Andersens Sproken en vertellingen Morgenrood
Chapter 15
Buiten op het land, dicht aan den weg, stond een aardig huisje. Ge hebt het zeker zelf wel eens gezien. Daarvoor is een kleine tuin met bloemen en een heining, die geverfd is; dicht daarbij aan den kant van de gracht, te midden van het mooiste groene gras, groeide een klein madeliefje; de zon bescheen het even warm en heerlijk als de groote, mooie, prachtige bloemen in den tuin, en daarom groeide het van uur tot uur.
Op zekeren morgen stond het met zijn kleine, sneeuwwitte blaadjes, die als stralen rondom de gele zon in het midden zaten, geheel ontloken. Het dacht er niet aan, dat niemand het daar in het gras zag, en dat het een arm, veracht bloempje was; neen, het was zeer vergenoegd, het wendde zich naar de warme zon toe, keek er naar op en luisterde naar den leeuwerik, die in de lucht zong.
Het kleine madeliefje was zoo gelukkig, alsof het een groote feestdag was, en het was toch maar een Maandag. Al de kinderen waren naar school toe. Terwijl dezen op hun banken zaten en leerden, zat het madeliefje op zijn kleinen, groenen stengel en leerde ook van de warme zon en van alles in den omtrek, hoe goed God is; en het beviel het bloempje goed, dat de kleine leeuwerik alles, wat het in stilte gevoelde, zoo duidelijk en schoon zong. En het madeliefje keek met een soort van eerbied naar den gelukkigen vogel, die kon zingen en vliegen, maar was er niet bedroefd over, dat het dit zelf niet kon. «Ik zie en hoor immers!» dacht het; «de zon beschijnt mij en de wind kust mij! O, hoe rijk ben ik toch begiftigd!»
In den tuin stonden vele stijve, deftige bloemen; hoe minder geur zij van zich gaven, des te meer pronkten zij. De pioenen bliezen zich op, om grooter dan een roos te zijn; maar in de grootte zit het hem niet! De tulpen hadden de allerschoonste kleuren, en dat wisten zij wel en hielden zich zoo recht als een kaars, opdat men ze beter zou kunnen zien. Zij letten niet op het kleine madeliefje daar buiten; maar dit keek des te meer naar hen en dacht: «Wat zijn zij toch rijk en schoon! Ja, de prachtige vogel vliegt zeker naar hen toe en brengt hun een bezoek! Goddank dat ik er zoo dicht bij sta, dan heb ik toch ook wat aan die pracht!» En terwijl het dit dacht, «Kieviet!» daar kwam de leeuwerik aanvliegen, maar niet naar de pioenen en de tulpen toe,--neen, hij zette zich op het gras bij het arme madeliefje neer. Dit verschrikte zoo, dat het niet wist, wat het er van moest denken.
De kleine vogel danste rondom het lieve bloempje heen en zong: «O, wat is dat gras toch zacht! En zie eens, welk een lief bloempje met goud in het hart en zilver op zijn kleed!» Het gele stipje in het madeliefje zag er immers als goud uit, en de blaadjes rondom waren zilverwit.
Hoe gelukkig het kleine madeliefje was,--neen, dat kan niemand zich voorstellen! De vogel kuste het met zijn snavel, zong er voor en vloog toen weer in de blauwe lucht op. Het duurde zeker wel een kwartier, voordat het madeliefje weer wat tot zich zelf gekomen was. Half beschaamd en toch innerlijk verheugd, keek het naar de andere bloemen in den tuin; zij hadden immers de eer en het geluk, dat hem weervaren was, gezien; zij moesten immers begrijpen, welk een blijdschap dit voor hem was. Maar de tulpen stonden nog eens zoo stijf als vroeger, en toen zetten zij een lang gezicht en werden vuurrood, want zij hadden er zich over geërgerd. De pioenen waren knorrig; het was goed, dat zij niet konden spreken, anders had het madeliefje zeker een hatelijkheid moeten aanhooren. De arme kleine bloem kon wel zien, dat zij niet in een goede luim waren, en dat deed haar van harte leed. Op hetzelfde oogenblik kwam er een meisje met een groot, scherp en blinkend mes in den tuin; zij liep naar de tulpen toe en sneed de eene na de andere af. «Och!» zeide het madeliefje met een zucht: «dat is toch verschrikkelijk: nu is het met hen gedaan!» Daarop ging het meisje met de tulpen weg. Het madeliefje was er blij om, dat het buiten in het gras stond en een klein bloempje was, het gevoelde zich zeer dankbaar, en toen de zon onderging, vouwde het zijn blaadjes dicht, viel in slaap en droomde den heelen nacht van de zon en van den kleinen vogel.
Den volgenden morgen, toen het bloempje al zijn witte blaadjes weer als kleine armen naar de lucht en het licht uitstrekte, herkende het de stem van den vogel; maar het klonk treurig, wat hij zong. Ja, de arme leeuwerik had daar wel reden voor; hij was gevangen en zat in een kooi, dicht bij het open raam. Hij bezong het vrije en gelukkige rondvliegen, zong van het jonge, groene koren op het veld en van de heerlijke tochten, die hij op zijn vleugels hoog in de lucht kon doen. De arme leeuwerik was niet opgewekt; hij zat daar in een kooi gevangen.
Het kleine madeliefje wilde hem graag helpen. Maar hoe zou het dit doen? Ja, daar was moeilijk iets op te bedenken. Het bloempje vergat heelemaal, hoe schoon alles in den omtrek stond, hoe warm de zon scheen en hoe prachtig wit zijn blaadjes er uitzagen. Ach, het kon aan niets anders denken dan aan den gevangen vogel, voor wien het volstrekt niets kon doen.
Op dit zelfde oogenblik kwamen er twee kleine jongens uit den tuin; de een hield een mes in de hand, groot en scherp, evenals dat hetwelk het meisje had, om de tulpen af te snijden. Zij gingen naar het kleine madeliefje toe, dat maar niet kon begrijpen, wat zij wilden.
«Hier kunnen we een heerlijke graszode voor den leeuwerik uitsnijden!» zei het eene jongetje en begon toen om het madeliefje heen een vierhoek te snijden, zoodat het midden in de graszode bleef staan.
«Pluk het bloempje af!» zei het andere jongetje, en het madeliefje beefde van angst; want afgeplukt te worden stond immers gelijk met het leven te verliezen; en nu wilde het nog veel te graag leven, daar het met de graszode naar den gevangen leeuwerik in de kooi toe moest.
«Neen, laat het staan!» zei het andere jongetje; «het is zoo'n lief bloempje!» En zoo bleef het dan staan en kwam in de kooi van den leeuwerik.
Maar de arme vogel klaagde luid over het verlies van zijn vrijheid en sloeg met zijn vlerken tegen het ijzerdraad van de kooi; het kleine madeliefje kon niet spreken, geen vertroostend woord zeggen, hoe graag het ook wilde. Zoo verliep de voormiddag.
«Hier is geen water,» zei de gevangen leeuwerik. «Ze zijn allemaal uitgegaan en hebben vergeten, mij te drinken te geven. Mijn keel is droog en brandend! Er is vuur en ijs in mij, en de lucht is zwaar! Ach, ik moet sterven, scheiden van den warmen zonneschijn, van het frissche groen, van al de heerlijkheid, die God geschapen heeft!» En toen boorde hij met zijn snavel in de koele graszode, om zich daardoor een weinig te verfrisschen! Daar viel zijn blik op het madeliefje, en de vogel knikte het toe, kuste het met den snavel en zei: «Gij moet hier binnen ook verdrogen, arme, kleine bloem! U en het kleine plekje groene gras heeft men mij gegeven in ruil voor de geheele wereld, die ik daar buiten had! Ieder grashalmpje moet mij een groene boom, elk van uw witte bladeren een geurige bloem zijn! Ach, ge herinnert er mij slechts aan, hoeveel ik verloren heb.»
«Kon ik hem maar wat troosten!» dacht het madeliefje; maar het kon geen blad bewegen; doch de geur, die de teere blaadjes van zich gaven, was veel sterker, dan men anders bij dit bloempje vindt; dat merkte de vogel ook, en ofschoon hij van dorst versmachtte en in zijn smart de groene grashalmpjes afrukte, raakte hij het bloempje toch niet aan.
Het werd avond, en nog kwam er niemand, om den armen vogel een droppel water te brengen; nu strekte hij zijn lieve vlerkjes uit en schudde er krampachtig mee; zijn gezang was een weemoedig piep-piep; zijn klein kopje boog zich langzaam naar het bloempje toe, en het hart van den vogel brak van gebrek en heimwee. Nu kon het bloempje niet, evenals den vorigen avond, zijn blaadjes samenvouwen en slapen, het hing ziek en treurig op den grond neer.
Eerst den volgenden morgen kwamen de jongetjes, en toen zij den dooden vogel zagen, weenden zij bittere tranen en groeven een aardig grafje, dat met bloembladeren versierd werd. Het lijk van den vogel kwam in een mooi rood doosje; koninklijk zou hij begraven worden, de arme vogel! Toen hij leefde en zong, vergaten ze hem, lieten hem in de kooi zitten en gebrek lijden; nu werd hij geëerd en werden er tranen om hem gestort.
Maar de graszode met het madeliefje werd in het stof van den straatweg geworpen. Niemand dacht aan de bloem, die het meest voor den kleinen vogel gevoeld had en die hem zoo graag had willen troosten!
DE GESCHIEDENIS VAN EEN MOEDER.
Een moeder zat bij de wieg van haar kind: zij was diep bedroefd en vreesde, dat het zou sterven. Zijn gezichtje was bleek en zijn oogjes waren gesloten. Het kind haalde zwaar en somtijds zoo diep adem, alsof het zuchtte, en de moeder keek nog treuriger naar het arme wicht.
Eensklaps werd er op de deur geklopt, en nu trad er een arm, oud man binnen, die in een groot paardedek gewikkeld was; want daarin blijft men warm, en dat had hij wel noodig; het was immers een koude winter. Buiten was alles met ijs en sneeuw bedekt, en de wind blies zoo scherp, dat hij in het gezicht sneed.
Daar de oude man van de koude trilde en het kind een oogenblik sliep, verliet de moeder de wieg even en zette bier in een kleinen pot op het vuur, om het voor hem te warmen. De oude man zette er zich bij neer en wiegde het kind, en de moeder ging op een ouden stoel naast hem zitten, keek naar haar ziek kind, dat zoo diep adem haalde, en greep zijn handje vast.
«Niet waar, ge denkt toch ook, dat ik het wel zal behouden?» vroeg zij. «De goede God zal het mij niet ontnemen!»
De oude man--het was de Dood--knikte zoo zonderling, dat het even goed ja als neen kon beteekenen. Maar de moeder sloeg haar oogen neer, en tranen biggelden langs haar wangen. Het hoofd werd haar zwaar; in drie dagen en drie nachten had zij geen oog geloken; en nu viel zij in slaap, doch haar slaap duurde niet langer dan een minuut; toen stond zij op en beefde van de kou. «Wat is dat?» riep zij uit en keek naar alle kanten rond. Maar de oude man was weg, en haar kind was weg: hij had het meegenomen. In de hoek van de kamer maakte de oude klok een zonderling geluid; het zware looden gewicht kwam op den vloer neer--plomp!--daar stond de klok stil.
De arme moeder snelde het huis uit en riep om haar kind.
Buiten, midden in de sneeuw, zat een man in een lang, zwart gewaad, en zei: «De Dood is bij u in de kamer geweest; ik heb hem met uw kind zien wegsnellen; hij loopt sneller dan de wind en brengt nooit terug, wat hij weggenomen heeft.»
«Zeg mij maar, welken weg hij ingeslagen is!» zei de moeder. «Zeg mij den weg, en ik zal dien wel vinden.»
«Ik weet dien,» zei de man in het zwarte gewaad; «maar voordat ik u dit zeg, moet ge eerst al de liedjes voor mij zingen, die ge voor uw kind gezongen hebt. Ik mag zulke liedjes graag; ik heb ze vroeger wel meer gehoord; ik ben de nacht en heb uw tranen gezien, toen gij ze zongt.»
«Ik zal ze allemaal zingen!» zei de moeder. «Maar houd mij niet op, opdat ik hem kan inhalen, opdat ik mijn kind moge wedervinden!»
Maar de nacht zat stil en stom. Nu wrong de moeder zich de handen, zong en weende. En er vloeiden vele liedjes van haar lippen, maar nog meer tranen uit haar oogen. Toen zei de nacht: «Loop het donkere dennenwoud in; daar heb ik den dood met het kind naar toe zien gaan.»
In het dichtst van het woud bevond zich een kruisweg, en zij wist niet, welke richting zij nu moest inslaan. Er stond daar een doornstruik: deze had bladeren noch bloemen; maar het was dan ook in den barren wintertijd, en er hingen ijskegels aan de takken.
«Hebt ge den Dood met mijn kind zien voorbijgaan?» vroeg zij.
«Ja!» zei de doornstruik; «maar ik zeg u niet, welken weg hij ingeslagen is, als gij mij niet vooraf aan uw boezem wilt verwarmen! Ik vries hier dood, ik word tot louter ijs!»
En zij drukte den doornstruik vast aan haar borst, opdat hij heelemaal zou kunnen ontdooien. De doornen drongen in haar vleesch door, en haar bloed vloeide in groote droppels. Maar de doornstruik kreeg nieuwe, groene bladeren en droeg bloesems in den winternacht; zoo warm is het aan het hart van een bedroefde moeder! De doornstruik zei haar daarop, welken weg zij moest inslaan.
Nu kwam zij aan een groot meer, waarop geen enkel schip of schuitje te zien was. Het meer was niet genoeg dichtgevroren, om haar te dragen, en ook niet open en ondiep genoeg, om doorwaad te kunnen worden,--en toch moest zij er overheen, als zij haar kind wilde vinden. Nu ging zij op haar knieën liggen, om het meer leeg te drinken; maar dat was immers onmogelijk voor een mensch. Doch de bedroefde moeder dacht, dat er misschien een wonder zou kunnen gebeuren.
«Neen, dat zal nooit gaan!» zei het meer. «Laat ons beiden liever zien, of wij het met elkaar eens kunnen worden. Ik houd er van, parels te verzamelen, en uw oogen zijn twee van de schoonste, die ik ooit gezien heb: wilt gij ze in mij uitweenen, dan zal ik u naar de groote broeikas brengen, waarin de Dood woont en bloemen en boomen verpleegt; elk van deze is een menschenleven.»
«O, wat zou ik niet willen geven, om bij mijn kind te komen,» zei de moeder, die reeds zooveel tranen gestort had. Zij weende nog meer, en haar oogen vielen op den bodem van het meer en werden twee kostbare parels. Maar het meer hief haar in de hoogte alsof zij op een schommel zat, en in een oogenblik vloog zij op den tegenovergestelden oever, waar een mijlenlang, wonderbaar huis stond. Men wist niet, of het een berg met bosschen en grotten, dan of het getimmerd was. Maar de arme moeder kon het niet zien: zij had haar oogen immers uitgeweend.
«Waar kan ik den Dood vinden, die met mijn kind is weggegaan?» vroeg zij.
«Hij is hier nog niet aangekomen!» zei een oude, grijze vrouw, die daar rondliep en op de broeikas van den Dood moest passen. «Hoe hebt ge den weg hier heen gevonden, en wie heeft u geholpen?»
«De goede God heeft mij geholpen,» antwoordde zij. «Hij is barmhartig, en dat zult gij ook zijn. Waar kan ik mijn kind vinden?»
«Ik ken het niet,» zei de oude vrouw, «en gij kunt immers niet zien!--Vele bloemen en boomen zijn er in dezen nacht verwelkt: de Dood zal wel spoedig komen om ze te verplanten.
«Ge weet immers wel, dat ieder mensch zijn levensboom of zijn levensbloem heeft. Zij zien er als andere gewassen uit, maar hun harten kloppen. Kinderharten kunnen ook kloppen! Let daarop, misschien herkent ge het kloppen van het hart van uw kind. Maar wat geeft ge mij, als ik u zeg, wat ge nog meer moet doen?»
«Ik heb niets te geven,» zei de bedroefde moeder. «Maar ik wil voor u tot aan het einde der wereld gaan.»
«Daar heb ik niets te doen,» zei de oude vrouw, «maar ge kunt mij uw lang, zwart haar geven; ge weet zelf zeker wel, dat het mooi is; het bevalt mij! Ge kunt mijn wit haar daarvoor krijgen; dat is toch altijd iets!»
«Verlangt ge anders niets?» vroeg zij. «Dat geef ik u met alle genoegen!» En zij gaf haar haar mooie haar en kreeg in plaats daarvan het sneeuwwitte der oude vrouw.
Daarop gingen zij in de groote broeikas van den Dood, waar bloemen en boomen wonderbaar door elkaar groeiden. Daar stonden fijne hyacinten onder glazen klokken, en groote, stevige pioenen. Daar groeiden waterplanten, waarvan enkele er frisch, andere kwijnend uitzagen, waterslangen lagen daarop neer, en zwarte kreeften klemden zich aan den stengel vast. Daar stonden prachtige palmen, eiken en platanen, peterselie en bloeiende tijm. Alle boomen en bloemen hadden hun namen; zij waren elk een menschenleven; de menschen leefden nog, sommigen in China, anderen in Groenland, in één woord, in alle deelen der wereld. Daar stonden groote boomen in kleine potten, zoodat zij het er bekrompen in hadden, en het niet veel scheelde, of zij deden de potten barsten; er was daar ook menige kleine zwakke bloem in een vetten grond, met mos er omheen en zorgvuldig gekoesterd en verpleegd. Maar de bedroefde moeder boog zich over alle kleinere planten heen, zij hoorde in elke een menschenhart kloppen; en uit millioenen herkende zij dat van haar kind.
«Daar is het!» riep zij en strekte haar hand over een klein krokusje uit, dat ziek naar één kant overhing.
«Raak de bloem niet aan!» zei de oude vrouw. «Maar blijf hier staan, en als de Dood komt,--ik verwacht hem ieder oogenblik,--laat hem dan de plant niet uittrekken en dreig hem, dat gij in dat geval hetzelfde met de overige bloemen zult doen: dan wordt hij bang! Hij moet bij God daarvoor instaan; er mag er geen uitgetrokken worden, voordat Hij er vergunning toe geeft.»
Daar suisde het eensklaps ijskoud door de zaal, en de blinde moeder voelde, dat het de Dood was, die nu kwam.
«Hoe hebt ge den weg hier naar toe kunnen vinden?» vroeg hij. «Hoe hebt ge hier vlugger naar toe kunnen loopen dan ik?»
«Ik ben een moeder!» antwoordde zij.
De Dood strekte zijn lange hand naar de kleine, fijne bloem uit; maar zij hield er haar handen overheen, hield haar vast omsloten, en nogtans vol zorgvuldigheid, dat zij geen van de bladeren aanraakte. Nu blies de Dood op haar handen, en zij voelde dat dit kouder was dan de koude wind; nu vielen haar handen slap neer.
«Tegen mij kunt ge toch niets uitrichten!» zei de Dood.
«Maar God kan dit wel!» gaf zij hem hierop ten antwoord.
«Ik doe slechts, wat Hij wil!» zei de Dood. «Ik ben Zijn tuinman. Ik neem al Zijn bloemen en boomen en verplant ze in den grooten tuin van het Paradijs, in het onbekende land. Hoe ze daar groeien en hoe het daar is, dat mag ik u niet zeggen!»
«Geef mij mijn kind terug!» zei de moeder en weende en smeekte. Eensklaps greep zij met haar handen twee mooie bloemen stevig vast en riep den Dood toe: «Ik trek al uw bloemen uit, want ik ben wanhopig!»
«Raak ze niet aan!» zei de Dood. «Ge zegt, dat ge zoo ongelukkig zijt, en wilt ge nu een andere moeder even ongelukkig maken?»
«Een andere moeder?» zei de ongelukkige vrouw en liet de beide bloemen dadelijk los.
«Daar hebt ge uw oogen,» zei de Dood. «Ik heb ze uit het meer opgevischt; zij fonkelden zoo helder; ik wist niet, dat het de uwe waren. Neem ze terug, zij zijn nu nog helderder dan vroeger; en kijk dan eens in den diepen put hiernaast naar beneden. Ik zal de namen der bloemen, die ge wildet uittrekken, noemen, en dan zult ge zien, wat ge hebt willen vernietigen en te gronde richten!»
En zij keek in den put neer: en het was een gelukzaligheid, te zien, hoe de eene een zegen voor de wereld werd, zij zag het leven der andere, dat uit zorgen en nood, jammer en ellende bestond.
«Beide is Gods wil!» zei de Dood.
«Welke van deze is de bloem des ongeluks en welke de gezegende?» vroeg zij.
«Dat zeg ik u niet,» antwoordde de Dood; «maar dit zult ge van mij vernemen, dat een der bloemen die van uw eigen kind is. Het was het lot van uw eigen kind, dat ge zaagt, de toekomst van uw eigen kind!»
Nu gaf de moeder een luiden gil van schrik. «Welke van deze is die van mijn kind? Zeg mij dit! Bevrijd het onschuldige kind! Verlos mijn kind van alle ellende! Draag het liever weg! Draag het in Gods koninkrijk! Vergeet mijn tranen, vergeet mijn smeeken en alles, wat ik gedaan heb!»
«Ik begrijp u niet,» zei de Dood. «Wilt ge uw kind terug hebben, of moet ik daarmee naar die plaats gaan, welke gij niet kent?»
Nu wrong de moeder zich de handen, viel op haar knieën en bad tot God: «Verhoor mij niet, als ik in strijd met Uw wil bid, die altijd het beste is! Verhoor mij niet! Verhoor mij niet!»
Zij liet haar hoofd op haar borst zakken.
En de Dood ging met haar kind naar het onbekende land.
UITSTEL IS GEEN AFSTEL.
Er stond ergens een oud ridderkasteel, dat door een breede gracht omgeven was, waarover een ophaalbrug lag, die echter slechts zelden neergelaten werd; want niet alle bezoekers zijn goede menschen. Onder het afdak waren schietgaten aangebracht, om daardoor te schieten, kokend water, ja, gesmolten lood op den vijand neer te gieten, als hij te dicht in de nabijheid mocht komen. Binnen in het huis waren de kamers zeer hoog, hetgeen goed te stade kwam bij den velen rook, die er van het haardvuur opsteeg, waarop groote, vochtige houtblokken lagen te smeulen. Aan den muur hingen portretten van geharnaste mannen en trotsche vrouwen in zware kleeren; de forschte van allen liep hier levend rond; zij werd Meta Mogens genoemd; zij was de vrouw des huizes, haar behoorde het ridderkasteel toe.
Tegen den avond kwamen er roovers; zij sloegen drie van haar onderhoorigen dood, ook den kettinghond sloegen zij dood, en daarop legden zij vrouw Meta met den hondeketting aan het hondenhok vast, terwijl zij zich zelf in de zaal te goed deden, den wijn en het goede bier uit haar kelder leegdronken.
Vrouw Meta was aan den hondeketting vastgelegd; zij kon niet eens blaffen.
Maar zie! Daar sloop de bediende van een der roovers zachtjes naderbij; hij mocht niet gezien worden, anders zouden zij hem doodgeslagen hebben.
«Vrouw Meta Mogens!» zei de knecht; «weet ge nog wel, hoe mijn vader tijdens het leven van uw man op het houten paard moest rijden? [3]--Gij deedt een goed woord voor hem, maar dit leidde tot niets; hij moest zoo lang rijden, totdat zijn ledematen verminkt waren; maar gij sloopt naar hem toe, evenals ik nu naar u toesluip; gij schooft zelfs een kleinen steen onder elk van zijn voeten, opdat zij daarop zouden steunen. Niemand zag het, of zij deden alsof zij niet niet zagen, want gij waart immers de jonge genadige vrouw. Dat heeft mijn vader mij verteld, en dat heb ik onthouden en niet vergeten! Nu wil ik u verlossen, vrouw Meta Mogens!»
Daarop haalden zij de paarden uit den stal en reden te midden van regen en wind weg en kregen hulp bij vrienden.
«Dat is een rijke vergelding voor een kleinen dienst, dien ik aan uw vader bewezen heb!» zei Meta Mogens.
«Uitstel is geen afstel!» gaf de knecht hierop ten antwoord.
De roovers werden opgehangen.
Er stond ergens een oud ridderkasteel, en het staat er nog; het is niet dat van Meta Mogens, het behoort aan een ander adellijk geslacht toe.
Wij verplaatsen ons in den tegenwoordigen tijd. De zon beschijnt de vergulde torenspitsen; kleine eilandjes, waarop bloemen bloeien, liggen als ruikers op het water, en de wilde zwanen zwemmen er om heen. In den tuin groeien rozen, de vrouw des huizes is zelf het fijnste rozeblad, het straalt in vreugde, in de vreugde van goede daden, doch niet in de wijde wereld, maar van binnen in het hart; wat daar bewaard is, dat is niet vergeten--uitstel is geen afstel!
Nu begeeft zij zich van het heerenhuis naar een kleine boerenhut op het land. Daarin woont een arm meisje, dat lam is; het raam in het kamertje ziet op het noorden uit, de zon komt hier niet in; het meisje heeft slechts het gezicht op een klein stukje land, dat door een hooge heg omgeven is. Maar heden is het zonneschijn; de warme, heerlijke zon van onzen goeden God is binnen in het kamertje; zij komt uit het zuiden door het nieuwe raam heen, daar waar vroeger slechts een muur was.
Het lamme meisje zit in den warmen zonneschijn, ziet bosch en meer, de wereld is zoo groot, zoo wonderlijk schoon geworden en wel door een enkel woord van de vriendelijke vrouw van het heerenhuis.
«Het woord was zoo gemakkelijk, de daad zoo gering!» zeide zij; «de vreugde, die zij mij verschaften, was oneindig groot en rijk in zegen!»
En daarom volbrengt zij zoo menige goede daad, denkt aan allen in de arme huizen en in de rijke huizen, waar er maar bedroefden zijn. Het is verborgen en bewaard, maar de goede God vergeet het niet; uitstel is geen afstel!