zaakjes zoo goed, dat zij: «Uitmuntend, met kikvorsch en slangen!» kregen. Dat was het allerbeste getuigenis, en den kikvorsch en de slangen konden zij opeten; en dat deden ze dan ook.
«Nu zullen we ons wreken!» zeiden zij.
«Wel zeker!» zei de moeder der ooievaars. «Wat ik er op bedacht heb, is het allerbeste. Ik weet waar de vijver is, waarin al de kleine menschenkinderen liggen, totdat de ooievaar komt en ze aan de ouders brengt. De lieve, kleine kinderen slapen en droomen zoo heerlijk, als zij later nimmer meer doen. Alle ouders willen graag zulk een klein kind hebben, en alle kinderen willen wel een zusje of een broertje hebben. Nu zullen we naar den vijver toe vliegen en een daarvan voor elk der kinderen halen, die dat leelijke lied niet gezongen en de ooievaars niet in het ootje genomen hebben.»
«Maar hij, die met zingen begonnen is, die ondeugende, leelijke jongen,» schreeuwden de jonge ooievaars, «wat moeten we met hem beginnen?»
«Er ligt in den vijver een klein, dood kind, dat zich dood gedroomd heeft; dat zullen we voor hem meenemen; dan zal hij schreien, omdat wij hem een klein, dood broertje gebracht hebben; maar dien goeden jongen,--hem ben je toch niet vergeten, hem, die zei, dat het zonde was, ons in het ootje te nemen?--hem zullen we zoowel een broertje als een zusje brengen. En daar de jongen Piet heet, moet jelui ook allemaal Piet genoemd worden!»
En het gebeurde, zooals zij zeide; en al de ooievaars werden Piet genoemd, en zoo heeten zij nog.
ZOOALS MANLIEF DOET, IS HET ALTIJD GOED.
Ik zal u eens een sprookje vertellen, dat ik hoorde, toen ik nog een kleine jongen was; telkens wanneer ik aan dit sprookje dacht, kwam het mij voor, alsof het gedurig mooier werd; want het gaat met sprookjes evenals met vele menschen,--zij worden met de jaren mooier.
Op het land zult ge toch zeker wel eens geweest zijn, ge zult dan ook wel eens zulk een heel oud boerenhuis met een stroodak gezien hebben. Mos en planten groeien er van zelf op het dak; een ooievaarsnest bevindt zich op de vorst daarvan,--de ooievaar behoort er zoo bij. De muren van het huis zijn scheef, de ramen laag, en slechts een enkel raam is zoo ingericht, dat het kan opengeschoven worden; de oven springt buiten den muur uit, evenals een kleine, dikke buik; de vlierboom hangt over de heining heen, en onder zijn takken, aan den voet der heining, is een vijver, waarin eenige eenden zwemmen. Een hond, die tegen elk en een ieder blaft, is er ook.
Zulk een boerenhuis stond er buiten op het land, en in dit huis woonden een paar oude lieden, een boer en zijn vrouw. Hoe weinig zij ook hadden, iets was daaronder toch, dat zij hadden kunnen missen,--en wel een paard, dat zich met het gras voedde, dat het aan den weg vond. De oude boer reed op dit paard naar de stad, dikwijls leenden zijn buren het ook van hem en bewezen daarvoor aan de oude lieden menigen wederdienst. Maar het raadzaamst zou het toch wel zijn, als zij dit paard verkochten of het tegen iets anders, dat hun meer van nut kon zijn, verruilden. Maar wat zou dit wel zijn?
«Dat zal jij het best weten, man!» zei zijn vrouw tegen hem. «Vandaag is het juist jaarmarkt, rijd naar de stad, geef het paard voor geld weg of doe er een goeden ruil voor: zooals jij doet, is het mij altijd goed. Rijd maar naar de jaarmarkt toe!»
Zij deed hem zijn das om, want daar had zij meer verstand van dan hij; zij maakte deze met een dubbelen strik vast: dat stond heel goed! Zij streek zijn hoed met haar hand op en gaf hem toen een hartelijken zoen. Daarop reed hij weg op het paard, dat moest verkocht of in ruil gegeven worden. Ja, de oude man heeft daar wel verstand van!
De zon scheen warm, geen wolkje was er aan den hemel te zien. Op den weg stoof het geducht; vele menschen, die de jaarmarkt wilden bezoeken, reden er te paard of in een rijtuig heen, of legden den weg te voet af. Nergens was eenige schaduw tegen de brandende stralen der zon.
Onder anderen ging er ook iemand dien weg langs, die een koe naar de markt dreef. De koe was zoo mooi, als een koe maar wezen kan. «Die geeft zeker ook goed melk!» dacht de boer; «dat zou een goede ruil zijn: de koe voor het paard!»
«Heidaar!» riep hij den man, die met de koe liep, toe; «weet je wat? Een paard, zou ik meenen, kost meer dan een koe; maar dat is mij om 't even; ik kan meer dienst, van een koe hebben, als je er lust in hebt, dan zullen wij ruilen!»
«Zeker wil ik dat!» zei de man met de koe, en nu ruilden zij.
Dat was alzoo afgedaan, en de boer had nu best weer kunnen terugkeeren; want hij had nu immers afgedaan, waarom het hem te doen was; maar daar hij zich eenmaal op de jaarmarkt gespitst had, wilde hij er ook naar toe, alleen maar om deze eens te zien, en daarom ging hij met zijn koe naar de stad.
Terwijl hij de koe meevoerde, liep hij verder, en na verloop van eenigen tijd kwam hij een man voorbij, die een schaap voor zich uitdreef. Het was een goed, vet schaap, en het had goede wol.
«Dat zou ik wel willen hebben,» dacht onze boer, «het zou bij ons volop gras vinden, en gedurende den winter konden wij het bij ons in de keuken nemen. Eigenlijk zou het verkieslijker zijn een schaap in plaats van een koe te hebben... Willen wij ruilen?» vroeg hij.
Daartoe was de man met het schaap terstond bereid, en de ruiling had plaats. Onze boer ging met het schaap langs den straatweg verder.
Al spoedig werd hij andermaal een man gewaar, die den straatweg langs kwam en een groote gans onder den arm droeg.
«Dat is een zwaar ding, dat je daar hebt; het heeft veeren en vet, dat het een lust is om te zien; het zou wel aardig zijn, als dat bij ons aan een touw bij het water liep. Dat zou net zoo iets voor mijn vrouw zijn; daarvoor kon zij allerlei afval opzamelen. Hoe dikwijls heeft zij niet gezegd: als wij maar eens een gans hadden! Nu kan zij er misschien een krijgen... en komaan! zij zal er een hebben... Willen wij ruilen? Ik geef je het schaap voor de gans en een bedankje op den koop toe.»
Daar had de ander niets tegen in te brengen, en zoo ruilden zij dan. Onze boer kreeg de gans.
Nu was hij reeds dicht bij de stad: het gedrang op den straatweg nam gedurig toe; menschen en vee verdrongen elkaar: zij liepen op den straatweg langs de heggen, ja, bij den slagboom kwamen zij zelfs op het aardappelveld van een daglooner, waar zijn eenige kip aan een touw rondliep, opdat zij niet van het gedrang zou schrikken, afdwalen en wegloopen. De kip had korte veeren in haar staart, zij knipte met haar eene oog en zag er zeer schrander uit. «Klok! Klok!» zei de kip. Wat zij daarbij dacht, weet ik niet te zeggen; maar toen onze boer haar te zien kreeg, dacht hij terstond: «Dat is de mooiste kip, die ik ooit gezien heb, zij is zelfs mooier dan de broedhen van dominee. Drommels! Die kip zou ik wel willen hebben! Een kip vindt altijd wel een graantje; zij kan zich bijna geheel zelf voeden; ik geloof, dat het een goede ruil zou zijn, als ik haar voor de gans kon krijgen... Willen we ruilen?» vroeg hij den daglooner.
«Ruilen?» herhaalde deze, «ja, dat zou niet kwaad zijn!» En zoo ruilden zij. De daglooner kreeg de gans en de boer kreeg de kip.
Zoo had hij al heel wat op de reis naar de stad afgedaan; warm was het ook, en hij was moede. Aan een slokje en aan een ontbijt had hij wel behoefte; al spoedig daarop bevond hij zich bij de herberg. Hij wilde juist naar binnen gaan, toen de huisknecht er uit kwam; zij ontmoetten elkaar op den drempel. De knecht droeg een gevulden zak.
«Wat heb je daar in dien zak zitten?» vroeg de boer,
«Verrotte appelen,» antwoordde de knecht, «een heelen zak vol, genoeg voor de varkens.»
«Dat is toch een al te groote verkwisting. Dat zou ik wel eens aan mijn vrouw willen laten zien. Verleden jaar heeft de oude boom bij het turfhok maar een enkelen appel opgeleverd; die werd afgeplukt en stond op de kast, totdat hij geheel bedierf en verrotte. «Dat is toch altijd iets,» zei mijn vrouw «Wat zou zij opkijken, als zij eens een heelen zak vol zag! Ja, dat zou ik haar wel eens gunnen!»
«Wat wil je voor den zak geven?» vroeg de knecht.
«Wat ik er voor geven wil? Ik geef mijn kip daarvoor in ruil,» en hij gaf de kip in ruil, kreeg de appelen en trad daarmee de gelagkamer binnen. Den zak zette hij voorzichtig, tegen de kachel aan en ging toen naar het buffet. Maar de kachel was warm, daaraan dacht hij niet.--Er waren vele gasten aanwezig: paardenkoopers, ossendrijvers en twee Engelschen, en die Engelschen waren zoo rijk, dat hun zakken met goudstukken opgevuld waren en er bijna van barstten;--en wedden, dat zij konden! Daar zult ge eens wat van hooren!
«Ss! Ss!»--Wat was dat bij de kachel?--De appelen begonnen te braden.
«Wat is dat toch?»
«Ja, zie je,» zei onze boer, en nu vertelde hij de heele geschiedenis van het paard, dat hij tegen een koe verruild had en zoo verder tot aan de appelen.
«Nu, dan zal je vrouw wel duchtig op je knorren, als je thuis komt. Daar zit wat voor je op!» zeiden de Engelschen.
«Wat? Knorren?» zei de boer. «Een zoen zal zij mij geven en zeggen: zooals manlief doet, is het altijd goed.»
«Willen wij eens wedden?» zeiden de Engelschen. «Om gemunt goud per ton van een centenaar of honderd pond?»
«Een zak is al voldoende,» antwoordde de boer. «Ik kan er slechts mijn zak met appelen tegen zetten.»
«Aangenomen.» En de weddingschap werd aangegaan.
Het rijtuig van den kastelein kwam voor, de Engelschen en de boer stapten er in; voorwaarts ging het, en al spoedig daarop hielden zij voor het huis van den boer stil.
«Goeden avond, vrouw!»
«Goeden avond, man!»
«De ruil is gedaan.»
«Ja, jij verstaat je zaken wel!» zei de vrouw, terwijl zij hem omhelsde en noch op den zak, noch op de vreemde gasten lette.
«Ik heb een koe voor het paard geruild»
«Goddank! Nu zullen we melk krijgen en boter en kaas op de tafel! Dat was een goede ruil!»
«Ja, maar de koe heb ik weer tegen een schaap ingeruild.»
«Wel, dat is des te beter!» antwoordde zijn vrouw, «je denkt ook altijd aan alles; voor een schaap hebben wij gras genoeg; schapenmelk en schapenkaas en wollen kousen en wollen rokken! Dat geeft de koe niet, zij verliest haar haren maar. Wat denk je ook aan alles!»
«Maar het schaap heb ik weer tegen een gans verruild.»
«Zullen wij dit jaar dan werkelijk eens een gebraden gans op tafel hebben, manlief? Je denkt er altijd aan, mij een plezier te doen. Wat is dat heerlijk! De gans kunnen we aan een touw vastzetten en haar nog vetter laten worden, voordat wij haar braden.»
«Maar de gans heb ik tegen een kip verruild!» zei haar man.
«Een kip! Dat was een goede ruil!» antwoordde zijn vrouw.
«De kip legt eieren, die broedt zij uit, dan krijgen wij kuikentjes en later een heelen troep kippen! Kijk, daar heb ik al zoo lang naar verlangd!»
«Ja, maar de kip gaf ik weer voor een zak vol rotte appelen weg!»
«Wat? Nu moet ik je eens een hartelijken zoen geven!» hernam de vrouw. «Mijn lieve, beste man! Ik zal je eens wat vertellen. Zie je, toen je van morgen pas weg waart, dacht ik er over na, hoe ik tegen, van avond eens wat lekkers voor je klaar zou maken. Toen dacht ik aan spekpannekoeken met appelen. De eieren had ik al, het spek ook, maar de appelen ontbraken mij nog. Zoo ging ik dan naar meesters vrouw toe; zij heeft appelen, dat weet ik; maar meesters vrouw is gierig, al weet zij zich ook nog zoo mooi voor te doen. Ik verzocht haar, mij wat appelen te leenen. «Leenen?» gaf zij ten antwoord. «Geen enkele appel groeit er in onzen tuin, niet eens een rotte; zoo een kan ik je niet eens leenen, beste vrouw!» Maar nu kan _ik haar_ wel tien, ja een heelen zak vol leenen. Dat doet mij plezier, dat is om mij dood te lachen!»--En daarbij zoende zij hem, dat het klapte.
«Dat bevalt mij!» riepen de Engelschen als uit éen mond. «Altijd minder en toch altijd vroolijk. Dat is het geld wel waard!»
En nu betaalden zij een centenaar gouden munten aan den boer, die niet beknord, maar gezoend werd.
Ja, dat vindt altijd zijn loon, als de vrouw het inziet en het ook altijd zegt, dat de man het het beste weet en dat al wat hij doet, goed is.
Zie, dat is mijn geschiedenis. Ik heb haar reeds als kind gehoord, en nu hebt gij haar ook gehoord en weet het nu: «Zooals manlief doet, is het altijd goed!»
DE GROOTE KLAAS EN DE KLEINE KLAAS.
In zeker dorp woonden twee menschen, die beiden denzelfden naam hadden. Beiden heetten Klaas, maar de een bezat vier paarden en de ander maar een enkel paard. Om ze nu van elkaar te kunnen onderscheiden, noemde men hem, die vier paarden had, den grooten Klaas, en hem die maar één paard had, den kleinen Klaas. Nu willen we eens hooren, hoe het met beiden ging; want het is een ware geschiedenis.
De heele week door moest de kleine Klaas voor den grooten Klaas ploegen en hem zijn eenig paard leenen; dan hielp de groote Klaas hem weer met al zijn vier, doch slechts eenmaal in de week, en dat was des Zondags. Jongens! wat klapte de kleine Klaas dan met zijn zweep boven al de vijf paarden; zij waren immers op dien eenen dag zoo goed als de zijne. De zon scheen heerlijk, en al de klokken in den kerktoren luidden; de menschen hadden hun beste kleeren aangetrokken en gingen met hun gezangboek onder den arm naar de kerk, om den dominee te hooren preeken; zij zagen den kleinen Klaas, die met vijf paarden ploegde, en deze was zoo in zijn schik, dat hij al door weer met zijn zweep klapte en riep: «Voort, mijn paardjes!»
«Zoo moet je niet spreken,» zei de groote Klaas; «het eene paard is immers maar van jou.»
Maar toen er weer iemand voorbijkwam, vergat de kleine Klaas, dat hij dit niet mocht zeggen, en riep: «Voort, mijn paardjes!»
«Hoor eens! Nu moet ik je verzoeken, het niet meer te zeggen!» zei de groote Klaas weer, «want als je het nog eenmaal zegt, dan geef ik je paard een slag voor den kop, dat het dood neervalt; dan is het met hem gedaan!»
«Ik zal het waarlijk niet meer zeggen!» hernam de kleine Klaas. Maar toen er al spoedig daarop weer menschen voorbijkwamen en hem toeknikten, werd hij blijde en dacht, dat het toch wel heel deftig moest staan, dat hij zoo vijf paarden had, om zijn land te beploegen; nu klapte hij andermaal met zijn zweep en zei: «Voort, mijn paardjes»
«Ik zal je dat wel afleeren!» zei de groote Klaas en nam een knuppel en sloeg het eenige paard van den kleinen Klaas daarmee zoo duchtig voor den kop, dat het omviel en terstond dood was.
«Ach, nu heb ik geen paard meer!» zei de kleine Klaas en begon te weenen. Daarop stroopte hij het paard de huid af en liet deze goed in den wind drogen, stopte haar toen in een zak, dien hij op den schouder nam, en begaf zich naar de stad om zijn paardenhuid te verkoopen.
Hij had een verren tocht af te leggen, hij moest een groot, donker bosch door, en nu werd het een verschrikkelijk slecht weer; hij raakte heelemaal verdwaald, en voordat hij weer op den rechten weg kwam, was het avond en te ver om de stad nog te bereiken of voor den nacht naar huis terug te keeren.
Vlak aan den weg stond een groote boerenplaats; de buitenluiken voor de ramen waren gesloten; maar het licht kon daaroverheen toch naar buiten schijnen. «Daar zal men mij wel willen vergunnen, den nacht door te brengen,» dacht de kleine Klaas en ging er naar toe, om aan te kloppen.
De boerin deed de deur open; maar toen zij hoorde, wat hij wilde, zeide zij, dat hij maar zijns weegs moest gaan; haar man was niet thuis, en zij wilde aan iemand, die haar wildvreemd was, geen onderkomen verschaffen.
«Nu, dan moet ik maar buiten blijven liggen,» zei de kleine Klaas, en de boerin deed hem de deur voor den neus dicht.
Dicht daarbij stond een groote hooiberg, en tusschen deze en het huis een kleine schuur, die met een plat stroodak bedekt was.
«Daar boven kan ik wel liggen!» dacht de kleine Klaas, toen hij het dak zag. «Dat is immers een heerlijk bed. De ooievaar zal wel niet naar beneden vliegen en mij in mijn beenen bijten!» Want op het dak stond een levende ooievaar, die daar zijn nest had.
Nu klom de kleine Klaas boven op de schuur, waar hij zich neerlegde en zich al heen en weer wentelde, om toch recht gemakkelijk te liggen. De houten luiken voor de ramen waren niet heelemaal tot boven aan toe, en zoo kon hij juist in de kamer zien.
Daar stond een groote tafel gedekt, met wijn en gebraden vleesch en een heerlijken visch er op; de boerin en de koster zaten aan tafel, maar niemand anders; zij schonk hem in, en hij stak zijn vork in de visch, want dit was zijn lievelingskost.
«Kon ik daar ook maar wat van krijgen!» dacht de kleine Klaas en strekte zijn hoofd naar het raam uit. Och! welk een heerlijken koek zag hij op tafel staan! Stellig was het daar feest!
Nu hoorde hij iemand op den straatweg aankomen en naar het huis toe rijden; dat was de man der boerin, die naar huis terugkeerde.
Die man was goed genoeg; maar hij had de verwonderlijke eigenschap, dat hij geen koster kon uitstaan; als hij een koster in het oog kreeg, dan werd hij razend. Dat was ook de reden, waarom de koster naar zijn vrouw toe gegaan was, om haar een bezoek te brengen, daar hij wist, dat haar man niet thuis was; en de goede vrouw zette hem daarom het heerlijkste eten voor, dat zij maar had. Toen zij den man echter hoorden aankomen, verschrikten zij, en de vrouw verzocht den koster, in een groote leege kist te kruipen. Dat deed hij; want hij wist immers, dat de arme man het niet kon verdragen, een koster te zien. De vrouw verborg in aller ijl het heerlijke eten en den wijn in haar oven; want als haar man dit te zien gekregen had, dan zou hij zeker gevraagd hebben, wat dit moest beteekenen.
«Och, och!» zei de kleine Klaas boven op zijn schuur, toen hij het eten zag verdwijnen.
«Is er iemand daarboven?» vroeg de boer en keek naar den kleinen Klaas op. «Waarom lig je daar? Ga liever met mij mee in huis!»
Nu vertelde de kleine Klaas, hoe hij verdwaald geraakt was, en vroeg, of hij hier gedurende den nacht mocht blijven.
«Wel zeker!» zei de boer, «maar wij moeten eerst wat te eten hebben.»
De vrouw ontving beiden zeer vriendelijk, dekte de tafel en zette hun een grooten schotel met gort voor. De boer had honger en at met den meesten smaak; maar de kleine Klaas kon zich niet weerhouden, aan het heerlijke gebraden vleesch, den visch en den koek te denken, die, zooals hij wist, in den oven stonden.
Onder de tafel, aan zijn voeten, had hij den zak met de paardehuid er in neergelegd; want wij weten immers, dat hij zich ter wille daarvan op weg begeven had, om deze in de stad te verkoopen. De gort wilde hem maar niet smaken, en daarom trapte hij op zijn zak, en de droge huid in den zak maakte nu een knarsend geluid.
«Stil!» zei de kleine Klaas tegen zijn zak, maar te gelijker tijd trapte hij er weer op, en nu knarste het er nog luider dan te voren in.
«Wat heb je toch in je zak zitten?» vroeg de boer nu.
«O, dat is een toovenaar!» zei de kleine Klaas. «Hij zegt, dat wij geen gort behoeven te eten; want dat hij den heelen oven vol gebraden vleesch, visch en koek getooverd heeft.»
«Wat weerga!» zei de boer en deed nu den oven dadelijk open, waarin hij al de heerlijke, lekkere spijzen zag staan, die zijn vrouw daarin weggestopt had, maar die, zooals hij nu geloofde, de toovenaar in den zak voor hen getooverd had. De vrouw dorst niets zeggen, maar zette de spijzen terstond op de tafel neer, en zoo aten beiden van den visch, van het gebraden vleesch en van den koek. Nu trapte de kleine Klaas weer op zijn zak, zoodat de huid knarste.
«Wat zegt hij nu weer?» vroeg de boer.
«Hij zegt,» antwoordde de kleine Klaas, «dat hij ook drie flesschen wijn voor ons getooverd heeft, en dat zij daar in den hoek bij den oven staan!» Nu moest de vrouw den wijn, dien zij verborgen had, voor den dag krijgen, en de boer dronk en werd zeer vroolijk! Zulk een toovenaar, als de kleine Klaas in den zak had, zou hij wel graag gehad hebben.
«Kan hij den duivel ook te voorschijn brengen?» vroeg de boer. «Ik zou hem wel eens willen zien!»
«Ja,» zei de kleine Klaas, mijn toovenaar kan alles, wat ik verlang. Niet waar?» vroeg hij en trapte op den zak, zoodat hij knarste. «Hoor je wel? Hij zegt ja. Maar de duivel ziet er heel leelijk uit; je zult hem zeker liever niet willen zien!»
«O, ik ben volstrekt niet bang. Hoe zou hij er wel uitzien?»
«Hij zal zich precies als een koster voordoen.»
«Foei!» zei de boer, «dat is leelijk! Je moet weten, dat ik het niet kan uitstaan, een koster te zien. Maar dat doet er niet toe; ik weet immers, dat het de duivel is; dus zal ik er mij wel in schikken! Nu heb ik moed! Maar hij mag niet te dicht bij mij komen.»
«Nu, ik zal het aan mijn toovenaar vragen,» zei de kleine Klaas, trapte op den zak en hield er zijn oor aan.
«Wat zegt hij?»
«Hij zegt, dat je de kist maar moet opendoen, die daar in den hoek staat; dan zal je den duivel zien, zooals hij daarin op zijn hurken zit; maar je moet het deksel vasthouden, want anders mocht hij eens ontsnappen.»
«Wil je mij helpen om het vast te houden?» vroeg de boer en ging naar de kist toe, waarin zijn vrouw den werkelijken koster verborgen had, die daarin zat en zich doodelijk ongerust maakte.
De boer deed het deksel eventjes open en keek in de kist.
«Foei!» schreeuwde hij en deinsde terug. «Ja, nu heb ik hem gezien: hij zag er precies uit als onze koster. Dat was verschrikkelijk!»
Daarop moest er gedronken worden, en zoo dronken zij dan tot laat in den nacht.
«Dien toovenaar moet je mij verkoopen,» zei de boer. «Vraag daarvoor al wat je maar wilt. Ja, ik geef je er op staanden voet een schepel vol geld voor!»
«Neen, dat kan ik niet,» zei de kleine Klaas. «Bedenk toch, hoeveel nut ik van dezen toovenaar kan hebben.»
«Och, ik zou hem toch graag willen hebben,» vervolgde de boer en ging voort met smeeken.
«Welnu,» zei de kleine Klaas eindelijk, «daar je zoo goed geweest bent, mij van nacht een onderkomen te verschaffen, zal ik het maar doen. Je kunt den toovenaar voor een schepel vol geld krijgen.»
«Dat zul je hebben,» zei de boer. «Doch die kist daar moet je maar meenemen: ik wil haar geen uur langer in huis houden; men kan het nooit weten: misschien zit hij er nog wel in.»
De kleine Klaas gaf den boer zijn zak met de paardehuid er in en kreeg daarvoor een schepel vol geld. De boer gaf hem zelfs nog een kar, om het geld en de kist daarop mee te nemen.
«Vaarwel!» zei de kleine Klaas en reed met zijn geld en de groote kist, waarin de koster nog zat, weg.
Aan den anderen kant van het bosch was een breede, diepe rivier; het water stroomde daarin met zooveel snelheid, dat men tenauwernood tegen den stroom in kon zwemmen; men had er een groote, nieuwe brug overheen gelegd; de kleine Klaas bleef op het midden daarvan staan en zei overluid, opdat de koster het zou kunnen hooren:
«Wat moet ik nu met die lompe kist beginnen? Zij is zoo zwaar, alsof er steenen in zaten! Ik word er maar moe van, haar verder voort te rijden; ik zal haar in de rivier werpen; drijft zij naar mijn huis toe, dan is het goed, en doet zij dit niet, dan komt het er ook niet op aan.»
Nu pakte hij de kist met zijn eene hand beet en tilde haar een weinig op, alsof hij haar in het water wilde gooien.
«Och, doe dat niet!» riep de koster uit de kist. «Laat mij er eerst uit.»
«Hu!» zei de kleine Klaas en hield zich, alsof hij bang was. «Hij zit er nog in! Dan moet ik hem gezwind in de rivier werpen, om hem te verdrinken.»