Chapter 39
Zonder onzen toestand geheel te vertellen, had Mattia toch aan zijn vriend Bob het een en ander medegedeeld en hem gevraagd of er geen mogelijkheid was het adres te ontdekken van eene zekere mevrouw Milligan, die een lam zoontje had, of zelfs maar van den heer James Milligan. Maar Bob zeide dat men dan allereerst weten moest wie die mevrouw Milligan was, of welke betrekking de heer James Milligan bekleedde, daar zeer vele menschen in Londen, en nog meer in Engeland, den naam van Milligan droegen.
Daaraan hadden wij niet gedacht. Voor ons was er maar één mevrouw Milligan, de moeder van Arthur, en een mijnheer James Milligan, die de oom was van Arthur.
Toen begon Mattia alweder met zijn raad om naar Frankrijk terug te keeren, en opnieuw begonnen wij daarover te kibbelen.
--Gij wilt het dus opgeven om mevrouw Milligan te zoeken? vroeg ik.
--Neen, zeker niet; maar 't is niet uitgemaakt, dat mevrouw Milligan nog in Engeland is.
--Evenmin, dat zij in Frankrijk is.
--Dat is toch waarschijnlijk; daar Arthur ziek is geweest, zal zijn moeder hem wel naar een land hebben gebracht, waarvan het klimaat geschikt is voor zijn herstel.
--Frankrijk is het eenige land niet, waar men een klimaat vindt, dat heilzaam is voor eene zwakke gezondheid.
--Arthur is eenmaal in Frankrijk hersteld, daarheen zal zijn moeder hem dus wel voor de tweede maal ook gebracht hebben, en bovendien zou ik ook gaarne zien, dat gij van hier gingt.
Mijn toestand was van dien aard, dat ik aan Mattia niet durfde vragen, waarom hij mij volstrekt hiervandaan wilde hebben; ik was bang, dat hij juist datgene zou zeggen wat ik niet wilde hooren.
--Ik ben bang, ging Mattia voort; laat ons dus heengaan. Gij zult zien, dat ons een ongeluk overkomt; laat ons gaan.
Ofschoon het gedrag van mijn familie tegenover mij niet veranderd was; mijn grootvader nog altijd spuwde als hij mij in zijne nabijheid zag; mijn vader mij slechts enkele woorden op een toon van gezag toevoegde; mijn moeder mij nooit aanzag, en mijn broers en zusters onuitputtelijk waren in het uitdenken van allerlei streken, die mij onaangenaam waren; Annie mij haar afkeer toonde bij elke gelegenheid en Kate slechts lief was, als ik haar lekkers meebracht, kon ik nog maar niet besluiten om den raad van Mattia te volgen, evenmin als ik hem gelooven wilde, dat ik de zoon van Driscoll niet was. Twijfelen kon ik, maar vast gelooven, dat ik geen Driscoll was, viel mij onmogelijk.
De tijd ging langzaam voorbij, zeer langzaam, maar de dagen volgden toch op de dagen en de weken op de weken en het tijdstip naderde, waarop de Driscoll's Londen zouden verlaten om hun zwerftocht door Engeland te ondernemen.
De twee wagens waren opgeschilderd en zij waren gevuld met al de koopwaren, die zij maar bevatten konden en die men in den loop van den zomer zou verkoopen.
Er was een ontzaglijke hoeveelheid van allerlei artikelen en het was bijna niet te begrijpen, dat alles in die twee wagens kon worden gepakt. Het waren manufacturen, gebreid goed, mutsen, omslagdoeken, zakdoeken, kousen, onderbroeken, vesten, knoopen, garen, katoen, naai- en breikatoen, naalden, scharen, scheermessen, oorringen, ringen, zeep, pommade, schoensmeer, slijpsteenen, poeders voor zieke paarden en honden, vlekkenwater, tandwater, middelen om 't haar te doen groeien of om het te verven, enz.
En terwijl wij in de schuur waren, zagen wij uit den kelder de pakken te voorschijn komen, die des nachts in De Roode Leeuw waren gebracht en niet geleverd waren door de magazijnen, waar die voorwerpen doorgaans worden verkocht.
Eindelijk waren de wagens gevuld; er werden paarden gekocht: hoe en waar, dat wist ik niet; maar wij zagen ze thuisbrengen en alles was gereed voor het vertrek.
En wat zouden wij gaan doen? zouden wij te Londen blijven met grootvader, die De Roode Leeuw niet zou verlaten? zouden wij evenals Allen en Ned, de waren moeten te koop bieden; of zouden wij met de wagens medegaan en ons vak van muzikant voortzetten in al de steden en dorpen, waar wij op onze reis doortrokken?
Mijn vader vond, dat wij een goed daggeld maakten met onze viool en onze harp en hij besliste daarom, dat wij muzikanten zouden blijven. Dit deelde hij ons mede den dag vóór ons vertrek.
--Laten wij naar Frankrijk terugkeeren, zeide Mattia, en van de eerste gelegenheid de beste gebruik maken om te vluchten.
--Waarom zouden wij geen reisje door Engeland maken?
--Omdat ons een ongeluk overkomen zal.
--Wij hebben kans mevrouw Milligan in Engeland te ontmoeten.
--Ik geloof, dat wij daarop veel meer kans hebben in Frankrijk.
--Wij kunnen het altijd in Engeland beproeven; daarna kunnen wij zien.
--Weet ge wat gij verdient?
--Neen.
--Dat ik u verlaat en alleen naar Frankrijk ga.
--Gij hebt gelijk; dat raad ik u ook aan; ik weet wel, dat ik het recht niet heb u terug te houden, en ik weet ook wel, dat gij te goed zijt om bij mij te blijven; ga dus heen; gij zult Lize opzoeken en haar zeggen...
--Als ik haar ontmoet, zou ik haar zeggen, dat gij dom en slecht zijt om te gelooven dat ik u ooit zou verlaten, terwijl gij ongelukkig zijt. Want gij zijt ongelukkig, zeer ongelukkig! Wat heb ik u gedaan, dat gij zoo iets van mij zoudt kunnen denken? Zeg, wat heb ik u gedaan? Niets nietwaar? Welnu, vooruit dan!
Alweder waren wij op de groote wegen, maar ditmaal was ik niet vrij om te gaan waar ik wilde en te doen wat ik goedvond. Toch had ik een gevoel van verlichting toen ik Londen verliet. Ik zou De Roode Leeuw niet meer zien en dat luik, dat mij, ondanks mij zelven, aantrok. Hoe dikwijls ben ik des nachts met schrik wakker geworden, terwijl ik in een benauwden droom een rood schijnsel door het raampje zag vallen. Het was een droom, een visioen; maar wat deed dit er toe: eenmaal had ik werkelijk dat licht gezien en dit was genoeg om het altijd als een brandende vlam voor oogen te hebben.
Wij stapten achter de wagens aan en inplaats van de stinkende en ongezonde geuren van Bethnal-Green, ademden wij de zuivere lucht van de schoone landschappen, die wij doortrokken en die misschien het woord _green_ niet in hun naam hadden, maar groen waren voor de oogen, terwijl onze ooren vergast werden op het gezang der vogelen.
Op den dag zelf reeds van ons vertrek, zag ik hoe de verkoop plaats had van de waren, die zoo weinig gekost hadden. Wij waren in een groot dorp gekomen en de wagens werden op het plein gebracht. Een der wanden, die uit verschillende paneelen bestond, werd neergeslagen en de geheele voorraad werd uitgestald om de aandacht van het publiek te trekken.
--Koopjes! koopjes! zoo iets heb je nooit gezien! riep mijn vader. Daar ik mijn waar niet betaal, kan ik ze goedkoop leveren. Ik verkoop ze niet; ik geef ze present. Koopjes! Koopjes!
Ik hoorde menschen, die de prijzen hadden gelezen, onder het weggaan tot elkander zeggen:
--'t Zal wel gestolen waar zijn.
--Dat erkent hij zelf.
Als zij mijn kant hadden uitgekeken, zouden zij aan mijn blozen gezien hebben, dat hun vermoeden maar al te gegrond was.
Maar zagen zij dien blos niet, Mattia had hem opgemerkt en des avonds sprak hij er mij over, hoewel hij gewoonlijk vermeed openhartig over dat punt te spreken.
--Zult gij die schande altijd kunnen verduren? vroeg hij.
--Spreek er niet over, als gij niet wilt, dat die schande mij nog meer kwelt.
--Dat wil ik niet; maar ik wil samen naar Frankrijk terugkeeren. Ik heb u altijd gezegd, dat er een ongeluk gebeuren zal, en ik zeg het u nog; en ik voeg er nu bij, dat het niet lang meer zal uitblijven. Begrijp dan toch, dat er een politie is en dat deze den een of anderen dag zal willen weten hoe Driscoll voor zoo lage prijzen zijn waar kan verkoopen. En wat zal er dan gebeuren?
--Mattia, ik bid je....
--Als gij zelf dan niet zien wilt, moet ik het wel voor u doen. Ge zult zien dat men ons allen oppakt, ook u en mij, die niets gedaan hebben. Maar hoe zullen wij dat bewijzen? Hoe zullen wij ons verdedigen? En is het niet waar, dat wij het brood eten voor het geld van die gestolen waar gekocht?
Die gedachte was nog nooit bij mij opgekomen; zij trof me, alsof men met een hamer op mijn hoofd had geslagen.
--Maar wij verdienen ons brood, zeide ik, om mij te verdedigen, niet zoozeer tegen Mattia dan wel tegen die gedachte.
--Dat is waar, hernam Mattia, maar 't is evenzeer waar, dat wij vereenigd zijn met menschen, die het hunne niet verdienen. Dat zal men zien, en overigens niets anders zien; wij zullen veroordeeld worden, evenzeer als zij. Het zou mij diep leed doen, zoo ik veroordeeld werd als dief, maar nog veel meer wanneer gij als dief werdt veroordeeld. Ik ben maar een arme drommel, en ik zal nooit iets anders zijn; maar gij, als gij uw familie hebt weergevonden, uw echte familie, wat zal het dan een smart en een schande voor u zijn, als gij zulk een vonnis hebt gehad! En als wij in de gevangenis zitten, zullen wij allerminst gelegenheid hebben om uwe ouders te ontdekken. En als wij in de gevangenis zitten, kunnen wij mevrouw Milligan ook niet waarschuwen voor hetgeen James Milligan tegen Arthur in 't schild voert. Laten wij ons dus redden, terwijl het nog tijd is.
--Red u zelven.
--Gij zegt altijd dezelfde domheid; wij zullen ons samen redden of wij zullen samen opgepakt worden; en als dat gebeurt, wat niet lang meer duren kan, zult gij de verantwoordelijkheid dragen, dat gij mij met u meegesleept hebt, en wij zullen eens zien of dat besef zoo licht te dragen is. Als gij nuttig waart voor hen, bij wie gij nu zoo hardnekkig wilt blijven, zou ik dat volhouden begrijpen; maar gij zijt volstrekt niet onmisbaar voor hen: zij zullen ook zonder u wel leven. Laat ons dus spoedig heengaan.
--Welnu, laat mij nog een paar dagen, om er over na te denken; dan zullen wij zien.
--Haast u! de wildeman rook menschenvleesch; ik ruik het gevaar.
Nooit hadden de woorden, de redeneering en de beden van Mattia mij zoo sterk getroffen als thans, en als ik eraan dacht, zeide ik tot mij zelven, dat de besluiteloosheid, waaraan ik mij maar niet onttrekken kon, laf was en dat ik beslissen moest en eindelijk moest weten wat ik wilde.
De omstandigheden deden voor mij wat ik zelf niet durfde.
Reeds eenige weken waren voorbijgegaan sinds wij Londen verlaten hadden en wij waren in een stad gekomen, in welker omtrek wedrennen moesten plaats hebben. In Engeland zijn de wedrennen niet wat zij in andere landen zijn, een vermaak alleen voor de rijken, die drie of vier paarden tegen elkander laten loopen en zich zelven eens komen vertoonen om dan met elkander weddenschappen om een gulden of wat aan te gaan. Daar zijn zij volksfeesten voor eene geheele streek en het zijn niet de paarden alleen, die men komt zien; op de vlakte of langs de kust, waar de wedrennen plaats hebben, komen, somtijds reeds dagen te voren, kunstenmakers, muzikanten, reizende kooplieden enz. die daar een soort van kermis aanrichten. Wij hadden ons gehaast om eene plaats daar te krijgen, wij als muzikanten en de Driscoll's als kooplieden.
Maar inplaats van op het terrein van de wedrennen zich te vestigen, had mijn vader eene standplaats ingenomen in de stad zelve, waar hij waarschijnlijk betere zaken dacht te maken.
Wij waren al vroeg aangekomen, en daar wij niet behoefden te helpen aan het uitstallen der koopwaar, gingen Mattia en ik het terrein van de wedrennen eens opnemen, dat op korten afstand van de stad op eene heide was gelegen. Er waren een groot aantal tenten opgeslagen en van verre zag men smalle rookkolommen opstijgen op de punten, die de grenzen vormden van het veld voor de wedrennen. Weldra kwamen wij door een hollen weg op de gewoonlijk dorre, naakte vlakte, maar waar dien avond houten loodsen waren opgeslagen, waarin men nu ververschingen kon bekomen en zelfs nachtverblijf, barakken, tenten en wagens of zelfs legerplaatsen met vuren in de open lucht, waaromheen een groot aantal menschen in allerlei kleederen zich bewogen, die de schilderachtigste groepen vormden.
Toen wij een van die vuren voorbijgingen, waarboven een ketel hing, herkenden wij onzen vriend Bob. Hij was recht blij dat hij ons zag. Met twee zijner kameraden was hij naar de wedrennen gegaan om voorstellingen te geven, maar de muzikanten, op wie zij gerekend hadden, hadden geen woord gehouden, zoodat de andere dag, inplaats van een goede winst af te werpen, zooals zij gehoopt hadden, zeer onvoordeelig zou zijn. Als wij wilden, konden wij hun een grooten dienst bewijzen, door de taak van die muzikanten op ons te nemen. De opbrengst zouden wij met ons vijven deelen, want ook Capi zou zijn aandeel hebben.
Uit een blik van Mattia begreep ik, dat het pleizier zou doen aan mijn vriend als wij het voorstel van Bob aannamen, en daar wij vrij waren om te doen wat wij wilden, onder voorwaarde slechts dat wij eene goede som thuisbrachten, nam ik het aan.
Wij spraken dus af, dat wij den anderen morgen ons ter beschikking van Bob en zijne beide vrienden zouden stellen.
Maar toen wij weder in de stad kwamen, deed zich eene moeilijkheid voor. Ik vertelde aan mijn vader welke afspraak wij hadden gemaakt.
--Den hond heb ik zelf noodig, zeide hij: gij kunt hem dus niet meenemen.
Die woorden maakten mij eenigszins ongerust: wilde hij Capi weder voor de eene of andere slechte streek gebruiken? Maar mijn vader deed terstond alle vrees bij mij verdwijnen.
--Capi heeft een fijn gehoor, zeide hij, en hij is zeer waakzaam; hij kan ons dus van grooten dienst wezen bij de wagens, want bij dien toevloed van menschen zouden er wel eens onder kunnen zijn, die ons wilden bestelen. Gij gaat dus alleen spelen met Bob en als het wat heel laat mocht worden, wat zeer goed mogelijk is, kunt gij ons opzoeken in de herberg De Eikenboom, waar wij onzen intrek nemen, daar het mijn plan is tegen het vallen van den nacht te vertrekken.
Die herberg De Eikenboom, waar wij den vorigen nacht hadden doorgebracht, was een kwartier van de stad gelegen, op het open veld, in eene eenzame, sombere streek. Zij werd door een echtpaar gehouden, dat niet zeer geschikt was om vertrouwen in te boezemen. Die herberg des nachts terug te vinden was niet moeilijk; het was een rechte weg; het eenige onaangename was, dat zij nog al ver af lag, wat vooral na een zwaren dag geen genoegen was.
Maar dat kon ik aan mijn vader niet zeggen, want deze gedoogde geen tegenspraak. Als hij iets gezegd had, moest men gehoorzamen.
Den anderen dag, nadat ik een poos met Capi had geloopen om hem te eten en te drinken te geven, zoodat ik zeker kon zijn, dat hij geen gebrek zou lijden, maakte ik zelf hem vast aan den wagen, dien hij bewaken moest en Mattia en ik gingen naar het terrein van de wedrennen.
Zoodra wij aangekomen waren, begonnen wij muziek te maken en dit duurde voort tot des avonds laat. Mijn vingers deden eindelijk zoo zeer, of zij door duizenden naalden werden gestoken, en Mattia had zooveel op den horen geblazen, dat hij bijna geen adem meer halen kon. Toch moesten wij maar blijven spelen, daar Bob en zijn makkers met hunne kunsten niet ophielden; van onzen kant mochten wij dus ook geen lust nemen. Toen de avond gevallen was, dacht ik dat wij rust zouden gaan nemen; maar wij verwisselden onze plaats in de open lucht met eene groote houten loods en daar begonnen de kunsten en de muziek opnieuw. Dit duurde tot bij middernacht; ik maakte nog altijd geluid op mijn harp, maar ik wist niet meer wat ik speelde en Mattia wist het evenmin als ik. Al twintigmaal had Bob medegedeeld dat het nu de laatste voorstelling zou zijn, en twintigmaal waren wij weder opnieuw begonnen.
Zoo wij moe waren, onze makkers, die veel meer hunne krachten moesten inspannen dan wij, waren afgemat en al meer dan een van hun toeren was mislukt. Bij een van die toeren gebeurde het, dat een staak, die daarbij dienst deed, op den voet van Mattia terecht kwam. De pijn was zoo hevig, dat hij het uitschreeuwde; ik dacht dat zijn voet verpletterd was en wij snelden allen naar hem toe. Gelukkig was de wond niet gevaarlijk; zijn voet was gekneusd en het vleesch opengereten, maar er was niets gebroken. Loopen kon Mattia evenwel niet.
Wat te doen?
Er werd besloten, dat hij in den wagen van Bob zou slapen en dat ik alleen naar de herberg De Eikenboom zou gaan. Ik moest toch weten waarheen de familie Driscoll den anderen dag zou heengaan.
--Ga er niet heen, zeide Mattia bij herhaling, dan gaan wij morgen samen.
--En als wij dan niemand in de herberg De Eikenboom vinden?
--Des te beter; dan zijn wij vrij.
--Als ik de familie Driscoll verlaat, zal het niet op die manier zijn. Bovendien, gelooft gij niet dat zij ons spoedig zou weergevonden hebben? Waar wilt gij dan heengaan met uw voet.
--Welnu, wij zullen morgen erheen gaan, als gij wilt, maar niet vanavond. Ik ben bang.
--Waarvoor?
--Dat weet ik niet, maar ik ben bang voor u.
--Laat me toch gaan; ik beloof u, morgen terug te zullen komen.
--En als men u terughoudt?
--Om dit te beletten, zal ik mijn harp hier laten; dan moet ik wel terugkomen om die te halen.
Ondanks de vrees van Mattia, ging ik op weg, want zelf was ik volstrekt niet bang.
Voor wie, voor wat zou ik bang zijn? Wat zou men kunnen verlangen van een armen drommel als ik?
Maar al voelde ik niet de minste vrees of een zweem van angst, ik was toch zeer ontroerd; 't was voor de eerste maal, dat ik werkelijk alleen was, zonder Capi, zonder Mattia, en dat gevoel van verlatenheid drukte mij, terwijl de geheimzinnige stemmen van den nacht den gewonen indruk op mij maakten. Ook de maan, die mij met haar bleek gelaat aanstaarde, stemde mij zwaarmoedig.
Hoe vermoeid ik ook was, ik stapte stevig door en kwam eindelijk aan de herberg De Eikenboom, maar hoe ik onze wagens ook zocht, ik vond ze niet. Er waren twee of drie ellendige karretjes met huiven, een groote loods van planken en twee overdekte karren waaruit het gebrul van wilde dieren zich deed hooren, toen ik naderde; maar de fraaie wagens met de helle kleuren van de familie Driscoll zag ik nergens.
Toen ik de herberg omliep, zag ik een licht, dat achter een ongesloten raam brandde, en daar ik hieruit opmaakte, dat niet ieder nog sliep, klopte ik op de deur. De herbergier met zijn ongunstig uiterlijk, dien ik den vorigen dag had gezien, deed zelf mij open en hield zijn lantaarn vóór me, zoodat het volle licht op mijn gelaat viel. Ik zag, dat hij mij herkende, maar inplaats van mij door te laten, hield hij de lantaarn achter den rug en een blik om zich werpende, luisterde hij eenige oogenblikken aandachtig.
--Uw wagens zijn al vertrokken, zeide hij; uw vader heeft gezegd, dat gij onmiddellijk, zonder verwijl, naar Lewes zoudt gaan en den ganschen nacht zou doorloopen. Goede reis!
En hij deed de deur voor mijne neus dicht, zonder een woord erbij te voegen.
Sedert mijn komst in Engeland had ik genoeg van de taal geleerd om die weinige woorden te begrijpen; maar er was één woord in, het belangrijkste, dat voor mij onverstaanbaar was. _Louis_, had de herbergier gezegd; waar lag dat land? Ik wist het volstrekt niet, dat Louis de engelsche uitspraak was van Lewes, een stad, waarvan ik den naam wel eens op de kaart had gelezen.
Maar al had ik ook geweten waar Lewes lag, had ik er toch niet dadelijk kunnen heengaan, Mattia achterlatende. Ik moest dus naar het terrein van de wedrennen terugkeeren, hoe moe ik ook was.
Ik begaf mij dan ook weder op weg en anderhalf uur later lag ik op een bos stroo naast Mattia, in den wagen van Bob, en in weinige woorden vertelde ik hem wat er gebeurd was; daarna viel ik doodvermoeid in slaap.
Eenige uren slaap gaven mij mijn krachten terug, en den anderen morgen werd ik wakker, gereed om naar Lewes op weg te gaan, als tenminste Mattia, die nog sliep, mij kon volgen.
Toen ik uit het rijtuig stapte, ging ik naar mijn vriend Bob, die vóór mij was opgestaan en reeds bezig was het vuur aan te maken. Ik sloeg hem gade, terwijl hij daar op handen en voeten lag en met alle macht in het smeulend hout onder den ketel blies, toen ik meende Capi te herkennen, dien een politieagent aan een touw hield.
Ik was zoo verbaasd, dat ik mij niet verroeren kon en vroeg mij af wat dit kon beteekenen. Maar Capi had mij herkend en een ruk gedaan aan het touw, zoo krachtig, dat het aan de handen van den agent ontsnapte. In een paar sprongen was hij bij mij en in mijn armen.
De agent kwam bij ons.
--Die hond is van u nietwaar? vroeg hij.
--Ja.
--Dan neem ik u in hechtenis.
En hij greep mij krachtig bij den arm.
De woorden en de daad van den agent hadden Bob doen opzien. Hij kwam erbij.
--Waarom neemt gij dien knaap in hechtenis? vroeg hij.
--Zijt gij zijn broer?
--Neen, zijn vriend.
--Een man en een jongen zijn dezen nacht in de kerk Sint-George geklommen door een hoog raam met behulp van een ladder. Zij hadden dezen hond medegenomen, om hen te waarschuwen als men naderde. Zij werden overvallen en zij hebben zich den tijd niet gegeven om den hond mede te nemen, toen zij uit het venster zich redden en het beest heeft hen niet kunnen volgen, daar het in de kerk was opgesloten. Met dien hond was ik zeker de dieven te zullen ontdekken en nu heb ik er een van. Waar is nu de ander?
Ik weet niet of die vraag gedaan werd aan Bob of aan mij; ik antwoordde niet; ik was verpletterd.
Toch begreep ik wat er gebeurd was; ondanks mij zelven raadde ik het: men had Capi niet gevraagd om de rijtuigen te bewaken, maar omdat hij zulk een fijn gehoor had en hen kon waarschuwen als zij in de kerk aan 't stelen waren. Het was dus ook niet alleen om het genot van in De Eikenboom te overnachten, dat bij het vallen van den avond de wagens waren vertrokken; als zij in die herberg geen halt hadden gehouden, was het, omdat de diefstal was ontdekt en men zoo snel mogelijk zich uit de voeten moest maken.
Maar niet aan de schuldigen moest ik thans denken, maar aan mij zelven; wie zij ook waren, ik kon mij verdedigen en, zonder hen te beschuldigen, mijne onschuld bewijzen: ik behoefde slechts te zeggen hoe ik dien nacht mijn tijd had doorgebracht.
Terwijl ik zoo redeneerde, was Mattia, die ook den agent had gehoord en het gedruisch dat zijne komst tengevolge had gehad, opgestaan en uit het rijtuig gekomen en hinkend mij genaderd.
--Maak het hem toch duidelijk, dat ik niet schuldig ben, zeide ik tot Bob; ik ben tot één uur bij u geweest, toen ben ik naar de herberg De Eikenboom gegaan; daar heb ik den kastelein gesproken en ben terstond hierheen teruggekeerd.
Bob herhaalde die woorden voor den agent, maar deze was daardoor volstrekt niet overtuigd, zooals ik gehoopt had. Integendeel.
--Het was kwart over eenen toen men in de kerk inbrak, zeide hij; die knaap is vanhier vertrokken eenige minuten voor eenen, zooals hij zegt. Hij heeft dus om kwart over eenen in de kerk kunnen zijn met de dieven.
--Men heeft toch meer dan een kwartier noodig om van hier naar de stad te komen, zeide Bob.
--O, als men hard loopt, hernam de agent; bovendien wie bewijst me dat hij te een uur is vertrokken!
--Dat zweer ik, zeide Bob.
--O, gij, antwoordde de agent; het zal altijd moeten blijken wat uw getuigenis waard is.
Bob werd boos.
--Vergeet niet, dat ik Engelsch onderdaan ben, zeide hij met waardigheid.
De agent haalde de schouders op.
--Als gij mij beleedigt, schrijf ik aan de _Times_.
--In afwachting daarvan neem ik dien knaap mede. Hij zal zich voor den rechter verantwoorden.
Mattia wierp zich in mijn armen; ik dacht dat hij afscheid van mij wilde nemen, maar Mattia liet zijn verstand spreken vóór hij aan zijn hart toegaf.
--Houd moed, fluisterde hij mij toe; wij zullen u niet verlaten.
Toen eerst nam hij afscheid van me.
--Houd Capi bij u, zeide ik in 't fransch tot Mattia.
Maar de agent begreep het.
--Neen, neen, zeide hij; ik houd den hond; hij heeft mij dezen doen vinden en hij zal mij ook wel op 't spoor van den anderen brengen.