Andersens Sproken en vertellingen Morgenrood

Chapter 27

Chapter 274,077 wordsPublic domain

«Daar in die nauwe straat, in dien lagen kelder woonde eens een arme knaap; van zijn kindsheid af was hij altijd bedlegerig geweest; als hij het gezondst was, kon hij het kleine vertrek een paar malen op krukken rondloopen: dat was alles. Op enkele dagen in den zomer drongen de zonnestralen gedurende een half uur tot in den kelder door; en als dan de arme knaap daar zat en zich in de zon koesterde en het roode bloed door zijn dunne vingers zag, wanneer hij deze voor de oogen hield, dan heette het, dat hij dien dag uit geweest was. Hij kende het bosch met zijn heerlijk lentegroen slechts daardoor, dat het zoontje van zijn buurman hem den eersten beuketak bracht; dien hield hij boven zijn hoofd en droomde dan, dat hij onder beuken zat, waar de zon scheen en de vogels zongen. Op zekeren lentedag bracht het zoontje van zijn buurman hem ook eenige veldbloemen; onder deze bevond zich toevallig een met den wortel er aan, en daarom werd zij in een bloempot geplant en dicht bij het bed voor het raam geplaatst. De bloem was door een gelukkige hand geplant: zij groeide, kreeg nieuwe scheuten en droeg ieder jaar bloemen. Zij werd de heerlijkste bloemtuin voor den zieken knaap, zijn kleine schat hier op aarde; hij begoot en verpleegde haar, en zorgde er voor, dat zij iederen zonnestraal tot den laatsten, die door het kleine raampje scheen, kreeg; en de bloem zelf groeide in zijn droom; want voor hem bloeide en geurde zij; tot haar wendde hij zich in den dood, toen de Heer hem riep.--Een jaar is hij nu bij God geweest; een jaar heeft de bloem vergeten voor het raam gestaan en is verdord; zij werd daarom bij het verhuizen op den vuilnishoop op de straat geworpen. En dit is de bloem, de arme, verdorde bloem, die wij in onzen bloemruiker opgenomen hebben, want deze bloem heeft meer vreugde verschaft dan de prachtigste bloem in den tuin eener koningin!»

«Maar hoe weet ge dit alles?» vroeg het kind, dat door den engel naar den hemel gedragen werd.

«Ik weet het,» zei de engel. «Want ik was zelf die kleine, zieke knaap, die op krukken liep! Mijn bloem ken ik wel!»

Het kind deed zijn oogen wijd open en keek den engel in het schoone, vroolijke gelaat; en op hetzelfde oogenblik bevonden zij zich in Gods hemel, waar vreugde en zaligheid heerschten. En God drukte het doode kind aan Zijn hart, en nu kreeg het vleugels, evenals de andere engel, en vloog aan zijn hand mee. En God drukte al de bloemen aan Zijn hart; maar de arme, verwelkte veldbloem kuste Hij; en zij kreeg een stem en zong met al de engelen, die Gods troon omzweefden, enkelen dichtbij, anderen om hen heen in groote kringen, gedurig verder en verder, in het oneindige, maar allen even gelukkig. En allen zongen zij, kleinen en grooten, het goede, gezegende kind en de arme veldbloem, die daar verwelkt gelegen had, weggeworpen in het vuilnis, onder het ontuig van den verhuisdag, in de nauwe donkere straat.

DE NIEUWE KLEEREN VAN DEN KEIZER.

Daar was eens--'t is al vele jaren geleden--een keizer, die zoo ontzaglijk veel van nieuwe kleeren hield, dat hij al zijn geld uitgaf om mooi gekleed te gaan. Hij bekommerde zich niet om zijn soldaten, hij bekommerde zich niet om den schouwburg, en hield er slechts van, uit rijden te gaan, om zijn nieuwe kleeren te laten zien. Hij had voor ieder uur van den dag een afzonderlijken rok, en, evenals men van een koning zegt, dat hij in den raad is, zoo zei men hier altijd: «De keizer is in zijn kleedkamer!»

In de groote stad, waar hij woonde, ging het zeer vroolijk toe: iederen dag vertoonden zich daar vele vreemdelingen. Op zekeren dag kwamen er ook twee bedriegers; dezen gaven zich voor wevers uit en zeiden, dat zij de mooiste stoffen, die men zich maar kon voorstellen, konden weven. De kleuren en het fatsoen waren niet alleen allerprachtigst, maar de kleeren, welke van die stoffen vervaardigd werden, bezaten de verwonderlijke eigenschap dat zij voor iedereen, die niet voor zijn ambt deugde of die oliedom was, onzichtbaar waren.

«Dat zullen wel prachtige kleeren zijn,» dacht de keizer; «als ik deze had, dan zou ik er achter kunnen komen, welke mannen in mijn rijk voor het ambt, dat zij bekleeden, niet deugen; dan zou ik de verstandigen van de dommen kunnen onderscheiden. Ja, zulke kleeren moeten er terstond voor mij geweven worden!» En hij gaf aan de beide bedriegers veel geld vooruit, opdat zij een begin met hun arbeid konden maken.

Zij stelden nu twee weefgetouwen op en deden alsof zij werkten, maar zij hadden volstrekt niets op deze weefgetouwen. Toch verlangden zij de fijnste zijde en het prachtigste goud: dit staken zij in hun eigen zakken en werkten tot laat in den nacht aan de leege weefgetouwen.

«Ik zou toch wel eens willen weten, hoe ver zij al met de kleeren zijn!» dacht de keizer. Maar het was hem werkelijk bang te moede, als hij er aan dacht, dat diegene, die dom was of niet voor zijn ambt deugde, ze niet zou kunnen zien. Nu geloofde hij wel is waar, dat hij voor zich zelf niets te vreezen had; doch hij wilde toch eerst maar een ander zenden, om eens te zien, hoe het er mee gesteld was. Alle menschen in de geheele stad wisten, welk een bijzondere kracht die kleeren bezaten, en allen waren verlangend om te zien, hoe slecht of hoe dom hun buurman was.

«Ik zal mijn ouden, eerlijken minister naar de wevers toe zenden!» dacht de keizer. «Hij kan het best beoordeelen, hoe de kleeren er uitzien; want hij bezit verstand, en niemand is beter voor zijn ambt geschikt dan hij!»

Nu trad de goede, oude minister de zaal binnen, waarin de beide bedriegers zaten en aan de leege weefgetouwen arbeidden.

«De Hemel beware mij!» dacht de oude minister en spalkte zijn oogen wijd open; «ik kan er niets van zien!» Maar dat zei hij niet.

De beide bedriegers verzochten hem naderbij te komen, en vroegen, of het geen prachtige stof en geen fraaie kleuren waren. Daarop wezen zij naar het leege weefgetouw, en de arme, oude minister spalkte zijn oogen nog wijder op; maar hij kon niets zien, want er was ook niets te zien. «Lieve hemel!» dacht hij, «zou ik nu zoo dom zijn? Dat had ik nooit gedacht, en dat mag niemand weten! Zou ik niet voor mijn ambt deugen? Neen, het gaat niet aan, te vertellen, dat ik de kleeren niet heb kunnen zien!»

«Welnu, ge zegt er niets van,» zei een der wevers.

«O, 't is prachtig, 't is allerkeurigst!» antwoordde de oude minister en keek door zijn bril. «Welk een fijne stof! Welke levendige kleuren!--Ja, ik zal tegen den keizer zeggen, dat het mij best bevalt.»

«Nu, dat doet ons genoegen,» zeiden de beide wevers, en daarop noemden zij de kleuren met name en gaven een verklaring van het zonderlinge fatsoen. De oude minister paste goed op, dat hij hetzelfde zou kunnen zeggen, als hij bij den keizer terugkwam, en dat deed hij ook.

Nu verlangden de bedriegers meer geld, meer zijde en meer goud, dat zij bij het weven moesten gebruiken. Zij staken alles in hun eigen zakken. Op het weefgetouw kwam geen enkele draad; maar zij gingen voort, evenals tot hiertoe, aan het leege weefgetouw te arbeiden.

De keizer zond er al spoedig daarop weer een anderen eerlijken staatsman naar toe, om eens te zien, hoe het met het weven ging en of zijn kleeren haast gereed waren. Het ging met dezen evenals met den eerste: hij keek al en keek al, maar omdat er behalve het leege weefgetouw niets was, kon hij ook niets zien.

«Dom ben ik niet!» dacht de man. «Dus deug ik niet voor mijn ambt. Dat is gek genoeg, maar ik moet dit niet laten blijken!» en zoo roemde hij het kleed, dat hij niet zag, en betuigde hun zijn ingenomenheid met de heerlijke kleuren en het sierlijke fatsoen. «O, 't is allerkeurigst!» zei hij tegen den keizer.

Alle menschen in de stad spraken over de prachtige kleeren.

Nu wilde de keizer ze zelf zien, terwijl ze nog op het weefgetouw waren. Met een geheele schare van uitgelezen mannen, waaronder zich ook de beide eerlijke staatslieden bevonden, die er reeds vroeger geweest waren, ging hij naar de beide listige bedriegers toe, die uit al hun macht weefden, maar zonder draden.

«Is dat niet prachtig?» zeiden de beide oude staatslieden, die er reeds eenmaal geweest waren. «Kijk eens, Uwe Majesteit! welk een keurige stof, welke schitterende kleuren!» En daarbij wezen zij naar het ledige weefgetouw, want zij dachten, dat de anderen de stof wel konden zien.

«Hoe nu?» dacht de keizer, «ik zie niets hoegenaamd! Ben ik dan zoo dom? Deug ik dan volstrekt niet voor keizer? Dat zou het verschrikkelijkste zijn, wat mij kon overkomen.»--«O, het is allerprachtigst,» zei hij daarop overluid. «Het heeft mijn allerhoogsten bijval!» En hij knikte tevreden en keek naar het leege weefgetouw; want hij wilde niet zeggen, dat hij niets kon zien. Het geheele gevolg, dat hij bij zich had, keek en keek, en wist evenmin, wat het er aan had, als al de anderen; maar zij zeiden, evenals de keizer: «O, dat is prachtig!» En zij rieden hem deze nieuwe prachtige kleeren bij gelegenheid van den plechtigen optocht, die er zou gehouden worden, voor het eerst aan te trekken. «Het is heerlijk, prachtig, schitterend!» zoo ging het van mond tot mond; men scheen er overal hoog mee ingenomen te zijn, en de keizer verleende de bedriegers den titel van keizerlijke hofwevers.

Den geheelen nacht, die vooraf ging aan den morgen, waarop de feestelijke optocht zou gehouden worden, waren de bedriegers op en hadden wel zestien lichten opgestoken. De menschen konden zien, dat zij druk bezig waren, de nieuwe kleeren van den keizer af te werken. Zij deden, alsof zij de stof van het weefgetouw afnamen, zij knipten met groote scharen in de lucht, zij naaiden met naalden zonder draden en zeiden eindelijk: «Nu zijn de kleeren klaar!»

De keizer ging er met de voornaamste heeren van zijn hof zelf naar toe, en de beide bedriegers hieven hun eenen arm in de hoogte, alsof zij iets vasthielden en zeiden: «Kijk eens! Hier is de broek! Hier is de rok! Hier is de mantel!» En zoo voort. «Het is zoo licht als spinrag; men zou zeggen, dat men niets aan het lijf had; maar dat maakt er juist het mooie van uit!»

«Prachtig!» riepen al de heeren uit; maar zij konden er niets van zien; want er was ook niets te zien.

«Gelieft Uwe Majesteit thans uw kleeren uit te trekken,» zeiden de bedriegers, «dan zullen wij ze u aantrekken, hier voor den grooten spiegel.

De keizer trok al zijn bovenkleeren uit, en de bedriegers deden, alsof zij hem ieder stuk der nieuwe kleeren, die gereed waren, aantrokken; en de keizer bekeek zich in den grooten spiegel.

«O, wat staan zij goed, wat zitten zij prachtig!» zeiden allen. «Welk een keurig fatsoen, welke schitterende kleuren! Dat is een prachtig pak!»

«Buiten staan ze met den troonhemel, die bij gelegenheid van den plechtigen optocht boven Uwe Majesteit gedragen zal worden,» meldde de opperceremoniemeester.

«Kijk maar eens, ik ben al klaar!» zei de keizer. «Staan ze mij niet goed?» En daarop begaf hij zich nogmaals naar den spiegel want het moest den schijn hebben, alsof hij zijn sierlijke kleeding daarin eens goed bekeek.

De kamerheeren, die den sleep moesten dragen, grepen met de handen naar den grond, alsof zij den sleep optilden; zij deden, alsof zij iets in de hoogte hielden; zij waagden het niet, te laten merken, dat zij niets konden zien.

Zoo ging de keizer in een plechtigen optocht onder den prachtigen troonhemel, en alle menschen op de straat en voor de ramen zeiden: «O, wat zijn de kleeren van den keizer mooi! Wat staan ze hem goed! Welk een langen sleep heeft hij er aan!» Niemand wilde laten merken, dat hij niets zag, want dan zou hij immers niet voor zijn ambt gedeugd hebben of oliedom geweest zijn. Nooit waren de kleeren van den keizer zoozeer bewonderd als dezen keer.

«Maar hij heeft immers niets aan!» zei eindelijk een klein kind. «Hoor de stem der onschuld nu eens aan!» zei zijn vader; en de een fluisterde den ander toe, wat het kind gezegd had.

«Maar hij heeft immers niets aan!» riep eindelijk het geheele volk. Dit trof den keizer; want het kwam hem voor, dat men gelijk had; maar hij dacht bij zich zelf: «Nu moet ik mij goed blijven houden!» En de kamerheeren liepen nog deftiger en droegen den sleep, die er niet was.

DE MESTKEVER.

Het lievelingspaard van den keizer kreeg een gouden beslag, een gouden hoefijzer aan iederen poot.

Maar waarom dat?

Het was een verwonderlijk mooi beest, had fijne pooten, schrandere, heldere oogen en manen, die als een sluier over zijn hals neerhingen. Het had zijn meester door kruitdamp en kogelregen gedragen, had de kogels hooren zingen en fluiten, had gebeten, geslagen en meegestreden, toen de vijanden op hem indrongen, was met zijn keizer over het gevallen paard van den vijand heengesprongen, had de kroon van goud, het leven van zijn keizer gered,--en daarom kreeg het paard van den keizer gouden hoefijzers.

Er kwam een mestkever aankruipen. «Eerst de grooten, dan de kleinen,» zeide hij; «maar in de grootte alleen zit het hem niet.» En daarbij strekte hij zijn dunne pooten uit.

«Wat moet je hebben?» vroeg de hoefsmid.

«Een gouden hoefbeslag,» antwoordde de mestkever.

«Och, je bent zeker niet wijs!» riep de smid uit. «Wil je ook een gouden hoefbeslag hebben?»

«Een gouden hoefbeslag, jawel!» zei de mestkever. «Ben ik dan niet even goed als dat groote dier daar, dat opgepast en geroskamd wordt en dat men eten en drinken voorzet? Behoor ik ook niet in den keizerlijken stal?»

«Maar waarom krijgt het paard een gouden hoefbeslag?» vroeg de smid. «Begrijp je dat niet?»

«Begrijpen?--Ik begrijp, dat het een geringschatting van mijn persoon is,» zei de mestkever; «het geschiedt om mij te krenken, en daarom ga ik ook de wijde wereld in.»

«Ga je gang maar!» zei de smid.

«Gemeene kerel, die je bent!» zei de mestkever, en toen ging hij den stal uit, vloog een klein eindje weg en bevond zich al spoedig daarop in een mooien bloemtuin, waar het van rozen en lavendel geurde.

«Is het hier niet allerprachtigst?» vroeg een der kleine insecten, die met hun roode, sterke, met zwarte stipjes bezaaide vlerkjes daarin rondvlogen. «Wat is het hier heerlijk, wat is het hier schoon!»

«Ik ben het beter gewend,» zei de mestkever. «Noem je het hier mooi. Er is niet eens een mesthoop?»

Daarop ging hij verder onder de schaduw van een groote violier: daar kroop een rups.

«Wat is de wereld toch schoon!» zei de rups. «De zon is zoo warm, alles zoo vergenoegd! En als ik eenmaal in slaap val en sterf, zooals zij het noemen, dan ontwaak ik als een kapel.»

«Wat verbeeldt je je wel,» zei de mestkever, «als kapel rond te vliegen? Ik kom uit den stal van den keizer; maar niemand daar, zelfs niet het lievelingspaard van den keizer, dat toch mijn afgelegde gouden schoenen draagt, beeldt zich zoo iets in. Vleugels krijgen! Vliegen! Ja, maar nu vliegen wij!» En hierop vloog de mestkever weg. «Ik wil mij niet ergeren, maar erger mij toch!» zei hij onder het wegvliegen.

Al spoedig daarop streek hij op een groot grasperk neer; hier lag hij een poos; eindelijk viel hij in slaap.

Een stortregen stroomde er eensklaps uit de wolken neer. De mestkever ontwaakte van het rumoer en wilde zich in den grond verschuilen, maar dit gelukte hem niet: hij werd al om en om gekeerd; nu eens dreef hij op den buik, dan weer op den rug, aan vliegen viel niet te denken;--hij twijfelde er aan, of hij wel levend van deze plaats zou wegkomen. Hij lag, waar hij lag, en bleef daar ook liggen.

Toen het weer een weinig tot bedaren gekomen was en de mestkever het water uit zijn oogen weggepinkt had, zag hij iets wits schemeren: het was een stuk linnen, dat op de bleek lag; hij ging er heen en kroop tusschen een plooi van het natte linnen. Daar lag hij wel is waar anders dan op den warmen mesthoop in den stal; maar iets beters was hier niet voorhanden, en daarom bleef hij, waar hij was, bleef er een geheelen dag, een geheelen nacht, en ook de regen bleef. Tegen den morgen kroop hij tevoorschijn; hij ergerde zich over de weersgesteldheid.

Op het linnen zaten twee kikvorschen; hun heldere, oogen straalden van louter plezier. «Wat is het heerlijk weer!» zei de eene, «hoe verfrisschend! En het linnen houdt het water zoo mooi bij elkander; het krabbelt mij in de achterpooten, alsof ik moest zwemmen.»

«Ik zou wel eens willen weten,» zei de andere, «of de zwaluw, die zoo ver rondvliegt, op haar vele reizen in het buitenland een beter klimaat dan het onze gevonden heeft. Zulk een nattigheid! Het is waarlijk, alsof men in een natte sloot lag! Wie zich daarin niet verheugt, heeft zijn vaderland niet lief.»

«Ben je dan niet in den stal van den keizer geweest?» vroeg de mestkever. «Daar is de vochtigheid warm en geurig: dat is mijn klimaat; maar dat kan men niet op reis meenemen. Is er hier in den tuin geen mesthoop, waar personen van een aanzienlijken stand zooals ik zich te huis kunnen voelen en logeeren?»

De kikvorschen begrepen hem niet of wilden hem niet begrijpen.

«Ik vraag nooit tweemaal!» zei de mestkever, nadat hij reeds driemaal gevraagd en geen antwoord gekregen had.

Daarop ging hij een eindje verder en stiet nu op een potscherf, die daar wel is waar niet had moeten liggen, maar zooals zij lag, gaf zij een goede beschutting tegen weer en wind. Hier woonden verscheidene familiën van oorwormen; deze hadden geen hooge eischen,--alleen gezelligheid. De vrouwelijke individuen zijn vol van de teederste moederliefde, en daarom prees ook iedere moeder haar kind als het schoonste en verstandigste.

«Ons zoontje heeft zich verloofd!» zei een moeder. «Het is een beste jongen. Zijn geheele streven is daarheen gericht, eenmaal in het oor van een geestelijke te komen. Zijn verloving bewaart hem voor uitspattingen! Welk een vreugde voor een moeder!»

«Onze zoon,» sprak een andere moeder, «was, zoodra hij uit het ei gekropen was, ook dadelijk in de weer; het is alles leven en vuur aan hem! Hij loopt zich de horens af! Welk een vreugde voor een moeder! Niet waar, mijnheer de mestkever?»

«Je hebt beiden gelijk!» zei de mestkever; en nu verzocht men hem, de kamer binnen te treden, zoo ver hij namelijk onder de potscherf kon komen.

«Nu zie je ook mijn klein oorwurmpje!» zeiden een derde en een vierde van de moeders. «Het zijn lieve kinderen en zij houden veel van een grapje. Zij zijn nooit ondeugend, als zij ten minste geen buikpijn hebben; maar op hun leeftijd krijgt men dat maar al te gemakkelijk!»

Op deze wijze sprak iedere moeder over haar kindertjes, en de kindertjes spraken mee en gebruikten hun kleine scharen, die zij aan den staart hebben, om den mestkever aan den baard te trekken.

«Ja, zij moeten ook altijd wat doen, die kleine schalkjes!» zeiden de moeders. Maar dat verveelde den mestkever; hij vroeg daarom, of hij nog ver van den mesthoop verwijderd was.

«Die is buiten in de wijde wereld, aan gene zijde van de sloot,» antwoordde een oorworm; «zoo ver zal, naar ik hoop, geen mijner kinderen gaan; dat zou mij den dood aandoen!»

«Zoo ver zal ik toch trachten te komen,» zei de mestkever en verwijderde zich zonder afscheid te nemen; want dat staat immers deftig.

Bij de sloot trof hij verscheidene van zijn soort aan, allemaal mestkevers.

«Hier wonen wij!» zeiden zij. «Wij hebben het hier heel gezellig! Mogen wij je ook uitnoodigen, in het vette slijk af te klimmen? De reis is zeker vermoeiend voor je geweest!»

«Zeker!» sprak de mestkever. «Ik was aan den regen blootgesteld en heb op linnen moeten liggen. Ook heb ik scheuren in mijn eenen vleugel, omdat ik onder een potscherf in den tocht gestaan heb. Het is inderdaad een waar genot voor mij, weer eens onder mijns gelijken te zijn.»

«Kom je misschien van den mesthoop?» vroeg de oudste.

«Van heel wat deftiger plaats!» zei de mestkever. «Ik kom uit den stal van den keizer, waar ik met gouden schoenen aan de pooten geboren ben; ik ben op reis ter volbrenging van een geheimen last; doch je moet mij daarover maar niet uithooren, want ik verraad het toch niet.»

Daarop klom de mestkever in het vette slijk af. Daar zaten drie jonge mestkeverinnen; zij meesmuilden, omdat zij niet wisten, wat zij zouden zeggen.

«Geen van de drie is nog verloofd,» zei de moeder; en de jonge dames meesmuilden op nieuw, ditmaal uit verlegenheid.

«Ik heb ze in de keizerlijke stallen niet mooier gezien,» zei de mestkever, terwijl hij uitrustte.

«Bederf mijn dochters niet; spreek niet tegen haar, of het moest zijn, dat je werkelijk plan op een van haar hadt!--Maar dat heb je zeker wel, en ik geef er mijn zegen op!»

«Hoera!» riepen al de andere mestkevers uit, en onze mestkever was nu verloofd. Op de verloving volgde de bruiloft dadelijk; want er bestond geen reden om deze uit te stellen.

De volgende dag verliep zeer aangenaam, de daarop volgende ook nog al; maar den derden dag moest hij reeds op voedsel voor zijn vrouw, misschien zelfs wel voor zijn kinderen bedacht zijn.

«Ik heb mij laten misleiden!» dacht de mestkever; «er blijft mij dus niets anders over, dan ze ook te misleiden!»

Zoo gezegd, zoo gedaan! Weg was hij, den heelen dag bleef hij uit, den heelen nacht bleef hij uit,--en zijn vrouw zat daar als een weduwe. «O,» zeiden de andere mestkevers, «hij, dien wij in de familie opgenomen hebben, is een echte landlooper: hij is weggegaan en laat zijn vrouw ten onzen laste achter!»

«Welnu, dan moet zij maar weer voor een meisje doorgaan,» zei de moeder, «en als mijn kind hier blijven. Schande over den booswicht, die haar verlaten heeft!»

De mestkever was ondertusschen gedurig verder gereisd en op een koolblad over de sloot gezeild. Den volgenden morgen kwamen er twee personen bij de sloot; toen zij hem zagen, tilden zij hem op, draaiden hem om en om, stelden zich beiden heel geleerd aan, inzonderheid een van hen,--een jongen. «Allah ziet de zwarte mestkevers in den zwarten steen, in de zwarte rots! Niet waar, zoo staat er in den Koran geschreven?» Daarop vertaalde hij den naam van den mestkever in het Latijn en verdiepte zich in diens geslacht en aard. De tweede persoon, een oudere geleerde, was er voor, hem mee naar huis te nemen; zij hadden daar, zei hij, even goede exemplaren noodig, en dat--zoo kwam het onzen mestkever voor,--was niet beleefd gesproken, en daarom vloog hij hem plotseling uit de hand. Daar hij nu droge vleugels had, vloog hij een vrij groot eind voort en bereikte den mesthoop, waarop hij plaats nam en zich in den verschen mest begroef.

«Hier is het heerlijk!» zei hij.

Al spoedig daarop viel hij in slaap, en nu droomde hij, dat het lievelingspaard van den keizer doodgevallen was en hem zijn gouden hoefijzers gegeven en de belofte gedaan had, zijn andere twee pooten ook te laten beslaan.

Dat was zeer aangenaam. Toen de mestkever wakker werd, kroop hij te voorschijn en keek eens in het rond. Welk een pracht heerschte er op den mesthoop! Op den achtergrond groote palmen, die zich hoog verhieven; de zon maakte, dat zij doorzichtig schenen, en wat was daaronder een menigte groen en frissche bloemen, rood als vuur, geel als barnsteen, wit als versch gevallen sneeuw!

«Dat is een onvergelijkelijke plantenpracht; dat zal smaken, als het verrot!» zei de mestkever. «Dat is een goede provisiekamer. Hier wonen zeker bloedverwanten; ik zal eens zien, of ik iemand vind, met wien ik omgang kan hebben. Trotsch ben ik; dat is mijn trots!» En nu drentelde hij over den mesthoop rond en dacht aan zijn schoonen droom van het doode paard en de geërfde hoefijzers.

Daar pakte een hand den mestkever eensklaps beet, drukte hem en draaide hem om en om.