Alleen op de Wereld

Chapter 8

Chapter 84,197 wordsPublic domain

De vrouw had gelijk, want al nam ik een brood van twee pond, dan zouden we elk nog maar een half pond krijgen, maar helaas, dat was mij te duur. Het brood kostte vijf stuivers het pond en als ik er twee nam, dan zou mij dat tien stuivers kosten, zoodat ik van mijn elf stuivers nog slechts een stuiver zou overhouden.

Ik durfde niet tot zulk een groote uitgave overgaan, zonder dat ik wist, wat ik den anderen dag verdienen kon. Ik zou, wanneer ik nu slechts anderhalf pond kocht, morgen altijd nog genoeg overhebben om niet van honger om te komen en naar eene gelegenheid om wat geld te verdienen uit te zien.

Spoedig had ik deze berekening gemaakt en ik zeide op geruststellenden toon tot de bakkersvrouw, dat anderhalf pond wel genoeg was en zij niet meer moest afwegen.

--Goed, goed, gaf zij ten antwoord.

En zij sneed mij van een groot brood, dat wij gemakkelijk geheel hadden kunnen opeten, de hoeveelheid af en legde die op de weegschaal waartegen zij even duwde.

--Dat is wat te veel, zeide zij, nu, dat zullen we dan voor die twee centen rekenen.

En zij liet de acht stuivers in haar laadje glijden.

Ik heb wel eens gezien, dat menschen de centen, die zij ontvingen, teruggaven met de woorden, dat zij niet wisten, wat daarmede te doen; ik zou zeker die, welke mij toekwamen, niet hebben afgestaan: toch durfde ik ze niet terugeischen en verliet ik zonder een woord te zeggen den winkel met mijn brood onder den arm.

De honden waren uitgelaten van vreugde en deden niets dan tegen mij opspringen, terwijl Joli-Coeur mij onophoudelijk aan de haren trok.

Wij liepen nu niet ver meer.

Bij den eersten boom aan den weg, legde ik mijn harp en tasch op den grond en strekte ik mij op het gras uit; de honden gingen over mij zitten, Capi in het midden en aan weerskanten van haar Zerbino en Dolce; wat Joli-Coeur betrof, hij bleef staan, daar hij niet vermoeid was, om de stukjes brood op een onverwacht oogenblik weg te nemen.

Het verdeelen van het brood was nog een zeer moeielijke zaak; ik maakte vijf zoo gelijk mogelijke deelen, en opdat er geen kruimeltje verloren zou gaan, sneed ik die weder in kleine stukjes; ieder kreeg dus op zijn beurt een snede.

Joli-Coeur, die minder voedsel noodig had dan wij, had nog de beste partij, want hij had geen trek meer, toen wij nog uitgehongerd waren. Ik nam van zijn deel drie stukjes, die ik in mijn reistasch opborg om ze voor de honden te bewaren.

Hoewel dit geen feestmaal was, waarbij toosten geslagen moesten worden, meende ik toch dat het een geschikt oogenblik was om een enkel woord tot mijn makkers te spreken. Ik beschouwde mij zelf natuurlijk als het hoofd, maar ik geloofde me toch niet genoeg boven hen verheven om hen geen deelgenoot te maken van de ernstige omstandigheden, waarin wij ons bevonden.

Capi had stellig mijne bedoelingen gevat, want zijn verstandige oogen hield hij strak op mij gericht.

--Ja vrienden, ik heb u een slechte tijding mede te deelen: onze meester blijft twee maanden van ons weg.

--Ouah! blafte Capi.

--Dat is in de eerste plaats voor hem zeer treurig en ook voor ons. Want hij verdiende den kost voor ons en gedurende zijn afwezigheid zullen we ons in een zeer ellendigen toestand bevinden. Wij hebben geen geld.

Bij deze woorden, die hij zeer goed verstond, stond Capi plotseling op zijn achterste pooten en liep hij in het rond op de wijze als hij met zijn bakje de ronde deed bij het geëerde publiek.

--Gij wilt, dat wij onze voorstellingen zullen voortzetten; dat is zeker een goede raad, dien gij geeft; maar zullen wij daarmede iets verdienen? Daarop komt alles aan. Als wij niet slagen, dan bestaat ons geheele fortuin uit drie stuivers. Wij moeten dan onze magen maar sluiten. Daar de zaken zoo staan, hoop ik, dat gij zult inzien, in welke droevige omstandigheden wij verkeeren en dat gij al uw krachten zult inspannen om de gunst van het publiek te winnen. Ik vraag slechts gehoorzaamheid, matigheid en moed. Laten wij elkander bijstaan en rekent gij op mij, evenals ik op u reken.

Ik durf niet beweren, dat mijn makkers den schoonen vorm van mijn redevoering vatten, maar zeker is het, dat zij den algemeenen zin ervan begrepen. Zij wisten, dat door de afwezigheid van mijn meester er iets van het grootste gewicht gebeurd was en zij verwachtten van mij eene verklaring. Indien zij niet alles begrepen, wat ik zeide, zij waren ten minste voldaan over de wijze, waarop ik tegenover hen handelde, en zij toonden mij hunne tevredenheid door zeer oplettend te zijn.

Wanneer ik van hun oplettendheid spreek, dan bedoel ik hiermede de honden, want wat Joli-Coeur aangaat, deze kon onmogelijk zijn geest lang met hetzelfde onderwerp bezighouden. Naar het eerste gedeelte van mijne rede had hij met de grootste belangstelling geluisterd; maar toen ik twintig woorden gesproken had, was hij in den boom geklauterd, onder welks schaduw wij rustten en hij vond het nu veel aangenamer om heen en weer te schommelen en van den eenen tak op den anderen te springen. Als Capi mij een dergelijke beleediging had aangedaan, zou hij mij gekrenkt hebben, maar van Joli-Coeur verwonderde mij nooit iets; hij was onbezonnen en gedachteloos; en wel beschouwd was het ook zeer natuurlijk, dat hij eenige afleiding zocht.

Ik moet eerlijk bekennen, dat ik gaarne hetzelfde zou hebben gedaan en dat ik met het grootste genot mij zou hebben heen en weder geschommeld, maar de gewichtige en voorname rol, die ik thans speelde, veroorloofde mij dergelijk genoegen niet.

Toen wij eenige oogenblikken hadden uitgerust, gaf ik het sein tot vertrekken; wij moesten ons nachtverblijf opzoeken en in elk geval zorgen voor het ontbijt van den anderen morgen, nadat wij, zooals wel waarschijnlijk was, ons hadden beholpen met den blauwen hemel tot dak.

Na eene wandeling van ongeveer een uur kwamen wij aan een dorp, dat me geschikt toescheen voor de verwezenlijking van mijn plan.

Van verre zag het er nogal erg arm uit en wij hadden dus niet veel kans om er goede zaken te doen; maar dit ontnam mij den moed niet. Of ik veel of weinig ontving, was voor mij niet de hoofdzaak; maar hoe kleiner het dorp was, zooveel te minder gevaar liepen wij om er agenten van politie te ontmoeten.

Ik kleedde dus mijn personeel aan en zoo ordelijk mogelijk trokken wij het dorp binnen. Jammer maar, dat wij Vitalis niet hadden om op de fluit te spelen en door zijn voorkomen, evenals een tamboer-majoor, de aandacht te trekken. Ik had het geluk niet om zoo lang te zijn als hij en ik miste ook zijn fraaien kop; mijn gestalte was eer klein dan middelmatig; bovendien was ik vrij mager en op mijn gelaat stond meer angst dan zelfvertrouwen te lezen.

Onder het voortgaan wierp ik tersluiks rechts en links een blik, om te zien welken indruk wij maakten. Maar die was niet bijzonder groot: men keek eens even op en terstond weder vóór zich en niemand volgde ons.

In het midden van het dorp was een plein met eene fontein, die door plataanboomen omringd was. Hier zette ik mijn harp neder en begon een wals te spelen. De muziek was vroolijk; mijn vingers vlug, al was mijn hart ook nog zoo treurig gestemd, en het was of een loodzware last op mijn schouders drukte.

Ik deed Zerbino en Dolce dansen; zij gehoorzaamden dadelijk en begonnen op de maat rond te springen.

Maar niemand gaf zich de moeite om naar ons te komen kijken, en toch zag ik voor verscheidene huizen vrouwen, die breiden en met elkander praatten.

Ik speelde maar altijd voort en Zerbino en Dolce bleven dansen. Misschien zou er eindelijk wel iemand naar ons komen kijken en als er een was, zou wel een tweede volgen en dan tien en daarna twintig. Maar of ik al speelde en Zerbino en Dolce al dansten, de menschen bleven waar zij waren en keken zelfs niet naar de plek waar wij stonden.

Het was om wanhopend te worden.

Toch gaf ik den moed niet op; ik speelde nog lustiger voort, zoodat de snaren bijna sprongen.

Eindelijk kwam er een kind uit een der huizen. Het was zoo klein, dat men haast zeggen zou, dat het voor 't eerst liep. Langzaam naderde het ons. Zeker zou nu zijn moeder ook wel komen en na de moeder eene buurvrouw; wij zouden publiek krijgen en dan ook zeker wel wat ontvangen.

Ik speelde nu wat minder hard, om het kind niet bang te maken en het spoediger bij ons te doen komen. Met de armpjes uitgestrekt en waggelend op zijn beentjes naderde het langzaam. Het kwam al dichter en dichter bij; nog enkele schreden en het was bij ons.

Zijn moeder keek op, verwonderd zeker en ongerust misschien dat het niet bij haar was.

Daar zag zij haar kind. Maar in plaats van het na te loopen, zooals ik gehoopt had, riep zij het terug en het gehoorzame kind keerde dadelijk om.

Misschien hielden die menschen niet van dansen. Dat was ook mogelijk.

Ik beval Zerbino en Dolce te gaan liggen en begon mijn _cansonetta_ te zingen. Nooit deed ik zóó mijn best erop.

Ik hief het tweede couplet aan, toen ik een man met een jas en een vuilen hoed naar mij toe zag komen.

Eindelijk!

Ik zong nog lustiger.

--Zeg eens! riep hij, wat doe-jij hier, kwajongen!

Ik hield eensklaps op, onthutst door die vraag en bleef hem met open mond aanstaren, terwijl hij nog dichterbij kwam.

--Komaan, krijg ik haast antwoord?

--Ik zing, mijnheer.

--Heb-je een permissie om in onze gemeente te zingen?

--Neen, mijnheer.

--Maak dan dat je weg komt, als je niet wil, dat ik proces-verbaal tegen je opmaak.

--Maar mijnheer....

--Noem mij geen mijnheer, maar veldwachter, en ruk uit, luie bedelaar.

Een veldwachter! Ik wist door hetgeen mijn meester overkomen was, wat men te wachten heeft als men zich tegen politieagenten en veldwachters verzet. Dus liet ik het mij geen tweemaal zeggen. Ik ging heen zooals mij gelast was, langs denzelfden weg, dien ik was gekomen.

Bedelaar!--Neen, dat woord was niet verdiend. Ik had niet gebedeld; ik had gezongen; ik had gedanst; dat was mijn manier van werken, en welk kwaad had ik daarmede gedaan?

Binnen vijf minuten was ik buiten het zoo weinig gastvrije, maar zoo goed bewaakte dorp.

Mijne honden volgden mij met hangenden kop; zeker begrepen zij hoe slecht wij van de reis waren gekomen. Capi liep mij nu en dan vooruit en zag mij met zijne verstandige oogen nieuwsgierig aan. Ieder ander in zijne plaats zou mij allerlei vragen hebben gedaan, maar Capi was te goed opgevoed, te goed gedrild, om zich eene onbescheiden vraag te veroorloven. Hij bepaalde er zich toe zijne nieuwsgierigheid aan den dag te leggen, en ik zag hoe zijn kaken beefden, door de pogingen die hij deed om zijn geblaf te onderdrukken.

Toen wij ver genoeg van het dorp waren verwijderd om zeker te zijn, dat de booze veldwachter niet meer komen zou, gaf ik een teeken met mijn hand en dadelijk vormden de drie honden een kring om mij; Capi stond in het midden en hield onbeweeglijk de oogen op mij gevestigd.

Het oogenblik was gekomen om hun de uitlegging te geven, die zij wachtten.

--Daar wij geen permissie hadden om te spelen, zeide ik, jaagt men ons weg.

--En nu? vroeg Capi, met een beweging van zijn kop.

--Nu gaan wij slapen onder den blooten hemel en avondeten hebben wij niet.

Bij het woord avondeten lieten allen een dof gebrom hooren. Ik liet mijn drie stuivers zien.

--Ge weet, dat dit alles is wat we bezitten; geven wij vanavond onze drie stuivers uit, dan hebben wij niets voor ons ontbijt van morgen. Daar wij vandaag gegeten hebben, komt het mij verstandiger voor aan den dag van morgen te denken.

Ik stak de drie stuivers in mijn zak.

Capi en Dolce bogen onderworpen den kop, maar Zerbino, die niet altijd in zijn humeur was en bovendien een lekkerbek, ging voort met brommen.

Na een strengen blik, die hem echter niet tot zwijgen bracht, zeide ik tot Capi.

--Verklaar eens aan Zerbino wat hij niet schijnt te kunnen begrijpen. Wij moeten ons vandaag getroosten niet meer te eten, als wij morgen iets willen hebben.

Dadelijk gaf Capi een slag met zijn poot en eene gedachtenwisseling tusschen hen volgde.

Dat woord gedachtenwisseling vindt men misschien niet zeer juist, omdat het hier honden geldt; maar zeker is het toch, dat alle dieren een eigen manier hebben om elkander iets mede te deelen. Als men in een huis gewoond heeft onder welks daklijst en kozijnen de zwaluwen nestelen, krijgt men al zeer spoedig de overtuiging, dat de vogeltjes niet enkel fluiten om een wijsje te doen hooren, wanneer zij, bij het aanbreken van den dag, zoo druk met elkander bezig zijn. Het zijn bepaalde gesprekken die zij met elkander houden; ernstige zaken behandelen zij, waarin woorden vol teederheid worden gewisseld. En de mieren van denzelfden stam kruisen, als zij elkander ontmoeten, hunne voelsprietjes. Moet men ook daaruit niet opmaken, dat zij elkaar het een of ander mededeelen wat voor haar van belang is? Wat de honden betreft, deze kunnen niet alleen spreken, maar ook lezen: zie maar eens hoe zij met hun neus in de lucht of met den kop vlak op den grond de steenen en planten berieken en dan eensklaps een oogenblik stilstaan bij een struik of voor een muur. Wij menschen zien niets op die muren, maar de hond leest daarop allerlei bijzondere dingen in een geheimzinnig schrift, dat door ons zelfs niet wordt opgemerkt.

Wat Capi aan Zerbino mededeelde, verstond ik niet; want zoo al de honden de taal der menschen verstaan, de menschen kennen die der dieren niet; ik zag alleen, dat Zerbino niet naar rede wilde luisteren en erop aandrong, dat de drie stuivers vandaag nog zouden worden uitgegeven; Capi moest eindelijk wel boos worden en eerst toen hij zijn tanden had laten zien, gaf Zerbino, die niet heel dapper was, toe.

De vraag omtrent het avondeten was dus beslist, maar die van het nachtverblijf moest nog behandeld worden.

Gelukkig was het mooi weer; het was een warme dag geweest en in dezen tijd van 't jaar onder den blooten hemel te slapen, was zoo erg niet. Alleen moest men zijne slaapstee zoodanig inrichten, dat men geen last kon hebben van de wolven, zoo die er waren in dezen omtrek en--wat mij nog grooter gevaar scheen--van de veldwachters, want voor ons waren die menschen nog meer te vreezen dan de wilde dieren.

Wij moesten dus maar doorloopen, den weg volgende, tot wij eene goede schuilplaats hadden gevonden.

Het was een lange weg; de eene mijl volgde op de andere en de laatste rooskleurige gloed der ondergaande zon was verdwenen, zonder dat wij nog eene schuilplaats gevonden hadden. Er moest nu wel een besluit worden genomen.

Toen ik stilstond om op de plek, waar wij waren, den nacht door te brengen, bevonden wij ons in een bosch, waarin hier en daar eenige open vlakken waren, in het midden waarvan groote rotsklompen zich verhieven. De plaats was zeer somber en verlaten, maar wij hadden geen keus en ik meende, dat wij tusschen die granietblokken wel tegen de nachtelijke koude beschermd zouden zijn. Ik zeg "wij" en bedoel hiermede Joli-Coeur en mij zelven, want wat de honden betreft, om hen behoefde ik mij zoo zwaar niet te bekommeren: zij zouden er de koorts niet van krijgen of zij al een nachtje buiten sliepen. Maar voor me zelven moest ik oppassen, want ik besefte al de verantwoordelijkheid, die op mij rustte. Wat zou er van mijn troep terechtkomen, als ik ziek werd? Wat zou ik beginnen, als ik Joli-Coeur moest verzorgen?

Wij sloegen nu terzijde van den weg af en volgden de openingen tusschen de steenen, totdat ik vóór mij een groot rotsblok zag, zoodanig gevormd, dat er onder eene soort van grot was en het bovengedeelte als een gewelf erover uitstak. In die grot had de wind eene groote massa verdorde dennenaalden bijeengedreven. Beter konden wij niet verlangen; er was een matras om ons op uit te strekken; een dak om ons te beschutten; er ontbrak ons niets dan een stuk brood tot avondeten. Maar men moest maar trachten daar niet aan te denken. Het spreekwoord zegt terecht: wie slaapt voelt geen honger.

Vóór ik insliep deelde ik aan Capi mede, dat wij op zijne waakzaamheid rekenden en in plaats van zich, evenals wij, op de dennenaalden neer te leggen, bleef het goede dier buiten onze grot om de wacht te houden. Ik kon nu gerust zijn, overtuigd, dat niemand bij ons zou komen vóór ik gewaarschuwd was.

Hoewel hieromtrent gerustgesteld, kon ik toch niet zoo dadelijk op mijn matras van dennenaalden inslapen bij Joli-Coeur, die in mijn jas gewikkeld naast mij lag, Zerbino en Dolce aan mijn voeten. Mijne bezorgdheid was nog grooter dan mijne vermoeienis.

Deze eerste dag van mijn reis was slecht geweest: wat zou de dag van morgen opleveren? Ik had honger en dorst en ik bezat niet meer dan drie stuivers. Of ik ze al omkeerde en nog eens omkeerde in mijn zak, er bleven er altijd maar drie; ik kwam niet boven dat getal.

Hoe zou ik mijn troepje in het leven houden en hoe mij zelven, als ik morgen en de volgende dagen geen gelegenheid had om voorstellingen te geven? Muilbanden, een permissie om te zingen--hoe zou ik die bekomen? Moesten wij dan allen van honger omkomen in een bosch? sterven onder de struiken?

Terwijl ik over die treurige dingen dacht, keek ik naar de sterren, die boven mij aan den donkeren hemel flonkerden. Geen windje woei er. Overal doodelijke stilte; geen blaadje ritselde; geen vogel deed zich hooren; geen wiel kraakte op den weg; zoo ver mijn blik in die blauwe diepte reikte, was alles stil en ledig: eenzaam en verlaten waren wij.

Ik voelde de tranen in mijn oogen komen; opeens begon ik te weenen: Arme vrouw Barberin! Arme Vitalis!

Ik lag voorover en liet mijn tranen in mijne handen vloeien, zonder dat ik ze kon tegenhouden. Daar voelde ik een warmen adem in mijn haren; ijlings richtte ik mij op, eene groote tong, zacht en warm, lekte mijne wangen. Het was Capi, die mij had hooren weenen en mij kwam troosten, zooals hij mij ook te hulp was gekomen, den eersten nacht dat wij op reis waren.

Ik sloeg mijn beide armen om zijn hals en drukte een kus op zijn vochtigen snuit. Toen onderdrukte hij twee- of driemaal een zacht gekreun en het scheen, dat hij weende met mij.

Toen ik wakker werd, was het helder dag en Capi zat tegenover me en keek mij aan. De vogels zongen in het gebladerte; in de verte, heel in de verte, hoorde ik het _Angelus_ kleppen. De zon, die reeds hoog aan den hemel stond, wierp hare stralen uit, die warmte en kracht gaven, zoowel aan de grot als aan ons lichaam. Ons morgen-toilet was spoedig gemaakt en wij begaven ons op weg in de richting waar we het _Angelus_ hoorden luiden. Daar was een dorp en zeker ook een bakker. Als men zonder eten is gaan slapen, doet de honger zich spoedig gevoelen.

Ik had mijn besluit genomen. Mijne drie stuivers zou ik uitgeven en daarna zouden wij zien. Toen ik in het dorp kwam, behoefde ik niet te vragen waar de bakker woonde; ik rook zijn winkel reeds van verre; mijn reukorgaan was bijna even fijn als dat van de honden, zoodat reeds op een afstand de lucht van het warme brood door mij werd waargenomen.

Als het brood vijf stuivers per pond kost, heeft men niet veel voor drie stuivers, ieder kreeg een klein stukje, zoodat ons ontbijt spoedig afgeloopen was.

Nu was het oogenblik daar om te denken, hoe wij aan den kost moesten komen. Ik liep het dorp door, om te zien waar de gunstigste gelegenheid was voor eene voorstelling en ook om de gezichten der menschen gade te slaan, teneinde daaruit te ontdekken of ze ons al of niet gezind zouden wezen. Mijn plan was niet om terstond met de voorstelling te beginnen, want daarvoor was het uur niet bijzonder geschikt, maar om de beste plaats uit te kiezen en dan tegen het midden van den dag daar terug te komen en de kans te wagen.

Met die plannen was ik geheel vervuld, toen ik opeens achter mij hoorde roepen; ik keek om en zag Zerbino, die door eene oude vrouw werd nagezet. Het duurde niet lang of ik begreep wat er gaande was: de hond had bemerkt, dat ik in gepeins was verzonken; hij had mij verlaten en was een huis binnengeloopen, waar hij een stuk vleesch gestolen had, dat hij nu nog in den bek droeg.

--Houd den dief! houd den dief! riep de vrouw.

Toen ik die woorden hoorde, voelde ik, dat ik schuldig was, tenminste verantwoordelijk voor de daad van mijn hond, en begon ik ook hard te loopen. Wat moest ik zeggen als de oude vrouw mij den prijs vroeg van het stuk vleesch, dat de hond gestolen had? Hoe zou ik het betalen? Als ik eens gepakt werd, zou men mij dan niet gevangen houden?

Toen zij me hard zagen wegloopen, bleven ook Capi en Dolce niet achter; ik voelde ze op mijne hielen, terwijl Joli-Coeur, dien ik op mijn schouder droeg, zijn poot om mijn hals sloeg om niet te vallen.

Ik behoefde niet bang te zijn, dat men ons zou inhalen, maar men zou ons kunnen tegenhouden en dit scheen mij het plan van twee of drie menschen, die van de andere zijde kwamen. Gelukkig lag er tusschen ons een dwarsstraat; die sloeg ik in, gevolgd door mijne honden, en weldra waren wij weder in het open veld. Toch bleef ik niet staan voordat ik geheel buiten adem was, en toen had ik zeker twee kilometer geloopen. Eerst durfde ik nog niet omzien, maar toen ik eindelijk een blik achter mij wierp, bemerkte ik, dat niemand ons volgde. Capi en Dolce waren altijd nog op mijne hielen. Zerbino volgde op een afstand; hij had onderweg zeker stilgestaan om zijn stuk vleesch op te eten. Ik riep hem, maar Zerbino begreep, dat hij een strenge kastijding te wachten had en bleef eerst staan; daarop keerde hij zich om en liep heen zoo snel hij kon.

Slechts uit honger had Zerbino het vleesch gestolen. Maar dit was voor mij geen reden van verontschuldiging. Hij had gestolen en de schuldige moest gestraft worden, of het was uit met de tucht onder mijn troep. In het volgende dorp zou Dolce het voorbeeld van zijn makker volgen en Capi zelf zou eindelijk bezwijken voor de verzoeking. Dus moest Zerbino voorbeeldig gestraft worden. Maar daarvoor moest ik hem binnen mijn bereik hebben en dat was zoo gemakkelijk niet. Ik nam mijne toevlucht tot Capi.

--Haal Zerbino, zeide ik.

Dadelijk rende hij weg om den last, die ik hem opdroeg, te volbrengen. Het scheen mij evenwel toe, dat hij die taak minder gewillig op zich nam dan anders en uit den blik, dien hij op mij wierp vóór hij heenging, meende ik te bespeuren, dat hij liever de advocaat van Zerbino wezen zou dan de gendarme, die hem oppakte.

Ik moest thans de terugkomst afwachten van Capi en zijn gevangene, wat vrij lang kon duren, daar Zerbino zeker niet zoo dadelijk zou terugkeeren. Dat wachten vond ik evenwel zoo onaangenaam niet. Ik was te ver van het dorp om van die zijde iets te vreezen, en daarbij was ik zoo vermoeid, dat ik gaarne een poos wilde uitrusten. Bovendien, waarom zou ik mij haasten: ik wist niet waar ik heen moest gaan of wat ik doen moest. De plek, waar ik stil had gestaan, was tevens uitmuntend geschikt om er een poos te vertoeven. Zonder te weten waarheen ik mij in mijn dollen loop gericht had, was ik aan een kanaal gekomen en na de zandige vlakte te hebben doorkruist, die zich in de omstreken van Toulouse uitstrekt, was ik nu in een weelderig, vruchtbaar land gekomen: water, boomen, gras, eene kleine beek, die tusschen de spleten vloeide van eene dichtbegroeide rots, en telkens kleine watervallen vormde. Het was hier allerbekoorlijkst en uitnemend geschikt om de terugkomst der honden af te wachten.

Een uur ging er voorbij en geen van beiden keerde terug. Reeds begon ik mij ongerust te maken, toen Capi verscheen met hangenden kop.

--Waar is Zerbino?

Capi legde zich in vreesachtige houding voor mij neder en ik zag nu, dat een van zijn ooren bloedde.

Meer was niet noodig om mij te doen begrijpen wat er gebeurd was. Zerbino had zich tegen den gendarme verzet; hij had weerstand geboden aan Capi, die misschien zelf maar met tegenzin gehoorzaamd had aan het bevel, dat ook hij te streng achtte en hij had zich laten overwinnen.

Moest ik hem beknorren en ook straffen? Daartoe had ik den moed niet; ik was niet in eene stemming om anderen te kwellen: ik had al genoeg aan mijn eigen verdriet.