Andersens Sproken en vertellingen Morgenrood
Chapter 16
Er stond ergens een oud huis; het was in de groote stad met haar druk en levendig verkeer. Het had kamers en zalen; maar deze betreden wij niet; wij blijven in de keuken, en daarin is het warm en licht, rein en zindelijk; het kopergoed blinkt, de tafel is als gladgewreven, de gootsteen is als een versch geschuurde lardeerplank, en dat alles heeft dat ééne dienstmeisje gedaan en toch nog tijd genoeg overgehouden om zich aan te kleeden, alsof zij naar de kerk wilde gaan. Zij draagt een strik op haar muts, een zwarten strik, dat wijst op rouw. Maar zij heeft over niemand rouw te dragen, noch over vader, noch over moeder, noch over bloedverwanten, noch over vrienden; het is een arm meisje. Eenmaal was zij verloofd, verloofd met een armen jongeling; zij hadden elkaar innig lief. Op zekeren dag kwam hij bij haar en zei:
«Wij bezitten beiden niets op de wereld! Een rijke weduwe heeft hartelijke woorden tegen mij gesproken; zij wil mij tot welstand brengen; maar jij ligt in mijn hart begraven. Wat zou je mij raden?»
«Datgene, waarvan je denkt, dat het tot je geluk zal strekken!» zei het meisje. «Wees maar goed en liefderijk voor haar; doch laat mij je dit zeggen, dat wij elkaar van het uur af, waarop wij van elkander scheiden, niet meer mogen zien.»
En er verliepen jaren. Daar ontmoet haar vroegere vriend en minnaar haar op de straat; hij zag er ziek en ellendig uit; nu kan zij niet nalaten, hem te vragen: «Hoe gaat het met je?»
«Rijk en goed in alle opzichten!» zeide hij. «Mijn vrouw is braaf en goed, maar jij ligt in mijn hart begraven. Ik heb mijn strijd gestreden, hij is spoedig volstreden! Wij zien elkaar nu niet weer dan bij God.»
Een week is er verloopen; dien morgen stond het in de krant te lezen, dat hij gestorven was; daarom draagt het meisje een rouwkleed! Haar minnaar was gestorven en heeft een vrouw en drie stiefkinderen nagelaten, zooals er te lezen staat.
De zwarte strik wijst op rouw, het gezicht van het meisje wijst er nog in hoogere mate op; in het hart is deze bewaard en wordt nimmer vergeten! Uitstel is geen afstel!
Zie, dat zijn de drie geschiedenissen, drie bladeren aan één steel. Wenscht ge nog meer klaverbladeren? In het boekje des harten liggen er vele: uitstel is geen afstel!
DE TUIN VAN HET PARADIJS.
Daar was eens een koningszoon; niemand had zooveel mooie boeken, als hij; alles wat er op deze wereld gebeurd is, kon hij daarin lezen en de afbeelding daarvan in prachtige koperplaten zien. Met ieder volk en met ieder land kon hij daardoor kennis maken; maar waar de tuin van het Paradijs te vinden was, daar stond geen woord van in; en deze juist was het, waaraan hij het meest dacht.
Zijn grootmoeder had hem, toen hij nog klein was, maar toch spoedig naar school zou gaan, verteld, dat iedere bloem in den tuin van dit Paradijs de lekkerste koek en de meeldraden de fijnste wijn waren; op de eene bloem stond geschiedenis, op de andere aardrijkskunde, op de derde rekenkunde; men behoefde maar koek te eten, dan kende men zijn les; hoe meer men er van at, des te meer geschiedenis en aardrijkskunde en rekenkunde leerde men.
Dat geloofde hij toen ter tijd. Maar reeds toen hij een grootere jongen werd, meer leerde en verstandiger werd, begreep hij wel, dat er een heel andere heerlijkheid in den tuis van het Paradijs te vinden moest zijn.
«O, waarom plukte Eva toch van den boom der kennis? Waarom at Adam van de verboden vrucht? Als ik in hun plaats was geweest, dan zou ik dit niet gedaan hebben! Nooit zou de zonde dan in de wereld gekomen zijn!»
Dat zei hij destijds, en dat zei hij nog, toen hij zeventien jaar oud was. De tuin van het Paradijs vervulde hem geheel en al.
Op zekeren dag ging hij het bosch alleen in, want dat was zijn grootste plezier.
De avond brak aan, de wolken pakten zich samen; er viel een regen, alsof de geheele hemel een enkele sluis was, waaruit water stroomde; het was zoo donker, als het anders 's nachts slechts in den diepsten put is. Nu eens gleed hij op het natte gras uit, dan weer viel hij over de gladde steenen, die boven den natten, rotsachtigen grond uitstaken. Alles droop van het water: de arme prins had geen enkelen drogen draad meer aan het lijf. Hij moest over groote steenblokken klauteren, waar het water uit het hooge mos vloeide. Het scheelde niet veel, of hij was in onmacht gevallen. Eensklaps hoorde hij een zonderling gesuis, en nu zag hij voor zich een groote verlichte grot. In het midden daarvan brandde zulk een groot vuur, dat men daarop wel een hert kon braden. En dit gebeurde ook. Het prachtigste hert met zijn hooge horens was aan het braadspit gestoken en werd langzaam tusschen twee afgekapte pijnboomstammen omgedraaid. Een oude vrouw, forsch en sterk, als ware zij een verkleed manspersoon, zat bij het vuur en wierp er het eene stuk hout na het andere op.
«Kom maar naderbij!» zeide zij; «zet u bij het vuur neer, dan kunt ge uw kleeren wat laten drogen.»
«Het tocht hier geducht!» zei de prins en zette zich op den vloer neder.
«Dat zal nog wel erger worden, als mijn zonen thuis komen!» antwoordde de vrouw. «Ge zijt hier in de grot der winden: mijn zonen zijn de vier winden der wereld. Kunt ge dat begrijpen?»
«Waar zijn uw zonen?» vroeg de prins.
«Ja, het is moeilijk, een antwoord te geven, als men ons een dwaze vraag doet,» zei de vrouw. «Mijn zonen doen alles op hun eigen houtje; zij zijn met de wolken daar in de koningszaal aan het raketten!» En daarbij wees zij naar de hoogte.
«O, zoo!» zei de prins. «Ge spreekt overigens vrij barsch en zijt niet zoo vriendelijk als de vrouwen, die ik anders om mij heen heb!»
«O, die hebben zeker niets anders te doen! Ik moet wel streng zijn, als ik mijn jongens in bedwang wil houden; maar dat kan ik, ofschoon het stijfkoppen zijn. Ziet ge die vier zakken hier aan den muur hangen? Daarvoor zijn zij even bang, als gij vroeger voor de roede achter den spiegel! Ik kan de jongens in elkaar buigen, zeg ik u, en dan stop ik ze in den zak; daar maken wij geen komplimenten mee! Daar zitten ze dan en mogen er niet uit, voordat ik het hun toesta. Maar daar hebben we een van hen.»
Het was de noordenwind, die met een ijzige koude binnentrad; groote hagelsteenen kletterden op den grond neer, en sneeuwvlokken dwarrelden in de rondte. Hij droeg een broek en buis van een berenhuid; een muts van zeehondenvel was heelemaal over zijn ooren getrokken; lange ijskegels hingen er aan zijn baard; en de eene hagelsteen na den anderen gleed van den kraag van zijn buis naar beneden.
«Ga niet dadelijk bij het vuur zitten!» zei de prins. «Anders zoudt ge licht winter in uw gezicht en uw handen kunnen krijgen.»
«Winter?» zei de noordenwind en barstte in een luid gelach uit. «Koude is mijn grootste plezier! Maar wat ben jij voor een kereltje? Hoe kom je in de grot der winden?»
«Hij is mijn gast,» zei de oude vrouw, «en als je met deze verklaring niet tevreden bent, dan zal ik je in den zak stoppen! Versta je mij?»
Zie, dat hielp, en de noordenwind vertelde, waar hij vandaan kwam en waar hij bijna een maand geweest was.
«Ik kom van de Poolzee,» zei hij; «ik ben op het Bereneiland met de Russische walrusjagers geweest. Ik zat en sliep op het roer, toen zij van de Noordkaap wegzeilden: als ik nu en dan wakker werd, vloog de stormvogel mij om de beenen. Dat is een kluchtige vogel! Hij klapwiekt met zijn vleugels, houdt deze daarop onbeweeglijk uitgestrekt en vliegt toch voort!»
«Maak het niet te wijdloopig!» zei de moeder der winden. «Je bent dus op het Bereneiland geweest, niet waar?»
«Daar is het prachtig! Daar is een vloer om te dansen, zoo glad als een bord! Half ontdooide sneeuw met een weinig mos, puntige steenen en geraamten van walrussen en ijsberen lagen er in de rondte, evenals reuzenarmen en beenen met beschimmeld groen. Men zou haast denken, dat de zon daarop nooit geschenen had. Ik blies een weinig in den nevel, en nu zag ik een huis, dat van wrakhout gebouwd en met walrushuiden bedekt was; de kant, waaraan het vleesch gezeten had, was naar buiten gekeerd; op het dak zat een levende ijsbeer te brommen. Ik ging naar het strand toe, keek naar de vogelnesten, zag de naakte jongen, die schreeuwden en hun bekken opensperden; nu blies ik in hun kelen, en zoo leerden zij hun bekken dichtdoen. Verderop krioelden de walrussen door elkaar, als levende ingewanden of reusachtige maden met varkenskoppen en ellenlange tanden!»
«Je weet goed te vertellen, mijn zoon!» zei de moeder. «Ik watertand er van, als ik naar je luister.»
«Toen begon de jacht! De harpoen werd in de borst van den walrus geworpen, zoodat een dampende bloedstraal als een fontein over het ijs spoot. Nu dacht ik ook aan mijn spel! Ik blies en liet de torenhooge ijsbergen de booten insluiten. Och! wat floot en wat schreeuwde men; maar ik floot nog luider! De walruslijken, kisten en touwwerk moesten zij op het ijs uitpakken; ik schudde er sneeuwvlokken over heen en liet ze in de beklemd geraakte vaartuigen, met hun vangst naar het zuiden drijven, om daar zout water te proeven. Zij komen nimmer meer naar het Bereneiland toe!»
«Dan heb je heel wat kwaad gedaan!» zei de moeder der winden.
«Wat ik goeds gedaan heb, moeten de anderen maar vertellen!» zei hij. «Maar daar hebben we mijn broeder uit het westen; hem mag ik het liefste van allen lijden; hij ruikt naar de zee en voert een heerlijke koude met zich mee!»
«Is dat de kleine westenwind?» vroeg de prins.
«Zeker is het de westenwind!» zei de oude vrouw. «Maar hij is toch niet zoo klein. Jaren geleden was hij een aardige knaap, maar dat is nu voorbij!»
Hij zag er als een woeste kerel uit, maar hij had een valhoed op, om zich niet te bezeeren. In de hand hield hij een mahoniehouten knots, die hij in de Amerikaansche bosschen afgehakt had. Dit was geen gemakkelijk werk geweest!
«Waar kom je vandaan?» vroeg zijn moeder.
«Uit de maagdelijke bosschen,» zei hij, «waar de waterslang in het natte gras ligt en de menschen overbodig schijnen te zijn!»
«Wat heeft je vandaar weggejaagd?»
«Ik zag in de diepste rivier, zag, hoe deze van de rotsen naar beneden stortte, stof werd en naar de wolken vloog, om den regenboog te dragen. Ik zag den wilden buffel in de rivier zwemmen; maar de stroom voerde hem met zich mee. Hij dreef met een troep wilde eenden, die er in de hoogte vlogen, naar de plaats, waar het water naar beneden stortte. De buffel moest naar beneden; dat beviel mij, en ik blies een storm, zoodat overoude boomen aan splinters barstten en tot spaanders werden.»
«En heb je anders niets gedaan?» vroeg de oude vrouw.
«Ik heb in de savannen allerlei kromme sprongen gemaakt; ik heb de wilde paarden gestreeld en kokosnoten doen afvallen. Ja, ja, ik zou heel wat weten te vertellen! Maar men moet niet alles zeggen, wat men weet. Dat weet ge ook wel, oudje!» En hij gaf zijn moeder zulk een duchtigen kus, dat zij bijna achterover gevallen was. Het was een verschrikkelijk wilde jongen.
Nu kwam de zuidenwind met een tulband en een wuivenden bedouïnenmantel.
«Het is hier vrij koud!» zeide hij en wierp nog wat hout op het vuur. «Ik kan wel merken, dat de noordenwind het eerst van allen thuis gekomen is!»
«Het is hier zoo heet, dat men wel een ijsbeer kan braden!» zei de noordenwind.
«Je bent zelf een ijsbeer!» antwoordde de zuidenwind.
«Wil je in den zak gestopt worden?» vroeg de oude vrouw.--«Ga daar op dien steen zitten en vertel, waar je geweest bent.»
«In Afrika, moeder!» antwoordde hij. «Ik ben met de Hottentotten op de leeuwenjacht geweest in het land der Kaffers. Daar groeit gras in de vlakten, groen als een olijf. Daar liep de struisvogel met mij om 't hardst: maar ik ben toch nog vlugger ter been. Ik ging naar de woestijn met het gele zand; daar ziet het er uit als op den bodem der zee. Ik trof een karavaan aan; men slachtte den laatsten kameel om aan drinkwater te komen; maar het was slechts weinig, wat men kreeg. De zon brandde van boven en het zand van beneden. De uitgestrekte woestijn had geen grenzen. Nu wentelde ik mij in het fijne, losse zand en maakte, dat dit zich tot hooge zuilen opstapelde. Dat was een dans! Ge hadt eens moeten zien, hoe moedeloos de dromedaris daar stond, en hoe de koopman zich den kaftan over het hoofd trok. Hij wierp zich voor mij neer, evenals voor Allah zijn God. Nu zijn zij begraven: er staat een piramide van zand boven hen allen. Als ik deze eenmaal wegblaas, dan zal de zon de beenderen doen verbleeken; dan kunnen de reizigers zien, dat daar vroeger menschen geweest zijn. Anders zal men dit in de woestijn niet gelooven!»
«Je hebt dus niets anders dan kwaad gedaan!» zei zijn moeder. «Marsch! in den zak!» En eer de zuidenwind er op verdacht was, had zij hem om zijn middel beetgepakt en in den zak gestopt. Hij lag op den vloer rond te wentelen, maar zij zette zich op den zak neer, en nu moest hij wel stil blijven liggen.
«Dat zijn vroolijke jongens, die ge hebt!» zei de prins.
«O ja,» antwoordde zij, «en ik weet ze te straffen! Daar hebben we den vierde!»
Dat was de oostenwind; deze was als een Chinees gekleed.
«Zoo! kom je uit je land?» vroeg zijn moeder. «Ik dacht, dat je in den tuin van het Paradijs geweest waart.»
«Daar vlieg ik morgen eerst naar toe!» zei de oostenwind. «Morgen is het honderd jaar geleden, dat ik er geweest ben! Ik kom nu uit China, waar ik zoo om den porseleinen toren gedanst heb, dat alle klokken klingelden. Op de straat kregen de beambten zweepslagen; een bamboes riet werd op hun rug aan stukken geslagen, en dat waren lieden van den eersten tot den negenden graad. Zij schreeuwden: «Hartelijk dank, mijn vaderlijke weldoener!» Maar dat ging hun niet van harte af, en ik klingelde met de klokken en zong: «Tjing, tjang!»»
«Je bent ook altijd ondeugend!» zei de oude vrouw. «Het is goed, dat je morgen naar den tuin van het Paradijs gaat; dat draagt altijd tot je beschaving bij. Drink dan eens ferm uit de wijsheidsbron, en breng een fleschvol voor mij mee!»
«Dat zal ik doen!» zei de oostenwind. «Maar waarom hebt ge mijn broeder uit het zuiden in den zak gestopt? Laat hem er uit! Hij moet mij van den vogel Phoenix vertellen, van dezen wil de prinses in den tuin van het Paradijs altijd hooren, als ik om de honderd jaren een bezoek bij haar afleg. Doe den zak open, dan zijt ge mijn lieve moeder, en dan geef ik u twee zakken vol thee, zoo groen en frisch, als ik ze geplukt heb!»
«Welnu dan, om de thee en omdat je mijn lieve jongen bent, zal ik den zak opendoen!» Dat deed zij, en nu kroop de zuidenwind er uit; maar hij zag er erg neerslachtig uit, omdat de vreemde prins het gezien had.
«Daar heb je een palmblad voor de prinses!» zei de zuidenwind. «Dit blad heeft de vogel Phoenix, de eenige, die er op de wereld was, aan mij gegeven! Hij heeft er met zijn snavel zijn heele levensgeschiedenis gedurende de honderd jaren, die hij geleefd heeft, op geschreven. Nu kan zij het zelf lezen, hoe de vogel Phoenix zijn nest in brand stak en daarin zat en verbrandde, evenals de vrouw van een Hindoe. Wat knetterden de dorre takken! Het was een rook en een damp van belang! Eindelijk ging alles in vlammen op; de oude vogel Phoenix werd tot asch verteerd; maar zijn ei lag gloeiend rood in het vuur; het barstte met een geweldigen knal open, en het jong vloog er uit; nu is _deze_ heer over alle vogels en de eenige vogel Phoenix in de wereld. Hij heeft in het palmblad, dat ik je gegeven heb, een gat gebeten: dat is zijn groet aan de prinses!»
«Laat ons wat gebruiken!» zei de moeder der winden. En nu zetten zij zich allen bij elkander neer, om van het gebraden hert te eten; de jonge prins zat naast den oostenwind; daardoor werden zij al spoedig goede vrienden.
«Zeg mij eens,» vroeg de prins, «wat is dat toch voor een prinses, waarvan hier zooveel gesproken wordt, en waar ligt de tuin van het Paradijs?»
«Wel zoo!» zei de oostenwind, «wilt ge daar naar toe? Welnu, vlieg dan morgen maar met mij mee! Maar dat moet ik u zeggen: sedert Adams en Eva's tijd is geen mensch daar geweest. Ge kent die zeker wel uit uw bijbelsche geschiedenis?»
«Jawel,» zei de prins.
«Indertijd, toen zij verdreven werden, zonk de tuin van het Paradijs in den grond weg; maar hij behield zijn warmen zonneschijn, zijn zachte lucht en al zijn heerlijkheid. De feeënkoningin woont daarin; daar ligt het land der gelukzaligheid, waar de dood nooit komt, waar het heerlijk is! Zet u morgen op mijn rug neer, dan zal ik u meenemen: ik denk, dat dit wel zal gaan. Maar zwijg stil, want ik wil nu slapen!»
En nu gingen zij allemaal slapen.
Reeds vroeg in den morgen werd de prins wakker en was niet weinig verbaasd, toen hij merkte, dat hij zich al hoog boven de wolken bevond. Hij zat op den rug van den oostenwind, die hem stevig vasthield; zij waren zoo hoog in de lucht, dat bosschen en velden, rivieren en zeeën zich als op een landkaart aan hen voordeden.
«Goeden morgen!» zei de oostenwind. «Ge hadt best nog een beetje kunnen blijven slapen, want er is niet veel op het vlakke veld onder ons te zien, of ge moest lust hebben om de kerken te tellen! Die staan als krijtstipjes op het groene bord.» Wat hij het groene bord noemde, waren velden en weiden.
«Het is niet heel beleefd van mij, dat ik uw moeder en uw broers niet goedendag gezegd heb!» zei de prins.
«Als men slaapt, is men verontschuldigd!» beweerde de oostenwind. En daarop vlogen zij nog sneller dan te voren. Men kon het in de toppen van de boomen hooren, want als zij daar overheen vlogen, ritselden alle takken en bladeren; men kon het aan de zeeën en op de meren merken, want waar zij vlogen, stegen de golven hooger, en de groote schepen bogen zich diep in het water evenals zwemmende zwanen.
Tegen den avond, toen het donker werd, zagen de groote steden er bekoorlijk uit; de lichten brandden daar beneden, nu eens hier, dan weer daar, het was, als wanneer men een stuk papier in brand gestoken heeft en al de kleine vonken ziet, waarvan de eene na de andere verdwijnt. En de prins klapte in zijn handen; maar de oostenwind verzocht hem, dit niet te doen en zich liever vast te houden; anders zou hij licht naar beneden kunnen vallen en aan een kerktoren blijven hangen.
De adelaar in de donkere bosschen vloog wel is waar snel, maar de oostenwind vloog toch nog sneller. De kozak reed op zijn klein paard vlug over de vlakte heen, maar de prins ging toch nog vlugger!
«Nu kunt ge den Himalaya zien!» zei de oostenwind. «Dat is het hoogste gebergte in Azië; nu zullen wij spoedig in den tuin van het Paradijs komen!»
Daarop wendden zij zich meer zuidwaarts; al spoedig geurde het daar van specerijen en bloemen; vijgen en granaatappels groeiden in het wild, en aan de wilde wijnstokken zaten blauwe en roode druiven. Hier lieten zij zich beiden neer en strekten zich op het zachte gras uit, waar de bloemen den wind toeknikten, als wilden zij zeggen: «Welkom!»
«Zijn wij nu in den tuin van het Paradijs?» vroeg de prins.
«Neen, nog niet!» antwoordde de oostenwind. «Maar wij zullen er spoedig komen. Ziet ge daar dien rotsachtigen muur en die ruime grot, waarvoor de wijngaardranken als een groot, groen gordijn hangen? Daardoor zullen we er inkomen! Wikkel u in uw mantel; hier brandt de zon, maar nog een schrede verder, en het is ijskoud. De vogel, die daar voorbij de grot heenvliegt, heeft zijn eenen vleugel buiten in den warmen zomer en zijn anderen binnen in den kouden winter!»
«Wel zoo! Is dat dan de weg naar den tuin van het Paradijs?» vroeg de prins.
Nu gingen zij de grot in. Hu! wat was het daar ijskoud! Maar het duurde toch niet lang. De oostenwind spreidde zijn vleugelen uit, en deze schitterden evenals het helderste vuur. O, wat was dat een grot! De groote rotsblokken, waarvan het water afdroop, hingen in de zonderlingste gestalten daaroverheen; nu eens was het er zoo nauw, dat zij op handen en voeten moesten kruipen, dan weer zoo hoog en uitgestrekt, als in de open lucht. Het zag er uit als grafkapellen met stomme orgelpijpen en versteende orgels.
«Wij betreden den weg des doods toch niet, nu wij naar den tuin van het Paradijs toe gaan?» vroeg de prins. Maar de oostenwind gaf hierop niets hoegenaamd ten antwoord, maar wees slechts voorwaarts, en het schoonste blauwe licht straalde hun tegen. De rotsblokken boven hen werden meer en meer een nevel, die er eindelijk als een witte wolk in den maneschijn uitzag. Nu waren zij in de heerlijke, zachte lucht, zoo frisch als op de bergen, zoo geurig als bij de rozen in het dal. Daar stroomde een rivier, zoo helder als de lucht zelf; en de visschen waren als zilver en goud; purperroode palingen, die bij iedere beweging blauwe vonken om zich heen spreidden, speelden onder in het water, en de breede lotusbladeren hadden al de kleuren van den regenboog; de bloem, die daaraan groeide, was een roodachtige gele brandende vlam, waaraan het water voedsel gaf, evenals de olie de lamp bestendig aan het branden houdt; een stevige brug van marmer, maar zoo kunstig en fijn uitgesneden, alsof zij van kant en paarlen gemaakt was, voerde over het water naar het eiland der gelukzaligheid, waar de tuin van het Paradijs bloeide.
De oostenwind nam den prins op zijn armen en droeg er hem naar toe. Daar zongen de bloemen en de bladeren de schoonste liederen uit zijn kindsheid, maar zoo welluidend en liefelijk, als geen menschelijke stem ze hier kan zingen.
Waren het palmboomen of reusachtig groote waterplanten, die hier groeiden? Zulke sappige en groote boomen had de prins vroeger nooit gezien; in lange festoenen hingen daar de wonderlijkste slingerplanten, zooals men ze slechts met kleuren en goud op den rand van oude heiligenboeken, of door de beginletters geslingerd, afgebeeld ziet. Dat waren de zonderlingste samenstellingen van vogels, bloemen en ranken. Dicht daarnaast in het gras stond een troep pauwen met ontplooide, glanzige staarten. Ja, dat was werkelijk zoo! Doch toen de prins daaraan raakte, merkte hij, dat het geen dieren, maar planten waren; het waren groote klissen, die hier als een prachtige pauwestaart schitterden. De leeuw en de tijger sprongen als katten tusschen de groene heggen door, die als de bloemen van den olijfboom geurden; en de leeuw en de tijger waren tam. De wilde boschduif straalde als de schoonste parel en sloeg met haar vleugels tegen de manen van den leeuw aan; en de antilope, die anders zoo schuw is, stond daarnaast en knikte met den kop, alsof zij ook wilde meespelen.
Nu kwam de fee van het Paradijs; haar kleederen straalden als de zon, en haar gelaat was vroolijk als dat van een blijde moeder, wanneer zij recht gelukkig met haar kind is. Zij was jong en schoon, en de bekoorlijkste meisjes, elk met een schitterende ster in het haar, volgden haar. De oostenwind gaf haar het beschreven blad van den vogel Phoenix, en haar oogen fonkelden van blijdschap. Zij nam den prins bij de hand en bracht hem naar haar kasteel, waar de muren kleuren hadden als het prachtigste tulpeblad, wanneer het tegen de zon gehouden wordt. De zoldering zelve was een groote, fonkelende bloem, en hoe meer men daarnaar keek, des te dieper scheen haar kelk. De prins ging naar het raam toe en keek door een der ruiten: daar zag hij den boom der kennis met de slang, en Adam en Eva stonden dicht daarbij. «Zijn die niet verdreven?» vroeg hij. En de fee glimlachte en verklaarde hem, dat de tijd op iedere ruit zijn beeld ingebrand heeft, maar niet, zooals men het gewoonlijk ziet; neen, er was leven daarin; de bladeren der bloemen bewogen zich; de menschen kwamen en gingen, als in een spiegelbeeld. En hij keek door een andere ruit: daar was Jacobs droom, waar de ladder tot aan den hemel reikte; en de engelen met hun groote vleugels zweefden op en neer. Ja, alles, wat er op de wereld gebeurd was, leefde en bewoog zich in de glazen ruiten; zulke kunstige schilderijen kon slechts de tijd er in branden.