Andersens Sproken en vertellingen Morgenrood
Chapter 23
Stil baden wij alle drie; daarop vroeg zij ons: «Wilt gij vrienden zijn in leven en dood?»--«Ja!» antwoordden wij.--«Wilt ge u, wat er ook moge gebeuren, dit herinneren: mijn broeder is een deel van mij; mijn geheim, mijn geluk is het zijne; opoffering, volharding, alles in mij behoort hem zoowel als mij?» En wij herhaalden ons «ja!»
Zij legde onze handen in elkaar, drukte ons een kus op het voorhoofd, en wij baden weer zachtjes. Nu trad de priester uit de deur naast het altaar, zegende ons alle drie, en een gezang van de andere allerheiligste heeren klonk achter den muur van het altaar. Het verbond van eeuwige vriendschap was gesloten. Toen wij opstonden, zag ik mijn moeder weenende aan de deur der kerk staan.
Wat was het vroolijk in onze kleine hut en aan Delphi's bronnen! Den avond, voordat Aphtanides zou vertrekken, zat hij peinzend evenals ik tegen de helling der rots aan; zijn arm was om mijn middel geslagen, de mijne om zijn hals; wij spraken over de ellende van Griekenland en over de mannen, die het kon vertrouwen. Iedere gedachte onzer zielen lag duidelijk voor ons beiden open; nu greep ik zijn hand.
«Één ding moet ge nog weten, één ding, dat tot hiertoe slechts ik en God geweten hebben! Mijn geheele ziel is liefde! 't Is een liefde, sterker dan die ik mijn moeder en u toedraag....»
«En wie hebt ge lief?» vroeg Aphtanides, en zijn gezicht en zijn hals werden vuurrood.
«Ik heb Anastasia lief!» zei ik,--en zijn hand beefde in de mijne; hij werd zoo wit als een doek; ik zag het, ik begreep het en ik merkte, dat ook mijn hand beefde; ik boog mij naar hem voorover, drukte hem een kus op het voorhoofd en fluisterde: «Ik heb het haar nooit gezegd, zij heeft mij misschien niet lief!--Broeder! denk er aan, ik zag haar dagelijks; zij is aan mijn zijde opgegroeid, één met mijn ziel!»
«En u zal zij toebehooren!» zeide hij. «Ik mag u niet bedriegen, en ik wil dit ook niet. Ook ik heb haar lief!--Maar morgen vertrek ik. Over een jaar zien wij elkaar weer; dan zijt ge getrouwd, niet waar?--Ik bezit eenig goud, het behoort u toe, ge moet, ge zult het aannemen!» Zwijgend wandelden wij over de rotsen; het was laat op den avond, toen wij voor de hut van mijn moeder stonden.
Anastasia hield ons de lamp toe, toen wij binnentraden, mijn moeder was er niet. Zij keek verwonderlijk weemoedig naar Aphtanides.
«Morgen gaat ge ons verlaten!» zeide zij. «Wat spijt mij dat!»
«Spijt het u?» zeide hij, en er scheen mij in deze woorden een smart te liggen, even groot als de mijne. Ik kon niet spreken; maar hij greep haar bij de hand en zeide: «Onze broeder daar heeft u lief; hij is u dierbaar! Zijn zwijgen bewijst juist zijn liefde.»
Anastasia beefde en barstte in tranen uit; nu zag ik slechts haar, dacht slechts aan haar, sloeg mijn arm om haar middel en zeide: «Ja, ik heb u lief!» Zij drukte haar lippen op de mijne en sloeg haar armen om mijn hals; maar de lamp was op den grond gevallen, het was donker om ons heen, evenals in het hart van den armen Aphtanides.
Voor het aanbreken van den dag stond hij op, kuste ons allen tot afscheid en ging heen. Aan mijn moeder had hij zijn geld voor ons gegeven. Anastasia was mijn verloofde en na verloop van weinige dagen mijn vrouw!
HET LUCIFERSMEISJE.
Het was snerpend koud, het sneeuwde en begon al donker te worden; het was de laatste avond van het jaar. In deze koude en in deze duisternis liep op straat een klein, arm meisje blootshoofds en barrevoets. Toen zij het huis uitging, had zij wel is waar pantoffels aangehad; maar wat hielp dat? Het waren heel groote pantoffels, die haar moeder tot dusverre gedragen had, zoo groot waren zij. De kleine echter verloor deze, toen zij over de straat heen snelde, omdat er twee rijtuigen verschrikkelijk hard voorbijreden. De eene pantoffel was niet weer te vinden, en de andere had een jongen opgeraapt en snelde er mee weg. Daar liep nu het kleine meisje op bloote voeten, die rood en blauw van de kou waren. In een oud schort droeg zij een heelen voorraad lucifersdoosjes, en een daarvan hield zij in de hand. Niemand had er den heelen dag een van haar gekocht, niemand had haar zelfs een aalmoes gegeven.
Sidderend van koude en honger sloop de arme kleine voort als een beeld van jammer en ellende!
De sneeuwvlokken bedekten haar lang blond haar, dat in prachtige lokken op haar schouders neergolfde; maar daaraan dacht zij niet. Al de ramen waren helder verlicht, en het rook heerlijk naar ganzengebraad; want het was oudejaarsavond. Ja, daaraan dacht zij.
In een hoek, die gevormd werd door twee huizen, waarvan het eene een weinig meer dan het andere vooruitsprong, zette zij zich op haar hurken neer. Haar voetjes had zij naar zich toe getrokken; maar nu werd zij nog kouder, en naar huis durfde zij niet; zij had immers geen enkel doosje lucifers verkocht en bracht geen cent mee. Van haar vader zou zij zeker slaag krijgen, en te huis was het ook koud; boven zich hadden zij slechts het dak, waardoor de wind heenfloot, al mochten de grootste reten ook met stroo en lompen dichtgestopt zijn.
Haar handjes waren bijna geheel van de kou verstijfd. Ach! een enkel lucifertje zou haar wel goed doen, als zij er maar een uit een doosje durfde nemen, dit tegen den muur afstrijken en zich de vingers daaraan warmen. Zij haalde er een uit! O, wat glom, wat brandde dit! Het was een warme, heldere vlam, als een lichtje, toen zij er haar handen bovenhield; het was een wonderbaar lichtje! Het scheen het kleine meisje werkelijk toe, alsof zij bij een groote, ijzeren kachel zat. Wat brandde het vuur daarin, welk een heerlijke warmte gaf het van zich! De kleine strekte haar voeten reeds uit, om ook deze te warmen; maar--daar ging het lichtje uit, de kachel verdween, zij hield slechts een klein stompje van het afgebrande lucifertje in de hand.
Een tweede werd tegen den muur afgestreken; het gaf licht, en waar het schijnsel op den muur viel, werd deze doorzichtig als een sluier; zij kon in de kamer zien. Over de tafel lag een wit tafellaken uitgespreid; daarop stond prachtig porseleinen vaatwerk, en heerlijk dampte de gebraden gans, die met appelen en gedroogde pruimen opgevuld was. En wat nog prachtiger om te zien was; de gans sprong van den schotel naar beneden, waggelde over den vloer, met mes en vork in de borst, en kwam naar het arme meisje toe. Daar ging het lucifertje uit, en nu bleef slechts de dikke, vochtige, koude muur over. Zij stak nog een lucifertje aan. Daar zat zij nu onder den heerlijken Kerstboom; deze was nog grooter en prachtiger dan die, welken zij door de glazen deur bij den rijken koopman gezien had. Duizenden lichten brandden er op de groene takken, en bonte prenten, zooals die, welke er voor de winkelramen te zien waren, zagen op haar neer. De kleine strekte haar beide handjes er naar uit: daar ging het lucifertje uit. De Kerstlichtjes stegen al hooger en hooger: zij zag ze nu als sterren aan den hemel; een daarvan viel naar beneden en vormde een lange, vurige streek.
«Nu sterft er iemand!» dacht het kleine meisje; want haar oude grootmoeder, de eenige, die haar ooit had liefgehad, maar die nu dood was, had haar verteld, dat er, als er een ster naar beneden valt, een ziel tot God opstijgt.
Zij streek weer een lucifertje tegen den muur af, het werd weder helder, en in den glans daarvan stond haar oude grootmoeder, helder en glinsterend, vriendelijk en liefderijk.
«Grootmoeder!» riep de kleine uit. «Och, neem mij mee! Ik weet, dat ge weer verdwijnt, als het lucifertje uitgaat; ge verdwijnt evenals de warme kachel, evenals het heerlijke ganzengebraad en de groote, prachtige Kerstboom!» En zij streek al de lucifers uit het doosje af, want zij wilde haar grootmoeder zoo graag bij zich houden.--En de lucifers schitterden met zulk een glans, dat het helderder werd dan midden op den dag; haar grootmoeder was vroeger nooit zoo mooi, zoo groot geweest; zij nam het kleine meisje op haar arm, en beiden vlogen in glans en vreugde hoog boven de aarde, oneindig hoog; en daar boven was noch koude, noch honger, noch angst, zij waren bij God!
Maar in den hoek, tegen den muur aangeleund, zat in den kouden morgenstond het arme meisje met roode wangen en met een glimlach om de lippen,--doodgevroren op den laatsten avond van het oude jaar. De nieuwjaarszon ging over het kleine lijkje op. Verstijfd zat het kind daar met de lucifers, waarvan een doosje geheel opgebrand was. «Zij heeft zich willen warmen!» zei men. Niemand had er eenig vermoeden van, wat al schoons zij gezien had, in welk een glans zij met haar grootmoeder het nieuwe jaar ingetreden was.
DE SNEEUWMAN.
«Het is zoo vreeselijk koud, dat mijn lichaam er van kraakt!» zei de sneeuwman. «Zulk een wind kan iemand wel leven inblazen. En wat zet die gloeiende daar groote oogen op!»--Hij bedoelde de zon, die juist op het punt stond om onder te gaan. «Mij zal zij niet aan het knipoogen brengen, ik zal de stukjes wel vasthouden.»
Hij had namelijk in plaats van oogen twee groote, driehoekige stukjes van een dakpan in het hoofd; zijn mond bestond uit een oude hark, bijgevolg had hij ook tanden in den mond.
Geboren was hij te midden van het gejuich der jongens, begroet door het geschel en het zweepgeknal der sleden.
De zon ging onder, de volle maan kwam op, rond, groot, helder en schoon in de blauwe lucht.
«Daar komt zij weer van een anderen kant!» zei de sneeuwman. Daarmee wilde hij zeggen: de zon vertoont zich weer. «Ik heb haar toch het opzetten van groote oogen afgeleerd! Zij mag daar nu hangen en schijnen, opdat ik mij zelven kan zien. Als ik maar wist, hoe men het moet aanleggen, om van zijn plaats te komen!--Ik zou mij zoo graag eens willen bewegen!--Als ik dit kon, dan zou ik nu daar ginds over het ijs heenglijden, evenals ik de jongens zie glijden; maar ik heb daar geen verstand van, ik weet niet, hoe men loopt.»
«Weg, weg!» blafte de oude kettinghond; hij was een beetje schor en kon het echte «waf, waf!» niet meer uitbrengen; die schorheid had hij gekregen, toen hij nog een kamerhond was en achter de kachel lag. «De zon zal je wel leeren loopen! Dat heb ik verleden winter aan je voorganger en nog vroeger aan diens voorgangers gezien. Weg, weg! En weg zijn ze allemaal!»
«Ik begrijp je niet, kameraad!» zei de sneeuwman. «Moet _die_ daar boven nog leeren loopen?» Hij bedoelde de maan. «Ja, loopen deed zij vroeger wel, toen ik haar goed aankeek, nu komt zij van een anderen kant aansluipen.»
«Je weet niets hoegenaamd!» antwoordde de kettinghond; «maar je komt dan ook nog pas kijken. De persoon, dien je daar ziet, is de maan; die zoo even wegging, was de zon; zij komt morgen terug, zij zal je wel leeren, in de gracht naar beneden te loopen. Wij krijgen spoedig ander weer; ik voel dat al in mijn linker achterpoot; die steekt geweldig;--het weer zal wel veranderen!»
«Ik begrijp hem niet,» zei de sneeuwman; «maar ik heb er een voorgevoel van, dat het iets onaangenaams is, wat hij zegt. Zij, die zulke groote oogen opzette en zich toen wegmaakte, de zon, zooals hij haar noemt, is mijn vriendin niet;--daar heb ik een voorgevoel van!»
«Weg, weg!» blafte de kettinghond, liep driemaal in de rondte en kroop toen in zijn hok om te slapen.
Het weer veranderde werkelijk. Tegen den morgen hing er een dikke, vochtige nevel over den geheelen omtrek; later kwam de ijskoude wind: de vorst pakte iedereen duchtig beet; maar toen de zon opging, welk een pracht! Boomen en struiken waren met rijm overdekt, zij geleken op een bosch vol koralen, alle takken schenen van boven tot beneden met schitterende witte bloemen bedekt te zijn. De vele en fijne takjes, die de bladeren gedurende den zomertijd verbergen, kwamen nu allemaal te voorschijn. Het was als een weefsel van kant, schitterend wit; uit iederen tak stroomde een witte glans. De berk bewoog zich in den wind; deze had leven, evenals alle boomen in den zomer: het was verwonderlijk schoon! En toen de zon scheen, o, hoe schitterde en fonkelde alles toen, alsof er diamanten stof op lag en alsof de groote diamanten op het sneeuwtapijt fonkelden, of men kon zich ook voorstellen, dat er tallooze kleine lichtjes schitterden, witter zelfs dan de witte sneeuw.
«Dat is prachtig!» zei een meisje, dat met een jonkman in den tuin kwam. Beiden bleven in de nabijheid van den sneeuwman staan en bekeken van hier de glinsterende boomen. «Een schooner schouwspel levert de zomer niet op!» sprak zij, en haar oogen fonkelden.
«En zulk een kerel als deze hier, heeft men in den zomer toch ook niet,» antwoordde de jonkman en wees naar den sneeuwpop. «Hij staat daar wat deftig!»
Het meisje lachte, knikte den sneeuwman toe en liep daarop met haar vriend over de sneeuw, die onder hun voeten kraakte, alsof zij op stijfsel liepen.
«Wie waren die twee?» vroeg de sneeuwman den kettinghond. «Jij bent hier al langer dan ik: ken jij ze ook?»
«Of ik ze ken!» antwoordde de kettinghond. «Zij heeft mij gestreeld, en hij heeft mij een been toegeworpen. Die twee bijt ik niet!»
«Maar wat zijn ze?» vroeg de sneeuwman.
«Een minnend paar!» gaf de kettinghond ten antwoord. «Zij zullen naar één hok trekken en samen aan de beenen kluiven. Weg, weg!»
«Zijn die beiden dan ook zulke wezens als jij en ik?» vroeg de sneeuwman.
«Zij behooren tot de heerschappen!» hernam de kettinghond; «maar men weet zeer weinig, als men eerst den vorigen dag ter wereld gekomen is. Dat kan ik aan jou wel merken! Ik ben oud en ook wijs; ik ken allen hier in huis, en ook heb ik een tijd gekend, toen ik niet hier in de koude aan den ketting vastlag. Weg, weg!»
«De koude is heerlijk!» sprak de sneeuwman. «Vertel, vertel! Maar je moogt niet zoo'n leven met den ketting maken; het kraakt in mij, als je dat doet!»
«Weg, weg!» blafte de kettinghond. «Een kleine jongen ben ik geweest, klein en lief, zeiden ze; destijds lag ik op een stoel, die met fluweel overtrokken was, daar ginder in het heerenhuis op den schoot der opperste heerschap, ik werd op mijn snoet gekust, en mijn pooten werden met een fijnen zakdoek afgeveegd, ik heette Ami! lieve, beste Ami! Maar later werd ik hun daar boven te groot, en toen gaven ze mij aan de huishoudster. Het was wel een geringere plaats dan boven, maar het was er plezieriger; want ik werd niet zoo onophoudelijk door de kinderen beetgepakt en geplaagd. Ik kreeg even goed eten als vroeger, ja, nog beter. Ik had mijn eigen kussen, en een kachel was daar; die is in dezen tijd van 't jaar het heerlijkste, wat er bestaat! Ik ging onder de kachel liggen en kon mij daaronder geheel verschuilen. Ach, van die kachel droom ik nog wel eens. Weg, weg!»
«Ziet een kachel er dan zoo mooi uit?» vroeg de sneeuwman. «Lijkt zij wat op mij?»
«Die is juist het tegendeel van jou! Zij is zoo zwart als een raaf en heeft een langen hals. Zij eet brandhout, zoodat het vuur haar uit den mond komt. Men moet dicht bij haar blijven, geheel onder haar, dat is heel aangenaam. Door het raam zal je haar wel kunnen zien.»
En de sneeuwman keek er naar en zag een glimmend voorwerp; het vuur straalde hem daaruit tegen. Het werd den sneeuwman wonderlijk te moede, er maakte zich een zeker gevoel van hem meester, hij wist zelf niet welk, hij kon er zich geen rekenschap van geven; maar alle menschen, als zij geen sneeuwmannen zijn, kennen het.
«Waarom heb je haar verlaten?» vroeg de sneeuwman. Hij gevoelde het, dat het een vrouwelijk wezen moest zijn. «Hoe heb je zulk een plaats kunnen verlaten?»
«Ik moest wel!» zei de kettinghond. «Men gooide mij de deur uit en legde mij hier aan den ketting vast. Ik had den jongsten jonker in zijn been gebeten, omdat hij het been wegnam, waaraan ik kloof, been om been, zoo denk ik er over! Dat nam men mij echter heel kwalijk, en van dien tijd af ben ik aan den ketting vastgelegd en heb mijn stem verloren. Hoor je niet, dat ik schor ben? Weg, weg! Ik kan niet meer zoo praten, als de andere honden. Weg, weg!» Dat was het einde van het lied!
De sneeuwman luisterde echter niet meer naar hem; hij keek steeds maar naar de woning van de huishoudster, in haar kamer, waar de kachel op haar vier ijzeren pooten stond en zich in dezelfde grootte vertoonde als de sneeuwman.
«Wat kraakt het zonderling in mij!» zeide hij. «Zal ik daar dan nooit binnen komen? Het is immers een onschuldige wensch, en die zal zeker vervuld worden. Ik moet er in, ik moet tegen haar aanleunen, al moest ik het raam ook indrukken!»
«Daar binnen zal je nooit komen,» zei de kettinghond, «en als je tegen de kachel aankomt, dan verga je. Weg, weg!»
«Ik ben al zoo goed als weg!» antwoordde de sneeuwman. «Ik zak ineen, geloof ik.»
Den geheelen dag keek de sneeuwman door het raam naar binnen omstreeks het schemeruur begon het er in de kamer nog uitlokkender uit te zien; de kachel verspreidde een heerlijken gloed om zich heen, niet als de maan, niet als de zon; neen, zooals slechts een kachel kan gloeien, wanneer zij iets te eten heeft. Als de deur der kamer openging, sloeg de vlam haar uit den mond,--deze gewoonte had de kachel aangenomen: de roode vlam speelde vlak op het gezicht van den sneeuwman.
«Ik kan het niet meer uithouden!» zeide hij. «Wat staat het haar mooi, als zij de tong zoo uitsteekt!»
De nacht was lang; maar den sneeuwman duurde hij niet lang, hij stond daar in zijn eigene, liefelijke gedachten verdiept, en die vroren, dat het kraakte.
Den volgenden morgen waren de vensterruiten van het benedenhuis met ijs bedekt; zij droegen de schoonste ijsbloemen, die een sneeuwman maar kon verlangen, doch zij onttrokken de kachel aan zijn blik. De ruiten wilden niet dooien; hij kon de kachel niet zien, die hij zich als een bekoorlijk vrouwelijk wezen voorstelde. Het kraakte en knapte in hem en om hem heen; het was juist zulk een vriesweer, als waarin een sneeuwman wel plezier moest hebben. Maar hij had er geen plezier in--hoe zou hij zich ook gelukkig kunnen gevoelen? Hij had immers kachel-heimwee.
«Dat is een ongelukkige ziekte voor een sneeuwman,» zei de kettinghond. «Ik heb ook aan die ziekte geleden; maar ik ben er doorheen geworsteld. Weg, weg!» blafte hij. «We zullen ander weer krijgen!» voegde hij er bij.
Het weer veranderde ook; het begon te dooien.
De dooi nam toe; de sneeuwman nam af. Hij zeide niets, hij klaagde niet.
Op zekeren morgen zakte hij ineen. En zie! daar verhief zich iets, dat veel van een bezemstok weghad, ter plaatse, waar hij gestaan had; om dezen stok heen hadden de jongens hem opgebouwd.
«Ja, nu begrijp ik het, nu begrijp ik het, waarom hij daarnaar juist heimwee had!» zei de kettinghond. «Er zit immers een ijzer om de kachel schoon te maken, aan den stok vast,--de sneeuwman heeft die in zijn lijf gehad! Dat is het, wat zich in hem bewogen heeft; nu is dat voorbij. Weg, weg!»
En al spoedig daarop was ook de winter voorbij.
«Weg, weg!» blafte de schorre kettinghond; maar de meisjes uit het huis zongen:
«Groen van het bosch! kom de knoppen toch uit! Weiland! trek ras uwe handschoenen uit! Leeuwrik en koekoek! zingt vroolijk uw lied! Lente! kom gauw! Och, wacht langer toch niet! 'k Zing met den kwartel, zoo zuiver van slag: Zonnetjelief! kom toch gauw voor den dag!»
En dan denkt niemand aan den sneeuwman.
DE VOGEL PHOENIX.
In den tuin van het Paradijs, onder den boom der kennis, bloeide een rozestruik. Hier, in de eerste roos, werd een vogel geboren: zijn vleugels waren als de stralen des lichts, zijn kleur prachtig en betooverend zijn gezang!
Maar toen Eva van de vrucht van den boom at en zij en Adam uit het Paradijs verdreven werden, toen viel er van het vlammende zwaard van den straffenden cherub een vonk in het nest van den vogel, zoodat het vuur vatte. De vogel kwam in de vlammen om, maar uit het roode ei steeg er een nieuwe, de eenige, de altijd eenige vogel Phoenix op. De sage meldt, dat hij in Arabië zijn nest heeft, waar hij zich zelf om de honderd jaren aan den dood in de vlammen opoffert; maar dan stijgt er een nieuwe Phoenix, de eenige van de wereld, uit het roode ei op.
Ook om ons heen fladdert deze vogel, snel als het licht, heerlijk van kleur en betooverend in zijn gezang. Wanneer de moeder bij de wieg van haar kind zit, rust hij op het hoofdkussen en slaat met zijn vlerken een stralenkrans om het hoofd van het kind. Hij vliegt door de zalen der weelde en verspreidt daar zonneglans; hij gaat ook de nederige stulp niet voorbij en vervult deze met den geur van viooltjes.
Maar de vogel Phoenix is niet alleen Arabië's vogel; hij fladdert in de schemering van het noorderlicht over Laplands ijsvelden, hij huppelt tusschen de gele bloemen in Groenlands korten zomer. Onder Faluns koperbergen, in Engelands steenkolenmijnen zweeft hij als een stoffige mug, boven het gezangboek, dat in de handen van den vromen arbeider rust. Op het lotusblad glijdt hij de heilige wateren van den Ganges af, en het oog van het Hindoe meisje fonkelt, wanneer zij hem ziet.
Kent ge dien vogel Phoenix niet,--dien vogel van het Paradijs, den heiligen zwaan des gezangs? Op de Thespiskar zat hij als een snappende raaf en sloeg met zijn zwarte vleugels; over IJslands klinkende harp streek hij met den rooden snavel van den zwaan; op Shakespeare's schouder zat hij als Odins raaf en fluisterde hem in het oor: onsterfelijkheid! Hij fladderde door de ridderzaal van den Wartburg bij den zangersstrijd.
Kent ge dien vogel Phoenix niet? Hij zong voor u de Marseillaise, en ge kustet de veder, die aan zijn vleugels ontviel; hij kwam in den glans van het Paradijs, en ge wenddet u misschien af en keerdet u tot de musch, die daar zat met goudschuim op de vleugels.
Vogel Phoenix! Ge wordt om de eeuw verjongd, geboren in vlammen, gestorven in vlammen. Uw beeltenis, in goud gezet, hangt in de zalen der rijken; zelf vliegt ge vaak dolend en eenzaam rond--slechts als een sage: «De vogel Phoenix in Arabië.»
In het Paradijs, toen ge onder den boom der kennis in de eerste roos geboren werdt, kuste de Heer u en gaf u uw waren naam: _Poëzie_!
DE ROZENELF.
Midden in een tuin groeide een rozeboom. Deze zat vol prachtige rozen; en in een daarvan, de mooiste van alle, woonde een elf. Deze was zoo geducht klein, dat geen menschelijk oog hem kon zien. Achter ieder blad in de roos had hij een slaapkamer. Hij was zoo welgevormd en schoon, als een kind maar zijn kon, en hij had vleugels van de schouders tot aan de voeten. O, welk een geur was er in zijn kamers, en hoe helder en mooi waren de muren! Dit waren immers de lichtroode rozebladeren.
Den heelen dag verheugde hij zich in den warmen zonneschijn, vloog van de eene bloem op de andere, danste op de vleugelen van de vliegende kapel en mat, hoeveel stappen hij te doen had, om langs alle wegen en paden te loopen, die er op een enkel lindeblad zijn. Wat wij de aderen in het blad noemen, hield hij voor wegen en paden. Ja, dat waren onafzienbare wegen voor hem! Voordat hij daarmee klaar kwam, ging de zon onder; hij was er ook te laat meebegonnen!
Het werd koud, de dauw viel en de wind blies; nu was het beste, wat hij doen kon, naar huis toe te gaan. Hij haastte zich, zooveel hij kon; maar de roos had zich gesloten, en hij kon er dus niet inkomen;--geen enkele roos stond er open. De arme, kleine elf schrikte daarvan geducht. Hij was 's nachts nog nooit in de open lucht geweest, maar had altijd zacht en veilig achter de warme rozebladeren geslapen. O, dat zal zeker zijn dood wezen!
Aan het andere einde van den tuin bevond zich, zooals hij wist, een priëel van geurige kamperfoelie; de bloemen daarvan zagen er als groote beschilderde horens uit; in een daarvan wilde hij afklimmen en tot den volgenden morgen slapen.
Hij vloog daarheen. Maar wat zag hij daar? Er zaten twee menschen in het prieel: een jong, knap man en een beeldschoon meisje. Zij zaten naast elkander en wenschten, dat zij nimmer van elkaar behoefden te scheiden. Zij hielden zoo veel van elkaar, veel meer nog dan het beste kind van zijn vader en moeder kan houden.