Andersens Sproken en vertellingen Morgenrood
Chapter 17
De fee glimlachte en bracht hem in een groote, hooge zaal, wier muren doorzichtig schenen te zijn. Hier waren portretten, waarvan het eene gezicht nog mooier was dan het andere. Men zag millioenen gelukkigen, die glimlachten en zongen, zoodat het in ééne melodie samensmolt; de voornaamsten onder hen waren zoo klein, dat zij kleiner schenen dan de kleinste rozeknop, wanneer deze als een punt op het papier geteekend wordt. Midden in de zaal stond een groote boom met hangende, weelderige takken; gouden appelen hingen als sinaasappels tusschen de groene bladeren. Dat was de boom der kennis, van welks vrucht Adam en Eva gegeten hadden. Van ieder blad droop een schitterende, roode dauwdroppel: het was, alsof de boom bloedige tranen stortte.
«Laat ons nu in de boot stappen!» zei de fee; «dan zullen wij eenige ververschingen op het water gebruiken! De boot schommelt en komt niet van haar plaats af; maar al de landen der wereld glijden onze oogen voorbij.» En het was wonderbaar om aan te zien, hoe de geheele kust zich bewoog. Daar kwamen de hooge, met sneeuw bedekte Alpen met wolken en zwarte dennen; de hoorn klonk diep weemoedig, en de herder zong vroolijk in het dal. Daarop bogen de bananen haar lange, hangende takken over de boot neer; zwarte zwanen zwommen er in het water, en de zeldzaamste dieren en bloemen vertoonden zich aan den oever: dat was Nieuw-Holland, het vijfde werelddeel, dat, met een uitzicht op de blauwe bergen, voorbijgleed. Men hoorde het gezang der priesters en zag den dans der wilden, begeleid door het geroffel van trommels en het geschetter van trompetten. De piramiden van Egypte, die zich tot aan de wolken verhieven, omvergevallen zuilen en sfinxen, half onder het zand bedolven, zeilden insgelijks voorbij. Het noorderlicht straalde over uitgebrande vulkanen van het noorden: dat was een vuurwerk, dat niemand kon nabootsen. De prins gevoelde zich hoogst gelukkig: ja, hij zag nog honderdmaal meer, dan wat wij hier vertellen.
«En kan ik hier altijd blijven?» vroeg hij.
«Dat hangt van u zelf af!» antwoordde de fee. «Als ge u niet, evenals Adam, laat verleiden om het verbodene te doen, dan kunt ge hier altijd blijven.»
«Ik zal de appelen van den boom der kennis niet aanraken!» zei de prins. «Hier zijn immers duizenden vruchten, even heerlijk als die.»
«Onderzoek u zelven, en als ge niet sterk genoeg zijt, ga dan met den oostenwind mee, die u hier haar toe gebracht heeft. Hij vliegt nu terug en laat zich in honderd jaren hier niet meer zien; de tijd zal op deze plaats voor u voorbijvliegen, alsof het honderd uren waren: maar het is een lange tijd voor de verzoeking. Iederen avond, wanneer ik van u heenga, moet ik u toeroepen: Kom mee! Ik moet u met de hand wenken,--maar blijf achter! Ga niet mee; want anders zal met iedere schrede uw verlangen grooter worden. Ge komt dan in de zaal, waar de boom der kennis groeit; ik slaap onder zijn geurige, overhangende takken; ge zult u over mij heenbuigen, en ik moet glimlachen; maar als ge een kus op mijn lippen drukt, dan zinkt het Paradijs diep in den grond weg, en het is voor u verloren. De scherpe wind der woestijn zal om u heen suizen, de koude regen op uw hoofd droppelen. Kommer en ellende worden uw deel.»
«Ik blijf hier!» zei de prins. En de oostenwind kuste hem op het voorhoofd en zei: «Wees sterk, dan ontmoeten wij elkander hier na verloop van honderd jaren weer! Vaarwel! Vaarwel!» En de oostenwind spreidde zijn groote vleugelen uit; zij schitterden, evenals het weerlicht in den oogsttijd, of het noorderlicht in den winter.
«Vaarwel! Vaarwel!» klonk het van bloemen en boomen. Ooievaars en pelikanen schaarden zich als fladderende linten in rijen en brachten hem tot op de grenzen van den tuin.
«Nu beginnen wij onze dansen!» zei de fee. «Wanneer ik ten slotte, als de zon ondergaat, met u dans, zult gij zien, dat ik u toewenk; ge zult me u hooren toeroepen: Kom mee! Maar doe dit niet! Honderd jaren lang moet ik het iederen avond herhalen; telkens wanneer die tijd voorbij is, krijgt ge meer kracht; eindelijk denkt ge er volstrekt niet meer aan. Heden avond is het voor de eerste maal; nu heb ik u gewaarschuwd!»
En de fee bracht hem in een groote zaal van witte, doorzichtige leliën; de gele meeldraden in iedere bloem vormden een kleine gouden harp, wier snaren liefelijke tonen van zich gaven. De schoonste meisjes, zwevend en slank, in golvend gaas gekleed, zoodat men haar bekoorlijke gestalte kon zien, zweefden in den dans en zongen, hoe heerlijk het is, te leven, en dat zij nimmer zouden sterven, en dat de tuin van het Paradijs eeuwig zou bloeien.
En de zon ging onder; de geheele hemel werd een en al goud, dat aan de leliën den glans der heerlijkste rozen gaf; en de prins dronk van den parelenden wijn, dien de meisjes hem toereikten, en voelde een gelukzaligheid als nooit te voren. Hij zag, hoe de achtergrond der zaal zich opende, en de boom der kennis stond daar in een glans, die zijn oogen verblindde; het gezang was daar zacht en liefelijk evenals de stem van zijn moeder en het was, alsof zij zong: «Mijn kind, mijn geliefd kind!»
Nu wenkte de fee hem toe en riep vol liefde: «Kom mee! Kom mee!» En hij snelde haar tegemoet, vergat zijn belofte, vergat deze reeds den eersten avond, en zij wenkte en glimlachte. De geur, de heerlijke geur in de rondte werd sterker; de harpen klonken veel liefelijker, en het was, alsof de millioenen glimlachende hoofden in de zaal, waar de boom groeide, knikten en zongen: «Alles moet men kennen! De mensch is de heer der aarde!» En het waren geen bloedige tranen meer, die van den boom der kennis afvielen; het waren roode, fonkelende sterren, die hij meende te zien. «Kom mee! Kom mee!» luidden de bevende klanken, en bij iedere schrede werden de wangen van den prins rooder, vloeide het bloed hem sneller door de aderen. «Ik moet!» zeide hij. «Het is immers geen zonde, het kan geen zonde zijn! Waarom de schoonheid en de vreugde niet te volgen? Ik wil haar zien slapen; er is immers niets aan misdaan, als ik haar maar geen kus geef; en een kus zal ik haar niet geven: ik ben sterk, ik heb een vasten wil!»
En de fee wierp haar schitterende kleeding af, boog de takken weg, en na een oogenblik was zij daarin verborgen.
«Nog heb ik niet gezondigd!» zei de prins, «en ik zal het ook niet doen!» En hierop boog hij de takken ter zijde: daar sliep zij reeds, schoon, zooals slechts een fee in den tuin van het Paradijs wezen kan. Zij glimlachte in den droom, hij boog zich over haar heen en zag tusschen haar oogleden tranen beven.
«Weent ge over mij?» fluisterde hij. «Ween niet, gij bekoorlijke vrouw! Nu begrijp ik het geluk van het Paradijs eerst. Het doorstroomt mijn bloed, mijn gedachten; de kracht van den cherub en van het eeuwige leven voel ik in mijn aardsche lichaam! Al moge het ook eeuwig nacht voor mij worden, een minuut als deze is rijkdom genoeg!» En hij kuste de tranen uit haar oogen; zijn mond raakte den haren aan.
Daar ratelde een donderslag, zoo zwaar en verschrikkelijk, als niemand dien ooit gehoord heeft. En alles stortte ineen; de schoone fee en het bloeiende paradijs zonken al dieper en dieper. De prins zag het in den zwarten nacht wegzinken; als een kleine, lichtende ster straalde het hem heel uit de verte tegen; een doodelijke koude deed hem over zijn geheele lichaam beven; hij sloot zijn oogen en lag een geruimen tijd als dood.
De koude regen viel hem op het gezicht, de scherpe wind blies om zijn hoofd; nu kwam hij weer tot zijn zinnen. «Wat heb ik gedaan!» zeide hij met een zucht. «Ik heb gezondigd, evenals Adam gezondigd, zoodat het Paradijs in de diepte weggezonken is!» En hij deed zijn oogen open; de ster in de verte, die als het gezonken paradijs fonkelde, zag hij nog,--het was de morgenster aan den hemel.
Hij stond op en was in het groote bosch dicht bij de grot der winden; en de moeder der winden zat naast hem; zij zag er kwaadwillig uit en hief haar arm omhoog.
«Reeds den eersten avond!» zeide zij. «Dat dacht ik wel! Als ge mijn jongen waart, dan zoudt ge in den zak moeten!»
«Daar moet hij in!» zei de Dood, een krachtig, oud man met een zeis in de hand en met groote, zwarte vleugelen. «In de doodkist moet hij gelegd worden; maar nu nog niet; ik teeken hem slechts op, doch laat hem nog een poos in de wereld rondzwerven, om zijn zonde te boeten en beter te worden. Ik kom echter eenmaal. Wanneer hij het juist het minst verwacht, stop ik hem in de zwarte doodkist, zet deze op mijn hoofd en vlieg naar de sterren op. Ook daar bloeit de tuin van het Paradijs, en is hij goed en vroom, dan zal hij er binnentreden; maar zijn zijn gedachten boos en is zijn hart nog vol zonde, dan zinkt hij met de doodkist dieper dan het Paradijs gezonken is, en slechts om de duizend jaren haal ik hem terug, opdat hij nog dieper zinke of op de fonkelende ster kome, de fonkelende ster daarboven!»
DE KLEINE TUK.
Ja, dat was de kleine Tuk. Hij heette eigenlijk niet Tuk, maar toen hij nog niet goed kon praten, noemde hij zich zelf zoo; dat moest Karl beteekenen, en dat is wel goed, als men het maar weet. Nu moest hij op zijn zusje Gustava passen, dat nog kleiner was dan hij, en tegelijkertijd moest hij ook zijn les leeren; maar deze beide dingen wilden niet best samengaan. De arme jongen zat daar met zijn zusje op den schoot, en zong haar al de liedjes voor, die hij kende, en ondertusschen keek bij eens schuins in het geographieboek, dat open voor hem lag; tegen den volgenden dag moest hij al de steden van Seeland van buiten kennen en alles daarvan weten wat men maar weten kan.
Nu kwam zijn moeder te huis, want zij was uit geweest, en nam de kleine Gustava op den arm. Tuk liep ijlings naar het raam toe en las nu zoo ijverig, dat hij zich bijna de oogen uitgelezen had, want het werd gedurig donkerder; maar zijn moeder had geen geld om licht te koopen.
«Daar gaat de oude waschvrouw uit de straat hier dichtbij!» zei zijn moeder, toen zij het raam uitkeek. «De arme vrouw kan zich zelve tenauwernood voortsleepen, en nu moet zij nog een emmer vol water van de bron naar huis dragen. Wees een beste jongen, Tuk, en help de oude vrouw eens!»
En Tuk liep in aller ijl de deur uit en hielp haar; maar toen hij weer in de kamer kwam, was het heelemaal donker geworden, en van licht was er geen sprake. Nu moest hij naar bed toe: dat was een armzalige krib! Daar lag hij nu en dacht aan zijn geographieles en aan Seeland en aan alles, wat de meester verteld had. Hij had wel is waar zijn les nog moeten leeren, maar dat kon hij immers niet. Daarom legde hij zijn geographieboek onder zijn hoofdkussen, want hij had wel eens gehoord, dat dit zeer veel helpen moet, als men zijn les wil leeren; maar men kan zich daarop niet verlaten. Daar lag hij nu en dacht en dacht; en daar was het op eens, alsof iemand hem een kus gaf.--Hij sliep en sliep toch ook niet; het was, alsof de oude waschvrouw hem met haar vriendelijke oogen aankeek en zei: «Het zou jammer zijn, als je je les morgen niet kende! Je hebt mij geholpen, daarom wil ik je nu ook helpen, en onze goede God zal dat altijd doen!»
En eensklaps kriebelde en krabbelde het boek onder het hoofdkussen van Tuk.
«Kikeliki! Ka ka!» Het was een kip, die kwam aanloopen, en deze was van Kjöge vandaan. «Ik ben een Kjögekip!» [4] zeide zij, en daarop vertelde zij, hoeveel inwoners er daar waren, en van den slag, die daar geleverd was, maar die was eigenlijk niet waard om er een woord over te spreken. «Kriebel, krabbel, plomp!» Daar viel wat naar beneden; het was een houten vogel, de papegaai van het vogelschieten te Prästöe. Die zei nu, dat er daar zoo vele inwoners waren, als hij spijkers in zijn lijf had; ook was hij trotsch. «Thorwaldsen heeft vlak naast mij gewoond. [5] Plomp! Hier lig ik heerlijk!»
Maar Tuk lag nu niet meer; eensklaps zat hij te paard. Hop, hop, hop, in galop: zoo ging het voort. Een prachtig gekleed ridder met een schitterenden helm en een wuivenden vederbos hield hem voor zich op het paard, en zoo reden zij door het bosch naar de oude stad Wordingborg; dat was een groote, zeer levendige stad; op het kasteel des konings verhieven zich hooge torens, en een lichtglans stroomde er uit alle ramen; daar binnen was zang en dans, en koning Waldemar en jonge, opgepronkte hofdames dansten met elkander.--Nu werd het morgen, en zoodra de zon opkwam, vielen de geheele stad en het koninklijk kasteel plotseling in elkaar, en de eene toren na den anderen verdween; en eindelijk bleef er nog maar een enkele op den heuvel staan, waar vroeger het kasteel geweest was, [6] en de stad was zeer klein en arm, en de schooljongens kwamen met hun boeken onder den arm en zeiden: «Twee duizend inwoners,» maar dat was niet waar, want zoo veel had zij er niet.
En de kleine Tuk lag in zijn bed; het was hem, alsof hij droomde, en toch ook weer, alsof hij niet droomde; maar er stond iemand dicht naast hem.
«Kleine Tuk! Kleine Tuk!» werd er geroepen: dat was een zeeman, een heel klein mannetje, zoo klein, alsof het een cadet was; maar het was geen cadet. «Ik moet u veelmalen van Korsöer [7] groeten; dat is een stad, die in haar opkomst is, een levendige stad, die stoombooten en postwagens heeft; vroeger noemde men haar altijd leelijk, maar dat is nu niet meer waar.»
«Ik lig aan de zee,» zei Korsöer, «ik heb straatwegen en lusthoven; ik heb een dichter voortgebracht, die geestig en onderhoudend was, en dat zijn ze niet allemaal. Ik wilde eens een schip uitrusten, dat rondom de aarde zou gaan; maar ik deed het niet, ofschoon ik het wel had kunnen doen; en verder ruik ik ook overheerlijk, want dicht bij de poort bloeien de prachtigste rozen.»
De kleine Tuk keek er naar, en het werd hem geel en groen voor de oogen; maar toen nu het kleurenspel voorbij was, was het op eens een begroeide helling dicht aan de baai, en hoog daarboven stond een prachtige oude kerk met twee hooge, spitse torens. Uit de helling sprongen bronnen in dikke waterstralen, zoodat het aldoor plaste, en dicht daarnaast zat een oude koning met een gouden kroon op het witte hoofd; dat was koning Hroar bij de bronnen, dicht bij de stad Roeskilde, zooals men haar tegenwoordig noemt. En over de helling heen in de oude kerk gingen al de koningen en koninginnen van Denemarken hand aan hand, allen met gouden kronen op; en het orgel speelde en de bronnen murmelden. De kleine Tuk zag alles, hoorde alles. «Vergeet de steden niet!» zei koning Hroar. [8]
Op eens was alles weer weg; ja, waar was het gebleven? Het was hem, alsof men een blad in een boek omslaat. En nu stond daar een oude boerin; deze kwam uit Soröe, [9] waar het gras op de markt groeit; zij had een grauw linnen schort over haar hoofd en haar rug hangen; dit was druipnat,--het moest dus zeker geregend hebben. «Ja, dat heeft het!» zeide zij, en nu vertelde zij veel moois uit Holbergs comedies en van Waldemar en Absalom. Maar op eens kromp zij ineen en schudde met het hoofd, het was precies, alsof zij een sprong wilde doen. «Krok, krok!» zeide zij, «het is nat, het is nat; het is doodstil in Soröe!» Nu was zij eensklaps een kikvorsch. «Krok, krok!» en toen was zij weer een oude vrouw. «Men moet zich naar het weer kleeden.» zeide zij. «Het is nat, het is nat! Mijn stad is als een flesch; bij de stop moet men er in, bij de stop moet men er weer uit! Vroeger had ik de heerlijkste visschen, en nu heb ik frissche jongens met roode wangen op den bodem der flesch; dezen leeren daar wijsheid: Hebreeuwsch, Grieksch! Krok!» Dat klonk precies, alsof er kikvorschen kwaakten, of alsof men met groote laarzen in het moeras liep: altijd hetzelfde geluid, zoo eentonig en zoo vervelend, dat de kleine Tuk er van in slaap viel, hetgeen voor hem ook geen kwaad kon.
Maar zelfs in dezen slaap kwam er een droom of wat het anders was. Zijn zusje Gustava met haar blauwe oogen en haar blond gelokt haar was op eens een volwassen, schoon meisje, en zonder dat zij vleugels had kon zij vliegen, en nu vlogen zij over Seeland, over de groene bosschen en de blauwe meren.
«Hoor je den haan kraaien, kleine Tuk? Kukelekuku! De hanen vliegen uit de stad Kjöge op! Je krijgt een kippenhok, een groot kippenhok! Je zult geen honger of gebrek meer lijden! En den vogel zal je schieten, zooals men zegt; je zult een rijk en gelukkig man worden! Je huis zal zich verheffen als de toren van koning Waldemar en rijk versierd zijn met marmeren beeldzuilen, evenals die uit Prästöe. Je begrijpt mij wel! Je naam zal met roem om de heele aarde trekken, evenals het schip, dat van Korsöer had moeten uitloopen, en te Roeskilde ..... «Vergeet de steden niet!» zeide koning Hjoar.--Je zult goed en verstandig spreken, kleine Tuk, en als je dan eindelijk in je graf komt, dan zul je gerust slapen....»
«Alsof ik in Soröe lag!» zei Tuk, en nu werd hij wakker. Het was klaarlichte dag, en hij kon zich zijn droom niet meer herinneren. Dat was echter ook niet noodig; want men mag niet weten, wat er eenmaal zal gebeuren.
Nu sprong hij vlug uit zijn bed en las in zijn boek, nu kende hij op eens zijn geheele les. Maar de oude waschvrouw stak het hoofd in de kamer, knikte hem vriendelijk toe en zei:
«Hartelijk dank, beste jongen, voor je hulp! De goede God moge je schoonen droom vervullen!»
De kleine Tuk wist echter niet, wat hij gedroomd had, maar--de goede God wist het wel.
DE BURINNETJES.
Men zou gezegd hebben, dat er in den eendenvijver iets gewichtigs voorviel; maar er viel niets voor. Al de eenden, die stil in het water lagen of op haar kop daarin stonden,--want dat kunnen ze doen,--zwommen op eens naar den kant toe; men zag in de natte aarde de sporen van haar pooten en hoorde wijd en zijd haar gesnater. Het water, dat nog kort te voren zoo blank en glad als een spiegel was, kwam in hevige beweging. Nog kort geleden had men daarin iederen boom, iederen struik in de nabijheid, het oude boerenhuis met de gaten in het dak en het zwaluwennest, maar inzonderheid den grooten, met bloemen bezaaiden rozestruik gezien; deze bedekte den muur en hing over het water heen, waarin men alles als op een schilderij zag, met dit onderscheid nochtans, dat alles ondersteboven stond; maar toen het water in beweging kwam, ging alles door elkander en was het beeld verdwenen. Twee veeren, die de eenden bij het opvliegen verloren hadden, dreven heen en weer; op eens namen zij een loopje, alsof de wind kwam; maar deze kwam niet, en dus moesten zij blijven liggen, en het water werd weer kalm en effen. De rozen spiegelden er zich weer in af; zij waren verwonderlijk schoon, maar zij wisten het zelf niet, want niemand had het haar gezegd; de zon scheen tusschen de bladeren door, alles verspreidde den heerlijksten geur om zich heen; het was allen te moede evenals ons, wanneer wij van de gedachte aan ons geluk vervuld zijn.
«Hoe schoon is het leven toch!» zei iedere roos. «Slechts één ding zou ik wenschen: de zon te kunnen kussen, omdat zij zoo warm en zoo helder is. Ook de rozen daar beneden in het water, onze evenbeelden, zou ik wel willen kussen, en de lieve vogeltjes beneden in het nest. Ook boven zijn er enkele; zij steken er hun kopjes uit en piepen zacht; zij hebben geen veeren, zooals vader en moeder. Het zijn goede burinnetjes, zoowel die beneden, als die boven zijn!»
De jongen boven en beneden,--die beneden waren echter slechts de weerkaatsing in het water,--waren musschen; haar ouders waren insgelijks musschen; zij hadden het leege zwaluwennest van het vorige jaar in bezit genomen en huisden daarin nu, alsof het haar eigendom was.
«Zijn dat eendekleeren, die daar drijven?» vroegen de jongen van de musschen, toen zij de veeren op het water zagen.
«Als je wilt vragen, doe dan ten minste verstandige vragen!» zei de moeder. «Zie je dan niet, dat het veeren zijn, levende kleerenstof, zooals ik draag en zooals jelui ook eenmaal zult dragen? Maar de onze is fijner. Ik zou overigens wel willen dat we ze boven in het nest hadden; want ze verwarmen lekker. Ik zou wel eens willen weten, waarvan de eenden toch zoo geschrikt zijn; van ons zeker niet; wel is waar zeide ik vrij luid tegen jelui: «Piep!» De rozen moesten het eigenlijk weten; maar die weten niemendal, bekijken zich zelf slechts en geven geur van zich; ik ben deze burinnetjes van ganscher harte moede!»
«Hoor die allerliefste vogeltjes daar boven eens!» zeiden de rozen; «die beginnen nu ook hun best te doen om te zingen, maar zij kunnen het nog niet. Het zal intusschen wel gaan; wat zal dat plezierig zijn; het is wel aardig, zulke vroolijke burinnetjes te hebben.»
Eensklaps kwamen er twee paarden aanrijden om gedrenkt te worden; een boerenjongen reed op het eene; hij had al zijn kleeren uitgetrokken behalve zijn grooten, breeden, stroohoed. De jongen zong als een lijster en reed den vijver in, waar deze het diepst was; en toen hij den rozenstruik voorbijkwam, plukte hij een roos af en stak haar op zijn hoed en nu dacht hij, dat hij er wat mooi uitzag, en reed verder. De andere rozen keken haar zuster na en vroegen zich af: «Waar zou zij wel naar toe gaan?» Maar niemand wist dit te zeggen.
«Ik zou de wijde wereld wel eens in willen,» zeide er een; «maar hier te huis in ons groen is het ook mooi. Den heelen dag schijnt de zon helder en warm, en 's nachts fonkelt de hemel nog helderder; dat kunnen wij door al die gaatjes, die er in zijn, wel zien.» Zij bedoelde de sterren; zij wist het niet beter.
«Wij maken het levendig in den omtrek van het huis,» zei de moeder der musschen, «en het zwaluwennest brengt geluk aan, zeggen de menschen, daarom heeft men ons hier graag. Maar onze burinnetjes! Zoo'n rozestruik tegen den muur aan veroorzaakt vocht. Hij zal wel weggenomen worden; dan groeit hier ten minste misschien nog koren. De rozen deugen nergens toe, dan om er naar te kijken en er aan te ruiken en op zijn hoogst ze op den hoed te steken.
«Jaarlijks, dat weet ik van mijn moeder, vallen zij af. De vrouw van den boer legt ze in en strooit er zout tusschen; dan krijgen zij een Franschen naam, die ik niet kan en ook niet wil uitspreken; zij worden op het vuur gestrooid als zij lekker moeten ruiken. Zie, zoo is haar levensloop; zij bestaan slechts voor het oog en den neus. Nu weet je het!»
Toen de avond viel en de muggen in de warme lucht en in de roode wolken dansten, kwam de nachtegaal en zong voor de rozen, dat het met het schoone eveneens gesteld was als met den zonneschijn in deze wereld, en dat het schoone eeuwig leefde. Maar de rozen dachten, dat de nachtegaal zich zelf bezong, hetgeen men heel goed had kunnen geloven; want dat het gezang haar gold, daaraan dachten zij niet. Zij hadden er echter veel schik in en dachten er over na, of al de kleine musschen misschien ook nachtegalen konden worden. «Ik heb het gezang van dezen vogel heel goed begrepen,» zeiden de jonge musschen. «Slechts één woord was mij niet duidelijk. Wat beteekent «het schoone?»»
«Dat is volstrekt niets,» hernam de moeder der musschen; «dat is maar iets uiterlijks. Maar op het adellijk kasteel, waar de duiven haar eigen huis hebben en waar iederen dag erwten en gerst voor haar gestrooid wordt,--ik heb zelf met haar gegeten, en dat zullen jelui mettertijd ook wel doen,--op het adellijk kasteel heeft men twee vogels met groene halzen en een kam op den kop; die kunnen hun staart uitspreiden als een groot wiel, en deze heeft allerlei kleuren, zoodat het zien daarvan aan de oogen zeer doet. Deze vogels worden pauwen genoemd, en dat is «het schoone». Als ze maar eens een beetje geplukt werden, dan zouden zij er niets anders uitzien dan wij. Ik zou ze al geplukt hebben, als ze maar niet zoo groot waren.»
«Ik zal ze wel eens plukken,» zei de kleine musch, die nog geen veeren had.
In het boerenhuis woonde een jeugdig echtpaar; zij hadden elkander hartelijk lief; zij waren vlijtig en flink; het zag er alles heel knap bij hen uit. Des Zondags vroeg kwam de jonge vrouw de deur uit, plukte een handvol van de mooiste rozen en deed ze in een glas met water, dat zij op de kast neerzette.