Alleen op de Wereld

Chapter 41

Chapter 414,299 wordsPublic domain

Met even groote behoedzaamheid, als ik het raam had geopend, sloot ik het nu weer en kroop dadelijk in mijn hangmat, het balletje in mijn hand geklemd houdende.

Langzaam, zeer langzaam voor mijn ongeduld werd de hemel lichter, en eindelijk viel er een rosachtige gloed op mijn muur. Ik wikkelde nu het papier los en las:

"Morgen wordt gij naar de gevangenis van het graafschap overgebracht: gij reist met den spoortrein in een wagen tweede klasse onder geleide van een politieagent; ga aan den kant van het portier zitten, waar gij instijgt. Als gij vijf en veertig minuten gespoord hebt (tel ze goed) zal de trein een weinig langzamer beginnen te loopen bij de nadering van een zijtak; doe dan het portier open en spring moedig uit den wagen. Spring vooruit met de handen uitgestrekt en zóó, dat gij op uwe voeten te land komt. Zoodra gij op den grond zijt, klim dan tegen den linkerspoordijk op; wij zullen daar met een rijtuig en een goed paard zijn om u op te nemen. Vrees niets; twee dagen later zijn wij in Frankrijk. Houd moed en hoop; spring vooral flink vooruit en zorg, dat gij op uw beenen te staan komt."

Gered! Ik zou dus niet voor het gerechtshof verschijnen. Ik zou niet zien wat daar gebeurde!

O, die goede Mattia; die goede Bob! want deze was het, dit weet ik zeker, die zoo belangloos Mattia terzijde stond. "Wij zullen daar zijn met een goed paard." Mattia alleen had nooit zulk een plan kunnen maken.

Ik las het briefje nog eens over: "vijf en veertig minuten na uw vertrek; de linkerspoordijk; op mijn beenen terecht komen!" Zeker zou ik flink springen, al moest het mij 't leven kosten. Het was beter te sterven dan veroordeeld te worden als dief.

Wat was dat heerlijk verzonnen!

Over twee dagen zouden wij in Frankrijk zijn.

Ondanks mijne blijdschap was er toch één ding, dat mij leed deed: wat zou er van Capi worden? Maar die gedachte liet ik spoedig varen. Het was niet mogelijk, dat Mattia Capi in den steek zou laten. Als hij een middel gevonden had om mij te doen ontsnappen, zou hij er ook wel een gevonden hebben voor Capi.

Ik las het briefje nog twee- of driemaal over. Daarna kauwde ik het fijn en slikte het door. Thans kon ik gerust slapen. Daar legde ik mij zoo geheel op toe, dat ik eerst ontwaakte, toen de cipier mij riep voor het ontbijt.

De tijd ging den anderen dag vrij spoedig om. In den namiddag kwam een politieagent, dien ik niet kende, in mijne cel en gelastte mij hem te volgen: ik zag met genoegen, dat het een man was van vijftig jaar ongeveer en die er niet heel vlug uitzag.

De zaken konden dus gebeuren, zooals Mattia had geschreven en toen de trein op gang was, nam ik plaats bij het portier aan den kant waar ik ingestegen was. Ik reed achteruit; de politieagent zat tegenover mij; wij waren de eenigen in een coupé.

--Spreekt gij engelsch? vroeg hij.

--Een beetje.

--Verstaat gij het?

--Zoowat, als men niet te gauw spreekt.

--Welnu, mijn jongen, dan wil ik u een goeden raad geven. Wees niet koppig tegenover de rechters; beken. Dan zal iedereen even welwillend voor je worden. Niets ontstemt de menschen meer dan dat ontkennen tegen alle bewijzen in. Tegenover hen die voor hun schuld uitkomen is men altijd welwillend gezind. Ik zelf, bijvoorbeeld, wil u met pleizier een rijksdaalder geven, als gij me zegt hoe de zaak zich toegedragen heeft. Ge zult eens zien wat gij met dat geld in eene gevangenis doen kunt tot veraangenaming van uw lot.

Ik was op het punt om te antwoorden, dat ik niets te bekennen had, maar ik begreep nog bijtijds dat het beter was mij de welwillendheid te verwerven, zooals hij het noemde, van den politieagent en ik antwoordde dus niet.

--Gij kunt er over nadenken, ging hij voort, en wanneer gij in de gevangenis inziet, dat ik u een goeden raad gegeven heb, kunt ge mij doen roepen. Want, ziet ge, men moet zijn schuld niet bekennen aan den eerste den beste; men moet zijn man weten te kiezen, die dan met belangstelling u helpen zal, waar hij kan; en gij ziet wel dat ik geneigd ben u van dienst te zijn.

Ik knikte toestemmend.

--Vraag maar naar Dalphen; dien naam zult gij wel onthouden, nietwaar?

--Ja mijnheer.

Ik stond tegen het portier geleund, waarvan het glas was neergelaten. Ik vroeg hem verlof om het land te zien dat wij doorreisden en daar hij zich mijne "genegenheid wilde verwerven", zeide hij, dat ik kon kijken zooveel ik wilde. Wat had hij ook te vreezen: de trein was in volle vaart!

De lucht, die door het open raampje binnendrong, was ijskoud en hij verwijderde zich van het portier om middenin de coupé plaats te nemen.

Ik voor mij voelde geen tocht; ongemerkt stak ik mijn arm naar buiten en draaide met mijn rechterhand den knop om, maar hield het portier tegen.

De tijd ging voorbij, de locomotief floot en verminderde terstond in snelheid; eensklaps duwde ik het portier open en sprong zoover ik kon. Ik werd in de greppel geworpen; gelukkig hield ik de handen voor mij uit en greep ik in het gras van den spoordijk. Toch was de schok zoo hevig, dat ik naar beneden stortte en in zwijm viel.

Toen ik tot mij zelven kwam, meende ik nog in den spoortrein te zitten; want ik voelde, dat ik snel voortbewoog en ik hoorde het rollen van wielen. Ik lag op een bos stroo.

Zonderling! mijn gezicht was nat en op mijne wangen en mijn voorhoofd voelde ik een zachte streeling en een warmen adem.

Ik opende de oogen; een hond, een leelijke gele hond, lag voor mij en likte mij.

Mijne oogen ontmoetten die van Mattia, die naast mij op zijne knieën lag.

--Gij zijt gered, zeide hij, terwijl hij den hond opzij duwde en mij omhelsde.

--Waar zijn wij?

--In een rijtuig. Bob ment.

--Hoe gaat het ermee? vroeg Bob, zich omkeerende.

--Ik weet niet, ik geloof goed.

--Beweeg uw armen en beenen eens! riep Bob.

Ik lag op het stroo uitgestrekt en deed wat hij zeide.

--'t Is in orde, zeide Mattia; er is niets gebroken.

--Maar wat is er dan gebeurd?

--Gij zijt uit den trein gesprongen, zooals wij u geraden hadden. Maar de schok was zoo erg, dat gij gevallen zijt en in de greppel terecht gekomen. Toen wij u niet zagen verschijnen, is Bob langs den spoordijk afgezakt, terwijl ik het paard vasthield en hij heeft u naar boven gedragen. Wij dachten dat gij dood waart. Wat waren wij bang! Wat waren wij bedroefd! Maar nu zijt ge gered.

--En de politieagent?

--Hij reist verder met den trein, die niet stilstond.

Nu wist ik het voornaamste. Ik wierp een blik om mij heen, en bespeurde nu een gelen hond, die mij vriendelijk aanzag met oogen, welke op die van Capi geleken. Maar het was Capi niet, want Capi was wit.

--En Capi? vroeg ik, waar is die?

Vóór dat Mattia mij geantwoord had, was de gele hond op mij gesprongen en likte mij, terwijl hij een zacht gejank deed hooren.

--Maar dat is Capi; wij hebben hem laten verven.

Ik beantwoordde de liefkoozingen van Capi, en drukte hem in mijne armen.

--Waarom hebt gij hem laten verven? vroeg ik.

--Dat is eene heele geschiedenis; ik zal ze u vertellen.

Maar Bob wilde niet, dat Mattia dit verhaal thans deed.

Neem de teugels, zeide hij tot Mattia, en houd ze stevig vast; dan zal ik den wagen zóó in orde brengen, dat men hem niet aan de barrière herkent.

Het was een wagen met eene witte huif overspannen, die op hoepels rustte. Hij legde de hoepels erin, vouwde de huif in vieren en bedekte mij daarmede. Toen moest Mattia de teugels loslaten en zich ook onder de huif verbergen. Hierdoor kreeg de wagen een geheel ander voorkomen. Zij had geen huif meer en inplaats van drie personen, zat er maar één man in. Als men ons nazette, zou de beschrijving, die men van ons rijtuig gaf, geheel anders wezen dan ze voor een halfuur zou zijn geweest, en dit zou dus onze vervolgers op een dwaalspoor brengen.

--Waar gaan wij heen? vroeg ik aan Mattia, toen hij naast mij lag.

--Naar Littlehampton; dat is een kleine zeehaven, waar Bob een broer heeft die schipper is op een bootje, dat op Frankrijk vaart, en te Isigny in Normandië boter en eieren haalt. Als wij gered worden--en wij zullen gered worden--zullen wij het aan Bob te danken hebben. Die heeft alles gedaan. Wat had ik voor u kunnen doen, ik arme, domme knaap! Bob is op het denkbeeld gekomen om u uit den trein te doen springen, en mijn briefje door een blaaspijp u toe te werpen, en hij is het, die zijne kameraads bewogen heeft om hem dit paard te leenen. Hij is het ook, die ons een schip zal bezorgen om naar Frankrijk over te steken, want ge begrijpt wel dat, zoo we op een stoomboot plaats namen, gij weer in hechtenis zoudt worden genomen. Nu ziet ge hoe goed het is vrienden te hebben.

--En wie is op de goede gedachte gekomen om Capi mede te nemen?

--Ik, maar Bob heeft hem geel doen verven om hem niet kenbaar te maken, toen wij hem aan den agent Jerry hadden ontstolen--dien slimmen Jerry, zooals de rechter hem noemde, die nu toch volstrekt niet slim is geweest, want hij heeft zich den hond afhandig laten maken zonder er iets van te bemerken. Trouwens, toen Capi mij geroken had, heeft hij het eigenlijk alleen gedaan en bovendien kent Bob al de kunstjes van de hondendieven.

--En uw voet?

--Die is genezen, of tenminste zoo goed als genezen; ik heb geen tijd gehad om eraan te denken.

Op de wegen in Engeland zijn tollen, die bovendien strekken om toezicht te houden op hen, die er doorrijden. Als wij bij zulk een tol kwamen, waarschuwde Bob ons, dat wij niet moesten spreken of ons verroeren; hij betaalde en de tolgaarder zag slechts één man. Bob zeide de eene of andere aardigheid; men lachte en het rijtuig reed door.

Hij had als clown een groot talent gekregen om zijn gezicht een ander voorkomen te geven en nu geleek hij precies een boer en zelfs zij, die hem kenden, zouden nooit gedacht hebben, dat die boer Bob was.

Wij reden zeer snel, want het was een flink paard en Bob een goed koetsier. Nu en dan moesten wij echter halt houden, om het dier te laten uitblazen en het wat te eten te geven. Maar daarvoor legden wij niet bij eene herberg aan; Bob hield stil in het midden van een bosch, maakte dan de teugels los en hing het paard een zak met haver om den kop, dien hij uit den wagen haalde. Het was een donkere nacht en wij liepen niet veel gevaar om ontdekt te worden.

Ik kon niet nalaten om mij tot Bob te wenden en in eenige gevoelige woorden hem mijn dank te betuigen; maar hij liet mij geen tijd om alles te zeggen wat ik op het hart had.

--Gij hebt mij een dienst gedaan, zeide hij, terwijl hij mij een hartelijken handdruk gaf, en nu doe ik u een dienst; elk op zijn beurt. Bovendien, ge zijt een broer voor Mattia en voor zoo'n goeden jongen als hij, wil men wel wat doen.

Ik vroeg hem, of wij nog ver van Littlehampton waren. Hij antwoordde me, dat wij nog ruim een paar uren hadden te rijden en dat wij ons haasten moesten, omdat de boot van zijn broer elken Zaterdag naar Isigny vertrok en dat, naar hij meende, de vloed zeer vroeg inviel. Het was Vrijdagnacht.

Wij namen onze plaats weder in op het stroo onder de opgevouwen huif, en het paard, dat uitgerust had, rende in gestrekten draf voort.

--Ben-je bang?

--Ja en neen; ik ben bang, dat men mij weder vatten zal. Als men vlucht, is dit dan geen bewijs, dat men schuld heeft? Dat vooral hindert me; wat zou ik tot mijne verdediging kunnen aanvoeren?

--Daar hebben we ook wel aan gedacht; maar Bob was van oordeel dat wij alles moesten wagen om te voorkomen, dat gij voor het gerecht moest verschijnen. Het is zoo treurig daar geweest te zijn, zelfs al wordt men vrijgesproken. Ik zelf heb niets durven zeggen, omdat ik zoo vast besloten had u naar Frankrijk mede te nemen en dit voornemen mij misschien een slechten raad zou hebben gegeven.

--Gij hebt wèl gedaan: wat er ook gebeuren moge, ik zal u altijd dankbaar zijn.

--Er zal niets gebeuren, wees daar gerust op. Als de trein stilstaat, zal uw agent zijn rapport hebben gemaakt, maar vóór men de maatregelen genomen heeft om u op te sporen, zal er een heele tijd zijn verstreken en wij hebben in vliegenden draf gereden. Bovendien kan men onmogelijk weten, dat wij naar Littlehampton zijn gereden om daar ons in te schepen.

Het was zeker, dat, zoo men ons niet op het spoor was, er heel veel kans bestond, dat wij ons zouden kunnen inschepen zonder dat wij ontdekt waren. Maar ik was zoo zeker niet als Mattia, dat de politieagent bij zijn aankomst aan het station zooveel tijd zou hebben verloren laten gaan, om ons na te zetten. Dat was het gevaar en dit kon zeer groot zijn.

Ons paard, dat flink gemend werd door Bob, legde intusschen in vliegenden rit den eenzamen weg af. Van tijd tot tijd slechts reden wij eenige rijtuigen voorbij, maar geen een haalde ons in. In de dorpen, die wij doorreden, heerschte diepe rust en slechts zeer enkele vensters waren verlicht. Alleen gaven de honden nu en dan, door aan te slaan, blijk, dat zij onzen snellen rit hoorden en zij vervolgden ons nog lang met hun geblaf. Als na eene steile helling Bob zijn paard een oogenblik inhield om het te laten uitblazen, klommen wij even uit den wagen en legden wij het oor op den grond om te luisteren, maar zelfs Mattia, die fijner hoorde dan wij, vernam geenerlei verdacht geluid. Wij reisden in de duisternis, in de stilte van den nacht.

Het was ook niet meer om ons te verbergen dat wij onder de huif lagen; maar om ons te beschermen tegen de koude, want er woei een snerpende wind. Als wij met onze tong over de lippen streken, proefden wij zout: een bewijs dat wij de zee naderden. Weldra zagen wij een licht, dat met regelmatige tusschenpoozen verdween, om dan weder helder te voorschijn te komen: het was de baak; dus moesten wij nabij de kust zijn.

Bob hield zijn paard in en liet het stappen, nadat hij een zijweg was ingeslagen. Hier deed hij ons uit den wagen klimmen en zeide, dat wij op het paard moesten passen. Hij zelf ging zien of zijn broeder nog niet vertrokken was en wij zonder gevaar ons op zijne boot konden inschepen.

Ik moet bekennen, dat de tijd, dien Bob wegbleef, mij lang, ontzaglijk lang viel. Wij spraken niet; wij hoorden op korten afstand de golven breken op de kust met eene eentonigheid, die onze ontroering nog verhoogde. Mattia beefde even erg als ik.

--'t Is van de kou, zeide hij op fluisterenden toon.

Was dat waar? Zeker was het, dat als een koe of een schaap in de weide, waarlangs onze weg liep, een steen aanraakte of langs de heg schoof, wij nog meer ontroerden en erger beefden.

Eindelijk hoorden wij voetstappen aan de zijde van den weg, dien Bob was gevolgd. Hij moest het wezen; mijn lot zou worden beslist.

Bob was niet alleen. Toen hij naderbij kwam, zagen wij dat er iemand met hem was. Een man met een geoliede overjas en een wollen muts.

--Dat is mijn broer, zeide Bob. Hij wil u wel aan boord nemen; hij zal u verder geleiden en wij moeten scheiden, want men behoeft niet te weten, dat ik hier geweest ben.

Ik wilde Bob bedanken, maar hij viel mij in de rede en terwijl hij mij een hand gaf, zeide hij:

--Laten wij daarover niet praten; men moet elkander helpen; wij zullen elkaar nog wel eens weerzien. Het doet me plezier, dat ik Mattia van dienst heb kunnen zijn.

Wij volgden den broer van Bob en weldra waren wij in de eenzame straten van het stadje. Na eenige omwegen, hadden wij de kade bereikt en de zeewind woei ons in het gelaat.

Zonder een woord te spreken wees ons Bobs broer naar een vaartuig, dat gereed lag om te vertrekken. Wij begrepen dat dit het zijne was, en in weinige minuten waren wij aan boord; toen zond hij ons naar een kleine kajuit.

--Ik vertrek pas over een paar uur, zeide hij; blijf daar en maak geen gedruisch.

Toen hij de deur van de kajuit op slot had gedaan, sloop Mattia onhoorbaar naar mij toe en drukte mij in zijne armen. Thans beefde hij niet meer.

XLII.

DE ZWAAN.

Toen Bobs broer heengegaan was, bleef het scheepje nog eenigen tijd rustig liggen en wij hoorden slechts het loeien van den wind, door het tuig en het lekken van de golven tegen de kiel; maar langzamerhand kwam er meer beweging; wij onderscheidden voetstappen op het dek; men liet trossen vallen; spillen knarsten; kettingen werden op- en afgewonden; men wentelde den kaapstander; er werd een zeil geheschen; het roer kraakte en eensklaps wierp het schip zich op de linkerzijde, het schommelen begon--wij waren in zee. Ik was gered.

Eerst langzaam en zacht, werd het slingeren al sneller en sterker, het schip daalde en rees en weldra sloegen de golven nu eens tegen de eene dan tegen de andere zijde.

--Arme Mattia! zeide ik, terwijl ik zijne hand greep.

--Dat doet er niets toe, zeide hij; gij zijt gered; bovendien, ik wist wel, dat het zoo zijn zou; toen wij in het rijtuig zaten, zag ik hoe de wind de boomen deed heen-en-weer gaan en ik zei bij mij zelven, dat wij op zee ook zoo dansen zouden.

Op dat oogenblik werd de deur van de kajuit geopend.

--Als gij op het dek wilt komen, zeide de broer van Bob, kunt gij het doen; er is geen gevaar meer.

--Wanneer voelt men 't minst van de zeeziekte? vroeg Mattia.

--Als men ligt.

--Dank u; dan blijf ik liggen.

En hij strekte zich in zijne volle lengte op den grond uit.

--De jongen zal u geven wat gij noodig hebt, zeide de kapitein.

--Dank u; als hij maar niet te lang weg blijft, zal 't mij aangenaam zijn, antwoordde Mattia.

--Nu al?

--'t Is al lang geleden begonnen.

Ik wilde bij hem blijven, maar hij zond mij naar het dek en herhaalde nog:

--'t Is niemendal; gij zijt gered; het komt er niets op aan; ik heb mij nooit voorgesteld, dat het prettig zou zijn zeeziek te wezen.

Op het dek gekomen, kon ik mij slechts staande houden door mij aan de touwen vast te grijpen. Zoo ver mijn oog kon doordringen in de duisternis van den nacht, zag ik niets dan een witte schuimende vlakte, waarover ons scheepje zich bewoog, zich telkens op zijde werpende alsof het in de golven zou duiken. Maar het dook niet onder; integendeel, het lichtte zich weder veerkrachtig op, danste op de golven en schoot voorwaarts, door den westenwind gedreven.

Ik keek om naar de kust; reeds waren de lichten van de haven niet meer dan punten in den nevelachtigen hemel en toen ik ze flauwer zag worden en verdwijnen, was het of een gevoel van verlichting zich van mij meester maakte bij mijn afscheid van Engeland.

--Als de wind zoo aanhoudt, zeide de kapitein, zullen wij vanavond niet laat te Isigny aankomen. De _Eclips_ is een flinke boot.

Een ganschen dag op zee en zelfs meer dan een dag! Arme Mattia! En het deed hem plezier zeeziek te zijn!

Maar de dag ging toch om en ik bracht mijn tijd door met van de kajuit naar het dek en van het dek naar de kajuit te gaan. Eens dat ik met den kapitein stond te praten, zeide hij, terwijl hij met de hand wees: Harfleur. In het zuidwesten zag ik toen eene hooge witte kolom, die op een donkeren achtergrond zich afteekende.

Ik liep zoo snel ik kon de trappen af om aan Mattia die goede tijding te brengen. Wij waren in het gezicht van Frankrijk. Maar het is nog een geheele afstand, die Harfleur van Isigny scheidt en men moet het geheele schiereiland Cotentin omzeilen, vóór men in de Vire en de Aure komt.

Daar het vrij laat was, toen _de Eclips_ de kade van Isigny aandeed, gaf de kapitein ons verlof om aan boord te blijven slapen en eerst den anderen morgen scheidden wij van hem, na hem hartelijk bedankt te hebben.

--Als gij naar Engeland mocht willen terugkeeren, zeide hij, terwijl hij ons een stevigen handdruk gaf, zorg dan maar op een Dinsdag hier te zijn; elken Dinsdag gaat de _Eclips_ naar Engeland. Zij is tot uw beschikking.

Dat was een recht vriendelijk aanbod, maar dat wij volstrekt geen lust hadden om aan te nemen, want beiden, Mattia zoowel als ik, hadden eene bepaalde reden om niet meer naar Engeland te gaan.

Toen wij in Frankrijk aan wal stapten, bezaten wij niets anders dan onze kleeren en onze instrumenten, want Mattia had gezorgd, dat hij mijne harp had medegenomen, die ik in de tent van Bob achtergelaten had in den nacht, dat ik naar de herberg De Eikenboom ging. Wat onze reiszakken betrof, die waren met al wat zij bevatten in den wagen van de familie Driscoll gebleven. Dit bracht ons wel in eenige ongelegenheid, want wij konden ons zwervend leven niet hervatten zonder hemd en zonder kousen en vooral zonder kaart. Gelukkig had Mattia zes gulden opgespaard en wij hadden bovendien ons aandeel in de ontvangst, welke Bob en zijne makkers hadden gemaakt op den avond, dat wij met hen speelden, en dit bedroeg veertien gulden ruim. Wij hadden dus een fortuin van bijna twintig gulden, en voor ons was dit heel veel. Mattia had dit geld willen geven in mindering van de kosten die mijne vlucht had veroorzaakt, maar Bob had geantwoord, dat vriendschapsdiensten niet werden betaald en hij wilde niets aannemen.

Ons eerste werk nadat wij de _Eclips_ verlaten hadden, was een ouden soldaten-ransel en een paar hemden te koopen; voorts twee paar kousen, een stuk zeep, een kam, garen, knoopen, naalden en vooral iets wat ons nog onmisbaarder was dan al die dingen, hoe nuttig ze voor ons ook waren: eene kaart van Frankrijk.

Waar moesten wij dan ook heen nu wij eenmaal in Frankrijk waren? welken weg moesten wij inslaan? welke richting volgen?

Dat was de vraag die wij overwogen, terwijl wij van Isigny den weg naar Bayeux aflegden.

--Wat mij betreft, zeide Mattia, ik heb geen keus, ik ben even bereid om rechts als om links te gaan. Ik verlang maar één ding.

--En dat is?

--Dat wij den loop eener rivier volgen of van een kanaal, want ik heb een idee.

Daar ik aan Mattia niet vroeg welk idee hij had, ging hij voort.

--Ik zie wel dat ik het u moet vertellen. Toen Arthur ziek was, heeft mevrouw Milligan weder op eene boot Frankrijk met hem doorkruist en daardoor hebt gij hem op _De Zwaan_ ontmoet.

--Hij is niet ziek meer.

--Dat is te zeggen: hij _wordt_ beter; hij is erg ziek geweest en hij is slechts gered door de zorg zijner moeder. Nu is mijn vaste overtuiging, dat om hem geheel-en-al te doen genezen, mevrouw Milligan hem weder op eene boot de stroomen, rivieren en kanalen laat volgen, die _De Zwaan_ bevaren kan. Wanneer wij ons dus aan den loop eener rivier houden, dan hebben wij kans dat wij _De Zwaan_ ontmoeten.

--Wie zegt u, dat De Zwaan in Frankrijk is?

--Niemand; maar daar _De Zwaan_ geen zee kan bouwen, is het toch waarschijnlijk, dat zij in Frankrijk is, en wij hebben alle kans haar aan te treffen. Maar al bestond er slechts één kans, zijt gij het dan niet met mij eens, dat wij die moeten wagen? Ik wil mevrouw Milligan vinden en ik meen, dat wij alles moeten doen, om daarin te slagen.

--Maar Lize, Alexis, Benjamin, Martha!

--Die zullen wij vinden, terwijl wij mevrouw Milligan zoeken. Wij moeten dus eerst een rivier hebben. Laten wij eens op de kaart zien, welke rivier het meest in de nabijheid ligt.

Wij spreidden de kaart op het gras uit en zochten de rivier het meest in de nabijheid. Wij vonden de Seine.

--Welnu, laten wij dan de Seine opzoeken.

--De Seine loopt door Parijs.

--Wat doet er dat toe?

--Heel veel. Ik heb Vitalis hooren zeggen, dat als men iemand vinden wilde, men hem dan te Parijs moest zoeken. Als de engelsche politie mij zocht om dien diefstal in de Sint-George kerk, zou ik niet gaarne door haar gevonden worden: daarvoor behoefden wij waarlijk Engeland niet te ontvluchten.

--Kan de engelsche politie u dan in Frankrijk vervolgen?

--Dat weet ik niet, maar als dit zoo is, moeten wij niet naar Parijs gaan.

--Kan men de Seine niet volgen tot aan de omstreken van Parijs en ze dan verlaten, om ze een eind verder weder op te zoeken? Ik zou ook niet gaarne Garofoli terugzien.

--Dat kan ik denken.

--Welnu laten wij dan _dit_ doen: alle varensgezellen en bewoners van den oever langs de geheele rivier ondervragen; en daar er maar ééne _Zwaan_ is met eene veranda en geen ander schip haar gelijkt, zal men haar wel hebben opgemerkt op de Seine. Als wij ze op de Seine niet vinden, zullen wij haar zoeken op de Loire, op de Garonne, op al de rivieren van Frankrijk en eindelijk zullen wij haar wel vinden.