Chapter 9
Daar Capi niet in zijne taak geslaagd was, bleef mij niets anders over dan af te wachten of Zerbino ook terug zou willen komen. Ik kende hem genoeg om te weten, dat na een eerste vlaag van verzet, hij zich zou onderwerpen aan de straf en dat ik hem dus weldra berouwvol voor mij zou zien.
Ik strekte mij onder een boom uit; Joli-Coeur had ik vastgemaakt, want ik was bang, dat hij lust zou krijgen om Zerbino te gaan opzoeken. Capi en Dolce lagen aan mijne voeten.
De tijd ging voorbij. Zerbino keerde nog maar niet terug. Onwillekeurig maakte de slaap zich van mij meester en ik sliep in. Toen ik wakker werd, stond de zon recht boven ons; uren waren er voorbijgegaan. Maar de zon behoefde mij niet te zeggen, dat de tijd voortgegaan was: mijn maag vertelde me dat er uren waren verstreken sedert ik mijn stukje brood gegeten had. Van hun kant gaven ook de twee honden en Joli-Coeur mij op de duidelijkste wijze te kennen, dat zij honger hadden. Capi en Dolce door hun beklaaglijk voorkomen; Joli-Coeur door zijne dwaze sprongen. Zerbino was nog altijd niet terug.
Ik riep; ik floot, maar alles tevergeefs; hij verscheen niet; hij had goed ontbeten en rustte nu waarschijnlijk uit onder eene struik. Mijn toestand werd moeielijk. Als ik wegging, zou hij ons misschien kunnen verliezen en nooit meer terugkomen; als ik bleef, miste ik de gelegenheid om eenige stuivers te verdienen voor een middagmaal. En de behoefte aan dat middagmaal werd hoe langer hoe grooter. De oogen van de honden waren wanhopend op de mijne gevestigd en Joli-Coeur wreef zijn buik en liet nu en dan een nijdig gebrom hooren.
Daar de tijd voorbijging en Zerbino niet kwam, zond ik Capi er nogmaals op uit om zijn kameraad te halen, maar na verloop van een halfuur kwam hij weder alleen terug en deed mij begrijpen, dat hij hem niet gevonden had.
Wat nu te doen? Hoewel Zerbino straf verdiende en ons door zijn schuld in een alleronaangenaamsten toestand had gebracht, kon ik het niet over mij verkrijgen om hem te verlaten. Wat zou mijn meester zeggen, als ik hem zijn drie honden niet terugbracht? En dan.... ik hield van dien schelm van een Zerbino.
Ik besloot te wachten tot den avond, maar het was onmogelijk al dien tijd werkeloos te blijven met zulke hongerige magen, want de honger liet zich te meer gelden nu er niets was, dat ons eenige afleiding geven kon. Er moest iets gevonden worden dat ons alle vier eenige afleiding schonk. Als wij maar vergeten konden dat wij honger hadden, zouden wij hem in deze uren van eenzame verlatenheid zeker minder voelen. Maar waarmede ons bezig te houden?
Toen ik daarover nadacht, herinnerde ik mij hoe Vitalis mij eens verteld had, dat in den oorlog, als een regiment vermoeid was door een langen marsch, men muziek maakte, en bij die vroolijke, meeslepende melodieën vergaten de soldaten hunne vermoeidheid. Als ik nu ook eens een vroolijk deuntje speelde, zouden wij misschien ook onzen honger vergeten. In ieder geval, als ik muziek maakte en de honden liet dansen met Joli-Coeur, zou de tijd spoediger voorbijgaan.
Ik nam mijn harp, die tegen een boom stond en met mijn rug naar het kanaal gekeerd, begon ik, na mijn personeel in orde te hebben gebracht, een dans en daarna een wals te spelen.
Eerst schenen mijne acteurs niet zeer geneigd om te dansen. Het was duidelijk, dat een stuk brood meer in hun smaak zou zijn gevallen, maar langzamerhand kwam er meer leven bij hen; de muziek had hare gewone uitwerking; wij vergaten het stuk brood, dat wij niet hadden en ik dacht aan niets anders meer dan aan de muziek en zij aan het dansen.
Eensklaps hoorde ik achter mij eene heldere kinderstem, die "bravo!" riep. Ik keerde mij ijlings om.
Een scheepje voer door het kanaal, met den steven gericht naar den oever waar ik stond; de twee paarden, die het voorttrokken, liepen op den anderen oever. Het was een vreemdsoortig schip, zooals ik er nog nooit een gezien had. Het was veel korter dan de pramen, welke gewoonlijk gebezigd worden voor de vaart op het kanaal en op het dek, dat slechts even boven het water uitstak, was een soort van glazenhuis gebouwd. Op de voorplecht was eene verande aangebracht, die met slingerplanten was bedekt, waarvan de stengels, die hier en daar zich aan het glazendak hadden gehecht, als beken van groen nedervielen. Onder die veranda zag ik twee personen: eene nog jeugdige dame met een edel, eenigszins droevig voorkomen, en een knaap van mijn leeftijd ongeveer en die mij toescheen te liggen, terwijl de dame stond.
Zeker was het die knaap geweest, die bravo had geroepen.
Spoedig was ik van mijne verrassing bekomen, want er was niets in die verschijning, dat mij bang maakte; ik nam mijn hoed af om te bedanken voor de toejuiching.
--Speelt ge voor uw pleizier? vroeg de dame mij in een vreemden tongval.
--Ik deed het om mijn troepje te oefenen en ook.... om mij eenige afleiding te bezorgen.
De knaap wenkte de dame, die zich over hem heen boog.
--Wilt ge nog wat spelen? vroeg de dame, het hoofd opheffende.
Of ik nog wat wilde spelen! Spelen voor een publiek dat mij zoo juist van pas kwam. Ik liet me niet bidden.
--Wil u een dans of eene comedie? vroeg ik.
--O, een comedie! riep de knaap.
Maar de dame zeide, dat zij liever een dans wilde zien.
--Een dans duurt zoo kort, zeide de knaap.
--Na den dans kunnen wij verscheidene toeren verrichten zooals die in het paardenspel te Parijs vertoond worden, indien het geëerde publiek dit verlangt.
Dit was een uitdrukking van mijn patroon en ik trachtte die met evenveel waardigheid te uiten. Bij nader inzien was ik blij, dat men de comedie niet verlangd had, want ik zou vrij wat moeite hebben gehad om ze behoorlijk van stapel te doen loopen, vooreerst omdat Zerbino er niet was en ook omdat ik de costumes miste en hetgeen er verder bijhoorde.
Ik nam dus mijne harp en begon een wals te spelen. Dadelijk sloeg Capi zijne twee pooten om het lijf van Dolce en zij begonnen rond te draaien op de maat. Daarop deed Joli-Coeur een dans alleen. Toen volgden de andere stukken, die wij konden uitvoeren en wij voelden onze moeheid niet meer. Wat mijne acteurs betrof, die begrepen zeker, dat zij voor al hun moeite een goed maal zouden krijgen en zij deden even goed hun best als ik.
Opeens, te midden van een der kunstverrichtingen, zag ik Zerbino uit het kreupelhout te voorschijn komen, en toen zijne kameraden in zijne nabijheid waren, nam bij te midden van hen plaats en vervulde zijne rol.
Terwijl ik speelde en op mijn troepje lette, wierp ik nu en dan een blik naar den knaap, die zonderling genoeg, hoewel hij veel vermaak schepte in de vertooning, zich niet verroerde. Hij bleef uitgestrekt liggen zonder zich te bewegen, nu en dan slechts klapte hij in de handen.
Was hij lam? Hij scheen op een plank vastgebonden.
Intusschen was het schip tegen den oever komen liggen waar ik stond, en ik zag nu den jongen alsof ik zelf op de schuit had gestaan. Hij had blonde haren en zijn gelaat was zeer bleek, zoo bleek, dat men de blauwe aderen van zijn voorhoofd zien kon onder zijn doorschijnend vel. Zijn gelaat had iets treurigs en pijnlijks als van een zieke.
--Hoeveel kost een plaats bij uwe vertooning? vroeg de dame.
--Men betaalt naarmate van het genoegen, dat ze gegeven heeft.
--Dan moet u heel veel betalen, mama, zeide de knaap, en hij voegde er toen iets bij in eene taal, die ik niet verstond.
--Arthur wilde uw diertjes van dichterbij zien.
Ik gaf Capi een teeken, die terstond zijn loop nam en in de boot sprong.
--En de anderen! riep Arthur.
Zerbino en Dolce volgden hun makker.
--En de aap!
Ook Joli-Coeur kon gemakkelijk den sprong doen; maar als hij eens aan boord was, kon hij zich wel eens vrijheden veroorloven, die niet in den smaak der dame vielen.
--Is hij nijdig? vroeg zij.
--O neen, mevrouw, maar hij is niet altijd gehoorzaam en ik ben bang, dat hij iets doet, wat niet goed is.
--Welnu, kom zelf dan maar met hem mede.
Bij die woorden gaf zij een wenk aan een man, die bij het roer stond en deze kwam terstond naar de plecht met een plank, waarvan hij het uiteinde op den kant legde.
Over deze brug kon ik nu op het schip komen zonder den gevaarlijken sprong te wagen en ik liep er met waardigheid overheen met mijne harp over den schouder en mijn aap in de hand.
--O, de aap! de aap! riep Arthur.
Ik naderde den knaap en terwijl hij hem streelde, kon ik hem op mijn gemak gadeslaan. Ik zag nu, dat hij inderdaad op een plank was vastgebonden, zooals ik terstond reeds had meenen te bemerken.
--Je hebt een vader, niet waar, jongenlief? vroeg de dame.
--Ja, maar thans ben ik alleen.
--Voor hoe lang?
--Voor twee maanden.
--Twee maanden! arme jongen. Hoe komt gij zoo alleen op uw leeftijd?
--Ik moet wel, mevrouw.
--Uw meester dwingt u vast om na twee maanden hem eene bepaalde som geld te geven?
--Neen, mevrouw, hij dwong mij tot niets. Als ik maar met mijn troepje leven kan, is dit genoeg.
--En ge hebt tot dusver kunnen leven?
Ik aarzelde met mijn antwoord. Nooit had ik eene dame gezien die mij zooveel ontzag inboezemde als zij, die mij thans ondervroeg. Toch sprak zij zoo minzaam tegen mij, hare stem was zoo zacht, haar blik zoo vriendelijk, zoo bemoedigend, dat ik er eindelijk maar toe besloot de waarheid te vertellen. Waarom zou ik ook zwijgen?
Ik verhaalde haar dus waarom ik van Vitalis had moeten scheiden, die tot gevangenisstraf was veroordeeld, omdat hij mij verdedigd had en hoe ik, sedert ik Toulouse had verlaten, niets had verdiend.
Terwijl ik sprak, speelde Arthur met de honden, maar hij luisterde toch toe en hoorde wat ik zeide.
--Wat zult ge dan allen honger hebben! riep hij uit.
Op dat woord, dat ze allen verstonden, begonnen de honden te blaffen en Joli-Coeur wreef zijn buik.
--Hé, mama! zeide Arthur.
De dame begreep zijn bedoeling. Zij sprak eenige woorden in een vreemde taal tot eene vrouw, wier hoofd te voorschijn kwam door eene half-geopende deur en bijna onmiddellijk daarna bracht deze een tafeltje met allerlei spijzen.
--Ga zitten, mijn jongen, zeide de dame.
Ik liet mij niet tweemaal noodigen, zette mijn harp neder en nam aanstonds plaats aan tafel. De honden schaarden zich om mij en Joli-Coeur ging op mijne knieën zitten.
--Eten uwe honden brood? vroeg Arthur.
Of ze brood aten; ik gaf hun elk een stuk, dat zij onmiddellijk verslonden.
--En de aap? vroeg Arthur weder.
Maar hij behoefde dit niet eens te vragen, want terwijl ik de honden bediende, had hij zich meester gemaakt van een korst, waarin hij onder tafel bijna stikte.
Op mijn beurt nam ik een sneedje brood en zoo ik er al niet bijna in stikte, zooals Joli-Coeur, at ik het toch even gulzig op als hij.
--Arm kind! sprak de dame, terwijl zij mijn glas vulde.
Arthur zeide niets, maar sloeg ons gade met wijd geopende oogen. Hij verbaasde zich zeker over onzen eetlust, want de een was al hongeriger dan de ander, zelfs Zerbino, die toch meer of minder verzadigd moest zijn van het vleesch, dat hij gestolen had.
--En waar zoudt gij vandaag gegeten hebben, als wij u niet ontmoet hadden? vroeg Arthur.
--Ik denk dat wij dan niet zouden gegeten hebben.
--En waar zult gij morgen van eten?
--Misschien zullen wij morgen den een of ander ontmoeten, die zoo goed is als u.
Arthur sprak niet meer tot mij. Hij wendde zich tot zijne moeder en zij spraken langen tijd met elkander in de vreemde taal, die ik reeds van hen gehoord had. Hij scheen iets te vragen, wat zij niet geneigd was toe te staan, tenminste, waartegen zij veel bezwaar had.
Opeens wendde hij zijn hoofd weder naar mij toe, want zijn lichaam verroerde zich niet.
--Wilt gij bij ons blijven? vroeg hij.
Ik zag hem aan, maar ik kon geen antwoord geven, zoo verrast was ik door die vraag.
--Mijn zoon vraagt, of gij bij ons wilt blijven.
--Op dit schip?
--Ja, op dit schip. Mijn zoontje is ziek; de geneesheeren hebben voorgeschreven, dat hij op eene plank zou worden vastgebonden, zooals gij ziet. Opdat hij zich niet zou vervelen, doe ik tochtjes met hem op het water. Gij blijft bij ons. Uwe honden en uw aap zullen voorstellingen geven voor Arthur, die uw publiek zal uitmaken. En gij, beste jongen, zult voor ons op uw harp spelen. Daarmede bewijst gij ons een dienst en wij kunnen u misschien van nut zijn. Gij behoeft niet elken dag naar een publiek te zoeken, wat misschien op uw leeftijd u zoo gemakkelijk niet zou vallen.
Op een schip! Ik was nooit op een schip geweest en dat was juist wat ik het vurigst had verlangd. Ik zou op een schip leven, op het water! Welk een geluk!
Dit was de eerste gedachte, die zich van mij meester maakte en mij geheel overstelpte. Welk een droom!
Eenige oogenblikken nadenken deden mij al het geluk beseffen, dat in die vraag voor mij opgesloten lag en hoe goed de dame was, die ze tot mij richtte.
Ik greep hare hand en kuste die.
Zij scheen gevoelig voor dit blijk van erkentelijkheid en minzaam, teeder bijna, streek zij een paar malen met hare hand over mijn voorhoofd.
--Arm kind, zeide zij.
Daar men verlangd had, dat ik op de harp zou spelen, meende ik terstond aan dat verlangen te moeten voldoen: die haast was in zekere mate een bewijs van goeden wil en van mijn streven om mijne dankbaarheid te toonen.
Ik nam mijne harp, zette mij op de plecht en begon toen te spelen. Op dat oogenblik haalde de dame een zilveren fluitje te voorschijn en een schelle toon klonk door de lucht. Ik hield dadelijk op en vroeg me zelven af waarom zij floot? Was het omdat ik valsch speelde of omdat ik zou ophouden?
Arthur, die alles opmerkte wat er om hem heen gebeurde, begreep mijne gedachte.
--Mama heeft gefloten ten teeken dat de paarden weder kunnen voortgaan.
En de boot verwijderde zich dan ook van den oever en doorkliefde het kalme kanaal, door de paarden voortgetrokken. Het water lekte de kiel en van weerszijden schenen de boomen ons voorbij te trekken, verlicht door de schuine stralen van de ondergaande zon.
--Wilt gij spelen? vroeg Arthur.
En met een beweging van zijn hoofd zijne moeder bij zich roepende, nam hij hare hand en hield die in de zijne gedurende al den tijd, dat ik de verschillende stukken speelde, die mijn meester mij geleerd had.
XII.
MIJN EERSTE VRIEND.
De moeder van Arthur was eene Engelsche. Zij heette mevrouw Milligan. Zij was weduwe en Arthur was haar eenig kind--althans haar eenig kind in leven, want zij had een oudsten zoon gehad, die op geheimzinnige wijze was verdwenen.
Toen het zes maanden oud was, was dit kind verloren of gestolen, en nooit had men er een spoor van kunnen ontdekken. In den tijd waarin dit plaats had gehad, kon mevrouw Milligan dan ook niet het noodige onderzoek instellen. Haar echtgenoot lag toen op sterven en zij zelve was zwaar ziek, zoodat zij buiten kennis lag en niet wist wat er om haar heen gebeurde. Toen zij weder tot bewustzijn kwam, was haar man gestorven en haar zoon verdwenen. Het onderzoek was ingesteld door haar schoonbroeder, James Milligan. Maar in diens keuze was iets zonderlings, omdat de heer James Milligan belangen had, die in lijnrechten strijd waren met die zijner schoonzuster. Immers, stierf zijn broeder zonder kinderen, dan was hij diens erfgenaam. Zijne nasporingen leidden tot geenerlei ontdekking: in Engeland, Frankrijk, België, Duitschland en Italië--nergens was iets van het verdwenen kind te ontdekken.
Toch erfde de heer James Milligan niet van zijn broeder, want weinige maanden na den dood van dezen was er een nieuwe erfgenaam: de kleine Arthur.
Maar dat tengere en ziekelijke kind kon niet lang leven, zeiden de geneesheeren. Hij moest spoedig sterven en na zijn dood zou James Milligan eindelijk de erfgenaam worden van den titel en het fortuin van zijn ouderen broeder, want de wetten betreffende de nalatenschappen zijn niet dezelfde in alle landen, en in Engeland kan zich het geval voordoen, dat een oom erft, ten nadeele van eene moeder.
Het uitzicht van den heer James Milligan werd dus beperkt door de geboorte van zijn neef; maar geheel weggenomen werd het niet. Hij behoefde slechts te wachten; en hij wachtte.
De voorspelling van de geneesheeren werd echter niet verwezenlijkt. Arthur bleef wel zwak en ziekelijk, maar hij stierf niet zooals men voorspeld had. De zorgvuldige verpleging van zijne moeder hield hem in het leven. Dit is een wonder, dat, den hemel zij dank, zeer dikwijls plaats heeft.
Twintigmaal meende men, dat hij bezwijken zou; achtervolgens, ja somtijds twee te gelijk, had hij alle ziekten gehad, waaraan kinderen onderhevig zijn.
In den laatsten tijd had zich eene treurige kwaal van hem meester gemaakt; eene verlamming in de heupen. Als geneesmiddel had men de zwavelbaden voorgeschreven, en mevrouw Milligan was met hem naar de Pyreneën gereisd. Na daar vruchteloos de baden te hebben gebruikt, had men een andere kuur aangeraden: de knaap moest het lichaam gestrekt houden en niet op zijne voeten rusten. Toen had zijne moeder de boot laten inrichten, waarop ik de reis medemaakte.
Zij kon er niet toe besluiten haar zoon in huis opgesloten te houden; dan zou hij gestorven zijn van zijn verveling en gebrek aan lucht. Daar Arthur zelf niet loopen kon, liet zij een huis voor hem maken, dat zich kon verplaatsen.
De boot was dan ook geheel als een drijvende woning ingericht, met huiskamer, keuken, salon en veranda. In het salon of onder die veranda bracht Arthur den dag door van des morgens tot des avonds met zijne moeder aan zijne zijde, en de landschappen trokken hem voorbij; hij behoefde de oogen maar te openen.
Eene maand geleden hadden zij Bordeaux verlaten en na de Garonne te zijn opgevaren, hadden zij nu het Zuider-kanaal bereikt. Dit bracht hen in de vijvers en kanalen naar de Middellandsche Zee, vanwaar zij de Rhône zouden opvaren en daarna de Saône; van deze rivier zouden zij in de Loire komen en dan te Briâre de Seine nemen om den loop dezer rivier te volgen tot Rouaan, waar zij een grooter schip zouden huren om naar Engeland terug te keeren.
Natuurlijk vernam ik al deze bijzonderheden omtrent mevrouw Milligan en haar zoon niet den dag, waarop ik aankwam. Ik vernam ze eerst geleidelijk, een voor een en voeg ze hier slechts in volgorde samen, om mijn verhaal duidelijker te maken. Op den eersten dag maakte ik kennis met het vertrek, dat ik op _De Zwaan_--zoo heette het schip--bewonen zou. Het was heel klein, twee el lang en een el breed, het was het aardigste huisje, dat de verbeelding van een kind zich kan voorstellen. De meubels bestonden uit een enkele kast, maar die geleek wel op een tooverflesch van een goochelaar: er kwam van alles uit. Het bovenste gedeelte was er niet vast op bevestigd, maar kon opgelicht worden en dan had men een volledig bed: matras, hoofdkussen en dek. Natuurlijk was het niet heel groot, maar toch groot genoeg voor mij om er lekker in te liggen. Onder dat bed was eene lade, waarin men alle voorwerpen vond, die men voor zijn toilet noodig heeft en daaronder was een andere lade met verschillende afdeelingen voor ondergoed en bovenkleeren. Tafels of stoelen waren er niet; althans niet in den gewonen vorm, maar aan het hoofdeinde van het bed was tegen den wand een plankje, dat men kon neerslaan en dat dan eene tafel vormde en tegen den aangrenzenden wand eene andere plank, welke, neergeslagen, als stoel kon worden gebruikt. Een rond gat, dat met een glas kon worden afgesloten, diende om lucht en licht te geven aan deze kamer.
Nooit had ik zoo iets aardigs en nets gezien. Alles was van eikenhout en vernist en op den grond lag een verlakt zeildoek met witte en zwarte ruiten.
Maar niet mijn oogen alleen genoten hier. Toen ik mij had uitgekleed en op het bed neergevlijd, ondervond ik een gevoel, dat geheel nieuw voor mij was. Voor de eerste maal streelden de lakens mijn huid in plaats van ze open te rijten. Bij vrouw Barberin sliep ik in ruwe lakens van hennep gesponnen; met Vitalis heb ik gewoonlijk stroo of hooi onder mij, maar geen dek op me en wanneer we dit al eens in de logementen kregen, gebruikten wij ze wel zoo lief niet. Wat waren die, waarin ik mij nu wikkelde, fijn en zacht! en wat riekten zij lekker! En die matras scheen wel dons in vergelijking met de dennenaalden, waarop ik den vorigen nacht doorgebracht had.
De stilte van den nacht had niets meer dat mij vrees aanjoeg; de duisternis was niet meer met schimmen bevolkt en de sterren, die ik door het ronde venster zag, spraken mij slechts woorden in van moed en hoop.
Hoe lekker ik ook in mijn bedje lag, ik stond den anderen morgen reeds tijdig op, want ik was ongerust, hoe mijne acteurs den nacht doorgebracht hadden. Ik vond mijn gansche troepje waar ik het den vorigen avond had doen nederliggen en allen sliepen zoo gerust, of zij reeds maanden op het schip hadden gewoond. Bij mijne nadering werden de honden wakker en kwamen vroolijk naar mij toe om mij goeden morgen te wenschen. Alleen Joli-Coeur verroerde zich niet; hij had wel het eene oog open, maar hij begon te snorken als een trombône.
Men behoefde niet lang te gissen, om te begrijpen wat dit te beteekenen had. Joli-Coeur was zeer lichtgeraakt en werd spoedig boos, en als hij eenmaal boos was, kwam hij niet zoo gauw weer in zijn humeur. In dit geval was hij beleedigd, dat ik hem niet medegenomen had naar mijne kamer en hij toonde zijne ontevredenheid door zich te houden of hij sliep.
Ik kon hem de reden niet duidelijk maken, die mij tot mijne groote spijt genoopt hadden hem op dek te laten en daar ik gevoelde, dat ik althans in schijn onrecht jegens hem gepleegd had, nam ik hem in mijn armen om hem door liefkoozingen mijn leedwezen te betuigen.
Eerst bleef hij uit zijn humeur, maar weldra, met de wispelturigheid hem eigen, dacht hij aan wat anders en gaf hij mij door gebaren te kennen, dat, wanneer ik met hem aan wal ging, hij mij misschien vergeven zou. De schipper, dien ik den vorigen dag aan het roer had zien staan, was reeds op en bezig het dek schoon te maken. Hij was zoo goed om een plank uit te leggen, waarover ik met mijn troepje aan wal ging.
Al spelend met mijn honden en Joli-Coeur, springend en loopend en in de boomen klimmend, ging de tijd spoedig voorbij en toen wij terugkwamen, stonden de paarden reeds aan de lijn gespannen en vastgemaakt aan een populier op het jaagpad. Een klap met de zweep was voldoende om hen te doen voortgaan. Spoedig waren wij in het schip en eenige oogenblikken later werd het touw, waaraan de boot gemeerd lag, losgemaakt; de schipper nam zijn plaats weder in aan het roer; de jager zette zich op een der paarden; het schip kraakte even en wij vervolgden weder onzen weg.
Hoe heerlijk is dat reizen in eene boot! De paarden stapten voort op het jaagpad en zonder dat wij eenige beweging gevoelden, gleden wij zachtkens over het water. De twee dichtbegroeide oevers spoedden ons voorbij en men hoorde geen ander gedruisch dan van het lekken van het water tegen het schip, dat zich vermengde met het rinkelen der schellen, die de paarden om den hals droegen. Wij gleden voorwaarts en op den oever zag ik de populieren, die in het malsche gras geworteld zich fier verhieven en wier nooit rustende bladeren trilden onder den zachten adem van den morgenwind. Hunne eindelooze reeks in rechte lijn langs den oever geplant, vormde een dicht groen gordijn, dat de schuinsche stralen der zon opving en slechts een door het gebladerte getemperd licht doorliet. Op sommige plaatsen was het water pikzwart, alsof het opborrelde uit onpeilbare diepten; elders daarentegen vormde het doorschijnende vakken, waaronder men de schitterende steenen en mosachtige planten zag.
Ik stond verdiept in eene aandachtige beschouwing, toen ik mijn naam achter mij hoorde uitspreken. Ik keerde mij om en zag Arthur, die op zijne plank bij mij gebracht was. Zijne moeder stond aan zijne zijde.
--Hebt ge goed geslapen? vroeg hij. Beter dan onder den blooten hemel?
Ik kwam naderbij en antwoordde, naar beleefde woorden zoekende, om zoowel Arthur als zijne moeder mijn dank te betuigen.
--En de honden? zeide hij.