Alleen op de Wereld

Chapter 42

Chapter 424,087 wordsPublic domain

Tegen dat idée van Mattia kon ik niets inbrengen. Wij besloten dus de Seine op te zoeken en den oever ervan te volgen.

Nadat wij voor ons zelven hadden gezorgd, was het tijd om ook aan Capi te denken. Zoolang hij geel was geverfd, was hij voor mij mijn Capi niet. Wij kochten zachte zeep en in het eerste water, dat wij tegenkwamen, waschten wij hem flink af, elkander aflossende, als wij moe waren.

Maar de verf van onzen vriend Bob was van eene uitstekende hoedanigheid; wij moesten den hond een langen tijd baden en bij herhaling met zeep insmeren. Toch zouden er weken en maanden noodig zijn eer Capi zijne oorspronkelijke kleur terugkreeg. Gelukkig is Normandië het land van het water en elken dag konden wij Capi onderhanden nemen.

Over Bayeux, Caen, Pont-d'Evêque en Pont-d'Audemer kwamen wij aan de Seine bij La Bouille.

Toen wij van de boschrijke hoogten, waarheen een lommerrijke holle weg leidde, na den geheelen dag geloopen te hebben, opeens de Seine vóór ons zagen, die eene breede bocht beschreef, waarvan onze heuvel het middelpunt uitmaakte, en op wier kalme, machtige golven tal van schepen met witte zeilen en stoombooten, wier rook tot ons opsteeg, statig voortdreven, riep Mattia uit, dat dit schouwspel hem geheel met het water verzoende, en dat hij volkomen begreep hoe men er een genot in vinden kon op die kalme rivier te glijden, langs die welige landerijen en bouwlanden en sombere bosschen, die haar oever omzoomden.

--Gij kunt er zeker van zijn, dat mevrouw Milligan met haar zieken zoon op de Seine vaart, zeide hij.

--Dat zullen wij spoedig vernemen, als wij de menschen in de dorpen uithooren.

Ik wist toen niet hoe moeilijk het was de Normandiërs aan het praten te krijgen. Zij antwoorden nooit rechtstreeks en ondervragen integendeel diegenen, die trachten iets van hen te weten te komen.

--Is 't een schip uit Hâvre of een schip uit Rouaan, waarnaar gij vraagt? Is het een boot? een zeilvaartuig? een aak? een praam?

Toen we op al die vragen, die men ons deed, geantwoord hadden, waren wij zoo goed als zeker, dat _De Zwaan_ nooit te La Bouille was geweest, of zoo zij er al geweest was, zij des nachts moest gepasseerd zijn, zoodat niemand haar had kunnen zien.

Van La Bouille kwamen wij te Rouaan, waar wij opnieuw nasporingen deden, maar met niet veel beter gevolg. Te Elbeuf kon men ons ook niets van _De Zwaan_ vertellen. Te Poses, waar er sluizen waren en men dus alle schepen, die voorbijvoeren, wel _moest_ zien, kregen wij hetzelfde antwoord.

Wij gaven den moed nochtans niet op, maar bleven altijd maar vragen, zonder veel hoop evenwel, want _De Zwaan_ was niet van de eene of andere plaats in het midden van de rivier kunnen vertrekken. Dat mevrouw Milligan en Arthur te Quillebeuf of Caudebec waren ingescheept, was te begrijpen, maar te Rouaan nog waarschijnlijker; maar daar wij geen spoor van hen ontdekten, moesten wij tot Parijs gaan, of liever voorbij Parijs.

Daar wij niet alleen wandelden om verder te komen, maar bovendien elken dag ons brood moesten verdienen, hadden wij vijf weken noodig om van Isigny Charenton te bereiken.

Daar deed zich de vraag voor, of wij de Seine dan wel de Marne moesten volgen. Die vraag had ik mezelven al dikwijls gedaan, terwijl ik mijne kaart bestudeerde, maar zonder eene enkele reden te vinden, waarom wij aan de eene rivier de voorkeur zouden geven boven de andere.

Gelukkig behoefden wij, te Charenton gekomen, niet te aarzelen, want op onze vraag antwoordde men daar voor de eerste maal, dat men een vaartuig gezien had, hetwelk op _De Zwaan_ geleek: het was eene pleizierboot en had eene veranda.

Mattia was zóó in zijn schik, dat hij begon te dansen op de kade. Eensklaps hield hij met dansen op; hij greep zijne viool en speelde zijn triomfmarsch zoo hartstochtelijk, als ik ooit van hem gehoord had.

Intusschen ging ik voort met aan den varensgezel, die zoo goed was geweest om ons te antwoorden, nieuwe vragen te doen. Twijfelen was niet langer mogelijk: het was _De Zwaan_, die ongeveer twee maanden geleden Charenton was gepasseerd, de Seine opvarende.

Twee maanden! Dus was zij ons een ontzaglijk eind vooruit. Maar wat deed er dat toe! Altijd voortgaande, zouden wij haar toch eenmaal moeten inhalen, al waren wij maar te voet, terwijl het vaartuig met een paar flinke paarden was bespannen.

Of er wat korter of langer tijd voor noodig was, deed niets ter zake; de voornaamste, buitengewoonste, merkwaardigste zaak was, dat _De Zwaan_ was gevonden.

--Wie heeft er gelijk gehad? vroeg Mattia.

Als ik gedurfd had, zou ik hebben bekend, dat ik evenveel hoop gehad had als hij, maar niet durfde zeggen, zelfs voor mij zelven niet, welke gedachten en dwaasheden die in mijne verbeelding had doen oprijzen.

Wij behoefden ons niet op te houden om de menschen te ondervragen: _De Zwaan_ voer voor ons uit; wij behoefden de Seine maar te volgen.

Maar te Moret valt de Loing in de Seine, en nu moesten wij opnieuw inlichtingen inwinnen.

De Zwaan was de Seine opgevaren.

Te Montereau moesten wij weder gaan vragen.

Hier vernamen wij, dat _De Zwaan_ de Seine verlaten had voor de Yonne. Meer dan twee maanden geleden was zij Montereau gepasseerd. Aan boord was eene engelsche dame met een knaap, die op een bed lag uitgestrekt.

Wij kwamen dichter bij Lize, en terwijl wij _De Zwaan_ volgden klopte mijn hart sneller, terwijl ik, mijne kaart bestudeerende, mij afvroeg of na Joigny mevrouw Milligan het kanaal van Bourgogne of dat van Nivernais had gevolgd.

Wij kwamen aan het punt, waar de Yonne en de Armençon samenvloeien. _De Zwaan_ was de Yonne blijven volgen; wij gingen dus door Dreuze en zouden Lize kunnen zien. Zij zelve zou ons kunnen verhalen van mevrouw Milligan en Arthur.

Sedert wij _De Zwaan_ volgden, hadden wij niet veel tijd gegeven aan onze concerten en voorstellingen en Capi, die een nauwgezet kunstenaar was, begreep onze haast niet; waarom stonden wij hem niet meer toe met het bakje in zijn bek zich voor het "geëerde publiek" te plaatsen, dat niet vlug was om met de hand in den zak te tasten? Men moet zijn tijd nemen.

Maar wij gaven ons den tijd niet meer; de ontvangsten werden dan ook geringer; terwijl tevens het overschot van onze twintig gulden met den dag kleiner werd. Wel verre van geld over te leggen, teerden wij van ons kapitaal.

--Laten wij ons haasten, om bij _De Zwaan_ te komen, zeide Mattia.

En ik zeide met hem: laten wij ons haasten.

Des avonds klaagden wij nooit over moeheid, hoe ver de tocht ook was geweest; integendeel, wij waren het altijd volkomen eens, om den anderen morgen maar weder zeer vroeg op weg te gaan.

--Roep me toch bijtijds, zeide Mattia, die veel van slapen hield.

En als ik hem geroepen had, duurde het nooit lang, of hij was op en reisvaardig.

Om geld te besparen, hadden wij onze uitgaven verminderd, en daar het zeer warm was, had Mattia verklaard, geen vleesch meer te willen eten, want des zomers was vleesch ongezond. Wij stelden ons tevreden met een stuk brood en een hard ei, dat wij samen deelden of wel met een stukje boter; en ofschoon wij in het wijnland waren, dronken wij niets dan water.

Wat kwam het er ook op aan!

Soms echter had Mattia grooten trek in iets lekkers.

--Ik zou wel willen, dat mevrouw Milligan nog die keukenmeid had, die zulke lekkere confituurtaarten voor u kon klaarmaken, zeide hij. Dat zou heerlijk zijn; vooral abrikozentaarten!

--Heb je die nooit gegeten!

--Ik heb appelkoeken gegeten, maar nooit abrikozentaarten; maar ik heb ze wel eens gezien. Wat zijn dat voor kleine witte dingen, die op de confituren zijn geplakt?

--Amandelen.

--O, zoo.

En Mattia zette zijn mond zoo wijd open, of hij eene geheele taart ineens zou doorslikken.

Daar de Yonne vele bochten maakt tusschen Joigny en Auxerre, haalden wij door den grooten weg te volgen _De Zwaan_ een weinig in; maar van Auxerre af verloren wij weder, want zij had het kanaal van Nivernais gevolgd en ging snel vooruit op het kalme water.

Bij elke sluis kregen wij nieuwe inlichtingen, want op dit kanaal, waar geen druk verkeer bestaat, had iedereen het vaartuig opgemerkt, dat volstrekt niet op de vaartuigen geleek, die men gewoonlijk zag.

Niet slechts sprak men ons van _De Zwaan_, maar ook van mevrouw Milligan, "eene goedhartige engelsche dame" en van Arthur, een knaap, die bijna altijd op een bedje lag, dat op het dek voor hem was gespreid onder een glazen dak met groen en bloemen, maar die nu en dan toch opstond.

Arthur werd dus beter.

Wij naderden Dreuze; nog twee dagen; nog een; nog maar eenige uren.

Eindelijk zagen wij de bosschen, waarin ik den vorigen herfst met Lize had gespeeld en wij zagen ook de sluis met het huisje van vrouw Katherina.

Zonder daaromtrent eenige afspraak te maken, maar elk uit eigen beweging, hadden Mattia en ik onzen pas versneld en wij wandelden niet meer: wij liepen op een drafje. Capi werd weder geheel wat hij vroeger geweest was en rende in galop vooruit.

Hij gaat Lize zeggen, dat wij in aantocht zijn; zij zal ons tegemoet komen.

Maar het was Lize niet, die wij uit het huisje te voorschijn zagen komen, maar Capi, die er uitholde, of hij weggejaagd was.

Onmiddellijk bleven wij beiden stilstaan en wij vroegen ons af wat dit te beteekenen had. Maar die vraag deden wij aan elkander niet, en wij vervolgden zwijgend onzen weg.

Capi was bij ons gekomen en liep nu druipstaartend achter ons.

Een man was bezig een der deuren van de sluis te openen. Het was de oom van Lize niet.

Wij gingen tot aan het huis; eene vrouw, die wij niet kenden, ging op en neer in de keuken.

--Is vrouw Suriot niet hier? vroegen wij.

Zij zag ons een oogenblik aan, zonder antwoord te geven, alsof wij haar de onzinnigste vraag hadden gedaan.

--Zij is niet meer hier, zeide zij eindelijk.

--Waar is zij?

--In Egypte.

Mattia en ik zagen elkander onthutst aan. In Egypte! Wij wisten niet juist wat Egypte was en waar dat land lag; maar een onbestemd gevoel zeide ons dat het ver, zeer ver af was; zoowat aan de overzijde van de zee.

--En Lize? Kent gij Lize?

--Of ik die ken! Lize is met eene Engelsche dame op een schip vertrokken.

Lize op _De Zwaan_. Was het geen droom?

De vrouw gaf een antwoord waaruit bleek, dat wij niet droomden.

--Zijt gij Rémi? vroeg zij.

--Ja.

--Zoo, nu dan zal het u niet onverschillig zijn te weten, dat Suriot verdronken is.

--Verdronken!

--Ja, verdronken in de sluis. Je moet weten, dat Suriot in het water is gevallen en dat hij onder een der sluisdeuren doorgaande, aan een spijker is blijven hangen. Dat gebeurt meer in zijn vak. Toen hij verdronken was, zat Katherina erg in de verlegenheid, ofschoon ze een kranige vrouw is. Maar wat zal ik je zeggen; als er geen geld is, valt het heel moeilijk om te leven. En geld was er niet. Men deed aan Katherina het voorstel om naar Egypte te gaan en daar de kinderen groot te brengen van eene dame, bij wie ze min was geweest; maar haar nichtje zat haar in den weg. Toen zij nog met zich zelve overlegde wat haar te doen stond, hield op een avond een schip voor de sluis stil, waarop zich eene Engelsche dame bevond, die met haar ziek zoontje de rivier opvoer. Men kwam met elkander aan 't praten en de Engelsche dame, die een kind zocht om met haar zoontje te spelen, dat zich verveelde op zijn schip, verzocht, dat men haar Lize zou afstaan en beloofde voor haar te zullen zorgen, haar te doen genezen en haar ook in de toekomst niet aan haar lot over te laten. Zij was een brave vrouw, heel minzaam en zacht voor arme menschen. Katherina nam het voorstel aan, en terwijl Lize aan boord ging van het schip der Engelsche dame, pakte Katherina haar boeltje om naar Egypte te gaan. Thans is mijn man in de plaats van Suriot aangesteld. Vóór dat zij vertrok beduidde Lize--die nog niet spreken kon, maar naar de dokters zeggen eenmaal wel haar spraak zal terugkrijgen--aan hare tante dat zij mij alles zou vertellen wat ik u moest mededeelen als gij haar kwaamt bezoeken. En dat heb ik nu gedaan.

Ik was zoo verwonderd en verbaasd, dat ik geen woorden kon vinden om te antwoorden; maar Mattia bleef zich zelven beter meester.

--En waar is de Engelsche dame heengegaan? vroeg hij.

--Naar het Zuiden van Frankrijk of naar Zwitserland; Lize zou mij schrijven om u haar adres te geven, maar ik heb nog geen brief van haar ontvangen.

XLIII.

DE MOOIE LUIERS HEBBEN WAARHEID GESPROKEN.

Nog altijd stond ik sprakeloos, maar Mattia deed wat ik geheel vergat.

--Wij bedanken u wel juffrouw, zeide hij.

En hij duwde mij zachtkens naar buiten de keuken uit.

--En nu op weg; vooruit! zeide hij. Wij moeten nu niet alleen mevrouw Milligan en Arthur opsporen, maar ook Lize moeten wij inhalen. Wat komt dat uitstekend! Wij zouden te Dreuze onzen tijd maar verloren hebben; en nu kunnen wij onzen weg vervolgen. Dat is een kansje! Wij hebben al zooveel teleurstellingen gehad, nu loopt het ons mede; de wind is veranderd. Wie weet welk geluk ons nog wacht!

En wij vervolgden zonder tijd te verliezen onzen weg om _De Zwaan_ in te halen, en bleven overal maar juist lang genoeg om te slapen en eenige stuivers te verdienen.

Te Decize, waar het kanaal van Nivernais uitmondt in de Loire, vroegen wij naar _De Zwaan_. Zij was het zijkanaal ingevaren, en dit volgden wij dus ook tot Digoin; daar namen wij het kanaal dat naar Châlon leidt.

Mijne kaart wees mij aan, dat zoo ik over Charolles ging rechtstreeks naar Macon, dit ons een langen omweg en verscheidene dagmarschen zou uitwinnen; maar dit was een stout besluit, waarvan wij de verantwoordelijkheid geen van beiden op ons wilden nemen, nadat wij het vóór en tegen hadden overwogen; _De Zwaan_ toch had zich onderweg kunnen ophouden, en dan zouden wij haar vóór zijn. Wij moesten dus op onze schreden terugkeeren en, om tijd te winnen, tijd verliezen.

Wij volgden de Saône van Châlon tot Lyon.

Daar stuitten wij op eene groote moeilijkheid: was _De Zwaan_ de Rhône op- of afgevaren? Met andere woorden: was mevrouw Milligan naar het Zuiden van Frankrijk of naar Zwitserland gegaan. Wij vroegen inlichtingen aan de varensgezellen en alle menschen, die op kaden hunne bezigheden hadden en eindelijk kregen wij de zekerheid, dat mevrouw Milligan naar Zwitserland was gegaan. Wij volgden dus den loop der Rhône naar den oorsprong.

--Door Zwitserland gaat men naar Italië, zeide Mattia; dat is ook een buitenkansje. Als wij, mevrouw Milligan nareizende, eens te Lucca kwamen, wat zou Christina blij zijn!

Arme, goede Mattia! Hij hielp mij zoeken naar hen, die mij dierbaar waren, en ik deed niets om hem in de gelegenheid te stellen zijn zusje weer te zien.

Van Lyon af wonnen wij elken dag op _De Zwaan_, want de Rhône heeft zulk een sterken golfslag, dat men ze niet zoo gemakkelijk opvaart als de Seine. Te Culoz was zij ons niet meer dan zes weken vooruit; intusschen als ik de kaart raadpleegde, moest ik het betwijfelen of wij haar wel zouden ingehaald hebben vóór zij in Zwitserland was, want het was mij onbekend, dat de Rhône niet verder bevaarbaar is dan tot Genève en wij verbeeldden ons, dat mevrouw Milligan met _De Zwaan_ Zwitserland wilde bezoeken, van welk land wij geen kaart hadden.

Wij kwamen te Seyssel, eene stad die in tweeën gedeeld wordt door de rivier, waarover eene hangende brug is geslagen, en wij volgden den oever der rivier. Hoe verrast was ik, toen ik in de verte _De Zwaan_ meende te herkennen.

Wij zetten het op een drafje: ja het was haar vorm; het was ze; en toch zag zij er uit als een verlaten vaartuig. Zij was stevig vastgemeerd achter eene soort van kade, die haar beschermde en aan boord was alles gesloten. Er waren ook geen bloemen onder de veranda.

Wat was er gebeurd? was Arthur iets overkomen?

Wij stonden stil; ons hart klopte ternauwernood.

Maar het was laf zoo onbeweeglijk te blijven; wij moesten erheen; wij moesten weten wat er van de zaak was.

Een man, aan wien wij inlichtingen vroegen, was wel zoo goed ons te antwoorden: hij was juist de persoon, die met het bewaken van _De Zwaan_ belast was.

De Engelsche dame, die met hare twee kinderen aan boord was--een lam knaapje en een klein stom meisje--bevond zich in Zwitserland. Zij had haar schip achtergelaten, omdat zij er de Rhône niet verder mede kon opvaren. De dame en hare twee kinderen waren met een rijtuig weggereden; de andere bedienden waren gevolgd met de bagage. In het najaar zou zij terugkomen, om zich weder op _De Zwaan_ in te schepen en de Rhône af te zakken tot aan zee, om den winter in het Zuiden door te brengen.

Wij haalden weder adem; de vrees, die wij gekoesterd hadden, was dus ongegrond; wij moesten dan ook liever het goede dan het kwade ons hebben voorgesteld.

--En waar is die dame thans? vroeg Mattia.

--Zij is vertrokken om een villa te huren aan den oever van het meer van Genève, in den omtrek van Vevey; waar weet ik niet precies; maar zij zou daar den zomer doorbrengen.

Dan maar op weg naar Vevey! Te Genève zouden wij eene kaart van Zwitserland koopen en die stad of dat dorp zouden wij wel vinden. Nu _De Zwaan_ niet meer vóór ons uitvoer en mevrouw Milligan den zomer op hare villa doorbracht, waren wij zeker haar te zullen vinden. Wij behoefden haar maar te zoeken.

Vier dagen nadat wij Seyssel verlaten hadden, waren wij reeds in de omstreken van Vevey, temidden der talrijke villa's, die van het meer met zijne blauwe golven af zoo bevallig achter elkander zich verheffen op de groene en boschrijke hellingen van den berg. Waar was nu het buitenverblijf, dat mevrouw Milligan met Arthur en Lize bewoonde? Eindelijk waren wij waar wij wezen moesten. Het was tijd: drie stuivers was onze eenige bezitting en onze schoenen hadden geen zolen meer.

Maar Vevey is geen dorpje, zooals wij ons eerst hadden voorgesteld; het is eene stad en zelfs geen gewone stad, want tot Villeneuve toe strekken zich een reeks van dorpen of voorsteden uit, die met Vevey een geheel vormen, Blonay, Corsier, Tour-de-Peilz, Clarens, Chernet, Montreux, Veyteaux, Chillons.

Of wij al vroegen naar mevrouw Milligan, of liever naar eene engelsche dame met haar zieken zoon en een stom meisje, bleek ons al spoedig een nutteloos onderzoek te zijn: Vevey en de oevers van het meer worden bewoond door zeer vele engelsche heeren en dames, en men kent hen evenmin als in de omstreken van Londen.

Het best was deze zelf te zoeken en ons naar alle huizen te begeven, waar vreemdelingen konden wonen. Dit was dan ook eigenlijk niet zoo moeilijk; wij behoefden maar in alle straten onze bekende melodiën te spelen.

Op één dag hadden wij geheel Vevey doorkruist en eene aanzienlijke som gebeurd; vroeger, toen wij geld wenschten voor onze koe of de pop van Lize, zou ons dit een gelukkigen avond hebben bezorgd, maar thans was het ons niet meer om het geld te doen. Nergens vonden wij de geringste aanwijzing omtrent het verblijf van mevrouw Milligan.

Den anderen morgen zetten wij onze naporingen in den omtrek van Vevey voort en gingen maar altijd verder, den weg volgende, die vóór ons lag, voor alle ramen spelende van de huizen, die er voornaam uitzagen, of die ramen al open of gesloten waren. Maar des avonds keerden wij terug, zooals wij den vorigen dag waren teruggekeerd. Toch waren wij van het meer naar den berg en van den berg naar het meer gegaan, overal rondziende, nu en dan vragen richtende aan menschen, die er welwillend uitzagen, zoodat wij hopen mochten, dat zij ons zouden te woord staan.

Dien dag wekte men tot tweemaal toe eene valsche hoop bij ons op door ons te zeggen, dat men, zonder haar naam te weten, de dame waarover wij spraken, zeer goed kende; men zond ons eerst naar een landhuis diep in het gebergte; en daarna verzekerde men ons, dat zij aan den oever van het meer woonde. Het waren ook werkelijk engelsche dames, die aan het meer en in het gebergte woonden, maar het was niet mevrouw Milligan.

Na zoo nauwkeurig mogelijk de omstreken van Vevey doorzocht te hebben, verwijderden wij ons in de richting van Clarens en Montreux, zeer ontevreden over den slechten uitslag onzer nasporingen, maar volstrekt niet ontmoedigd; wat vandaag niet gelukte, dat kon morgen gelukken.

Nu eens volgden wij wegen aan weerszijden door muren begrensd, dan weder paden dwars door wijn- en boomgaarden, of door lommerrijke bosschen van reusachtige kastanjeboomen, waarvan het dichte loof lucht en licht onderschepte en waaronder slechts fluweelachtig mos groeide. Bij elke schrede op die wegen en paden zag men door het geopend traliehek of de houten deur, net onderhouden lanen, die zich om grasperken slingerden of door dichte boschjes van bloemen en struiken; en in het groen verscholen lag daar een fraai huis of eene bevallige villa met slingerplanten bedekt. En voor al die groote en kleine woningen had men door het geboomte uitzichten gehouwen op het spiegelheldere meer en zijne omlijsting van sombere bergen.

Die tuinen brachten ons soms tot wanhoop, want daar zij ons op een afstand van de huizen hielden, konden wij ons niet doen hooren door de bewoners, als wij niet zoo luid mogelijk speelden en zongen, wat zeer vermoeiend is, wanneer men van den vroegen morgen tot den laten avond daartoe verplicht is.

Op een namiddag gaven wij een concert op straat; vóór ons was er slechts een getralied hek en achter ons een blinde muur, waarop wij geen acht sloegen. Ik had zoo luid ik kon het eerste couplet gezongen van mijn napolitaansch lied, en zou juist het tweede couplet beginnen, toen wij het opeens achter ons hoorden zingen, aan gene zijde van den muur, maar zwak en met eene onbekende stem.

Van wie kon die stem zijn?

--Van Arthur? vroeg Mattia.

Neen, het was Arthur niet; ik herkende diens stem althans niet; en toch liet Capi een gesmoord blaffen hooren en gaf alle teekenen van blijdschap, terwijl hij tegen den muur opsprong.

Ik was niet instaat mij langer te bedwingen, maar riep:

--Wie zingt daar?

En de stem antwoordde: Rémi.

Mijn naam, inplaats van een antwoord. Mattia en ik zagen elkander onthutst aan.

Terwijl wij elkander sprakeloos stonden aan te staren, zag ik achter Mattia een witten zakdoek in den wind fladderen; wij snelden naar die zijde heen.

Eerst toen wij aan de heg daar ter plaatse kwamen, zagen wij de persoon, aan wie de arm toebehoorde, die met den zakdoek had gezwaaid.... Het was Lize.

Eindelijk hadden wij haar dan gevonden en met haar mevrouw Milligan en Arthur.

Maar wie had gezongen? Dat was de vraag, die wij haar gelijktijdig deden, Mattia zoowel als ik, zoodra wij instaat waren een woord te uiten.

--Ik, zeide zij.

Lize zong! Lize sprak!

Wel is waar had ik tallooze malen hooren verzekeren, dat Lize eenmaal hare stem zou terugkrijgen en waarschijnlijk tengevolge eener heftige gemoedsaandoening, maar ik had nooit kunnen gelooven, dat dit mogelijk zou zijn.

En toch was het gebeurd; zij sprak: het wonder was geschied en het was toen zij mij had hooren zingen en mij bij haar zag komen, terwijl zij meende me voor altijd verloren te hebben, dat zij die heftige gemoedsaandoening ondervonden had.

Bij die gedachte werd ik zelf zoo ontroerd, dat ik genoodzaakt was mij met de hand aan een boomtak vast te klemmen.

Maar het was nu het oogenblik niet om zich door aandoeningen te laten overstelpen.

--Waar is mevrouw Milligan? zeide ik. Waar is Arthur?

Lize bewoog de lippen om te antwoorden, maar zij kon slechts geluiden, geen woorden uitbrengen. Ongeduldig nam zij weder de toevlucht tot hare gebarentaal om zich spoediger te doen begrijpen; haar tong en haar geest waren nog niet bedreven genoeg om zich van de gewone spraak te bedienen.

Terwijl ik met de oogen hare taal volgde, die Mattia niet verstond, zag ik achter in den tuin, op den hoek van eene lommerrijke laan, een wagentje, dat door een knecht werd voortgeduwd: in dat wagentje lag Arthur uitgestrekt, en achter hem ging zijne moeder en..... ik boog mij voorover om beter te zien..... de heer James Milligan. Onmiddellijk bukte ik, zoodat ik achter de heg verborgen was en riep Mattia op gejaagden toon toe, dat hij hetzelfde zou doen, zonder te bedenken dat James Milligan Mattia niet kende.