Chapter 40
Dit was de tweede maal, dat men mij in hechtenis nam, en toch viel de schande mij veel zwaarder dan de eerste maal, want nu gold het niet zulk eene dwaze beschuldiging als toen men meende, dat ik eene koe had gestolen. Als mijne onschuld was gebleken, zou ik dan niet de smart ondervinden diegenen te zien veroordeelen, wier medeplichtige men mij geloofde?
Ik moest, door den politieagent vastgehouden, langs de rij van nieuwsgierigen gaan, die zich om ons hadden verzameld, maar men jouwde mij niet na en dreigde mij niet, zooals in Frankrijk, want zij, die er getuigen van waren, waren geen boeren, maar menschen die altijd min of meer in oorlog leefden met de politie: kunstenmakers, tappers, vagebonden, _tramps_, zooals de Engelschen hen noemen.
De gevangenis, waarin men mij opsloot, was geen gevangenis om den spot mede te drijven zooals die eerste, waarin men mij bewaarde; het was eene gevangenis met getraliede vensters, waarvan het gezicht alleen elk denkbeeld aan ontsnappen verdwijnen deed. De meubels bestonden uit een bank om op te zitten en een hangmat om in te slapen.
Ik ging op de bank zitten en bleef daar lang.
Hoe verschrikkelijk was het heden; hoe vreeselijk de toekomst.
"Houd goeden moed", had Mattia mij gezegd: "wij zullen u niet verlaten." Maar wat vermocht een knaap als Mattia? Wat vermocht zelfs een man als Bob, zoo deze Mattia al wilde helpen?
Als men in de gevangenis is, heeft men slechts één enkele gedachte: om eruit te komen.
Hoe zouden Mattia en Bob, als ze mij niet verlieten en alles deden om mij van dienst te zijn, mij kunnen helpen om uit de gevangenis te komen.
Ik ging naar het venster, opende het om de ijzeren staven te betasten, die een kruis ervoor vormden; zij waren in den muur gemetseld. Ik onderzocht den muur: hij was meer dan een el dik. De grond bestond uit een vloer van groote steenen; de deur was met ijzeren platen beslagen.
Ik keerde naar het venster terug; dit gaf het uitzicht op een smal, lang plein, waarvan het uiteinde was gesloten door een grooten muur, die minstens vier el hoog was.
Uit deze gevangenis was het wel niet mogelijk te ontsnappen, zelfs al werd men geholpen door een paar trouwe vrienden. Wat vermag de meest opofferende vriendschap tegen de kracht der dingen? Met vriendschap breekt men niet door de muren heen.
Voor mij loste de geheele zaak zich op in de vraag: hoelang ik in die gevangenis zou blijven, vóór ik voor den rechter zou verschijnen, die over mijn lot beslissen zou?
Zou het mij mogelijk zijn hem van mijn onschuld te overtuigen, niettegenstaande Capi in de kerk was?
En zou het mij mogelijk zijn mij te verdedigen, zonder de schuld te werpen op hen, die ik niet wilde en niet kon beschuldigen?
Daarin was alles voor mij gelegen en daarin alleen konden Mattia en zijn vriend Bob mij van dienst wezen. Hunne taak bestond hierin, dat zij getuigen bijbrachten om te bewijzen, dat ik om kwart over eenen niet in de kerk Sint-George kon wezen; als zij dat bewijzen konden, was ik gered, ondanks het zwijgende getuigenis van mijn armen Capi tegen mij. En die bewijzen waren, naar het mij voorkwam, onmogelijk te geven.
O, als Mattia maar geen gekneusden voet had, zou hij wel wat weten te vinden en zich moeite geven, om mij te redden: maar in den toestand waarin hij nu verkeerde, kon hij misschien niet eens uit den wagen komen! En als hij niet kon, zou Bob dan zijne plaats willen innemen?
Die angst, gevoegd bij al hetgeen er buitendien in mij omging, belette mij te slapen, ondanks de vermoeienis van den vorigen dag; ik kon zelfs het eten niet aanraken, dat men mij bracht. Maar zoo ik al het eten liet staan, met destemeer gretigheid viel ik op het water aan, want ik leed een versmachtenden dorst en die dag ging ik elk kwartier naar mijne kruik en dronk met lange teugen, zonder mijn dorst te lesschen of den bitteren smaak weg te nemen, dien ik den geheelen dag in den mond had.
Toen ik den cipier in de gevangenis zag komen, had ik een gevoel van genot en een zweem van hoop ontwaakte in mij, want sedert het oogenblik dat ik hier was opgesloten, verkeerde ik in eene koortsachtige spanning over de vraag, die ik maar niet kon oplossen.
"Wanneer zou de rechter mij in verhoor nemen? Wanneer zou ik mij kunnen verdedigen?"
Ik had wel eens verhalen gehoord van gevangenen, die men maanden lang had opgesloten gehouden, zonder dat men hunne zaak behandelde of zelfs hen maar in verhoor nam, wat voor mij hetzelfde was, en ik wist niet, dat in Engeland er nooit meer dan een paar dagen verloopen tusschen het in hechtenis nemen en de openbare behandeling van de zaak voor den rechter.
Die vraag, die ik niet kon oplossen, was dus de eerste, welke ik tot den cipier richtte, die er niet kwaad uitzag, en die zoo goed was om mij de verzekering te geven, dat ik zeker den volgenden dag zou voorkomen.
Maar mijn vraag gaf hem aanleiding om op zijne beurt ook mij een paar vragen te doen. Daar hij mij geantwoord had, was het immers niet meer dan billijk, dat ik ook hem antwoordde?
--Hoe ben-je toch in die kerk gekomen? vroeg hij.
Op die woorden antwoordde ik met de vurigste verzekeringen van mijne onschuld. Maar hij zag mij aan en haalde de schouders op; toen ik voortging met te bezweren, dat ik niet in de kerk geweest was, ging hij naar de deur en mompelde, terwijl hij zich nog even naar mij omwendde:
--Wat zijn ze toch verdorven, die Londensche straatjongens.
Daarmede ging hij heen.
Die woorden maakten een pijnlijken indruk op me: hoewel de man mijn rechter niet was, had ik zoo gaarne gewild, dat hij aan mijne onschuld geloofde. Aan mijn toon, aan mijn gelaat moest hij gezien hebben, dat ik geen kwaad had gedaan.
Als ik hem overtuigd had, zou het mij dan mogelijk zijn, den rechter te overtuigen? Gelukkig had ik getuigen die voor mij spreken zouden; en als de rechter mij niet hoorde, dan zou hij toch verplicht zijn om de getuigenissen aan te hooren, die mijne onschuld bewezen.
Maar die getuigenissen had ik noodig.
Zou ik ze hebben?
Onder de geschiedenissen van gevangenen, die men mij verteld had, was er ook een, waarin voorkwam, dat men aan gevangenen briefjes kon doen toekomen in het eten, dat zij kregen.
Misschien zouden Bob en Mattia van dit middel hebben gebruik gemaakt, en toen dat denkbeeld in mij was opgekomen, begon ik mijn brood te kruimelen, maar ik vond er niets in. Behalve dat brood had men mij aardappelen gebracht; ook deze kneedde ik fijn, maar er was geen stuk van een briefje in te vinden.
Zeker hadden Mattia en Bob mij niets te zeggen of, wat waarschijnlijker was, konden zij mij niets zeggen.
Er bleef mij dus niets anders over dan den volgenden dag af te wachten, zonder al te veel aan mijne treurigheid toe te geven, zoo mij dit mogelijk was. Ongelukkigerwijze was mij dit niet mogelijk en hoe oud ik ook word, steeds zal mij de herinnering aan dien nacht voor den geest staan, alsof het gisteren was. Hoe onzinnig was het ook, dat ik niet geloofd had aan het voorgevoel en de vrees van Mattia.
Den anderen morgen kwam de cipier in mijne cel met een kruik en een waschkom. Hij zeide mij dat ik mij wat kon opknappen, als ik er lust in had, want dat ik straks voor den rechter zou verschijnen en hij voegde er bij, dat een net voorkomen somtijds het beste verdedigingsmiddel voor een beschuldigde is.
Toen ik mij zoo netjes mogelijk had gemaakt, wilde ik op mijn bank gaan zitten, maar 't was mij onmogelijk om op mijn plaats te blijven en ik liep in mijne cel heen en weder, als de dieren in hunne kooi.
Ik wilde mijne verdediging en mijne antwoorden vooruit klaarmaken, maar mijn hoofd was te veel in de war; ik kon niet denken aan mijn tegenwoordigen toestand; ik was met allerlei zonderlinge dingen bezig, die in mijn hersens zich verwarden, als de beelden in een tooverlantaren.
De cipier kwam terug en gelastte mij hem te volgen. Ik liep naast hem, en na een aantal gangen te zijn doorgegaan, kwamen wij aan eene kleine deur, die hij opende.
--Ga binnen, zeide hij.
Een warme lucht kwam mij tegen en ik hoorde een verward gedruisch. Ik trad binnen en bevond mij in eene kleine, afgesloten ruimte, de zaal van het gerechtshof.
Hoewel ik aan eene soort van zinsverbijstering ten prooi was en de aderen van mijne slapen voelde kloppen, alsof zij straks barsten zouden, een enkele blik, dien ik om mij heen wierp, deed mij duidelijk zien al wat mij omringde: de geheele zaal en al de menschen, die er zich in bevonden.
Zij was vrij groot die zaal, zeer hoog en met breede ramen; zij was verdeeld in twee deelen: het eene was voor de rechters en de beschuldigden, het andere voor de nieuwsgierigen.
Op eene verhevenheid was de rechter gezeten; iets lager vóór hem zaten drie rechterlijke ambtenaren, zooals ik later vernam, de griffier, een penningmeester voor de boeten en een ander rechterlijk ambtenaar, dien men in Nederland het "openbaar ministerie" noemt. Voor mijn afgesloten bankje zat iemand met een toga en een pruik: dat was mijn advocaat.
Hoe kwam het dat ik een advocaat had? Waar kwam hij vandaan? Wie had hem mij gegeven? Dat waren vragen, die ik op dit oogenblik moeilijk kon oplossen. Maar ik had een advocaat en dat was genoeg.
In eene andere bank zag ik Bob zelf met zijne twee makkers; den herbergier uit De Eikenboom en menschen, die ik niet kende, en in eene bank tegenover hen herkende ik den politie-agent, die mij in hechtenis had genomen. Verscheidene andere personen waren bij hen; ik begreep, dat dit de bank der getuigen moest zijn.
De ruimte voor het publiek was dicht gevuld; boven de balustrade zag ik Mattia; onze oogen ontmoetten elkander en wij lazen er in wat wij dachten. Dadelijk kreeg ik moed. Ik zou verdedigd worden; ik moest dus de hoop niet opgeven om ook mij zelf te verdedigen; ik werd niet langer verpletterd door de oogen, die op mij gericht waren.
De ambtenaar van het openbaar ministerie nam het woord en sprak zeer kort. Hij scheen haast te hebben. Hij stelde de zaak voor: er had een diefstal plaats gehad in de Sint-Georgekerk; de dieven, een man en een knaap, waren er binnengekomen met behulp van een ladder en door het verbreken van een glasraam. Zij hadden een hond met zich genomen, om de wacht te houden en hen te waarschuwen als er gevaar mocht dreigen en er iemand kwam. Een voorbijganger, die laat naar huis terugkeerde--het was kwart over eenen--, had met verwondering licht in de kerk bespeurd en hij had iets hooren kraken. Daarop had hij den koster gewekt; men was met eenige andere mannen naar de kerk gegaan, maar toen had de hond aangeslagen en terwijl men de deur opende, waren de dieven door het venster gevlucht, den hond achterlatende, die de ladder niet kon opklimmen. Die hond, naar het terrein van de wedrennen gebracht door den agent Jerry, wiens doorzicht en ijver niet genoeg konden worden geprezen, had zijn meester herkend, die niemand anders was dan de beschuldigde op gindsche bank gezeten. Wat den anderen dief betrof, dien was men op het spoor.
Na eenige beschouwingen, die mijne schuld moesten bewijzen, zweeg het openbaar ministerie, en eene schelle stem riep: "Stilte."
Toen vroeg de rechter, zonder zich tot mij te wenden, en alsof hij tot zichzelven sprak, hoe ik heette, hoe oud ik was en welk beroep ik uitoefende.
Ik antwoordde in het engelsch, dat ik Francis Driscoll heette en bij mijne ouders te Londen woonde, in De Roode Leeuw, in Bethnal-Green. Daarop verzocht ik verlof om van de fransche taal gebruik te maken, daar ik in Frankrijk was grootgebracht en eerst eenige maanden in Engeland mijn verblijf hield.
--Tracht mij niet te bedriegen, zeide de rechter op strengen toon; ik ken fransch.
Ik deed dus mijn verhaal in het fransch; ik deed uitkomen hoe volkomen onmogelijk het was, dat ik te een uur in de kerk was geweest, daar ik tot op dien tijd op het terrein der wedrennen was, en dat ik te halfdrie bij de herberg De Eikenboom was geweest.
--En waar waart gij te kwart over eenen? vroeg de rechter.
--Onderweg.
--Dat staat te bewijzen. Gij zegt, dat gij opweg waart naar de herberg De Eikenboom en volgens de akte van beschuldiging waart gij in de kerk. Als gij eenige minuten vóór eenen het veld van de wedrennen verlaten hebt, kunt gij bij uw medeplichtige zijn geweest bij den muur der kerk, die u daar met een ladder wachtte, en nadat uw diefstal mislukt was, kunt gij naar de herberg De Eikenboom zijn gegaan.
Ik trachtte aan te toonen, dat het niet mogelijk was, maar ik bemerkte duidelijk, dat ik den rechter niet had overtuigd.
--En hoe verklaart gij de tegenwoordigheid van uw hond in de kerk? vroeg de rechter.
--Die kan ik niet verklaren, die begrijp ik zelf niet; mijn hond was niet bij mij; ik had hem des morgens aan een onzer wagens vastgemaakt.
Het betaamde mij niet er iets meer van te zeggen, want ik wilde geen wapens in de hand geven tegen mijn vader. Ik zag Mattia aan, die mij wenkte, dat ik verder zou gaan, maar ik ging niet verder.
Men riep een getuige en deed hem den eed afleggen op den bijbel en beloven, dat hij de waarheid zou zeggen, zonder haat of nijd.
Het was een dikke man met een dom gelaat, niet groot van gestalte en zeer statig, ondanks zijn vuurrood gezicht en zijn blauwen neus. Vóór hij den eed aflegde, maakte hij eene kniebuiging voor den rechter en richtte zich toen met veel waardigheid op. Het was de koster van de parochie Sint-George.
Hij begon uitvoerig te verhalen, hoe hij gestoord en verontwaardigd was, toen men hem plotseling had gewekt om hem mede te deelen, dat er dieven in de kerk waren. Zijn eerste gedachte was, dat men hem een poets wilde spelen, maar daar men geen poetsen speelt aan personen van zijne qualiteit, had hij begrepen, dat er iets ernstigs gebeurde; hij had zich toen aangekleed, met zooveel haast, dat er twee knoopen van zijn vest waren gesprongen; eindelijk was hij naar beneden gesneld; hij had de kerkdeur geopend; en hij had gevonden.... wie? of liever wat?... Een hond.
Ik had daarop niets te antwoorden; maar mijn advocaat, die tot op dat oogenblik gezwegen had, stond op, schudde zijne pruik, schoof zijne toga op de schouders glad en nam het woord.
--Wie heeft gisteren de deur van de kerk gesloten? vroeg hij.
--Ik, zeide de koster, zooals mijn plicht is.
--Zijt gij daar zeker van?
--Als ik iets doe, ben ik zeker, dat ik het doe.
--En als gij het niet doet?
--Dan ben ik zeker, dat ik het niet doe.
--Zeer goed; dus kunt gij zweren, dat gij den hond, waarvan hier sprake is, niet in de kerk hebt gesloten?
--Als de hond in de kerk was geweest, zou ik hem gezien hebben.
--Hebt gij goede oogen?
--Ik heb oogen als iedereen.
--Zijt gij, zes maanden geleden, niet tegen een kalf geloopen, dat opengesneden voor den winkel van een slachter hing?
--Ik zie het belang niet in van zulk eene vraag aan een man van mijn qualiteit! riep de koster uit, terwijl zijn gezicht blauw werd.
--Wilt gij mij de groote beleefdheid bewijzen om op die vraag te antwoorden, alsof zij werkelijk van belang was?
--Het is waar, dat ik tegen een dier ben aangeloopen, dat zeer onhandig voor een winkel was opgehangen.
--Hadt gij het dan niet gezien?
--Ik was in gedachten verdiept.
--Hadt gij gegeten, toen gij de deur van de kerk sloot?
--Zeker.
--En toen gij tegen dat kalf aanliept, hadt ge toen ook niet gegeten.
--Maar....
--Gij zegt, dat gij niet gegeten hadt?
--Toch wel.
--En drinkt gij licht of zwaar bier?
--Zwaar bier.
--Hoeveel halve kannen?
--Twee.
--Nooit meer?
--Wel eens drie.
--Nooit vier? Nooit zes?
--Dat gebeurt zeer zelden.
--Drinkt gij geen grog na uw middagmaal?
--Soms.
--Houdt ge van sterken of slappen grog?
--Niet te slap.
--Hoeveel glazen drinkt gij dan?
--Dat hangt ervan af.
--Zijt gij bereid te zweren, dat gij soms niet drie of vier glazen drinkt?
Daar de koster, die hoe langer hoe blauwer werd, niet antwoordde, ging de advocaat zitten en zeide onder de hand:
--Die vragen bewijzen genoeg, dat de hond zeer goed in de kerk kon opgesloten zijn door den getuige, die na zijn middagmaal geen kalveren ziet, omdat hij in gedachten verdiept is. Dat is alles wat ik wilde weten.
Als ik gedurfd had, zou ik mijn advocaat om den hals zijn gevlogen. Ik was gered.
Waarom zou Capi niet in de kerk zijn gesloten? Dat was zeer wel mogelijk. En als hij op die wijze opgesloten was, zou ik niet in de kerk zijn ingebroken; ik was dus niet schuldig, daar dit het eenige bewijs was, dat tegen mij was aangevoerd.
Na den koster hoorde men de menschen, die met hem waren medegegaan, toen hij naar de kerk ging, maar zij hadden niets gezien, behalve het open raam, waardoor de dieven waren ontvlucht.
Daarna hoorde men mijne getuigen: Bob, zijne makkers, den herbergier, die allen getuigden omtrent den tijd, waarop zij mij gezien hadden; een enkel punt werd echter niet opgehelderd, en dit was van veel gewicht, omdat het den juisten tijd betrof, waarop ik het terrein van de wedrennen had verlaten.
Toen het getuigenverhoor was afgeloopen, vroeg de rechter mij, of ik niets te zeggen had, er bijvoegende dat ik zwijgen kon, indien ik dit beter achtte.
Ik zeide, dat ik onschuldig was en mijne zaak vertrouwde aan de rechtvaardigheid der rechters.
Toen liet de rechter het procesverbaal voorlezen van de verklaringen, die ik had hooren afleggen en zeide daarop, dat ik overgebracht zou worden naar de gevangenis van het graafschap, om daar te wachten tot de groote rechtbank van gezworenen bijeenkwam, die beslissen zou of ik al dan niet naar het crimineel gerechtshof zou worden verwezen.
Het crimineel gerechtshof!
Ik zonk op mijn bank neder. Helaas! waarom had ik ook niet naar den raad van Mattia geluisterd!
XLI.
BOB.
Eerst lang nadat ik weder in mijne gevangenis zat, begon ik de reden te begrijpen, waarom men mij niet in vrijheid had gesteld: de rechter wilde wachten tot de andere personen, welke in de kerk gedrongen waren, in hechtenis waren genomen, om te zien of ik hun medeplichtige was.
Men was hen op het spoor, had het openbaar ministerie gezegd; ik zou dus de smart en de schande hebben om weldra weder op de bank der beschuldigden naast hen te zitten.
Wanneer zou dat gebeuren? Wanneer zou ik overgebracht worden naar de gevangenis van het graafschap? Waar was die? Was die nog akeliger dan de gevangenis waar ik nu opgesloten was?
Die vragen hielden mij zoo bezig, dat de tijd spoediger voorbijging dan den vorigen dag. Ik was niet meer ten prooi aan het ongeduld, waarvan men de koorts krijgt. Ik wist, dat ik moest wachten.
En nu eens heen en weer loopende, dan weder op mijne bank zittende, wachtte ik.
Even voor de nacht viel, hoorde ik op den horen blazen, en ik herkende terstond het spel van Mattia; de goede jongen wilde mij doen weten, dat hij aan mij dacht en waakte. Het geluid kwam van gindsche zijde van den muur, die over mijn venster was. Mattia moest dus aan de andere zijde van den muur zijn, in de straat en wij waren slechts door een korten afstand gescheiden, eenige ellen ternauwernood; ongelukkig konden mijne oogen niet door de steenen heendringen. Maar zoo het oog niet door de muren heendringt, het geluid gaat er overheen. De tonen van Mattia's horen gingen gepaard met het gedruisch van voetstappen en uit het gegons, dat ik daar hoorde, begreep ik dat Mattia en Bob eene voorstelling gaven.
Waarom hadden zij die plaats uitgekozen? Was het omdat zij daar op eene goede ontvangst konden rekenen? of wilden zij mij iets mededeelen?
Opeens hoorde ik eene heldere stem, die van Mattia, in het fransch roepen: "Morgen bij het aanbreken van den dag." Terstond daarop begon hij weder met kracht op zijn horen te blazen.
Men behoefde niet veel doorzicht te hebben om te begrijpen, dat Mattia niet tot het engelsche publiek die woorden "morgen bij het aanbreken van den dag" richtte. Zij waren voor mij bestemd. Maar wat zij beteekenden, was volstrekt zoo gemakkelijk niet te raden, en wederom stelde ik mij een tal van vragen voor, waarop ik onmogelijk een bevredigend antwoord kon vinden.
Een enkele zaak was duidelijk en klaar: den anderen morgen bij het aanbreken van den dag moest ik wakker zijn en opletten. Tot zoolang behoefde ik maar geduld te hebben, als mij dit mogelijk was.
Zoodra het geheel donker geworden was, ging ik in mijn hangmat liggen en trachtte ik in te slapen; ik hoorde achtereenvolgens op de omliggende torenklokken de uren slaan; toen overviel mij de slaap en droeg me op zijne vleugelen mede.
Toen ik wakker werd, was het nog stikdonker nacht; de sterren schitterden aan den donkeren hemel; zeker was de morgen nog ver. Toch ging ik op mijn bank zitten, en ik bleef daar zitten, uit vrees, dat ik de aandacht zou wekken van den cipier, zoo deze misschien eene ronde mocht doen. Weldra sloeg het drie uren op de nabijgelegen torenklok. Ik was dus te vroeg opgestaan; maar ik durfde niet meer gaan slapen, en ik geloof zelfs, als ik het had beproefd, dat het toch niet gelukt zou zijn. Ik was te koortsachtig, te angstig.
Mijne eenige bezigheid was nu de uren te tellen die de klokken aangaven, maar wat duurden die vijftien minuten lang tusschen het eene kwartier en het andere; soms zoolang zelfs, dat ik meende te zijn ingedommeld en een kwartier te hebben overgeslagen of wel, dat de klok van streek was.
Tegen den muur geleund, had ik de oogen onafgebroken op het venster gericht; het scheen mij eindelijk toe, dat de ster, die ik in het oog had, haar glans verloor en dat de lucht witter werd.
Het was de nadering van den dag; in de verte begonnen de hanen te kraaien.
Ik stond op en op de toonen sloop ik naar het venster om het te openen. Dit was eene moeilijke taak, want ik wilde voorkomen dat men het knarsen of piepen zou hooren, maar door het zeer zacht en vooral zeer langzaam te doen, slaagde ik er toch in.
Hoe gelukkig dat mijne cel zich bevond in eene voormalige zaal, die tot gevangenis was ingericht en dat men het op de ijzeren traliën had laten aankomen om de gevangenen te bewaren, want als ik mijn venster niet had kunnen openen, zou ik nooit Mattia hebben kunnen beantwoorden. Maar het raam open te maken was nog niet alles; de ijzeren staven bleven, en ook de dikke muren en de deur met het ijzeren beslag. Het was dus eene dwaasheid aan de vrijheid te denken, en toch hoopte ik.
De sterren verbleekten al meer en meer en de koude morgenlucht deed mij bibberen; toch verliet ik het raam niet; ik bleef daar staan en luisterde en keek, zonder te weten wat ik doen moest of waarnaar ik luisterde.
Een groot wit doek scheen naar de lucht te worden opgetrokken en op den grond werden meer en meer de voorwerpen in duidelijke trekken kenbaar. Het was thans het aanbreken van den dag, waarvan Mattia gesproken had. Ik luisterde met ingehouden adem; maar ik hoorde niets dan het kloppen van mijn eigen hart.
Toen meende ik een licht krabbelen tegen den muur te vernemen, maar daar ik geen voetstappen gehoord had, dacht ik dat ik mij vergissen moest. Ik luisterde nogmaals aandachtig en het krabbelen duurde voort. Eensklaps zag ik een hoofd boven den muur uitkomen en terstond daarop bleek mij, dat het Mattia niet kon zijn; hoewel het nog slechts schemerde, herkende ik Bob.
Hij zag mij tegen mijne tralies gedrukt.
--St! riep hij op gedempten toon.
En met de hand maakte hij een gebaar dat scheen te beteekenen, dat ik mij niet van het venster moest verwijderen. Zonder hem nog te begrijpen, gehoorzaamde ik. In zijne andere hand had hij een langen koker, die mij toescheen van glas te zijn. Hij bracht dien aan den mond. Nu begreep ik dat het een blaaspijp was. Ik hoorde iets suizen en op hetzelfde oogenblik schoot een wit balletje door de lucht en viel voor mijne voeten neer. Onmiddellijk verdween het hoofd van Bob achter den muur en ik hoorde niets meer.
Ik wierp mij op het balletje; het was een dicht ineengefrommeld stuk fijn papier om een hageltje. Het kwam me voor dat er letters op waren geschreven, maar het was nog niet helder genoeg om ze te kunnen lezen. Ik moest dus wachten tot de dag zou zijn doorgebroken.