Alleen op de Wereld

Chapter 38

Chapter 384,150 wordsPublic domain

Toen hij dit zeide, zoo vriendelijk als hij nooit sprak, ging hij zoeken in een lade en weldra kwam hij met een groot stuk papier met verschillende lakken, dat hij mij overreikte.

Ik wendde een laatste poging aan.

--Als gij 't goedvindt, zeide ik, zal Mattia het voor mij vertalen.

--Met genoegen.

Uit die vertaling van Mattia, zoo goed en zoo kwaad als 't kon, bleek, dat ik op Donderdag den 2den Augustus was geboren en de zoon was van Patrick Driscoll en Margaret Grange, zijne vrouw.

Wat behoefde ik nog meer te vragen?

Mattia evenwel was minder voldaan, en toen wij des avonds in onzen wagen hadden plaatsgenomen, boog hij zich naar mij toe met zijn mond aan mijn oor, alsof hij mij een geheim wilde toevertrouwen.

--Dat alles is prachtig, zeide hij, maar dat heldert toch nog volstrekt niet op, hoe Patrick Driscroll, rondreizend koopman, en Margaret Grange, zijne vrouw, zoo rijk waren, dat zij aan hun kind een kanten muts konden geven en een hemd met kant geboord en een geborduurd cachemiren manteltje: reizende kooplieden zijn zoo rijk niet.

--Juist omdat zij kooplui waren, kostten hun die kleeren niet zoo veel geld.

Mattia schudde het hoofd en begon te fluiten; toen fluisterde hij weder en zeide:

--Wil ik u eens zeggen wat mij maar niet uit het hoofd wil: dat gij niet het kind zijt van dien Driscoll, maar het kind dat door Driscoll gestolen werd.

Ik wilde antwoorden, maar Mattia was al in zijn bed geklommen.

XXXVII.

DE OOM VAN ARTHUR: JAMES MILLIGAN.

Als ik in de plaats van Mattia was geweest, zou ik misschien even zoo gedacht hebben als hij; maar in den toestand, waarin ik verkeerde, waren mij zulke onderstellingen niet geoorloofd.

Het gold toch mijn vader.

Voor Mattia was deze slechts Driscoll en niets anders.

En als ik met mijn geest Mattia wilde volgen, dan hield ik mij zelven terug, maar toch niet zóó, als ik wel zou verlangen.

Mattia kon van Driscoll denken al wat hij goedvond; voor hem was deze een vreemdeling, aan wien hij niets verplicht was.

Ik daarentegen was allen eerbied aan mijn vader verschuldigd.

Zeker waren er zonderlinge dingen in mijn toestand, maar ik was niet vrij om erover na te denken van hetzelfde standpunt als Mattia.

Mattia mocht eraan twijfelen.

Aan mij was dit niet geoorloofd. En toen Mattia mij zijn twijfel wilde mededeelen, was het mijn plicht hem het zwijgen op te leggen.

Dat trachtte ik ook te doen, maar Mattia was koppig en ik kon er niet in slagen om die koppigheid te overwinnen.

--Sla er maar op, als ge lust hebt, zeide hij, word boos maar luister.

En toen moest ik wel luisteren naar zijn vragen.

--Waarom hadden Allen, Ned, Annie en Kate lichtblond haar, terwijl het mijne niet blond was?

--Waarom gedroegen al de leden van de familie Driscoll, behalve Kate, die nog niet wist wat zij deed, zich tegenover mij zoo onaangenaam, alsof ik een schurftige hond was?

--Hoe konden menschen, die niet rijk waren, hun kinderen kleeren met kant geven?

Op al die vragen waarom en hoe, had ik maar één antwoord, dat zelf eene vraag was:

--Waarom zou de familie Driscoll mij gezocht hebben, als ik haar kind niet was? Waarom zou zij geld gegeven hebben aan Barberin en aan Greth and Galley?

Mattia verklaarde, dat hij het niet beantwoorden kon. Maar toch gaf hij zich niet gewonnen.

--Omdat ik geen antwoord kan geven op uwe vraag, zeide hij, bewijst dit niet, dat ik ongelijk heb; want gij kunt geen antwoord geven op een van mijne vragen. Een ander in mijne plaats zou heel goed kunnen ophelderen, waarom Driscoll u heeft laten zoeken en met welk doel hij zooveel geld heeft besteed. Ik kan dat niet, omdat ik niet slim ben en omdat ik nergens verstand van heb.

--Zeg dat toch niet; ge zijt integendeel heel slim.

--Als ik dat was, zou ik u dadelijk weten uit te leggen wat ik nu niet begrijp, maar ge moet het voelen, neen, gij zijt geen kind van de familie Driscoll; gij zijt het niet en gij kunt het niet zijn. Dat zal later wel aan 't licht komen, daar ben ik zeker van; maar het oogenblik, dat alles moet ophelderen, vertraagt gij door uwe oogen maar niet te willen openen. Ik begrijp wel, dat gij u weerhouden laat door eerbied voor uwe ouders; maar dit moet u toch niet stomp maken.

--Maar wat wilt gij dan dat wij doen zullen?

--Naar Frankrijk terugkeeren.

--Onmogelijk.

--Omdat uw plicht u noopt bij uwe familie te blijven; maar als het uwe familie niet is, wat weerhoudt u dan?

Zulke gesprekken konden tot niets leiden dan alleen om mij nog ongelukkiger te maken dan ik reeds was.

Niets toch is erger dan twijfel. En hoewel ik niet _wilde_ twijfelen, twijfelde ik toch.

Was die vader mijn vader? Was die moeder mijne moeder? Waren die kinderen mijn broers en zusters?

Het was vreeselijk dit te moeten erkennen; ik had nog minder smart en gevoelde mij nog minder ongelukkig, toen ik alleen was.

Wie zou ooit gedacht hebben, toen ik in eenzaamheid weende, omdat ik geen familie had, dat ik nog rampzaliger wezen zou, als ik er wèl eene had?

Hoe zou ik licht vinden? Wie zou mij licht schenken? Hoe zou ik ooit de waarheid vernemen?

Voor die vragen stond ik stil, onder het drukkend besef van mijne onmacht en ik zei tot mijzelven, dat ik vruchteloos mijn leven lang met het hoofd zou bonzen op dien muur, die geen uitgang aanbood.

Toch moest ik zingen, deuntjes spelen, waarop men dansen kon, en aardig zijn, terwijl ik in mijn hart zoo diep bedroefd was.

De zondagen waren mijne gelukkigste dagen, omdat er des zondags te Londen geen muziek op straat mag worden gemaakt; dan kon ik mij ongestoord aan mijne droefheid overgeven, als ik wandelde met Mattia en Capi. Hoe weinig was er in mij nog over van den knaap, die ik eenige maanden geleden was!

Op een van die zondagen, toen ik mij gereed maakte om met Mattia uit te gaan, hield mijn vader mij thuis en zeide, dat ik hem dien dag behulpzaam moest wezen. Hij liet Mattia alleen uitgaan. Mijn grootvader was nog niet beneden; mijne moeder was uitgegaan met Kate en Annie en mijne broers liepen op straat; mijn vader en ik waren dus alleen thuis.

Een uur lang waren wij alleen geweest, toen men aan de deur klopte; mijn vader ging openen en keerde terug met een heer, die niets geleek op de vrienden, welke hij gewoonlijk ontving; dit was inderdaad een heer, iemand dien men in Engeland een _gentleman_ noemt. Hij was zeer netjes gekleed en hij had een voornaam voorkomen en een trotsch gelaat, met eenigszins vermoeide trekken. Hij moest ongeveer vijftig jaar zijn. Wat mij het meest in hem trof was zijn glimlach: dan openden zich zijne lippen en vertoonden zich twee rijen witte puntige tanden als van een jongen hond. Dit maakte een eigenaardigen indruk en ik vroeg mij af, of het eigenlijk wel een glimlach was dan wel een beweging om te bijten.

Terwijl hij met mijn vader Engelsch sprak, wierp hij telkens een blik naar mij; maar als hij den mijnen ontmoette, wendde hij de oogen terstond af.

Nadat hij een poos lang met mijn vader gesproken had, wisselde hij het Engelsch met het Fransch, dat hij vloeiend en bijna zuiver sprak.

--Is dat de knaap, waarvan gij me gesproken hebt? zeide hij tot mijn vader, met den vinger naar mij wijzend. Hij schijnt een gezonde jongen te zijn.

--Antwoord mijnheer, zeide mijn vader.

--Ben je gezond? vroeg de voorname heer.

--Ja, mijnheer.

--Ben je nooit ziek geweest.

--Ik heb eens eene bloedspuwing gehad.

--Zoo, zoo; hoe kwam dat?

--Ik had 's nachts in de sneeuw geslapen, toen het vinnig koud was; mijn meester is dien nacht van koude gestorven; ik heb er maar eene bloedspuwing van gekregen.

--Is dat lang geleden?

--Drie jaar.

--En heb je later nooit gevolgen van die ziekte ondervonden?

--Neen.

--Geen vermoeidheid, geen afgemat gevoel? Zweette je 's nachts erg?

--Neen nooit; als ik mij moe gevoelde, was het omdat ik lang geloopen had; maar ziek was ik er niet van.

--En kunt ge goed tegen vermoeienis?

--Dat moet ik wel.

Hij stond op en kwam naar mij toe; hij voelde mijn armen, legde toen zijn hand op mijn hart en vervolgens zijn hoofd tegen mijn rug en vervolgens tegen mijn borst en beval mij diep adem te halen, alsof ik hard had geloopen; toen liet hij mij ook hoesten.

Toen dit afgeloopen was, zag hij mij zeer aandachtig een poos aan en toen vooral kwam de gedachte bij mij op, dat hij bijten wilde; zoo dreigend was zijn glimlach.

Zonder verder iets te zeggen, zette hij in het Engelsch het gesprek met mijn vader voort; daarop gingen zij samen heen, niet naar de straatdeur, maar naar den stal.

Toen ik alleen was, vroeg ik mijzelven af, wat al die vragen van den voornamen heer beteekenden? Wilde hij mij in zijn dienst nemen? Maar dan moest ik scheiden van Mattia en Capi! Bovendien had ik het vaste besluit genomen om nooit meer bij iemand in dienst te zijn, zoomin van dien gentleman, aan wien ik nu al een hekel had, als van een ander, wien ik misschien genegen zou zijn.

Na verloop van eenigen tijd kwam mijn vader terug. Hij zei, dat hij uit moest, en dat hij mij dus niet noodig had, zooals hij eerst gedacht had; ik kon dus ook uitgaan als ik wilde, zeide hij.

Ik had er volstrekt geen lust in; maar wat moest ik in dit treurige huis beginnen? Ik kon evengoed gaan wandelen als hier blijven en mij vervelen.

Daar het regende, ging ik naar onzen wagen om mijn schapevacht te halen: hoe verwonderd was ik daar Mattia te vinden; ik wilde iets tegen hem zeggen, maar hij legde de hand op mijn mond en sprak op fluisterenden toon:

--Maak de staldeur open, ik zal stil achter u komen; men mag niet weten, dat ik in den wagen was.

Eerst toen wij op straat waren, besloot Mattia te spreken.

--Weet gij wie die heer is, die straks bij uw vader was? vroeg hij. De heer James Milligan, de oom van uw vriend Arthur.

Daar ik onbeweeglijk middenop straat bleef staan, nam hij mij bij den arm, en voortloopende, vervolgde hij:

--Daar het mij verveelde alleen door die sombere straten te loopen, op zoo'n triestigen zondag, ben ik maar naar huis gegaan om te gaan slapen en ben toen in mijn bed gaan liggen; maar ik heb niet geslapen. Uw vader kwam met een heer in den stal en ik hoorde wat zij zeiden, zonder bepaald te luisteren. "Zoo stevig als ijzer en staal," zeide de heer; "tien anderen zouden dood zijn gegaan; hij heeft er maar een bloedspuwing van gekregen." Toen begreep ik, dat men over u sprak en luisterde ik; maar het gesprek nam een andere wending.--"Hoe gaat het met uw neef?" vroeg uw vader.--"Beter; hij zal er nog wel van opkomen; drie maanden geleden hadden alle dokters hem opgegeven; zijne goede moeder heeft hem nog gered door hare oppassing; o,'t is een goede moeder, die mevrouw Milligan." Gij kunt denken hoe ik mijn ooren spitste, toen ik dien naam hoorde. "Dus als uw neefje beter wordt," ging uw vader voort, "zijn al uwe voorzorgen overbodig?"--"Voor het oogenblik misschien," antwoordde de heer, "maar ik kan niet aannemen, dat Arthur in het leven blijft; dat zou een wonder zijn en wonderen zijn er niet meer; maar als hij sterft, moet ik zeker zijn, dat er geen andere opdaagt en moet ik, James Milligan, de eenige erfgenaam zijn."--"Wees gerust," zeide uw vader, "dat zal gebeuren; daar sta ik u voor in."--"Ik reken op u," zeide de gentleman.--En hij voegde er nog iets bij, dat ik niet juist begreep, maar dat mij scheen te beteekenen: "Voor 't oogenblik zullen wij zien wat ons te doen staat." Toen ging hij heen.

Mijne eerste gedachte was naar huis te gaan om aan mijn vader het adres van den heer Milligan te vragen, teneinde iets te vernemen omtrent Arthur en zijne moeder, maar ik zag terstond in, dat dit een dwaasheid zou zijn: een man, die met ongeduld op den dood van zijn neef wachtte, was waarlijk de geschikte persoon niet, om hem narichten omtrent dien neef te vragen. Van den anderen kant ware het ook zeer onvoorzichtig, om aan den heer Milligan te zeggen, dat men had gehoord wat hij zeide.

Arthur leefde; hij was weer beter. Voor het oogenblik gaf die goede tijding mij al genot genoeg.

XXXIX.

DE KERSTNACHTEN.

Wij spraken over niets anders meer dan over Arthur, mevrouw Milligan en James Milligan.

Waar waren Arthur en zijne moeder? Waar zouden wij ze zoeken? Waar hen vinden?

Het bezoek van den heer James Milligan had ons op een denkbeeld gebracht en een plan doen vormen, dat, naar wij meenden, zeker moest gelukken: daar de heer Milligan eenmaal in De Roode Leeuw was geweest, konden wij zeker zijn, dat hij er nog wel eene tweede en eene derde maal zou komen. Hij deed immers zaken met mijn vader? Als hij dan weder wegging, zou Mattia, dien hij niet kende, hem volgen; hij zou dan diens woning ontdekken; hij zou zijne bedienden aan 't praten brengen, en misschien zou hij ons bij Arthur brengen.

Waarom niet? Dit scheen ons, in ons idee, volstrekt niet zoo onmogelijk toe.

Dat mooie plan zou ons niet alleen het voordeel verschaffen, dat wij Arthur terugvonden, maar ook een ander, dat reeds dadelijk een einde maakte aan de moeielijkheid, waarin ik mij bevond.

Sedert het gebeurde met Capi en na het antwoord van vrouw Barberin, hield Mattia niet op in allerlei vorm mij toe te voegen: "Laten wij naar Frankrijk terugkeeren." Dat liedje zong hij elken dag op eene nieuwe wijs. Maar ik stelde er altijd een ander tegenover, dat ook steeds hetzelfde was: "Ik mag mijn ouders niet verlaten." Omtrent de vraag wat in dit geval mijn plicht gebood, konden wij het niet eens worden, en hoe lang wij erover praatten, het bracht ons niet verder, want ieder bleef bij zijne meening. "Gij moet heengaan."--"Ik moet blijven."

Toen ik op mijn onveranderlijk antwoord volgen liet: "om Arthur terug te vinden", had Mattia niets meer te zeggen: hij kon geen partij vatten tegen Arthur; en moest ook niet mevrouw Milligan met de plannen van haar schoonbroeder bekend worden gemaakt?

Als wij op den heer James Milligan hadden willen wachten, terwijl wij dagelijks van den morgen tot den avond uitgingen, gelijk wij sedert onze komst te Londen hadden gedaan, zou dit niet heel verstandig zijn geweest, maar de tijd naderde, dat wij, inplaats van overdag op straat muziek te maken, dit 's nachts zouden gaan doen; want 't is midden in den nacht dat de zoogenaamde _waits_, de kerstconcerten, plaats hebben. Dan zouden wij overdag thuis blijven, een van ons zou de wacht houden en zeker zouden wij dan den oom van Arthur wel snappen.

--Als gij eens wist hoe ik verlang, dat gij mevrouw Milligan mocht terugvinden, zeide Mattia eens.

--Waarom?

Hij aarzelde geruimen tijd en zeide eindelijk:

--Omdat zij zoo goed voor u is geweest.

Toen voegde hij erbij:

--En omdat zij u misschien behulpzaam zou kunnen zijn om uwe ouders terug te vinden.

--Mattia!

--Ge wilt dat niet van me hooren: ik verzeker u, dat het mijne schuld niet is; maar 't is me onmogelijk een oogenblik aan te nemen, dat gij tot de familie Driscoll behoort.--Zie al de leden van dat gezin eens aan en vergelijk u zelven dan met hen. Ik spreek nu niet eens van hun vlasbollen, maar hebt ge die eigenaardige beweging van de hand en dien glimlach van uw grootvader gezien? Zijt gij ooit op de gedachte gekomen om manufacturen bij lamplicht te bekijken, zooals Driscoll? Is het ooit gebeurd, dat gij met uw armen op tafel in slaap zijt gevallen? En hebt gij ooit, als Allen en Ned, aan Capi de kunst geleerd om wollen kousen te apporteeren, die niet verloren waren? Neen, duizendmaal neen! Men heeft altijd eenige karaktertrekken met zijne familie gemeen; en als gij een Driscoll waart geweest, zoudt gij niet geaarzeld hebben om u op die manier wollen kousen te verschaffen, als gij ze noodig en geen geld in uw zak hadt, wat u meer dan eens overkomen is. Wat hebt gij gedaan, toen Vitalis in de gevangenis zat? Denkt ge, dat een Driscoll toen zonder eten naar bed zou zijn gegaan? En als ik de zoon van mijn vader niet was, zou ik dan op den horen kunnen blazen en op de klarinet of de trombône of op welk instrument men maar wil, zonder dat ik het ooit geleerd heb? Mijn vader was muzikant en ik ben het daarom ook. Dat is heel natuurlijk; even natuurlijk is het, dat gij een heer zijt en dat zult gij ook worden, zoodra gij mevrouw Milligan hebt teruggevonden.

--En hoe dan?

--Ik heb mijn plan.

--Wilt ge mij uw plan zeggen?

--Neen, zeker niet.

--Waarom niet?

--Omdat het te dom is.

--Zeg het toch maar.

--Het zou al te dom zijn, als het niet gelukte; en men moet zich niet verheugen over dingen, die niet gebeuren. Wat wij ondervonden hebben, toen wij meenden dat Bethnal-Green een lommerrijk plekje was, moet ons wijzer hebben gemaakt. Hebben wij toen ook geen groene velden gezien in onze verbeelding en in werkelijkheid slechts modderpoelen gevonden?

Ik drong er niet verder op aan, want ook ik had mijn plan.

Het was wel heel vaag en nevelachtig, veel onnoozeler en veel dommer dan dat van Mattia zijn zou, dacht ik, maar juist daarom durfde ik er niet op aandringen, dat Mattia mij zijn plan zou mededeelen: wat zou ik geantwoord hebben, als dit hetzelfde was als hetgeen mij als een droom voor den geest zweefde? Dan zou ik het in woorden hebben moeten omschrijven en het met hem durven bespreken.

Wij moesten maar wachten en wij wachtten.

Al wachtende doorkruisten wij Londen, want wij behoorden niet tot die bevoorrechte muzikanten, die bezit nemen van een geheele wijk en daar, om zoo te zeggen, hun eigen publiek hebben.

Wij waren nog maar knapen en nog te nieuw in het vak om zooveel aanspraken te maken, en wij moesten het veld ruimen voor hen, die hunne eigendomsrechten konden doen gelden door middelen, waartegen wij niet waren opgewassen.

Hoe dikwijls was het gebeurd, dat wij, op het punt om rond te gaan met het bakje, na onze mooiste stukken te hebben gespeeld, verplicht waren zoo spoedig mogelijk ons uit de voeten te maken voor eenige reusachtige Schotten met bloote beenen en bontgeruite rokken, plaids en mutsen met een veer, die, zoodra wij maar hun doedelzak hoorden, ons de vlucht deden nemen! Met zijn horen had Mattia hunne doedelzakken wel kunnen overstemmen, maar tegen de mannen, die de doedelzakken bliezen, waren wij niet bestand.

Evenmin konden wij het uithouden tegen de benden negers-muzikanten, de _nigger-melodist_, die de straten doorkruisen. Voor die valsche negers, die zich zoo potsierlijk uitdossen met rokken met lange smalle panden en groote witte boorden, waarin hun hoofd omvat is als een ruiker door een stuk papier, waren wij nog banger dan voor de schotsche zangers. Zoodra wij hen zagen aankomen of maar hun _banjo_ hoorden, zwegen wij eerbiedig en gingen wij naar eene andere wijk, waar wij hoopten geen van die benden te ontmoeten; of wel wij schaarden ons onder de omstanders en wachtten tot zij hun kattenmuziek geëindigd hadden.

Eens dat wij weder in den kring stonden, die zich om hen had gevormd, zag ik een van hen, den potsierlijkste van den troep, Mattia toewenken. Eerst dacht ik, dat hij den gek met ons stak en het publiek wilde onthalen op het een of ander dwaas tafereel, waarbij wij de lijdende rol vervullen zouden; maar tot mijne groote verwondering zag ik, dat Mattia hem vriendschappelijk toeknikte.

--Kent gij dien man? vroeg ik.

--'t Is Bob.

--Wie is Bob?

--Mijn vriend Bob uit het paardenspel van Gassot, een van de twee clowns, van wie ik u wel eens gesproken heb; hij is het, van wien ik het beetje engelsch heb geleerd, dat ik ken.

--Hadt ge hem dan niet dadelijk herkend?

--Hoe zou ik hem herkend hebben! Bij Gassot maakte hij zijn hoofd wit met meel; hier smeert hij er schoensmeer op.

Toen de voorstelling van de _nigger-melodist_ geëindigd was, kwam Bob bij ons en uit de wijze, waarop hij Mattia aansprak en de hand drukte, zag ik hoeveel men van mijn vriendje moest hebben gehouden: bij een broer had niet zooveel blijdschap uit de oogen en de stem kunnen spreken als bij dien voormaligen clown, die om de dure tijden, zooals hij zeide, reizend muzikant had moeten worden. Maar wij moesten al spoedig scheiden; hij om met zijn troep mede te gaan, wij om eene buurt op te zoeken waar zij niet waren. De twee vrienden spraken af den volgenden Zondag elkander te zullen vinden, om dan elkaar eens te vertellen wat zij beiden ondervonden hadden, sedert zij van elkander waren gescheiden. Uit vriendschap voor Mattia zeker, was Bob ook voor mij zeer vriendelijk en weldra hadden wij een vriend, die door zijne rijpere ervaring het verblijf in Londen ons veel aangenamer maakte dan het tot nu toe voor ons geweest was. Hij vatte ook een groote genegenheid op voor Capi en dikwijls zeide hij, dat als hij een hond had als deze, zijn fortuin spoedig zou gemaakt zijn. Meer dan eens deed hij ons ook het voorstel om met ons drieën, of liever met ons vieren, bij elkander te blijven: hij, Mattia, Capi en ik; maar zoo ik mijn familie niet verlaten wilde om naar Frankrijk terug te keeren en Lize en mijne vroegere vrienden te zien, nog veel minder wilde ik met Bob Engeland doorkruisen.

Zoo naderde voor ons het Kerstfeest. Inplaats van dan des morgens De Roode Leeuw te verlaten, gingen wij elken avond tegen acht of negen uur op pad en begaven ons naar de buurten, die wij gekozen hadden.

Het eerst begonnen wij op de meer afgelegen pleinen en straten, waar de rijtuigen waren verdwenen: het moest stil zijn, wilde onze muziek door de deuren en ramen doordringen en de kinderen doen ontwaken, om hun de nadering van het Kerstfeest aan te kondigen, welk feest bij de Engelschen in hooge eer wordt gehouden. Naarmate het later in den nacht werd, begaven wij ons in de grootere straten. Als de laatste rijtuigen, waarmede de menschen uit de schouwburgen terugkeerden, voorbij waren, werd het rustiger en zekere kalmte volgde op de woelige drukte van den dag. Dan speelden wij onze zachtste, liefelijkste stukjes, die iets zwaarmoedigs en godsdienstigs hadden: Mattia's viool scheen te weenen en mijne harp zuchtte, en als wij een oogenblik pauze hielden, bracht de wind de tonen tot ons over van de muziek, die andere muzikanten een paar straten verder maakten. Ons concert was uit. "Heeren en dames, goeden nacht en vroolijke Kerstmis."

Dan gingen wij verder, om op eene andere plaats te spelen.

Het moet heerlijk zijn muziek te hooren des nachts, als men in zijn bed ligt onder de warme dekens, en op een zachte peluw. Maar voor ons waren er geen dekens of peluws: wij moesten spelen met stramme, halfbevroren vingers. Nu eens was het een dikke lucht en de natte mist drong door onze kleeren heen; dan weder was de hemel helder en de scherpe noordenwind scheen het merg in onze beenderen te verstijven. Een zachten, zwoelen nacht kent men in Engeland niet, vooral niet tegen Kersttijd. O, die Kerstdagen waren wel hard voor ons! Toch bleven wij gedurende die drie weken geen enkelen nacht in huis.

Hoe dikwijls stonden wij stil, vóór zij nog gesloten waren, voor die winkels, waarin gevogelte, vruchten, taarten en wat dies meer zij, verkocht werd. Welke prachtige ganzen en kalkoenen en kippen zagen wij daar! gansche bergen sinaasappelen en appelen, kastanjes en gedroogde pruimen. Vooral de ingelegde vruchten deden ons watertanden.

Er waren zeker veel blijde kinderen, die al dat lekkers genoten en zich opgetogen in de armen hunner ouders wierpen.

En terwijl wij door de straten doolden, zagen wij, arme zwervende jongens, in onze gedachten de huisgezinnen feestelijk bijeen, zoowel in de aanzienlijkste huizen der rijken als in de stulpen van de armen.

En wij wenschten een vroolijke Kerstmis aan hen, die liefde genoten.

XL.

DE ANGST VAN MATTIA.

De heer James Milligan kwam niet meer in De Roode Leeuw, of althans wij zagen hem niet, hoe wij ook opletten.

Na Kerstmis moesten wij weder overdag uit en onze kans om hem te ontmoeten werd minder; onze hoop was nu nog op den zondag gevestigd. Wij bleven dan ook dikwijls thuis inplaats van gebruik te maken van den vrijen dag, om voor ons pleizier te gaan wandelen.

Wij wachtten.