Andersens Sproken en vertellingen Morgenrood
Chapter 14
Toen de zon zou ondergaan, zag Elize elf witte zwanen met gouden kronen op hun koppen naar het land toe komen; zij vlogen vlak achter elkaar, zoodat ze een lang wit lint schenen. Nu klom Elize de helling op en verborg zich achter een kreupelboschje; de zwanen zetten zich dicht bij haar neer en sloegen met hun groote witte vleugels.
Zoodra de zon in het water verdwenen was, vielen de zwaneveeren plotseling af, en nu stonden daar elf schoone prinsen, de broeders van Elize. Zij gaf een luiden gil; ofschoon zij heel wat veranderd waren, wist zij toch, dat zij het waren, gevoelde zij, dat zij het zijn moesten. En zij vloog hun in de armen en noemde hen bij name; en de prinsen voelden zich hoogst gelukkig, toen zij hun kleine zuster zagen en herkenden ook haar, die nu groot en schoon was. Zij lachten en weenden, en al spoedig hadden zij begrepen, hoe slecht hun stiefmoeder voor hen allen geweest was.
«Wij broeders,» zei de oudste, «wij vliegen als wilde zwanen, zoolang de zon aan den hemel staat; zoodra zij ondergegaan is, krijgen wij onze menschelijke gedaante terug. Daarom moeten wij altijd oppassen, dat wij bij den ondergang der zon een rustplaats voor onze voeten hebben; want als wij op dien tijd naar de wolken opvliegen, dan moeten wij als menschen in de diepte neerstorten. Hier wonen wij niet; er ligt een even schoon land als dit aan gene zijde der zee. Maar de weg daarheen is ver: wij moeten over de groote zee heen, en er bevindt zich geen eiland op onzen weg, waar wij kunnen overnachten: alleen een kleine klip steekt er in het midden daarvan uit; deze is slechts zoo groot, dat wij, dicht naast elkander liggende, daarop kunnen slapen. Is de zee in hevige beweging, dan spat het water hoog boven ons uit; maar toch danken wij God voor die klip. Daar overnachten wij in onze menschelijke gedaante; zonder deze zouden wij ons lieve vaderland nimmer kunnen bezoeken, want twee van de langste dagen des jaars hebben wij voor onzen tocht noodig. Slechts eenmaal in het jaar is het ons vergund, een bezoek aan ons vaderland te brengen; elf dagen mogen wij hier blijven en over het groote bosch heenvliegen, vanwaar wij het kasteel waarin wij geboren zijn en waar onze vader woont, en de hooge kerktorens, waar onze moeder begraven is, kunnen zien. Hier komt het ons voor, alsof boomen en planten aan ons verwant waren; hier loopen de wilde paarden over de steppen heen, zooals wij dit in onze kindsheid gezien hebben; hier zingt de kolenbrander zijn oude liederen, waarop wij als kinderen dansten; hier is ons vaderland; hierheen gevoelen wij ons aangetrokken, en hier hebben wij u, o lieve, kleine zuster, gevonden! Twee dagen kunnen wij hier nog blijven, dan moeten wij over de zee naar een heerlijk land, dat ons vaderland echter niet is. Hoe zullen wij je daar naar toe brengen? Wij hebben geen schip en geen boot!»
«Op welke wijze kan ik je verlossen?» vroeg hun zuster. En zij spraken bijna den geheelen nacht met elkaar: zij sliepen slechts eenige uren.
Elize ontwaakte door het geklep der zwanevleugels, die over haar heen bruisten: haar broeders waren weer veranderd en vlogen in groote kringen en eindelijk ver weg; maar een hunner, de jongste, bleef achter; en de zwaan legde zijn kop in haar schoot en zij streelde zijn vleugels; den geheelen dag waren zij bij elkaar. Tegen den avond kwamen de anderen terug, en toen de zon ondergegaan was, stonden zij daar weer in hun natuurlijke gedaante.
«Morgen vliegen wij van hier weg en kunnen voor het einde van een geheel jaar niet terugkeeren. Maar wij kunnen je zoo niet verlaten. Heb je moed om mee te gaan? Ik ben sterk genoeg om je door het bosch te dragen. Zouden wij met ons allen niet zulke sterke vleugels hebben, om met je over de zee te vliegen?»
«Ja, neemt mij mee!» zei Elize.
Den heelen nacht waren zij bezig van buigzame wilgenschors en taaie biezen een net te vlechten, en dit werd groot en stevig. Op dit net legde Elize zich neer, en toen de zon te voorschijn kwam en haar broeders in wilde zwanen veranderd werden, pakten zij het net met hun snavels beet en vlogen met hun lieve zuster, die nog sliep, hoog naar de wolken op. De zonnestralen vielen vlak op haar gezicht, daarom ging een der zwanen boven haar hoofd vliegen, opdat zijn breede vleugels haar zouden beschutten.
Zij waren al ver van het land verwijderd, toen Elize wakker werd; zij dacht, dat zij nog droomde, zoo zonderling kwam het haar voor, hoog door de lucht over de zee gedragen te worden. Naast haar lag een tak met heerlijke, rijpe bessen en een bosje smakelijke wortelen; deze had de jongste der broeders voor haar verzameld en bij haar neergelegd. Zij glimlachte hem toe, want zij herkende hem; hij was het, die boven haar vloog en haar met zijn vleugels beschaduwde.
Zij waren zoo hoog, dat het grootste schip, dat zij onder zich zagen, een witte meeuw scheen te zijn, die op het water dreef. Een groote wolk stond achter hen; dat was een berg. En op dezen zag Elize haar eigene schaduw en die der elf zwanen; zoo reusachtig groot vlogen zij daar. Dat was een tooneel, prachtiger dan zij er vroeger ooit een gezien had. Maar toen de zon hooger steeg en de wolk verder achterbleef, verdween ook het zwevende schaduwbeeld.
Den geheelen dag vlogen zij voort, als een snorrende pijl door de lucht; maar het ging toch langzamer dan anders, want nu hadden zij hun zuster te dragen. Er was ruw weer ophanden; de avond viel; angstig zag Elize de zon al meer en meer dalen, en nog was de eenzame klip in zee niet te zien. Het kwam haar voor, alsof de zwanen krachtiger slagen met hun vleugels deden. Ach! zij was er de schuld van, dat zij niet vlug genoeg konden voortkomen. Als de zon ondergegaan was, dan moesten zij menschen worden, in de zee neerstorten en verdrinken. Nu zond zij uit het binnenste haars harten een gebed tot God op; maar nog zag zij geen klip. De zwarte wolk kwam naderbij; de wolken schenen een enkele, groote, dreigende massa te zijn, die er bijna als lood uitzag en al meer en meer voorwaarts dreef; bliksemstralen doorkliefden de lucht.
Nu was de zon juist aan den rand der zee. Het hart van Elize beefde; nu daalden de zwanen naar beneden, zoo snel, dat zij meende te vallen. Maar nu vlogen zij weer verder. De zon was half onder het water; nu zag zij eerst de kleine klip onder zich. Deze zag er niet grooter uit, dan of het een zeehond was, die met zijn kop boven het water uitstak. De zon daalde zeer snel; nu scheen zij nog slechts als een ster; daar raakte haar voet den vasten grond aan. De zon doofde uit, evenals de laatste vonk in brandend papier: arm in arm zag zij haar broeders om zich heen staan; maar meer plaats dan juist voor dezen en voor haar was er ook niet. De golven sloegen tegen de klip aan en spatten als een stofregen over haar heen; de lucht stond als in vuur, en de eene donderslag na den anderen ratelde; maar zuster en broeders grepen elkaar bij de hand en zongen psalmen, waaruit zij troost en moed putten.
Toen het den volgenden morgen begon te schemeren, was de lucht helder en stil; zoodra de zon opging, vlogen de zwanen met Elize van het eiland weg. De golven gingen nog hoog; het had, terwijl zij zoo hoog in de lucht waren, den schijn, alsof het witte schuim op de zwartachtig groene zee millioenen zwanen waren, die op het water zwommen.
Toen de zon hooger steeg, zag Elize voor zich, half in de lucht drijvend, een bergachtig land met schitterende ijsmassa's op de rotsen; en in het midden daarvan verhief zich een kasteel van wel een mijl lang, met de eene kolossale zuilengang boven de andere; beneden golfden palmbosschen en prachtige bloemen. Zij vroeg, of dit het land was, waar zij naar toe wilden; maar de zwanen schudden met hun kop, want datgene, wat zij zag, was het heerlijke, aldoor afwisselende wolkenkasteel der Fata Morgana; daarin konden zij geen menschen brengen. Elize staarde het aan; daar stortten bergen, bosschen en kasteel ineen, en twintig trotsche kerken, alle aan elkaar gelijk, met hooge torens en spitsboogvensters stonden voor hen. Zij meende een orgel te hooren spelen, maar het was de zee, die zij hoorde. Nu was zij zeer dicht bij de kerken, en eensklaps werden deze tot een geheele vloot, die onder haar voortzeilde; maar toen zij naar beneden keek, waren het slechts nevelen, die over het water heen dreven. Zoo had zij een voortdurende afwisseling voor oogen, totdat zij eindelijk het werkelijke land zag, waar zij naar toe wilden; daar verhieven zich de heerlijkste blauwe bergen met cederbosschen, steden en kasteelen. Lang voordat de zon onderging, zat zij op de rotsen voor een groote grot, die met fijne groene slingerplanten begroeid was; het zag er uit, alsof het geweven tapijten waren.
«Nu zullen we eens zien, wat je hier van nacht droomt!» zei de jongste broer en wees haar haar slaapkamer.
«Moge de Hemel geven, dat ik droom, hoe ik je kan verlossen!» zeide zij. En deze gedachte hield haar geheel en al bezig; zij bad innig tot God om Zijn hulp; ja, zelfs in den slaap ging zij met bidden voort. Daar kwam het haar voor, alsof zij hoog in de lucht vloog, naar het wolkenkasteel der Fata Morgana; en de toovergodin kwam haar te gemoet, schoon en van licht stralende; en toch geleek zij precies op de oude vrouw, die haar in het bosch bessen gegeven en haar van de zwanen met gouden kronen op den kop verteld had.
«Uw broeders kunnen verlost worden,» zeide zij; «maar bezit ge moed en volharding? Wel is het water zachter dan uw fijne handen, maar toch rondt het de steenen af; doch het voelt de smarten niet, die uw vingers zullen voelen; het heeft geen hart en lijdt den angst en de kwelling niet, die gij zult moeten doorstaan. Ziet ge die brandnetel, die ik in mijn hand houd? Van die zelfde soort groeien er verscheidene rondom de grot, waarin ge slaapt; alleen die daar en die, welke op de graven van het kerkhof groeien, zijn bruikbaar: let daar wel op! Die moet ge plukken, ofschoon zij uw hand vol blaren zullen branden. Braak deze brandnetels met uw voeten, dan krijgt ge vlas; daarvan moet ge elf hemden met lange mouwen vlechten en naaien; werp deze over de elf zwanen heen, dan is de betoovering geweken. Maar bedenk wel, dat ge van het oogenblik, waarop ge met dezen arbeid begint, totdat deze voltooid is, al mochten er ook jaren mee verloopen, niet moogt spreken; het eerste woord, dat ge spreekt, dringt als een doodende dolk in de harten van uw broeders door! Aan uw tong hangt hun leven! Neem dat alles wel ter harte!»
En zij raakte met haar hand tegelijkertijd de brandnetel aan; deze was als een brandend vuur; Elize werd er wakker van. Het was klaarlichte dag, en dicht bij de plaats, waar zij geslapen had, lag een brandnetel evenals die, welke zij in den droom gezien had. Nu viel zij op haar knieën, dankte God en ging de grot uit, om een begin met haren arbeid te maken.
Met haar fijne handen greep zij in de leelijke brandnetels; deze waren als vuur; zij brandden groote blaren op haar handen en armen: maar gaarne wilde zij dit lijden doorstaan, als zij er haar geliefde broeders maar door kon verlossen. Zij braakte iedere brandnetel met haar bloote voeten en vlocht het groene vlas.
Toen de zon ondergegaan was, kwamen haar broeders en verschrikten, toen zij merkten, dat zij stom was; zij dachten, dat dit een nieuwe betoovering van hun booze stiefmoeder was. Maar toen zij haar handen zagen, begrepen zij, wat zij om hunnentwil deed. De jongste broeder weende; en waar zijn tranen vielen, daar voelde zij geen pijn meer; daar verdwenen de brandende blaren.
Den heelen nacht bracht zij met haar arbeid door; want zij had geen rust, voordat zij haar broeders verlost had. Den volgenden dag, terwijl de zwanen weg waren, zal zij in haar eenzaamheid; maar nog nooit was de tijd haar zoo gauw voorbijgegaan als thans. Één hemd was reeds klaar, nu begon zij aan het tweede.
Eensklaps weerklonk er een jachthoorn tusschen de bergen; zij werd door vrees aangegrepen. Het geschal kwam gedurig naderbij; zij hoorde honden blaffen; verschrikt vluchtte zij in de grot, bond de brandnetels, die zij verzameld en gebraakt had, in een bosje samen en zette zich daarop neer.
Terstond kwam er een groote hond uit de kloof te voorschijn, en al spoedig daarop weer een, en nog een; zij blaften luide, liepen terug en kwamen andermaal weer. Het duurde slechts weinige minuten, en nu stonden al de jagers voor de grot, en de schoonste van hen was de koning des lands. Hij ging naar Elize toe; nooit had hij een schooner meisje gezien.
«Hoe zijt ge hier zoo gekomen, beste meid?» vroeg hij. Elize schudde met het hoofd: zij mocht immers niet spreken; het gold de verlossing en het leven van haar broers. En zij verborg haar handen onder haar schort, opdat de koning niet zou zien, wat zij moest lijden.
«Ga met mij mee!» zeide hij. «Hier kunt ge niet blijven. Als ge even goed zijt als schoon, dan zal ik u in zijde en fluweel kleeden, een gouden kroon op uw hoofd zetten, en dan zult ge in mijn prachtigste kasteel wonen en heerschen!»--Daarop tilde hij haar op zijn paard. Zij weende en wrong zich de handen; maar de koning zei: «Ik wil slechts uw geluk. Eenmaal zult ge mij daarvoor danken.» Met deze woorden reed hij door het gebergte heen en zette haar voor zich op het paard neer, en de jagers reden achter hen.
Toen de zon onderging, lag de schoone koningstad met kerken en koepels voor hen. En de koning bracht haar in het kasteel, waar groote fonteinen in de marmeren zalen sprongen, en waar schilderijen aan de muren prijkten. Maar zij had daarvoor geen oogen: zij weende en treurde slechts. Gewillig liet zij zich door de vrouwen koninklijke kleeren aandoen, paarlen in de haren vlechten en fijne handschoenen over haar verbrande vingers aantrekken.
Toen zij daar in al haar pracht stond, was zij verblindend schoon, zoodat het hof diep voor haar boog. En de koning verkoos haar tot zijn bruid, ofschoon de aartsbisschop het hoofd schudde en fluisterde, dat het schoone meisje uit het bosch zeker een heks was: zij verblindde de oogen des konings en maakte zijn hart verdwaasd.
Maar de koning luisterde daar niet naar, liet de muziek weerklinken, de kostelijkste gerechten opdragen en de bekoorlijkste meisjes om haar heen dansen. En zij werd door geurende tuinen in prachtige zalen gebracht, maar geen enkel glimlachje kwam er op haar lippen of uit haar oogen: als een beeld der treurigheid stond zij daar. Nu deed de koning een kleine kamer daarnaast open, waar zij zou slapen; deze was met kostbare groene tapijten versierd en geleek op de grot, waarin zij geweest was; op den vloer lag een bosje vlas, dat zij uit de brandnetels vervaardigd had, en onder een gordijn hing het hemd, dat geheel gereed was. Dit alles had een der jagers als een curiositeit meegenomen.
«Hier kunt ge u in uw vroegere woonplaats terugdroomen!» zei de koning. «Hier is de arbeid, die u daar bezighield; thans, midden in al uw pracht, zal het u een genoegen zijn, aan dien tijd terug te denken.»
Toen Elize zag, wat haar zoo na aan het hart lag, speelde er een glimlach om haar lippen en keerde het bloed naar haar wangen terug. Zij dacht aan de verlossing van haar broeders, kuste den koning de hand, en hij drukte haar aan zijn hart en liet door al de kerkklokken het bruiloftsfeest verkondigen. Het schoone, stomme meisje uit het bosch werd de koningin van het land.
Nu fluisterde de aartsbisschop booze woorden in de ooren van den koning, maar deze drongen niet tot zijn hart door. De bruiloft zou plaats hebben; de aartsbisschop zelf moest haar de kroon op het hoofd zetten, en hij drukte met kwaadwilligheid den nauwen diadeem vast op haar voorhoofd, zoodat het haar pijn deed. Maar een heviger pijn gevoelde zij in haar hart: de smart over haar broeders. Zij voelde het lichamelijk lijden niet. Haar mond was stom; een enkel woord zou immers aan haar broeders het leven kosten; maar in haar oogen verried zich innige liefde jegens den goeden, schoonen koning, die alles deed om haar genoegen te geven. Van ganscher harte kreeg zij hem van dag tot dag meer lief. O, mocht zij haar hart slechts voor hem kunnen uitstorten en hem haar lijden klagen! Doch stom moest zij zijn, stom moest zij haar werk volbrengen. Daarom sloop zij des nachts van zijn zijde weg, ging naar de kleine kamer, die evenals de grot ingericht was, en maakte het eene hemd na het andere gereed. Maar toen zij aan het zevende zou beginnen; had zij geen vlas meer.
Zij wist, dat de brandnetels, die zij moest hebben, op het kerkhof groeiden; maar deze moest zij zelf plukken. Hoe zou zij daar naar toe kunnen gaan?
«O, wat is de pijn in mijn vingers bij de foltering, die mijn hart doorstaat!» dacht zij. «Ik moet het wagen! Het zal mij stellig aan hulp niet ontbreken!» Met een angst, alsof het een booze daad was, die zij in den zin had, sloop zij in den nachtelijken maneschijn naar den tuin en liep door de lanen en door de eenzame straten naar het kerkhof. Daar zag zij op een der grootste grafsteenen een troep heksen zitten. Deze leelijke heksen trokken haar lompen uit, alsof zij zich wilden baden, en daarop dolven zij met haar lange, magere vingers de versche graven op, haalden er met duivelsche begeerigheid de lijken uit en aten van hun vleesch. Elize moest er op een kleinen afstand voorbij, en zij vestigden haar booze blikken op haar; maar zij bad in stilte, verzamelde de brandnetels en bracht ze naar het kasteel toe.
Slechts een enkel mensch had haar gezien, en wel de aartsbisschop; hij was wakker, wanneer de anderen sliepen. Nu had hij toch gelijk, dat het met de koningin niet was, zooals het wezen moest; zij was een heks, daarom had zij den koning en het volk verblind.
In den biechtstoel zeide hij tegen den koning, wat hij gezien had en wat hij vreesde. En toen de harde woorden van zijn lippen vloeiden, schudden de heiligenbeelden met hun hoofden, alsof zij wilden zeggen: «Het is zoo niet! Elize is onschuldig!» Maar de aartsbisschop gaf er een andere uitlegging aan; hij dacht, dat zij tegen haar getuigden, en dat zij om haar zonde het hoofd schudden. Nu biggelden den koning twee tranen langs de wangen; hij ging naar huis met twijfel in zijn hart en hield zich 's nachts, alsof hij sliep. Maar er kwam geen geruste slaap in zijn oogen: hij merkte, dat Elize opstond. Iederen nacht herhaalde zij dit, en telkens achtervolgde hij haar stilletjes en zag, hoe zij in haar kamer verdween.
Van dag tot dag werd zijn voorkomen somberder; Elize zag dit, maar begreep niet, hoe het kwam; het maakte haar echter ongerust, en wat leed zij niet in haar hart voor haar broeders! Op het koninklijk fluweel en purper vloeiden haar heete tranen; deze lagen daar als fonkelende diamanten en allen, die deze schitterende pracht zagen, wenschten koningin te zijn. Intusschen was zij al spoedig met haar arbeid gereed; slechts één hemd ontbrak er nog aan; maar vlas had zij ook niet meer en geen enkele brandnetel. Nog eenmaal, en wel voor den laatsten keer, moest zij daarom naar het kerkhof, om eenige handenvol te plukken. Zij dacht met angst aan dezen eenzamen tocht en aan de verschrikkelijke heksen; maar haar wil stond vast, alsmede haar vertrouwen op den Heer.
Elize ging er heen; maar de koning en de aartsbisschop volgden haar. Zij zagen haar het hek van het kerkhof doorgaan, en toen zij daar dichter bij kwamen, zaten de heksen op den grafsteen, evenals Elize ze gezien had; en de koning wendde zich af, want hij meende ook haar daar te zien, wier hoofd nog dien zelfden avond aan zijn borst gerust had.
«Het volk moet haar vonnissen!» zeide hij. En het volk veroordeelde haar tot den dood op den brandstapel.
Uit de prachtige koninklijke zalen werd zij naar een donkeren, vochtigen kerker overgebracht, waar de wind door de tralies heenfloot; in plaats van fluweel en zijde gaf men haar het bosje brandnetels, dat zij verzameld had: daar kon zij haar hoofd op neerleggen: de harde, brandende hemden, die zij vervaardigd had, zouden haar dekens zijn. Maar men had haar niets kunnen geven, wat haar aangenamer was; zij vatte haar werk weer op en bad tot God. Buiten zongen de jongens spotliederen op haar; niemand troostte haar met een vriendelijk woord.
Daar klapten er tegen den avond dicht voor het getraliede raam zwanevleugels; dat was de jongste der broeders. Hij had zijn zuster gevonden; en zij snikte luid van vreugde, ofschoon zij wist, dat de nacht, die aanstaande was, waarschijnlijk de laatste zou zijn, dien zij te leven had. Maar nu was het werk ook bijna geëindigd, en haar broeders waren hier.
De aartsbisschop kwam nu, om in haar laatste uren bij haar te zijn: dat had hij den koning beloofd. Maar zij schudde het hoofd en smeekte met blikken en gebaren, dat hij heen zou gaan. Dezen nacht moest zij haar arbeid immers voltooien, anders was alles vruchteloos, alles: smart, tranen en slapelooze nachten. De aartsbisschop verwijderde zich, terwijl hij haar toornige woorden toevoegde; maar de arme Elize wist, dat zij onschuldig was en ging met haar werk voort.
De kleine muizen liepen over den vloer; zij sleepten brandnetels naar haar toe, om toch ook wat te helpen; en de lijster zette zich voor het raam neer en zong den heelen nacht zoo vroolijk, als zij maar kon, opdat Elize den moed niet zou verliezen.
Het was nog schemerachtig; eerst na verloop van een uur ging de zon op. En daar stonden de elf broeders voor de poort van het kasteel en verlangden tot den koning toegelaten te worden. Dat kon niet gebeuren, werd hun ten antwoord gegeven; het was immers nog nacht: de koning sliep en mocht niet wakker gemaakt worden. Zij smeekten en dreigden, de wacht kwam, ja, zelfs de koning ging naar buiten en vroeg, wat dat moest beteekenen? Daar ging de zon op, en nu waren er geen broeders te zien; maar boven het kasteel vlogen er elf wilde zwanen.
Het geheele volk stroomde de stadspoort uit: het wilde de heks zien verbranden. Een oud paard trok de kar, waarop zij zat, voort; men had haar een kiel van grof zaklinnen aangetrokken; haar prachtig haar hing verward om haar hoofd; haar wangen waren doodsbleek, haar lippen bewogen zich zachtjes, terwijl haar vingers het groene vlas vlochten. Zelfs op haar doodsweg hield zij niet met het begonnen werk op; de tien hemden lagen aan haar voeten, aan het elfde werkte zij nog. Het gepeupel bespotte haar.
«Kijk die leelijke heks eens! Geen gezangboek heeft zij in de hand; neen, met haar afschuwelijke tooverij zit zij daar! Scheurt haar in duizend stukken!»
En zij snelden allen op haar los en wilden de hemden verscheuren, toen er elf wilde zwanen kwamen aanvliegen, die zich rondom haar op de kar neerzetten en met hun groote vleugels klapten. Nu week de menigte verschrikt op zijde.
«Dat is een teeken van den hemel! Zij is zeker onschuldig!» fluisterden velen. Maar zij waagden het niet, dit overluid te zeggen.
Nu greep de beul haar bij de hand, waarop zij de elf hemden haastig over de zwanen heenwierp. En onmiddellijk stonden daar elf schoone prinsen. Maar de jongste had een zwanevleugel in plaats van zijn eenen arm, want er ontbrak een mouw aan zijn hemd: deze had zij niet klaargekregen.
«Nu mag ik spreken!» zeide zij. «Ik ben onschuldig!»
En het volk, dat zag, wat er gebeurd was, boog zich voor haar als voor een heilige; maar zij zonk levenloos in de armen van haar broeders: zoozeer hadden overspanning, angst en smart haar aangegrepen.
«Ja, onschuldig is zij,» zei de oudste broeder, en nu vertelde hij alles, wat er gebeurd was. En terwijl hij sprak, verspreidde zich een geur, als van millioenen rozen, want ieder stuk brandhout van den brandstapel had wortelen geschoten en kreeg takken; er stond daar een geurende heg, hoog en groot, met roode rozen; bovenaan prijkte een bloem, wit en schitterend; deze fonkelde als een ster. De koning plukte haar af en stak haar op de borst van Elize: nu ontwaakte zij met vrede en gelukzaligheid in het hart.
En alle kerkklokken luidden van zelf, en de vogels kwamen bij groote scharen aan. Het werd een bruidsstoet naar het kasteel terug zooals geen koning nog ooit gezien had!
HET MADELIEFJE.
Luister nu eens!