Andersens Sproken en vertellingen Morgenrood

Chapter 24

Chapter 244,275 wordsPublic domain

«Toch moeten wij van elkaar scheiden!» zei de jonkman. «Je broer mag ons niet lijden, daarom zendt hij mij met een boodschap ver over bergen en zeeën heen. Vaarwel, mijn lieve bruid! Want dat ben je immers!»

Daarop kusten zij elkander, en het meisje weende en gaf hem een roos. Maar voordat zij hem deze overreikte, drukte zij er zulk een vasten en innigen kus op, dat de bloem openging. Nu vloog de kleine elf daarin en leunde met zijn hoofd tegen de fijne, geurige muren; hier kon hij goed hooren, dat zij elkaar een laatst vaarwel toeriepen. Hij gevoelde, dat de roos haar plaats op de borst van den jonkman kreeg.--O, wat klopte toch het hart daarbinnen! De kleine elf kon niet in slaap komen, zoo klopte het.

Maar niet lang bleef de roos ongestoord op de borst zitten. De jonkman nam haar er af, en terwijl hij eenzaam in het donkere bosch liep, kuste hij de bloem, o, zoo dikwijls en zoo hartstochtelijk, dat de kleine elf bijna doodgedrukt werd. Hij kon door het blad heen voelen, hoe de lippen van den man brandden, en de roos zelf had zich, als bij de sterkste middagzon, geopend.

Daar kwam een ander man aan, die er norsch en boosaardig uitzag; het was de slechte broeder van het lieve meisje. Deze haalde een scherp mes te voorschijn, en terwijl de jonkman de roos kuste, stak de slechte man hem dood, sneed hem het hoofd af en begroef dit met het lichaam in de zachte aarde onder den lindeboom.

«Nu is hij vergeten en weg!» dacht de slechte broeder; «hij komt nooit meer terug. Een verre reis zou hij doen, over bergen en zeeën; daarbij kan men licht het leven verliezen, en dat heeft hij verloren. Hij komt niet meer terug, en mij zal mijn zuster wel niet naar hem vragen.»

Daarop schoof hij met zijn voet dorre bladeren over de losse aarde heen en keerde in den donkere nacht naar huis terug.

Maar hij ging niet alleen, zooals hij dacht: de kleine elf vergezelde hem. Deze zat in een verdord, ineengerold lindeblad, dat den boozen man, toen hij zijn slachtoffer begroef, in het haar gevallen was. De hoed was nu daar overheen gezet, het was daarin stikdonker; en de elf sidderde van schrik en toorn over de slechte daad.

In den morgenstond kwam de booze man te huis; hij zette zijn hoed af en trad de slaapkamer van zijn zuster binnen. Daar lag het schoone, bloeiende meisje en droomde van hem, dien zij zoo hartelijk liefhad en van wien zij nu dacht, dat hij over bergen en door bosschen ging. En haar booze broeder boog zich over haar heen en lachte hatelijk, zooals slechts een duivel kan lachen. Daar viel het dorre blad uit zijn haar op de dekens neer; maar hij merkte dit niet en ging de kamer uit, om in den morgenstond zelf een weinig te slapen. Maar de elf sloop uit het verdorde blad, zette zich in het oor van het slapende meisje neer en vertelde haar, als in een droom, den verschrikkelijken moord, beschreef haar de plaats, waar haar broeder haar minnaar vermoord en diens lijk onder den grond gestopt had, vertelde van den bloeienden lindeboom, die daar dicht bij stond, en zei: «Opdat ge niet zoudt denken, dat het maar een droom is, wat ik u verteld heb, zult ge op uw bed een verdord blad vinden!» En dat vond zij ook, toen zij wakker werd.

O, welke bittere tranen stortte zij! Het raam stond den heelen dag open, de kleine elf kon gemakkelijk bij de rozen en al de overige bloemen in den tuin komen. Maar hij kon het niet van zich verkrijgen, de bedroefde te verlaten. Voor het raam stond een boompje met maandrozen; in een der bloemen zette hij zich neer en sloeg een blik op het ongelukkige meisje. Haar broeder kwam dikwijls in de kamer en scheen, ondanks zijn booze daad, altijd vroolijk; maar zij durfde geen enkel woord over haar harteleed te zeggen.

Zoodra het donker werd, sloop zij het huis uit, ging in het bosch naar de plaats, waar de lindeboom stond, nam de bladeren van den grond, groef dezen op en vond hem, die vermoord was, terstond. O, wat weende zij en hoe bad zij den goeden God, dat zij nu ook spoedig mocht sterven!

Gaarne zou zij het lijk met zich meegenomen hebben, maar dat kon zij niet. Nu nam zij het bleeke hoofd met de gesloten oogen, kuste den kouden mond en schudde de aarde uit zijn haar. «Dat zal ik behouden!» zeide zij. En toen zij aarde en bladeren op het lijk neergelegd had, nam zij het hoofd en een takje van de jasmijn, die in het bosch bloeide, waar hij begraven was, met zich mee naar huis.

Zoodra zij haar kamer binnentrad, nam zij den grootsten bloempot, die er te vinden was; daarin deed zij het doode hoofd, wierp er aarde overheen en plantte het jasmijntakje toen in den pot.

«Vaarwel! Vaarwel!» fluisterde de kleine elf; hij kon het niet langer verdragen, al deze smart te zien, en vloog daarom naar zijn roos in den tuin toe. Maar deze was uitgebloeid; er hingen nog slechts verdorde bladeren aan den groenen steel.

«Ach, hoe spoedig is het toch met het schoone en goede voorbij!» zei de elf met een zucht. Eindelijk vond hij weer een roos; deze werd zijn huis; achter haar fijne en geurige bladeren kon hij wonen.

Alle morgens vloog hij naar het raam van het ongelukkige meisje; zij stond altijd bij den bloempot en weende. De zilte tranen vielen op het jasmijntakje neer, en terwijl zij met den dag al bleeker en bleeker werd, stond het takje daar gedurig frisscher en groener; de eene scheut sproot na den anderen uit; kleine, witte knoppen bloeiden er, en deze kuste zij. Maar de booze broeder berispte zijn zuster en vroeg haar, of zij gek geworden was. Hij kon het niet dulden en niet begrijpen, waarom zij altijd over den bloempot weende. Hij wist immers niet, welke oogen daarin gesloten en welke roode lippen daarin tot stof geworden waren. En zij boog haar hoofd over den bloempot heen, en de kleine elf van de roos vond haar daar slapende. Nu zette hij zich in haar oor neer, vertelde haar van dien avond in het prieel, van den geur der roos en van de liefde der elfen. Zij droomde overheerlijk, en terwijl zij droomde, ontvlood haar het leven; zij was zacht en kalm ontslapen; zij was bij hem, dien zij liefhad, in den hemel.

En de jasmijn opende haar groote, witte klokjes; zij gaven een bijzonder heerlijken geur van zich; anders konden zij niet over de dooden weenen.

Maar de booze broeder bekeek het prachtig bloeiende boompje, nam het als een erfgoed met zich mee en zette het in zijn slaapkamer dicht bij zijn bed neer; want het was prachtig om aan te zien, en de geur was overheerlijk. De kleine rozenelf ging mee, vloog van bloem tot bloem,--en in elke daarvan woonde immers een kleine ziel,--en deze vertelde hij van den vermoorden jonkman, wiens hoofd nu aarde onder de aarde was, vertelde van den boozen broeder en van de ongelukkige zuster.

«Wij weten het!» zei iedere ziel in de bloemen, «wij weten het! Zijn wij niet uit de oogen en de lippen van den verslagene voortgekomen? Wij weten het! Wij weten het!» En daarop knikten zij heel zonderling met het hoofd.

De rozenelf kon het niet begrijpen, hoe zij zoo kalm konden zijn, en vloog het raam uit naar de bijen, die honing verzamelden, en vertelde haar de geschiedenis van den boozen broeder. De bijen zeiden het tegen haar koningin, en deze beval, dat zij den moordenaar den volgenden morgen met haar allen moesten ombrengen.

Maar in den nacht, die daaraan voorafging,--het was de eerste nacht, die op den dood der zuster volgde,--toen de broeder in zijn bed dicht naast de geurige jasmijn sliep, ging iedere bloemkelk open, en onzichtbaar, maar met giftige angels, kwamen de bloemenzielen te voorschijn en zetten zich in zijn oor neer en vertelden hem akelige droomen, en vlogen over zijn lippen en staken zijn tong met giftige angels. «Nu hebben wij de dooden gewroken!» zeiden zij en vlogen naar de witte klokjes van de jasmijn terug.

Toen het morgen was en het raam der slaapkamer opengezet werd, vloog de rozenelf met de bijenkoningin en den geheelen bijenzwerm naar binnen, om hem te dooden.

Maar hij was al dood; er stonden menschen om het bed heen en zeiden: «De geur van de jasmijn heeft hem gedood!»

Nu begreep de rozenelf de wraak der bloemen en vertelde het aan de koningin der bijen: deze gonsde met haar geheelen zwerm om den bloempot heen. De bijen waren niet te verjagen. Nu nam een man den bloempot weg, en een der bijen stak hem in zijne hand, zoodat hij den bloempot liet vallen: deze brak.

Daar zagen zij een bleeken schedel, en nu wisten zij, dat de doode in het bed een moordenaar was.

De bijenkoningin gonsde in de lucht, zong van de wraak der bloemen en van den rozenelf, en dat er achter het kleinste blad Een woont, die het booze kan vertellen en wreken!

IETS.

«Ik wil iets zijn!» zei de oudste van vijf broeders. «Ik wil nut in de wereld stichten; al moge het ook nog zulk een nederige betrekking zijn, als datgene, wat ik doe, maar wat goeds is, dan is het inderdaad iets. Ik wil baksteenen maken; die kan men niet missen; en dan heb ik werkelijk iets gedaan!»

«Maar iets, dat veel te weinig beteekent!» sprak de tweede broeder. «Datgene, wat je wilt doen, is zoo goed als niets: dat is werktuigelijke arbeid en kan even goed door een machine verricht worden. Neen, dan zou ik liever metselaar zijn, dat is ten minste iets, dat wil ik worden; dat is een stand in de maatschappij. Daardoor wordt men een gildebroeder, een burger, daardoor krijgt men zijn eigen vaandel, zijn eigen herberg, ja, als alles naar wensch gaat, zal ik knechts kunnen houden, word ik baas, en zal mijn vrouw juffrouw genoemd worden; dat is toch iets!»

«Dat is toch eigenlijk niets!» zei de derde; «dan behoort men toch niet tot den deftigen stand, en er zijn velen in een stad, die allen ver boven een metselaarsbaas staan. Men kan wel een braaf man zijn; doch men behoort als «baas» toch maar tot diegenen, die men den «gemeenen» man noemt. Neen, dan weet ik wat beters! Ik wil architect worden, mij op het gebied der kunst begeven en tot de hooger geplaatsten in het rijk des geestes behooren. Wel is waar moet ik van meet af aan beginnen, ja, om het maar ronduit te zeggen, moet ik als krullejongen beginnen, moet ik met een pet rondloopen, ofschoon ik er aan gewoon ben, een zijden hoed te dragen, moet ik voor de knechts jenever en bier halen, en dezen zullen jij en jou tegen mij zeggen, en dat is beleedigend; doch ik zal mij maar verbeelden, dat dit alles slechts voor de grap is! Morgen--dat wil zeggen, als ik knecht ben, dan ga ik mijn eigen weg, de anderen gaan mij niets aan! Ik ga op de teekenacademie, krijg onderwijs in het teekenen, heet architect!--Dat is iets, dat is veel!--Ik kan Weledele Heer, ja Weledelgeboren Heer worden, ja zelfs nog een deftiger titel krijgen, en ik bouw en bouw, evenals de anderen vóór mij gebouwd hebben. Dat is altijd iets, waarop men kan bouwen. Het geheel is iets!»

«Maar ik vind dat iets eigenlijk niets!» sprak de vierde; «ik wil niet in het zog van anderen varen, geen kopie zijn; ik wil een genie zijn, ik wil meer beteekenen dan jelui allemaal met elkaar. Ik ben de schepper van een nieuwen bouwstijl, ik geef het idee voor een gebouw aan de hand, passend voor het klimaat en de materialen van het land, voor de nationaliteit van het volk, voor de ontwikkeling der eeuw, en geef bovendien nog een verdieping toe voor mijn genie!»

«Maar als nu het klimaat en de materialen niet deugen?» zei de vijfde. «Dat zou een onaangename omstandigheid zijn, want zij oefenen hun invloed uit. De nationaliteit kan zich ook zoodanig uitbreiden, dat zij onnatuurlijk en gemaakt wordt; de ontwikkeling der eeuw kan met je op hol gaan, evenals de jeugd dikwijls op hol gaat. Ik zie het al aankomen, dat geen van jelui iets zal worden ofschoon je hetzelf ook denkt! Maar doet, wat je wilt, ik zal je niet gelijk zijn; ik stel mij buiten de zaken, ik wil over datgene redeneeren, wat jelui uitvoert. Aan ieder ding kleeft iets, wat niet juist is, iets verkeerds, dat zal ik opsporen en bespreken; dat is iets!»

Dat deed hij dan ook, en de menschen zeiden van den vijfde: «In hem zit bepaald iets! Het is een schrandere kop! Maar hij. doet niets!»--Doch juist daarom was hij iets!

Zie, dat is maar een kleine geschiedenis, en toch heeft zij geen einde, zoolang de wereld bestaat.

Maar werd er dan verder niets van de vijf broeders?--Dat was immers niets en niet iets!

Laat ons verder hooren!

De oudste broeder, die baksteenen vervaardigde, merkte al spoedig, dat er van iederen steen, als deze gereed was, een kleine munt, al was het er ook maar een van koper, afviel; maar vele koperen penningen, bij elkaar gelegd, maken een daalder, en waar men met zulk een muntstuk aanklopt, hetzij bij den bakker, of bij den slager, of bij den kleermaker, ja, bij allen, daar vliegt de deur open, en men krijgt, wat men moet hebben; zie, dat werpen de steenen af;--enkele verbrokkelden wel is waar of sprongen in tweeën, maar zulke kon men ook wel gebruiken.

Op den hoogen aarden wal, den beschermenden dijk aan de zeekust, wilde een arme vrouw, Margaretha genaamd, een huisje bouwen; zij kreeg al de verbrokkelde steenen en daarbij nog eenige heele, want de oudste broeder bezat een goed hart, al bracht hij het ook niet verder, dan dat hij baksteenen vervaardigde.

De arme vrouw bouwde haar huisje zelf; het was wel is waar klein en bekrompen, het eene raam zat scheef, de deur was te laag en het stroodak had beter gelegd kunnen worden; maar beschutting verleende het toch, en ver over de zee, die met geweld tegen den muur aanklotste, kon men van uit het huisje zien; de zilte golven deden haar schuim over het geheele huis spatten, dat er nog stond, toen hij, die de steenen daarvoor vervaardigd had, al lang dood en begraven was.

De tweede broeder, die had nu meer verstand van het metselen; hij had dit dan ook geleerd. Toen zijn proefjaren als gezel ten einde waren, deed hij zijn ransel om en hief het lied van den handwerksman aan:

«Daar ik jong ben, ga 'k op reis, Buiten wil ik huizen bouwen, Gaan van plaats tot plaats in 't rond; Jonkheid geeft ons zelfvertrouwen. Keer ik weer in 't vaderland, 't Meisje wacht mij, dat ik min. 'k Word gauw baas! Met vromen zin Roep ik: Leev' de werkmansstand!»

En baas werd hij dan ook. Toen hij teruggekomen en baas geworden was, metselde hij in de stad het eene huis na het andere, een heele straat, en toen de straat voltooid was, er goed uitzag en de stad tot sieraad strekte, bouwden de huisjes hem weer een huis, dat zijn eigendom zou zijn. Maar hoe kunnen de huizen bouwen? Vraag het hun, en zij zullen u het antwoord schuldig blijven; maar de menschen zullen het woord opvatten en zeggen: «Zeker heeft de straat hem een huis gebouwd!» Klein was het, en de vloer was met leem belegd, maar toen hij met zijn bruid over den leemen vloer danste, werd deze blank en glad, en uit iederen steen in den muur schoot een bloem te voorschijn en versierde de kamer als met het kostbaarste tapijt. Het was een lief huis en een gelukkig echtpaar. Het vaandel van het gild wapperde uit het huis, en gezellen en leerjongens riepen: «Hoera!» Ja, dat was iets! En toen stierf hij: dat was ook iets!

Nu kwam de architect, de derde broeder, die eerst krullejongen geweest was, met een pet geloopen had en boodschappen had gedaan, maar die op de academie geweest en eindelijk tot bouwmeester opgeklommen was, en nu een «Weledelgeboren Heer» genoemd werd.

Hadden de huizen der straat voor zijn broeder, die metselaarsbaas was, een huis gebouwd, naar hem werd de straat genoemd, en het mooiste huis uit de straat werd zijn eigendom; dat was iets, en hij was iets--en dat met een langen titel van voren en van achteren. Zijn kinderen noemde men «jongeheeren en jongejuffrouwen,» en toen hij stierf, was zijn weduwe een «douairière,»--dat is iets! En zijn naam bleef voor immer op den hoek van de straat geschreven staan en leefde in aller mond voort als de naam van een straat,--ja, dat is iets!

Daarop kwam het genie, de vierde broeder, die iets nieuws, iets buitengewoons, en nog een verdieping daarenboven wilde uitvinden; maar deze viel naar beneden en brak zijn nek;--maar hij kreeg een mooie begrafenis met gildevaandels en muziek, bloemen in de courant en op de straat over de steenen heen, en men hield voor hem drie lijkredenen, de een al langer dan de andere, en dat zal hem heel veel plezier gedaan hebben; want hij had graag, dat er over hem gesproken werd; ook werd er een monument op zijn graf opgericht, wel is waar slechts één verdieping hoog, maar dat is toch altijd iets!

Hij was nu gestorven, evenals dit met zijn drie andere broeders het geval was; maar de laatste, die redeneerde, overleefde ze allemaal, en dat was juist, zooals het wezen moest; want daardoor kreeg hij immers het laatste woord, en het was voor hem van zeer veel gewicht, het laatste woord te hebben. «Hij was toch een schrandere kop!» zeiden de menschen.--Maar eindelijk sloeg ook zijn ure; hij stierf en kwam voor de poort des hemels. Daar traden altijd twee te gelijk binnen; hij stond daar met een andere ziel, die er ook graag in wilde, en dit was juist de oude vrouw Margaretha uit het huis op den dijk.

«Dat gebeurt zeker om het contrast, dat ik en deze ellendige ziel hier tegelijkertijd moeten aankomen!» zei de liefhebber van redeneeren. «Wel zoo! Wie ben je; vrouwtje? Wil je er ook in?» vroeg hij.

De oude vrouw maakte een buiging, zoo goed als zij dit kon; zij dacht, dat het Petrus zelf was, die tegen haar sprak. «Ik ben een oude arme vrouw zonder eenige familie, ik ben de oude Margaretha uit het huis op den dijk.»

«Welnu, wat hebt ge op de wereld uitgevoerd?»

«Ik heb waarlijk niets op de wereld uitgevoerd, niets, waarom de poort hier voor mij zou kunnen ontsloten worden. Het zal een waarachtige genade zijn, als men mij vergunt, dat ik door de poort binnentreed!»

«Op welke wijze hebt ge de wereld verlaten?» vroeg hij verder, om toch ergens over te spreken, daar het hem verveelde, daar te staan wachten.

«Ja, hoe ik haar verlaten heb, dat weet ik niet! Gedurende het laatste jaar ben ik ziek en ellendig geweest, en ik heb het zeker niet kunnen verdragen, uit het bed te komen en in vorst en koude zoo plotseling de deur uit te gaan. Het is een strenge winter, maar nu heb ik het immers doorgestaan. Het was eenige dagen stil weer, maar erg koud, zooals ge zelf wel weet; het ijs lag zoover in de zee, als men zien kon; al de menschen uit de stad wandelden over het ijs; daar was, zooals zij zeiden, schaatsenrijden en dans, geloof ik; groote muziek en traktatie was daar ook; de muziek drong tot het armoedige kamertje, waarin ik lag, door. En toen was het zoo tegen den avond; de maan was prachtig opgekomen, maar nog niet in haar vollen glans; ik keek uit mijn bed over de ruime zee heen, en daar buiten, aan den rand van de lucht en de zee, kwam een zonderlinge witte wolk te voorschijn; ik lag en zag de witte wolk aan, ik zag ook het zwarte puntje in het midden van de wolk, dat al grooter en grooter werd; en nu wist ik, wat dat te beteekenen had; ik ben ervaren, ofschoon men dat teeken niet dikwijls ziet. Ik kende het, en een huivering voer mij door de leden.

«Ik heb iets dergelijks al tweemaal van mijn leven gezien, ik wist, dat er een verschrikkelijke storm met een springvloed uit zou voortkomen, die de arme menschen daarbuiten, die nu dronken, rondsprongen en juichten, zou overvallen; jong en oud, de geheele stad was immers buiten; wie zou ze waarschuwen, als niemand daar dit zag en de beteekenis er van wist, hetgeen met mij wel het geval was? Ik kwam mijn bed uit en ging naar het raam; verder kon ik mij van vermoeidheid niet sleepen.

«Toch gelukte het mij eindelijk, het raam open te schuiven, ik zag de menschen buiten op het ijs loopen en springen; ik zag ook de mooie vlaggen, die in den wind wapperden; ik hoorde de jongens hoera! roepen, knechts en meiden zingen; het ging vroolijk toe; maar--die witte wolk met dat zwarte stipje!

«Ik riep zoo hard, als ik maar kon; doch niemand hoorde mij; ik was te ver van de menschen vandaan. Spoedig moest de storm losbarsten en het ijs breken, en dan zouden allen, die er op waren, reddeloos verloren zijn. Zij konden mij niet hooren, ik kon hun geen wenk geven; o, kon ik ze maar op het land brengen! Nu gaf de goede God mij de gedachte in, mijn bed in brand te steken en liever mijn heele huisje te laten verbranden, dan dat zoo velen jammerlijk zouden omkomen.

«Het gelukte mij, voor hen een licht te ontsteken; de roode vlam steeg hoog op,--ja, ik ontkwam gelukkig uit de deur; maar voor deze bleef ik liggen; ik kon niet verder; de vlam kwam naar mij toe; flikkerde uit de ramen, sloeg hoog boven het dak uit; al de menschen buiten op het ijs zagen haar, en allen liepen zoo hard als zij konden, om een arme ter hulp te snellen, die, zooals zij dachten, gevaar liep om levend te verbranden; niet een was er, die niet holde; ik hoorde ze komen, maar ik hoorde ook, hoe het eensklaps in de lucht bruiste, ik hoorde het dreunen als zware kanonschoten; de springvloed hief den ijsvloer op, die in duizend stukken barstte; maar de menschen bereikten den dijk, waar de vonken over mij heenvlogen; ik redde ze allen!--Doch ik heb de koude niet kunnen verdragen en ook niet den schrik, en zoo ben ik hier aan de poort des hemels gekomen; men zegt immers, dat er ook voor zulk een arm mensch als ik ben opengedaan wordt, en nu heb ik immers geen huis beneden op den dijk,--doch dat geeft mij zeker geen toegang!»

Daar ging de poort des hemels open, en de engel bracht de oude vrouw binnen, zij verloor een strootje, een van die strootjes, welke er in haar bed gezeten hadden, toen zij dit in brand stak, om velen te redden, en dat had zich in het zuiverste goud veranderd en wel in zulk goud, dat aldoor toenam en de schoonste bloemen en bladeren voortbracht.

«Zie eens! Dat heeft die arme vrouw gebracht!» zei de engel. «Wat brengt gij? Ja, ik weet het wel, dat ge niets uitgevoerd hebt: niet eens een baksteen hebt ge gemaakt; als ge maar weer kondt teruggaan en het althans zoo ver brengen; waarschijnlijk zou de steen, als ge dien gemaakt hadt, niet veel waard zijn; maar als hij met een goeden wil gemaakt was, dan zou het toch altijd iets zijn; maar ge kunt niet terug, en ik kan niets voor u doen!»

Nu deed de arme ziel, het moedertje uit het huis op den dijk, een goed woord voor hem: «Zijn broeder heeft mij de steenen gegeven, waarvan ik mijn armzalig huis gebouwd heb, en dat was zeer veel voor mij, arme! Zouden nu niet al die halve en heele steenen als één steen voor hem kunnen gelden? Het is een daad van genade! Hij heeft daaraan nu behoefte, en hier is immers de bron van genade!»

«Uw broeder, diegene, dien gij den geringste noemdet,» zei de engel, «diegene, wiens eerlijk werk u het nederigst toescheen, schenkt u zijn hemelsche gave. Ge zult niet teruggewezen worden; het zal u vergund zijn, hier buiten te staan en na te denken, maar er in komt ge niet, voordat ge inderdaad--iets uitgevoerd hebt!»

«Dat zou ik beter hebben kunnen zeggen!» dacht de liefhebber van redeneeren; maar hij sprak dit niet overluid uit, en dat was ten minste al iets!

HET DOORNENPAD DER EER.

Er bestaat nog een oud sprookje van «het doornenpad der eer,»--van een schutter, die wel is waar tot eer en waardigheden opklom, maar eerst na vele wederwaardigheden en allerlei strijd.--Wie heeft bij dit sprookje niet aan zijn eigen doornenpad en aan zijn vele «wederwaardigheden» gedacht? Het sprookje en de werkelijkheid grenzen zeer na aan elkander: maar het sprookje heeft zijn harmonische oplossing hier op aarde, de werkelijkheid vindt deze dikwijls eerst aan gene zijde van het aardsche leven en wijst op tijd en eeuwigheid.

De geschiedenis der wereld is een tooverlantaarn, die ons in lichtbeelden op den donkeren grond van het tegenwoordige aanwijst, hoe de weldoeners der menschheid, de martelaars van het genie, het doornenpad van de eer en den roem bewandelen.