Chapter 43
Toen de eerste beweging van schrik voorbij was, besefte ik, dat Lize niets van ons plotseling wegkruipen zou begrijpen. Ik richtte mij daarom een weinig op en zeide op fluisterenden toon:
--Mijnheer James Milligan moet mij niet zien; hij zou mij naar Engeland terug doen gaan.
Verschrikt hief zij hare beide armen ten hemel.
--Verroer u niet, zeide ik, op denzelfden toon voortsprekende; morgenochtend te negen uren zullen wij op deze zelfde plek komen. Tracht dan alleen te zijn en ga nu heen.
Zij aarzelde.
--Ga heen, bid ik u, en stort mij niet in het ongeluk.
Tegelijkertijd verdwenen wij achter den muur en bereikten wij, zoo hard mogelijk loopende, de wijngaarden, die ons geheel verborgen. Daar konden wij, na aan onze blijdschap den vollen teugel te hebben gevierd, rustig met elkander praten en overleggen.
--Ge begrijpt, zeide Mattia, dat ik volstrekt niet van plan ben tot morgen te wachten om met mevrouw Milligan te spreken. In dien tusschentijd zou James Milligan Arthur om 't leven kunnen brengen. Ik ga dadelijk mevrouw Milligan opzoeken en zal haar zeggen..... alles wat wij weten. Daar mijnheer Milligan mij niet kent, behoef ik niet bang te zijn dat hij aan u en aan de familie Driscoll zal denken. Mevrouw Milligan kan dan zelve beslissen wat er gedaan moet worden.
Blijkbaar was hetgeen Mattia voorstelde zeer verstandig. Ik liet hem dus gaan en maakte met hem de afspraak, dat wij elkander zouden vinden in een kastanjeboschje op eenigen afstand. Als het toeval wilde, dat de heer Milligan daarlangs ging, zou ik mij gemakkelijk kunnen verbergen.
Zeer langen tijd wachtte ik, uitgestrekt op het mos, de terugkomst van Mattia af en reeds tienmaal had ik mij afgevraagd, of wij ons ook vergist hadden, toen ik hem zag aankomen, vergezeld van mevrouw Milligan.
Ik snelde hen tegemoet en greep de hand, die zij mij toestak en kuste die, maar zij sloot mij in hare armen en zich over mij heenbuigende, kuste zij mij teeder op mijn voorhoofd.
Dat was de tweede maal, dat zij mij kuste, maar het kwam mij voor, dat zij de eerste maal mij niet zoo hartelijk in hare armen had gedrukt.
--Arm, lief kind! zeide zij.
En met hare fraaie, blanke, zachte vingeren streek zij mijn haar op zijde, om mij goed in 't gelaat te zien.
--Ja... ja... prevelde zij.
Die woorden antwoordden zeker op eene vraag, die zij in haar gemoed gedaan had, maar in mijne ontroering was ik buiten staat, die gedachte te gissen. Ik voelde slechts de teederheid van den blik, dien zij op mij rusten liet, en ik was te gelukkig om verder te denken dan dit oogenblik.
--Kindlief, zeide zij, zonder haar blik van mij af te wenden, uw makker heeft mij zeer gewichtige dingen verteld. Wilt gij me nu ook eens alles mededeelen wat met uw komst bij de familie Driscoll en met het bezoek van den heer James Milligan in verband staat?
Ik verhaalde haar alles en mevrouw Milligan viel mij slechts in de rede, om eenige bijzonderheden omtrent enkele punten te vragen: nooit had men met zooveel aandacht naar mij geluisterd; hare oogen verlieten de mijne niet.
Toen ik uitgesproken had, bleef ook zij geruimen tijd zwijgen, maar altijd mij aanziende. Eindelijk sprak zij:
--Dit alles is van zeer veel gewicht voor u, voor ons allen; wij moeten daarom zeer voorzichtig te werk gaan en eerst menschen raadplegen, die ons raad kunnen geven. Maar tot zoolang moet gij u beschouwen als de makker, als de vriend--hier aarzelde zij een oogenblik--als de broeder van Arthur en van nu af aan moet gij en uw vriendje dit ongelukkig leven eindigen. Over een paar uur moet gij u te Territet vervoegen in het hotel des Alpes, waarheen ik een vertrouwd persoon zal zenden om kamers voor u te bestellen. Daar zullen wij elkander weerzien, want thans moet ik u verlaten.
Nogmaals omhelsde zij mij, en na Mattia de hand te hebben gegeven, verwijderde zij zich met rasse schreden.
--Wat hebt gij aan mevrouw Milligan verteld? vroeg ik aan Mattia.
--Alles wat zij u verhaald heeft en nog 't een en ander. O, 't is zoo'n goede, lieve vrouw.
--En Arthur? Hebt gij dien gezien?
--Van verre; genoeg evenwel om te weten, dat hij een goede jongen is.
Ik ging voort met Mattia te ondervragen, maar hij gaf ontwijkende antwoorden of wel zoo, dat ik maar de helft er van begreep. Toen spraken wij over onverschillige dingen tot op het oogenblik, waarop wij ons, zooals mevrouw Milligan ons had gezegd, aan het hotel des Alpes aanmeldden. Ofschoon wij nog onze armelijke kleeren van straatmuzikanten droegen, werden wij zeer beleefd ontvangen door een knecht in een zwarten rok met eene witte das, die ons naar onze kamer bracht. Wat was dat eene mooie kamer! Er stonden twee ledekanten met hagelwit beddegoed; de ramen kwamen uit op eene veranda met het uitzicht op het meer en het prachtige landschap aan zijne oevers. Toen wij van de veranda eindelijk weder in onze kamer terugkeerden, stond daar nog altijd onbeweeglijk de knecht, die op onze bevelen wachtte. Hij vroeg ons wat wij voor ons middagmaal verlangden, dat hij ons op de veranda brengen zou.
--Hebt ge taart? vroeg Mattia?.
--Pruimen-taart, aardbeziën-taart, aalbessen-taart.
--Nu, geef ons dan maar van die taarten.
--Van alle drie?
--Zeker.
--En wat dan eerst? welk vleesch, welke groente?
Bij al wat de knecht zeide, zette Mattia groote oogen op, maar hij werd volstrekt niet verlegen.
--Wat ge wilt, zeide hij.
De knecht ging deftig heen.
--Ik geloof, zeide Mattia, dat wij hier beter zullen eten dan bij de familie Driscoll.
Den anderen morgen kwam mevrouw Milligan ons een bezoek brengen; zij bracht een kleermaker en eene linnennaaister mede, die ons de maat namen voor kleeren en ondergoed.
Zij vertelde ons dat Lize nog altijd voortging met zich in het spreken te oefenen en dat de dokter verklaard had, dat zij thans genezen was. Nadat zij een uur bij ons was geweest, ging zij heen en kuste mij weder en gaf Mattia de hand.
Zij kwam vier dagen achtereen en elken dag was zij liever en teederder voor mij, maar ik bemerkte toch zekere terughouding; het was of zij niet aan hare teederheid wilde toegeven of ze niet wilde laten blijken.
Den vijfden dag kwam de kamenier, die ik op _De Zwaan_ had gezien, in hare plaats. Zij zeide ons dat mevrouw Milligan ons op hare villa wachtte, en dat buiten een rijtuig stond om er ons heen te brengen. Het was eene open calèche, waarin Mattia plaats nam zonder eenige verwondering te doen blijken en op eene wijze of hij er van zijne jeugd af altijd in gereden had. Ook Capi legde zich zonder aarzelen op een kussen meer.
De rit was niet ver; hij duurde al te kort, want het was voor mij of ik droomde; mijn hoofd was vol van allerlei dwaze gedachten of tenminste gedachten, die ik heel dwaas vond. Men liet ons in eene zaal, waar zich mevrouw Milligan bevond en Arthur, die op de canapé lag uitgestrekt, alsmede Lize.
Arthur strekte beide armen naar mij uit; ik snelde naar hem toe om hem aan mijn borst te drukken; ik omhelsde ook Lize, maar mevrouw Milligan omhelsde mij.
--Eindelijk, zeide zij, is het oogenblik gekomen dat gij de plaats moogt innemen, die u toekomt.
En toen ik haar aanzag om haar eene verklaring van die woorden te vragen, opende zij eene deur en ik zag vrouw Barberin binnenkomen, die onder den arm kinderkleeren droeg: een manteltje van wit cachemier, een kanten mutsje en gebreide kousjes.
Zij had ternauwernood den tijd om die kleeren op tafel te leggen, toen ik haar reeds in mijn armen had gesloten; terwijl ik haar omhelsde, zeide mevrouw Milligan iets tot een bediende, maar ik hoorde den naam van James Milligan en dit deed mij van schrik verstijven.
--Gij hebt niets te vreezen, zeide zij eindelijk; integendeel, kom hier en leg uwe hand in de mijne.
Op dat oogenblik ging de deur van de zaal open en verscheen de heer Milligan, glimlachend en al zijne scherpe tanden vertoonende. Toen hij mij zag verdween plotseling die glimlach, om plaats te maken voor een vreeselijken grijns.
Mevrouw Milligan liet hem den tijd niet om te spreken.
--Ik heb u doen roepen, sprak zij langzaam, terwijl hare stem licht beefde, om u mijn oudsten zoon voor te stellen, dien ik het geluk heb gehad eindelijk te ontdekken--hier drukte zij mij de hand--hier is hij. Maar gij kent hem reeds; gij hebt hem bezocht bij den man, die hem gestolen heeft, om naar zijn gezondheid een onderzoek in te stellen.
--Wat beteekent dat? vroeg de heer James Milligan, met een ontsteld gelaat.
--Die man, die nu in de gevangenis zit wegens diefstal in eene kerk, heeft eene volledige bekentenis afgelegd. Hier is een brief, waaruit dit blijkt. Hij heeft medegedeeld hoe hij het kind heeft gestolen en te Parijs heeft achtergelaten in de avenue de Breteuil; hoe hij de voorzorg had genomen om de merken van de kleeren af te knippen, opdat ze niet tot eene herkenning zouden leiden. Daar zijn die kleeren, die bewaard zijn door de brave vrouw, welke zoo belangeloos mijn zoon heeft opgevoed. Wilt gij dien brief lezen? wilt gij die kleeren zien?
De heer James Milligan stond een oogenblik sprakeloos; misschien dacht hij eraan of hij ons maar niet allen verworgen zou. Eensklaps ging hij naar de deur; maar vóór hij de kamer uit was, keerde hij zich om.
--Wij zullen eens zien, zeide hij, hoe de rechters zullen oordeelen over een ondergeschoven kind.
Zonder de minste ontroering sprak mevrouw Milligan--thans mag ik zeggen mijne moeder:
--Gij kunt mij voor den rechter dagen; ik voor mij zal nooit den broeder van mijn echtgenoot ter verantwoording roepen.
De deur ging achter mijn oom dicht; toen kon ik mij in de arme mijner moeder werpen, die mij vurig aan 't hart drukte en die ik voor de eerste maal durfde kussen, terwijl ze ook mijn liefkoozingen beantwoordde.
Toen onze ontroering een weinig bedaard was, kwam Mattia naar ons toe:
--Zeg nu eens aan uw mama, dat ik goed een geheim kan bewaren.
--Wist gij dan alles? vroeg ik.
Mijne moeder gaf daarop ten antwoord:
--Toen Mattia mij alles verteld had, verzocht ik hem te zwijgen, want ik was overtuigd, dat de arme kleine Rémi mijn zoon was. Maar ik moest zekere bewijzen hebben, opdat er geen dwaling meer mogelijk was. Hoe smartelijk zou het voor u geweest zijn, lief kind, als ik u eenmaal mijn zoon genoemd had, te ontdekken, dat wij ons hadden vergist! Die bewijzen hebben wij nu; en thans zijn wij voor altijd met elkander vereenigd. Voor altijd zult gij nu leven met uwe moeder en uw broer en--hier wees zij op Lize en Mattia--met hen die u liefgehad hebben, toen gij ongelukkig waart.
XLIV.
MET DE MIJNEN.
Jaren zijn voorbijgegaan, vele jaren zelfs, maar zij zijn omgevlogen, omdat zij slechts goede en gelukkige dagen hebben opgeleverd.
Thans woon ik in Engeland, in Milligan-Park, het kasteel van mijne voorouders.
Het kind zonder ouders, zonder steun, te vondeling gelegd en verlaten, ten prooi aan de wisselvalligheden van het lot, zonder baak om hem den weg te wijzen op die onafzienbare zee, waarop hij rondzwalkte, zonder haven waarheen hij zich kon richten, heeft niet slechts eene moeder en een broeder, die hij liefheeft en die hem liefhebben, maar ook voorouders, die hem een naam hebben nagelaten, door het gansche land geëerd, en een aanzienlijk vermogen.
De kleine ongelukkige knaap, die als kind zoo menigen nacht in schuren en stallen heeft doorgebracht of in een uithoek van het bosch onder den blooten hemel, is thans de erfgenaam van een voornaam geslacht, in het bezit van een kasteel in de geschiedenis vermaard, dat door de nieuwsgierigen wordt bezocht en in alle reisboeken vermeld en geroemd.
Op een twintig mijlen ten westen van de plek waar ik scheep ging, vervolgd door de politie, ligt dat kasteel op een helling, omringd door een lommerrijk bosch, ondanks de nabijheid van de zee. Het is gebouwd op een terras door de natuur zelve gevormd; het heeft de gedaante van een kubus en op elken hoek staat een zware ronde toren. De twee gevels naar het zuiden en westen gekeerd, zijn bedekt met slingerplanten en klimmende rozen; die van het noorden en oosten met klimop, met stammen zoo dik als een mensch, die getuigen van zijn hoogen ouderdom, en al de zorgen van de tuinlieden zijn noodig om te verhoede dat zijn weelderige groei onder donker loof de arabesken en andere ornamenten bedekt, die zoo kunstig gehouwen zijn in de witte steen, welke de vensters en deuren omlijst. Het is door een uitgestrekt park omringd. Daarin groeien oude boomen, die nog nooit gesnoeid of geveld zijn en levende beken stroomen erdoorheen, welke groeikracht schenken aan de altijd groene grasperken. In een bosch van hoog opgaand hout nestelen oude kraaien, die elken nacht door haar gekras het begin en het einde van den dag verkondigen.
Op dit oude kasteel van Milligan-Park woon ik nu met mijne familie: mijne moeder, mijn broer en mijne vrouw.
Wij zijn daar sedert zes maanden gevestigd. Vele uren heb ik reeds doorgebracht in de bibliotheek, waarin de oude archieven, de eigendomstitels, de familiepapieren bewaard worden. Ik zit daar aan eene groote eikenhouten tafel, zwart van ouderdom, en schrijf. Maar het zijn niet die archieven of familiepapieren welke ik zoo nauwkeurig naga, maar het boek mijner eigen geschiedenis, dat ik doorblader en in orde breng.
Wij zullen ons eerste kind laten doopen, onzen kleinen Mattia, en bij gelegenheid van dien doop, die op het kasteel mijner vaderen allen vereenigen zal, die mijne vrienden waren in dagen van tegenspoed, wil ik het verhaal geven van mijne lotgevallen, waarin zij eene rol hebben gespeeld, als een bewijs mijner dankbaarheid voor de hulp, die zij mij hebben verleend of voor de liefde, die zij voor het arme verloren kind hebben aan den dag gelegd. Als ik een hoofdstuk afhad, zond ik het naar Dorchester, naar den lithograaf en denzelfden dag ontvang ik de gesteendrukte kopieën van mijn handschrift, om aan ieder der gasten er een te geven.
Die bijeenkomst is eene verrassing, die ik hun heb bereid, ook voor mijne vrouw, die dan haar vader zal weerzien en hare zuster, en haar broers en hare tante, welke zij niet verwacht; alleen mijne moeder en mijn broer zijn in het geheim. Als er niets tusschen beiden komt, zullen allen dezen avond onder mijn dak doorbrengen en ik zal het genot smaken hen allen aan mijne tafel te zien.
Een enkele zal aan dat feest ontbreken, want hoeveel men ook met geld kan doen, het kan 't leven niet teruggeven aan hen, die niet meer zijn. Arme, dierbare oude meester! wat zou ik gelukkig geweest zijn, als ik u een rustigen ouden dag had kunnen bezorgen! Gij zoudt u kunnen ontdaan hebben van uwe _piva_, uw schapevacht en uw fluweelen buis; gij zoudt niet meer het "vooruit kinderen!" geroepen hebben. Een ouderdom door allen geëerbiedigd, zou u zijn geschonken, gij zoudt uw indrukwekkend grijs hoofd met fierheid kunnen opheffen en uw vroegeren naam weder kunnen aannemen. Vitalis, de oude zwerveling, zou weder Carlo Balzani, de beroemde zanger zijn. Maar wat de onverbiddelijke dood u niet vergund heeft, heb ik althans voor uwe nagedachtenis gedaan: te Parijs op het kerkhof Montmartre is de naam gebeiteld op het gedenkteeken, dat mijne moeder op mijn verzoek voor u heeft opgericht; en uw borstbeeld in brons naar de portretten uit den tijd van uw roem herinnert uwen naam aan hen, die u hebben toegejuicht; een afbeeldsel van uw borstbeeld is voor mij gegoten; het staat daar voor mij, en terwijl ik het verhaal schrijf van mijne eerste jaren van beproeving, toen de loop der gebeurtenissen zich begon te ontwikkelen, hebben mijne oogen vaak de uwe gezocht. Ik heb u niet vergeten; ik zal u nooit vergeten, wees daar zeker van; indien ik in dat gevaarlijk tijdperk van een aan zich zelf overgelaten kind, nooit gestruikeld heb en nooit ben gevallen, dan ben ik het aan u verschuldigd, aan uwe lessen, aan uw voorbeeld, mijn dierbare oude meester! En op elk feest zal uwe plaats in eere worden gehouden; ziet gij mij niet, ik zal u zien.
Maar daar komt mijne moeder door de zaal der familieportretten; de jaren hebben hare schoonheid niet doen verwelken, en zij is in mijn oog nog dezelfde als toen ik haar voor de eerste maal aanschouwde, onder de veranda van _De Zwaan_, met haar edel gelaat, zoo zacht en schoon; maar dat waas van zwaarmoedigheid dat het toen overtoog, is geheel verdwenen.
Zij leunt op den arm van Arthur, want thans is het de moeder niet meer, die haar zwakken, wankelenden zoon ondersteund, maar de zoon, die een schoon en krachtig jongeling is geworden, bedreven in alle lichaamsoefeningen, bevallig ruiter, flink roeier, onverschrokken jager, die met innige teederheid zijn arm biedt aan zijne moeder; want in strijd met de voorstelling van mijn oom, James Milligan, is het wonder gebeurd: Arthur is in leven gebleven en hij zal blijven leven.
Op eenigen afstand achter hen, zie ik eene oude vrouw komen, gekleed in de dracht der Fransche boerinnen. Zij heeft een kindje op den arm met een wit cachemieren mantel om: de oude boerin is vrouw Barberin en dat kind is het mijne: het is mijn zoon, de kleine Mattia.
Nadat ik mijne moeder teruggevonden had, wilde ik, dat vrouw Barberin bij ons zou blijven, maar zij nam dit niet aan.
--Neen, zeide zij, mijn beste Rémi, mijn plaats is thans niet bij uwe moeder. Gij moet thans werken om knap te worden en door uwe kennis een heer te worden, zooals gij door uwe geboorte reeds zijt. Wat zou ik bij u doen? Mijne plaats is niet in het huis uwer wezenlijke moeder. Laat mij naar Chavanon terugkeeren. Maar onze scheiding zal niet voor altijd wezen. Gij wordt grooter; gij zult trouwen en kinderen krijgen. Dan eerst, als gij wilt en ik nog in leven ben, zal ik bij u komen om uwe kinderen te verzorgen; ik kan hunne min niet zijn, zooals ik uw min geweest ben, maar mijn leeftijd zal mij niet beletten dat ik goed op uwe kinderen pas; ik ben een vrouw van ervaring, en oude menschen hebben niet veel behoefte aan slaap. Bovendien ik zal uw kinderen liefhebben en ge kunt er zeker van zijn, dat ik mij de kleinen niet zal laten ontstelen, zooals men u gestolen heeft.
Wat vrouw Barberin verlangde is gebeurd; korten tijd vóór de geboorte van ons kind, is men haar te Chavanon gaan halen en zij heeft alles verlaten, haar dorp, hare gewoonten, hare vrienden, de koe, die uit onze koe was geboren, om in Engeland bij ons te komen; onze kleine Mattia wordt gezoogd door zijne moeder, maar hij wordt verzorgd, gedragen, beziggehouden en geliefkoosd door "moeder" Barberin, die verzekert, dat dit het mooiste kind is, dat zij ooit heeft gezien.
Arthur heeft een nommer van de _Times_ in de hand; hij legt dit op mijne schrijftafel en vraagt me of ik het gelezen heb. Op mijn ontkennend antwoord, wijst hij me op een brief uit Weenen, dien ik hier laat volgen.
"Weldra zult gij te Londen het bezoek krijgen van Mattia; ondanks den ongelooflijken bijval, die zijne reeks concerten alhier verwierven, verlaat hij ons, daar hij naar Engeland moet vertrekken wegens eene verbintenis, die hij niet verbreken kan. Ik heb u reeds van die concerten gesproken; zij hebben den grootsten opgang gemaakt, zoowel door de mate als door de oorspronkelijkheid van zijn talent, en door zijne gave als componist. In één woord, Mattia is een Chopin op de viool."
Ik heb dat artikel niet noodig om te weten, dat de kleine straatmuzikant, mijn makker en leerling, een groot kunstenaar is geworden. Ik heb Mattia zich zien ontwikkelen en opgroeien; en zoo het al wezen mocht, dat in den tijd, waarin hij onder leiding van denzelfden onderwijzer als Arthur en ik, geen groote vorderingen maakte in het latijn en grieksch, des te meer vorderde hij in de muziek bij de onderwijzers die mijne moeder hem gaf, en het was gemakkelijk te voorzien, dat de voorzegging van Espinassous, den kapper-musicus van Mende, eenmaal bewaarheid zou worden.
Toch vervulde mij die brief uit Weenen met trots en vreugd; het was of ik zelf deelde in de toejuichingen, waarvan hij de weerklank was. Maar was dit ook niet zoo? Was Mattia niet mijn tweede ik, mijn makker, mijn vriend, mijn broeder? zijn roem was de mijne, evenals zijn geluk het mijne was.
Op dat oogenblik bracht de bediende een telegram, dat juist was aangekomen.
"Het is misschien de kortste weg, maar zeker niet de aangenaamste; maar is er wel één aangename? Hoe dit zij, ik ben zoo zeeziek geweest, dat ik eerst te Red-Hill de kracht had om u bericht te zenden. Te Parijs heb ik Christina gehaald; wij zullen te Chegford te vier uren tien minuten zijn; zend ons daar een rijtuig.
"Mattia."
Toen ik den naam van Christina las, had ik Arthur aangezien, maar hij had den blik afgewend; eerst bij het slot van het telegram sloeg hij de oogen weder op.
--Ik heb wel zin om zelf naar Chegford te gaan, zeide hij; ik zal den landauer laten inspannen.
--Dat is een goed idée; in het terugrijden zult gij over Christina zitten.
Hij gaf geen antwoord, maar verliet terstond de kamer; toen wendde ik mij tot mijne moeder.
--U ziet dat Arthur het niet verbergt, dat hij naar haar verlangt; dat beteekent iets.
--Dat beteekent zeer veel.
Het kwam mij voor, dat in den toon van die woorden een zweem van ontevredenheid doorstraalde. Ik stond op en zette mij naast mijne moeder, en terwijl ik hare beide handen greep, die ik kuste, zeide ik in het Fransch, de taal waarvan ik mij altijd bediende als ik met innigheid, als haar kind, tot haar spreken wilde:
--Lieve moeder, het moet u geen zorg geven, dat Arthur Christina bemint. 't Is waar, dat zal hem beletten een goed huwelijk te sluiten, en een goed huwelijk is in het oog der menschen een huwelijk, dat geboorte en rijkdom vereenigt. Maar bewijst mijn voorbeeld niet genoeg, dat men gelukkig, zeer gelukkig kan zijn, zoo gelukkig mogelijk, zonder dat de vrouw met wie men trouwt van aanzienlijke afkomst en rijk is? Zoudt gij Arthur niet gaarne even gelukkig willen zien als mij? De zwakheid, die gij gehad hebt voor mij, omdat gij niets weigeren woudt aan het kind, dat gij dertien jaar lang hadt betreurd, zoudt gij die ook niet voor uw anderen zoon willen hebben? Zoudt gij toegeeflijker zijn voor den een dan voor den ander?
Zij streek de hand over het voorhoofd en omhelsde mij.
--Ge zijt een goed kind en een liefhebbende broeder. Welk een schat van liefde bewaart gij in uw hart!
--Omdat ik dien vroeger heb opgespaard; maar 't is niet over mij, dat wij nu spreken, maar over Arthur. Zeg mij eens, of gij een bekoorlijker vrouwtje zoudt kunnen vinden dan Christina. Is dat niet de mooiste italiaansche vrouw, die gij kent? En de opvoeding, die zij genoten heeft sedert wij haar te Lucca zijn gaan halen, stelt die haar niet in staat waardig eene plaats te bekleeden in de meest eischende kringen?
--Gij ziet in Christina de zuster van uw vriend Mattia.
--Dat is zoo, en ik beken rondweg, dat ik van ganscher harte een huwelijk verlang, waardoor Mattia in onze familie zou komen.
--Heeft Arthur u gesproken van zijne genegenheid en van zijne wenschen?
--Ja, beste moeder, zeide ik glimlachend, en hij heeft zich tot mij gewend als hoofd van de familie.
--En het hoofd van de familie?
--Heeft hem zijn steun beloofd.
Mijne moeder viel mij hier in de rede.
--Daar is uwe vrouw, zeide zij; over Arthur zullen wij later spreken.