Andersens Sproken en vertellingen Morgenrood
Chapter 26
«Schoonheid is toch iets hoogers!» zei de appeltak. «Slechts de uitverkorenen komen in het rijk van het schoone! Er bestaat een onderscheid tusschen de verschillende planten, evenals er een onderscheid tusschen de verschillende menschen bestaat!»
De zonnestraal sprak van Gods oneindige liefde, die zich in het geschapene openbaart, en van alles, wat leven heeft, en van de gelijke verdeeling van alle dingen in tijd en eeuwigheid.
«Ja, dat is nu uw meening!» zei de appeltak.
Er kwamen menschen in de kamer, en de jonge schoone gravin kwam ook; zij, die den appeltak in de doorzichtige vaas neergezet had, waar het zonlicht scheen; zij bracht een bloem, of wat het anders wezen mocht, mee, het voorwerp werd door drie of vier groote bladeren verborgen gehouden, die als een zakje daaromheen zaten, opdat geen tocht of windvlaag daaraan schade zou toebrengen, en het werd zoo voorzichtig gedragen, als dit met een appeltak nooit gebeurd was. Voorzichtig werden nu de groote bladeren verwijderd, en men zag de fijne, gevederde zaadkroon van de gele, verachte paardenbloem. Deze was het, die zij zoo voorzichtig afgeplukt had, zoo zorgvuldig droeg, opdat niet een van de vele fijne vezeltjes, waaruit zij bestaat en die los zitten, zou wegwaaien. Ongedeerd droeg zij deze en bewonderde haar schoonen vorm, haar eigenaardig samenstel, haar schoonheid, die zoo in den wind zou verwaaien.
«Zie eens, hoe verwonderlijk liefelijk God haar gemaakt heeft!» zeide zij. «Ik wil haar met den appeltak tegelijk uitschilderen; dezen vinden allen zoo onbeschrijfelijk schoon, maar ook deze arme bloem heeft op een andere wijze even veel van den goeden God gekregen; hoe verschillend zij ook wezen mogen, toch zijn zij beiden kinderen in het rijk der schoonheid!»
De zonnestraal kuste de verachte bloem en den bloeienden appeltak, welks bladeren daarbij schenen te blozen.
HET IS STELLIG WAAR!
«Dat is een ontzettende geschiedenis!» zei een kip, en zij zeide het in een stadswijk, waar de geschiedenis niet voorgevallen was. «Dat is een ontzettende geschiedenis in het kippenhok! Ik kan van nacht niet alleen slapen! Het is goed, dat er velen van ons op den stok bij elkaar zitten!»--En nu vertelde zij zoo iets verschrikkelijks, dat de andere kippen de veeren te berge rezen en de haan zijn kam liet hangen. Het is stellig waar!
Maar wij willen met het begin beginnen, en dit is in een kippenhok in een andere stadswijk te zoeken. De zon ging onder, en de kippen vlogen op haar stok; een kip met witte veeren en met korte pooten legde haar eieren zeer geregeld en was in alle opzichten een achtenswaardige kip; terwijl zij op den stok vloog, plukte zij zich met den snavel en viel er haar een veertje uit.
«Daar vliegt het weg!» zeide zij, «hoe meer ik mij pluk, des te mooier word ik!» Zij zeide dit op vroolijken toon; want zij was de vroolijkste van al de kippen; overigens was zij, zooals gezegd is, zeer achtenswaardig, en nu viel zij in slaap.
Donker was het in het rond; de eene kip zat naast de andere, maar die, welke het dichtst bij de vroolijke zat, sliep niet; zij hoorde en hoorde ook niet, zooals men immers in deze wereld moet doen, om rustig en kalm te leven; maar aan haar andere buurvrouw moest zij het toch eens vertellen: «Heb je wel gehoord, wat er hier gezegd is? Ik wil geen namen noemen, maar er is hier een kip, die zich de veeren wil uitplukken, om er goed uit te zien! Als ik een haan was, dan zou ik haar verachten!»
Vlak tegenover de kippen zat de uil met de uilenmoeder en de uilenkinderen; die familie heeft scherpe ooren, zij hoorden allen ieder woord, dat de naburige kip sprak; en zij lieten hun oogen rollen, en de uilenmoeder sloeg met de vleugelen en zeide: «Slaat er maar geen acht op! Maar je hebt toch wel gehoord, wat daar gezegd werd? Ik heb het met mijn eigen ooren gehoord, en men moet veel hooren, voordat zij iemand afvallen! Daar is er een onder de kippen, die zoozeer vergeten heeft, wat voor een kip passend is, dat zij al haar veeren uitplukt en het den haan laat zien!»
«_Prenez garde aux enfants!_» zei de uilenvader, «dat is niet geschikt voor kinderooren!»
«Ik zal het toch eens aan den naburigen uil vertellen; dat is een uil, die zeer achtbaar in den omgang is!» antwoordde de uilenmoeder, en daarop vloog zij weg.
«Hu, hu, uhu!» krasten zij beiden in de duiventil van den buurman, zoodat de duiven het hoorden. «Heb je het gehoord? Heb je het gehoord? Uhu: Er is een kip, die zich ter wille van den haan al de veeren uitgeplukt heeft, zij zal wel doodvriezen, als zij al niet doodgevroren is. Uhu!»
«Waar? waar?» kirden de duiven.
«Op de plaats van den buurman! Ik heb het zoo goed als zelf gezien. Het is bijna ongepast, de geschiedenis te vertellen. Het is stellig waar!»
«Gelooft, gelooft ieder woord!» zeiden de duiven en zij kirden de kippen toe: «Er is een kip, ja, eenigen zeggen, dat er twee zijn, die zich alle veeren uitgeplukt hebben, om er niet even als de anderen uit te zien, en om de opmerkzaamheid van den haan te trekken. Dat is een gewaagd spel; men kan dan kou vatten en aan de koorts sterven, en zij zijn beiden gestorven!»
«Wordt wakker, wordt wakker!» kraaide de haan en vloog op de plank; de slaap zat hem nog in de oogen, maar hij kraaide toch: «Drie kippen zijn door een ongelukkige liefde voor een haan gestorven! Zij hadden al haar veeren uitgeplukt! Dat is een verschrikkelijke geschiedenis; ik wil haar niet voor mij zelf houden; zij mag gerust verspreid worden!»
«Laat zij bekend worden!» zeiden de vleermuizen, en de kippen kakelden en de hanen kraaiden: «Laat zij bekend worden! Laat zij bekend worden!» En zoo ging de geschiedenis van kippenhok tot kippenhok, en kwam eindelijk op de plaats terug, vanwaar zij eigenlijk uitgegaan was.
«Vijf kippen,» heette het, «hebben zich alle veeren uitgeplukt, om te toonen, wie van haar van liefde voor den haan het magerst geworden is,--en toen vochten zij duchtig met elkaar en vielen dood neer, tot spot en schande voor haar familie, tot groot verlies van den bezitter!»
De kip, die het losse veertje verloren had, herkende haar eigen geschiedenis daarin natuurlijk niet meer, en daar zij een fatsoenlijke kip was, zeide zij: «Ik veracht die kippen; maar er zijn er verscheidene van dien aard! Zoo iets moet men niet verzwijgen, en ik zal er het mijne toe bijdragen, dat de geschiedenis in de krant komt, dan worden zij door het geheele land bekend, en dat hebben de kippen wel verdiend en haar familie ook.»
Het kwam in de krant, het werd gedrukt, en het is stellig waar; een klein veertje kan wel tot vijf kippen aangroeien!
DE ELFENHEUVEL.
Eenige groote hagedissen liepen vlug in de spleten van een ouden boom rond; zij konden elkaar goed verstaan, want ze spraken de hagedissentaal.
«Wat is er een rumoer en een gebrom in den ouden elfenheuvel!» zei een der hagedissen. «Ik heb van het leven al in twee nachten geen oog dicht kunnen doen: ik kon even goed kiespijn hebben, want dan slaap ik ook niet.»
«Daar binnen is iets aan 't handje!» zei een andere hagedis. «Zij laten den heuvel, totdat 's morgens de haan kraait, op vier roode palen staan; hij wordt goed gelucht; en de elfenmeisjes hebben nieuwe dansen geleerd. Daar is iets aan 't handje!»
«Ja, ik heb er met een regenworm van mijn kennis over gesproken,» zei een derde hagedis; «de regenworm kwam regelrecht uit den heuvel, waar hij dag en nacht in de aarde gewoeld had; die had veel en velerlei gehoord; zien kan hij wel is waar niet, dat ellendige dier, maar voelen en luisteren kan hij goed. Zij verwachten vreemdelingen in den elfenheuvel, deftige vreemdelingen; maar wie, dat wilde de regenworm niet zeggen, of hij wist het niet. Al de dwaallichten zijn besteld, om een fakkeltocht te houden, zooals men het noemt; het zilver en goud, waarvan genoeg in den heuvel voorhanden is, wordt opgepoetst en in den maneschijn tentoongesteld.»
«Wie zouden die vreemdelingen wel zijn?» vroegen al de hagedissen. «Wat zou er toch aan 't handje zijn? Hoor eens, hoe het gonst! Hoor eens, hoe het bromt!»
Op hetzelfde oogenblik ging de elfenheuvel open, en nu kwam er een oude elf uittrippelen; het was de huishoudster van den ouden elfenkoning; zij was een verre bloedverwante van de familie en droeg een hart van barnsteen voor het voorhoofd. Haar beenen bewogen zich zoo vlug: trip, trip! Sakkerloot! Wat kon zij trippelen! Zij ging regelrecht naar het moeras naar den nachtuil toe. [16]
«Ge wordt op den elfenheuvel uitgenoodigd, en wel tegen van avond,» zeide zij, «maar wilt ge ons eerst niet een dienst bewijzen en het doen van uitnoodigingen op u nemen? Gij moet ook iets doen, daar gij zelf geen gasten ontvangt. Wij krijgen eenige deftige vrienden, toovenaars, die iets te beteekenen hebben, en daarom wil de elfenkoning zich vertoonen!»
«Wie moeten er uitgenoodigd worden?» vroeg de nachtuil.
«Op het groote bal kan iedereen komen, zelfs menschen, wanneer zij slechts in den slaap spreken of iets dergelijks kunnen doen, wat in onzen geest valt. Maar bij het eerste feest moet er een strenge keuze gedaan worden; wij willen alleen de allervoornaamsten hebben. Ik heb er met den elfenkoning woorden over gehad; want ik dacht, dat wij niet eens spoken konden toelaten. De zeegeest en zijn dochters moeten het eerst uitgenoodigd worden. Zij zullen het wel niet plezierig vinden, op het droge te komen; maar zij zullen wel een natten steen om op te zitten of nog iets beters krijgen, en dan, denk ik, zullen zij voor dezen keer wel niet bedanken. Al de oude demonen van de eerste klasse met staarten, den alruin en de kobolden moeten wij hebben, en dan kunnen wij, dunkt mij, het grafzwijn, het doodenpaard, [17] en den kerkdwerg ook niet weglaten; zij behooren wel is waar tot de geestelijkheid, die niet tot de onzen gerekend wordt; maar dat is slechts hun ambt; zij zijn toch nauw aan ons verwant en leggen druk bezoeken bij ons af.»
«Goed!» zei de nachtuil en vloog weg, om de uitnoodigingen te doen.
De elfen dansten reeds op den elfenheuvel, en zij dansten met sjaals, die uit nevel en maneschijn geweven waren, en dat staat heel mooi voor hen, die daarvan houden. Midden in den elfenheuvel was de groote zaal prachtig opgesierd; de vloer was met maneschijn geschrobd en de muren waren met heksenvet afgewreven, zoodat zij als tulpebladeren in het licht fonkelden. In de keuken waren volop kikvorschen aan het braadspit, slakkehuiden met kindervingers er in, sla van paddestoelen, vochtige muizesnoeten en dolle kervel, bier van het brouwsel der moerasvrouw, fonkelende salpeterwijn uit grafkelders, alles overheerlijk; verroeste spijkers en kerkramenglas behoorden tot de lekkernijen.
De oude elfenkoning liet zijn gouden kroon met het afschraapsel van tufsteen oppoetsen; het was best tufsteenschraapsel, en het is voor den elfenkoning zeer moeilijk, tufsteenschraapsel te verkrijgen. In de slaapkamer werden de gordijnen opgehangen en met slakkenslijm vastgemaakt. Ja, er heerschte een geducht gegons en gebrom.
«Nu moet er hier met paardenharen en zwijnenborstels gerookt worden, dan geloof ik het mijne gedaan te hebben,» zei de huishoudster.
«Vaderlief!» zei de jongste der dochters; «mag ik nu ook weten, wie de deftige vreemdelingen zijn?»
«Nu ja,» zei hij, «nu moet ik het wel zeggen. Twee van mijn dochters moeten zich op het huwelijk voorbereid houden; twee zullen er zeker trouwen. De oude kobold uit Noorwegen, die in het oude Dovre-gebergte woont en vele klippenkasteelen van veldsteenen en een gouden sieraad bezit, dat beter is dan men wel denkt, komt met zijn beide zonen, die een vrouw moeten uitzoeken, hier naar toe. De oude kobold is een echte, oude, eerlijke Noorweegsche grijsaard, vroolijk en eenvoudig; ik ken hem uit vroegere dagen, toen wij broederschap met elkander dronken; hij was hier om zijn vrouw af te halen; nu is zij dood; zij was een dochter van den koning der krijtrotsen van Möen. Hij nam zijn vrouw op krijt, zooals men pleegt te zeggen. O, wat verlang ik naar den Noorweegschen ouden kobold! Zijn zonen moeten, naar men zegt, nog al ondeugende, neuswijze jongens zijn; maar men kan hun wel ongelijk aandoen, en zij zullen wel beter worden, als zij wat ouder zijn. Ik hoop, dat je hen beleefd zult behandelen!»
«En wanneer komen zij?» vroeg een der dochters.
«Dat hangt van weer en wind af,» zei de elfenkoning. «Zij komen met scheepsgelegenheid hier naar toe. Ik wilde, dat zij over Zweden zouden gaan; maar de oude man had daar geen ooren naar. Hij gaat niet met zijn tijd mee, en dat kan ik niet velen!»
Daar kwamen twee dwaallichtjes aanhuppelen, het eene vlugger dan het andere, en daarom kwam het eene het eerst.
«Zij komen, zij komen!» riepen beiden uit.
«Geef mij mijn kroon en laat mij in den maneschijn staan!» zei de elfenkoning.
Zijn dochters hieven haar sjaals in de hoogte en bogen zich tot op den grond.
Daar stond de grijze kobold van Dovre met de kroon van geharde ijsklompen en gepolijste pijnappels; overigens had hij een berenpels en groote warme laarzen aan; zijn zonen daarentegen liepen met blooten hals en met broeken zonder bretels, want het waren krachtige mannen.
«Is dat een heuvel?» vroeg de kleinste der jongelingen en wees naar den elfenheuvel. «Dat noemen wij bij ons in Noorwegen een gat.»
«Wel, jongen!» zei de grijsaard. «Een gat gaat naar binnen, en een heuvel gaat naar boven. Heb je dan geen oogen in je hoofd?»
Het eenige, wat hun verwondering hier wekte, zeiden zij, was, dat zij de taal konden verstaan.
«Men zou haast denken,» zei de grijsaard, «dat je niet goed uitgeslapen waart.»
En nu gingen zij den elfenheuvel in, waar het waarlijk deftige gezelschap zich reeds verzameld had, en wel met zulk een haast, dat men zou denken, dat zij samengewaaid waren. Maar voor iedereen was het keurig en netjes ingericht. De zeemeerminnen zaten in groote tobben aan tafel; zij zeiden, dat het precies was, alsof zij thuis waren. Allen namen de tafelwetten in acht, alleen de beide kleine Noorsche kobolden niet; deze legden hun beenen op de tafel; want zij dachten, dat alles hun goed stond.
«De voeten van het tafellaken af!» zei de oude kobold, en nu gehoorzaamden zij wel is waar, maar toch niet terstond. De dames, die naast hen aan tafel zaten, kittelden zij met pijnappels, die zij in den zak bij zich droegen, en toen trokken zij hun laarzen uit, om gemakkelijker te zitten. Maar hun vader, de oude kobold van Dovre, was een heel ander man; hij vertelde zoo mooi van de trotsche Noorsche rotsen en van watervallen, die wit schuimend met een gedruisch als donderslagen en orgelgeluid neerstortten; hij vertelde van den zalm, die tegen de neervallende wateren opspringt, als de reus op de gouden harp speelt; hij vertelde van de heldere winternachten, wanneer de bellen der sleden klinken en de jongens met brandende fakkels over het ijs loopen, dat zoo doorzichtig is, dat zij de verschrikte visschen onder hun voeten zien zwemmen. Ja, hij kon zoo vertellen, dat men zag, wat hij beschreef; het was juist zoo, alsof er zaagmolens maalden, alsof er jongens en meisjes liedjes zongen en dansten. En nu gaf de oude kobold aan de oude elf een hartelijken kus. En toch bestonden zij elkaar niet.
Nu moesten de elfen dansen, en dat zoowel eenvoudig als met stampen. Dat ging haar goed af, en toen kwam de kunstmatige dans. O, wat konden zij haar beenen ver uitsteken; men wist niet, waar het einde en waar het begin was, wist niet, wat armen en wat beenen waren; dat ging alles zoo wonderlijk door elkaar; en toen draaiden zij zoo hard in de rondte, dat het doodenpaard en het grafzwijn er misselijk van werden en van tafel moesten gaan.
«Sakkerloot!» zei de oude kobold, «wat kunnen zij die beenen wonderlijk door elkaar haspelen! Maar wat kunnen zij meer dan dansen, de beenen uitstrekken en wervelwind maken?»
«Dat zult ge spoedig te weten komen,» zei de elfenkoning. En toen riep hij de oudste van zijn dochters. Zij was zoo behendig en klaar als maneschijn; zij was de knapste van al de zusters. Zij nam een witten spaander in den mond, en toen was zij geheel verdwenen: dat was haar kunst.
Maar de oude kobold zei, dat hij deze kunst bij zijn vrouw niet zou willen dulden, en hij geloofde ook niet, dat zijn jongens daarvan hielden.
De andere kon zich zelf ter zijde gaan, alsof zij een schaduw had, en die hebben de kobolden niet.
De derde was van een heel andere soort; zij had in de brouwerij der moerasvrouw geleerd, en zij was het, die er verstand van had, elzenhout met glimwormpjes te lardeeren.
«Dat zou een goede vrouw zijn,» zei de oude kobold, en daarop knikte hij haar toe.
Nu kwam de vierde; die had een groote harp om te spelen; en toen zij de eerste snaar aansloeg, tilden allen het linkerbeen op; want de kobolden zijn linksch, en toen zij de tweede snaar aansloeg, moesten allen doen, wat zij wilde.
«Dat is een gevaarlijke vrouw!» zei de oude kobold; maar zijn beide zonen gingen den heuvel uit, want nu hadden zij er genoeg van.
«En wat kan uw dochter, die nu volgt?» vroeg de grijze kobold.
«Ik heb geleerd, Noorwegen lief te hebben,» zeide zij, «en nimmer zal ik trouwen, als ik niet naar Noorwegen kan gaan.»
Maar de jongste der zusters fluisterde den grijsaard toe: «Dat is maar, omdat zij uit een Noorweegsch lied gehoord heeft, dat, als de wereld vergaat, de Noorsche klippen toch als gedenksteenen zullen blijven staan, en daarom wil zij er naar toe, want zij is erg bang voor den dood.»
«Wel zoo!» zei de oude kobold, «was het zoo gemeend? Maar wat kan de zevende en laatste?»
«De zesde gaat voor de zevende!» zei de elfenkoning, want hij kon goed rekenen; maar de zesde wilde niet recht voor den dag komen.
«Ik kan de menschen slechts de waarheid zeggen,» zeide zij. «Om mij bekommert niemand zich, en ik heb er genoeg mee te doen, mijn lijkkleed te naaien.»
Nu kwam de zevende en laatste, en wat kon die? Ja, die kon sprookjes vertellen, en wel zooveel, als zij maar wilde.
«Hier zijn mijn vijf vingers,» zeide de oude kobold; «vertel mij er nu een van elken vinger!»
En zij greep hem om zijn pols vast, en hij lachte, dat hij schudde, en toen zij aan den ringvinger kwam, die een gouden ring om zijn lijf had, alsof hij al wist, dat er een verloving zou plaats hebben, zei de oude kobold: «Houd vast, wat ge hebt; deze hand behoort aan u toe; u wil ik zelf tot vrouw hebben!»
En het elfenmeisje zei, dat het sprookje van den ringvinger en van den pink nog ontbraken.
«Die zullen wij van den winter wel hooren,» zei de oude kobold, «en van den denneboom zullen wij hooren en van den berk en van de geestengeschenken en van den vorst! Gij moet maar vertellen; want daar heeft niemand bij ons zoo goed den slag van!--En dan zullen wij in de steenen kamer, waarin pijnhout brandt, zitten en mee uit de gouden horens der oude Noorweegsche koningen drinken; de reus heeft mij een paar gegeven; en als wij daar zitten, dan komt de heks een bezoek afleggen; zij zingt voor u al de liedjes der herdersmeisjes in het gebergte. Dat zal vroolijk worden! De zalm zal tegen den waterval opspringen en met zijn staart tegen de steenen muren aanslaan; maar hij komt er toch niet in!--Ja, het is plezierig wonen in het lieve, oude Noorwegen! Maar waar zijn de jongens?»
Ja, waar waren die? Zij liepen op het veld rond en bliezen de dwaallichtjes uit, die zoo goedhartig geweest waren om den fakkeltocht te brengen.
«Waarom loop je toch zoo rond te dwalen?» vroeg de oude kobold. «Ik heb mij een moeder voor je genomen, nu kun jelui een van de tantes nemen.»
Maar de jongens zeiden, dat zij het liefst een redevoering wilden houden en op de verbroedering drinken; in trouwen hadden zij geen lust.--En nu hielden zij redevoeringen, dronken op hun verbroedering en deden de nagelproef, om te bewijzen, dat zij hun glazen leeggedronken hadden. Later trokken zij hun jassen uit en legden zich op de tafel neer, om te slapen, want zij maakten geen omslag. Maar de oude kobold danste met zijn jonge bruid de kamer rond en wisselde laarzen met haar; want dat staat deftiger, dan ringen te wisselen.
«Nu kraait de haan!» zei de oude elf, die het huishouden waarnam. «Nu moeten wij de luiken sluiten, opdat de zon ons niet verbrande!»
En nu sloot de heuvel zich.
Maar buiten liepen de hagedissen in den gebarsten boom op en neer, en de eene zei tegen de andere:
«O! wat is die Noorweegsche oude kobold mij uitmuntend bevallen!»
«Mij bevallen de jongens beter!» zei de regenworm. Maar hij kon immers niet zien, het ellendige dier!
DE ENGEL.
«Zoo dikwijls een goed kind sterft, daalt er een engel uit den hemel op de aarde neer, neemt het doode kind in zijn armen, spreidt zijn groote, witte vleugelen uit, vliegt over alle plaatsen, die het kind heeft liefgehad, en plukt een handvol bloemen, waarmee hij naar God opstijgt, opdat zij daar nog schooner dan op aarde mogen bloeien. De goede God drukt al de bloemen aan Zijn hart, maar de bloem, welke Hem het liefst is, geeft Hij een kus, en dan krijgt zij een stem en kan in het groote hemelkoor meezingen!»
Dat alles vertelde een engel Gods, terwijl hij een dood kind naar den hemel droeg, en het kind hoorde hem aan, als ware het in den droom; en zij vlogen voort over die plekjes, waar de kleine gespeeld had, en kwamen door tuinen met heerlijke bloemen.
«Welke bloem zullen wij nu meenemen en in den hemel planten?» vroeg de engel.
Daar stond een slank, prachtig rozeboompje, maar een moedwillige hand had den stam geknakt, zoodat al de takken vol half ontplooide knopjes er verdord aan hingen.
«Dat arme rozeboompje!» zei het kind. «Neem het mede, opdat het daarboven bij God moge bloeien!»
En de engel nam het, kuste het kind daarvoor, en de kleine deed zijn oogen half open. Zij plukten van de prachtigste bloemen, maar namen ook het verachte boterbloempje en het wilde vergeet-mij-nietje mee.
«Nu hebben wij bloemen!» zei het kind, en de engel knikte; maar hij vloog nog niet naar God op. Het was nacht, het was doodstil; zij bleven in de groote stad en zweefden in een der nauwe straten rond, waar hoopen stroo, asch en vuilnis lagen; het was verhuisdag geweest. Daar lagen scherven van borden, stukken gips, lompen, oude hoeden en alles, wat als nutteloos weggeworpen was.
De engel wees te midden van deze verwarring naar eenige scherven van een bloempot en naar een klomp aarde, die er uitgevallen was en door de wortels van eene groote, verdorde veldbloem, die niets waard was en die men daarom op straat geworpen had, bij elkaar gehouden werd.
«Die zullen wij nog meenemen!» zei de engel. «Ik zal je vertellen waarom, terwijl wij verder vliegen!»
Zij vlogen voort, en de engel vertelde nu: