Chapter 37
--O, ik wil u niet dwingen om mij iets te zeggen, waarover gij u schaamt. Ik ben niet slim; ik ben niet verstandig; maar zoo ik al niet begrijp wat tot mijn hersens moest kunnen doordringen, ik gevoel toch wat mij hier treft--hij legde bij die woorden zijn hand op het hart--. 't Is niet, omdat uw ouders arm zijn, dat gij mij wilt doen vertrekken; 't is niet, omdat zij mij niet kunnen voeden, want ik zou hun niet tot last zijn, ik zou voor hen werken, maar 't is omdat--na hetgeen gij vannacht gezien hebt--gij bang voor mij zijt.
--Mattia; zeg dat niet.
--Gij zijt bang dat ook ik de briefjes zal moeten afknippen van de waren, die niet gekocht zijn.
--O, zwijg toch, Mattia; mijn beste Mattia, zwijg toch.
En ik bedekte met beide handen mijn gelaat, dat rood was van schaamte.
--Welnu, zoo gij niet bang voor mij zijt, ging Mattia voort, ik ben bang voor u en daarom zeg ik: laten wij samen heengaan, laat ons naar Frankrijk terugkeeren, om vrouw Barberin en Lize en uwe vrienden op te zoeken.
--Dat is onmogelijk; mijne ouders zijn voor u niets; gij zijt hun niets verschuldigd; maar voor mij zijn zij mijne ouders en ik moet bij hen blijven.
--Uwe ouders! Die oude, lamme man, uw grootvader! Die vrouw, die over de tafel lag, uwe moeder.
Ik sprong op en thans bevende, en niet meer als een verzoek riep ik uit:
--Zwijg, Mattia; spreek zoo niét; ik verbied het u. 't Is mijn grootvader; 't is mijne moeder, van wie gij spreekt. Ik moet eerbied en liefde voor hen hebben.
--Dat moet ge, als zij werkelijk uwe ouders waren; maar als het noch uw grootvader, noch uw vader, noch uw moeder is, dan behoeft gij hen niet te eeren en lief te hebben.
--Hebt gij dan het verhaal van mijn vader niet gehoord?
--Wat bewijst dat verhaal? Zij hebben een kind verloren van uw leeftijd; zij hebben het laten zoeken en zij hebben er een gevonden van denzelfden ouderdom als zij verloren hadden; dat is al.
--Gij vergeet dat het kind, hetwelk men hun ontstolen heeft, te vondeling is gelegd in de avenue de Breteuil en dat ik in dezelfde straat op denzelfden dag gevonden werd, als dat kind werd verloren.
--Waarom zouden niet twee kinderen op denzelfden dag in dezelfde straat te vondeling zijn gelegd? Waarom zou de commissaris van politie zich niet kunnen vergist hebben, toen hij Driscol naar Chavanon zond? Dat is mogelijk.
--Dat is al te dwaas.
--Misschien; wat ik zeg, wat ik tracht te betoogen schijnt misschien onmogelijk, maar alleen, omdat ik het verkeerd zeg en verkeerd uitleg; omdat ik een dom schepsel ben; een ander zou het beter weten uit te leggen en dan zou het zeer verklaarbaar zijn. Ik ben dwaas, maar niet mijn denkbeeld. Dat is al.
--Helaas! neen; dat is _niet_ al.
--Dan moet gij ook in aanmerking nemen, dat gij noch op uw vader, noch op uw moeder gelijkt en dat gij geen blonde haren hebt als uw broers en zusters, die allen, allen zonder uitzondering, dezelfde kleur van haar hebben. Waarom zoudt gij dan ook niet zulk haar hebben? Van de andere zijde is er nog een zeer zonderlinge zaak: hoe hebben menschen, die niet rijk zijn, zooveel geld kunnen uitgeven om hun kind terug te vinden? Om al deze redenen zijt gij, naar mijne overtuiging, geen Driscoll. Ik weet wel dat ik dom ben; dat heeft men altijd gezegd; maar dat is de schuld van mijn hoofd. Gij zijt geen Driscoll en gij moet niet bij de Driscoll's blijven. Als gij nochtans bij hen blijven wilt, dan blijf ik bij u. Maar gij moet aan vrouw Barberin verzoeken ons te schrijven hoe uwe luiers er precies uitzagen; als wij haar brief zullen ontvangen hebben, kunt gij hem, die zich uw vader noemt, ondervragen en dan zullen wij wat meer licht krijgen in deze zaak. Tot zoolang verlaat ik u niet en blijf ik bij u, ondanks u zelven. Als er gewerkt moet worden, zullen wij samen werken.
--Maar als men Mattia weder eens op zijn hoofd sloeg?
Hij lachte treurig.
--Dat zou zooveel pijn niet doen; men voelt de klappen niet, die men ter wille van een vriend bekomt.
XXXVI.
CAPI OP DEN SLECHTEN WEG.
Eerst tegen het vallen van den avond keerden wij in De Roode Leeuw terug; den geheelen dag bleven wij in het fraaie park wandelen en praten, nadat wij ontbeten hadden met een stuk brood, dat we hadden gekocht.
Mijn vader was thuis gekomen en mijn moeder stond overeind. Hij noch zij maakte eenige opmerking over onze lange wandeling; eerst na het avondeten zeide mijn vader, dat hij een woord met ons beiden, Mattia en mij, wilde spreken en hij liet ons bij den grooten schoorsteen komen, waarop de oude man begon te brommen, daar hij blijkbaar aan zijne plaats bij den haard gehecht was.
--Vertel me nu eens hoe ge in Frankrijk aan den kost zijt gekomen, sprak mijn vader.
Ik vertelde hem wat hij vroeg.
--Dus zijt gij nooit bang geweest, dat gij van honger zoudt omkomen?
--Nooit; niet alleen hebben wij in ons onderhoud kunnen voorzien, maar wij hebben ook nog zooveel overgehouden, dat wij eene koe konden koopen, zeide Mattia vrijmoedig, en op zijne beurt vertelde hij hoe wij aan onze koe gekomen waren.
--Dus hebt gij wezenlijk talent? vroeg mijn vader. Laat me eens hooren wat gij kunt.
Ik nam mijn harp en speelde een lied, maar niet het napolitaansche.
--Heel goed, heel goed; en wat kan Mattia?
Deze speelde eerst een deuntje op de viool en daarna op den horen.
Dit verwierf vooral den bijval der kinderen die, in een kring om ons heen geschaard, naar ons stonden te luisteren.
--En Capi? vroeg mijn vader, waar speelt die op? Ik denk niet, dat gij alleen voor uw pleizier dien hond met u medeneemt. Hij moet minstens in staat zijn om zijn eigen kost te verdienen.
Ik was trotsch op de talenten van Capi, niet alleen om hem zelven, maar ook om Vitalis; ik liet hem eenige kunstjes doen en als gewoonlijk vonden de kinderen dit weder alleraardigst en werd hij luide toegejuicht.
--Maar die hond is een fortuin, zeide mijn vader.
Ik beantwoordde dat compliment met een lofrede op Capi en verzekerde hem, dat hij in korten tijd alles kon leeren wat men wilde, ook dingen, die men gewoonlijk niet van een hond ziet.
Mijn vader vertaalde die woorden in het engelsch en hij scheen er eenige woorden bij te voegen, die ik niet verstond, maar die allen deden lachen, mijne moeder, zoowel als de kinderen en ook mijn grootvader, die bij herhaling met de oogen knipte en uitriep: "_a fine dog_," wat beteekende: een mooie hond. Maar Capi was er niet trotsch op.
--Nu dit het geval is, vervolgde mijn vader, wil ik u een voorstel doen. Maar eerst moet ik weten of Mattia in Engeland wil blijven en of hij bij ons zijn intrek wil nemen.
--Ik wensch bij Rémi te blijven, antwoordde Mattia, die veel slimmer was dan hij wel deed schijnen en ook dan hij zelf wel wist. Waar Rémi gaat, daar ga ik ook.
Mijn vader, die niet gissen kon wat er met dat antwoord bedoeld werd, scheen ermede tevreden.
--Als de zaken zoo gesteld zijn, kom ik op mijn voorstel terug. Wij zijn niet rijk en wij werken allen om aan den kost te komen. Des zomers doorkruisen wij Engeland en mijne kinderen gaan onze koopwaar aanbieden aan de menschen, die zich de moeite niet willen geven om tot ons te komen, maar 's winters hebben wij niet veel te doen. Zoolang wij te Londen zijn, zullen Rémi en Mattia muziek maken op straat en ik twijfel er niet aan of zij zullen goed geld verdienen, vooral tegen Kersttijd bij de zoogenaamde _waits_ of nachtwaken. Maar daar wij niets moeten verloren laten gaan, zal Capi voorstellingen geven met Allen en Ned.
--Capi kan alleen zijn kunstjes vertoonen met ons, zeide ik levendig, want het beviel me volstrekt niet, dat ik van hem zou moeten scheiden.
--Hij zal 't wel leeren met Allen en Ned, wees maar gerust, hervatte mijn vader, en door ons zoo te verdeelen, verdienen wij veel meer.
--Maar ik verzeker u, dat hij niets goed zal doen, en bovendien zullen Mattia en ik minder verdienen; met Capi bij ons zullen wij veel beter zaken maken.
--'t Is genoeg, zeide mijn vader; als ik eens iets gezegd heb, moet dit terstond gebeuren, dat is zoo de regel van mijn huis, en ik verlang, dat ge u daaraan onderwerpt, evenals al de anderen.
Ik mocht niets meer zeggen en ik zeide ook niets meer, maar ik dacht bij me zelven, dat mijn mooie droomen voor Capi even treurig zouden eindigen als voor mij zelven. Wij zouden dus gescheiden worden! Welk een treurig lot voor hem en voor mij.
Wij gingen nu naar onzen wagen om ons te rust te leggen, maar thans sloot mijn vader de deur niet af.
Toen ik mij te rusten legde, kwam Mattia, die langer bezig was geweest om zich te ontkleeden, bij mij en fluisterde me op gedempten toon toe:
--Ge merkt dat hij, die zich uw vader noemt, niet alleen kinderen wil hebben, die voor hem werken, maar ook honden; kan dat nu uw oogen nog niet openen? Morgen schrijven wij aan vrouw Barberin.
Maar den anderen dag moest ik Capi zijn les leeren; ik nam hem in mijn armen en zachtjes, terwijl ik hem liefkoosde en kuste vooral op zijn snuit, vertelde ik hem wat ik van hem verwachtte. Het arme dier keek mij aan en luisterde aandachtig toe.
Toen ik het touw aan Allen in de hand gaf, herhaalde ik mijne les en Capi was zoo verstandig, zoo leerzaam, dat hij mijn twee broers volgde, wel heel neerslachtig, maar toch zonder zich te verzetten.
Wat Mattia en mij betreft, mijn vader wilde zelf ons in een gedeelte der stad brengen, waar wij kans hadden goede zaken te doen, en wij doorkruisten heel Londen om in eene wijk te komen, waar fraaie huizen stonden met groote deuren, en straten met tuinen voor de gebouwen. In die prachtige straten zag men geen arme menschen meer in lompen gehuld en met hongerige gezichten, maar schoone dames met prachtige toiletten, rijtuigen met beschilderde paneelen, die blonken als spiegels en mooie paarden, die gemend werden door dikke, groote koetsiers met gepoederde pruiken.
Eerst laat keerden wij in De Roode Leeuw terug, want de afstand is groot tusschen Westend en Bethnal-Green, en ik was recht blij Capi weer te zien, wel wat beslijkt, maar gezond en vroolijk.
Ik was zoo in mijn schik, toen ik hem weerzag, dat ik hem terstond met mijn droge hand afwreef en hem in mijn schapevacht wikkelde en in mijn bed legde. Wie de gelukkigste van ons beiden was, hij of ik, zou ik moeilijk kunnen zeggen.
Zoo leefden wij eenige dagen; des morgens vroeg gingen wij uit en des avonds laat keerden we terug, na al onze stukjes te hebben gespeeld, nu eens in de eene buurt dan in de andere, terwijl, van zijn kant, Capi voorstellingen ging geven onder leiding van Allen en Ned; maar op een avond zeide mijn vader, dat ik den volgenden morgen Capi met mij zou kunnen nemen, daar hij Allen en Ned thuis zou houden.
Dat deed ons veel plezier en Mattia en ik namen ons voor, dat wij dien dag zulk eene goede som gelds zouden thuis brengen, dat men hem ons voortaan altijd zou meegeven. Wij moesten Capi weder voor ons winnen en wij zouden dus geen moeite ontzien.
Des morgens maakten wij hem dus zoo mooi mogelijk, en na het ontbijt begaven wij ons op weg naar die buurt, waar wij bij ondervinding wisten, dat het geachte publiek het mildst was. Wij moesten daartoe geheel Londen van het oosten naar het westen doorsteken door Old Street Holborn en Oxford Street.
Ongelukkig voor ons en zeer nadeelig voor onze onderneming, trok de mist, die al twee dagen duurde, maar niet op. De lucht, of wat men in Londen de lucht noemt, bestond uit een oranjeachtigen nevel en in de straten hing eene soort van grijzen damp, die belette, dat men verder dan een paar schreden voor zich uit kon zien. De menschen zouden dus hun huis niet uitkomen, en zoo men ons al kon hooren, men zou Capi niet zien. Er was dus niet veel kans op een goeden dag, en Mattia verwenschte den mist, dien akeligen fog, zonder te gissen welk een dienst hij een oogenblik later aan ons alle drie bewijzen zou.
Wij stapten stevig door, en hielden Capi vlak achter ons; een woord, dat ik hem van tijd tot tijd toevoegde, was daartoe meer voldoende dan de stevigste ketting. Zoo kwamen wij in Holborn, dat, zooals men weet, een der drukste straten van Londen is, waarin men de meeste winkels vindt. Opeens ontdekte ik, dat Capi ons niet meer volgde. Wat was er met hem gebeurd? Dit was iets geheel buitengewoons. Ik stond stil om hem op te wachten, vatte post op den hoek van eene dwarsstraat en floot zachtjes, want ik kon niet ver van mij afzien. Ik was al bang, dat hij gestolen zou zijn, toen hij plotseling bij mij stond met een paar wollen kousen in zijn bek. Hij zette kwispelstaartend de pooten tegen mijne knieën, bood mij de kousen aan en scheen me te verzoeken, dat ik die zou aannemen. Hij scheen er zeer mede in zijn schik, alsof hij een zijner mooiste toeren had vertoond, en nu mijne goedkeuring verwachtte.
Dit had slechts een oogenblik geduurd, toen eensklaps Mattia de kousen met de eene hand greep en met de andere mij voorttrok.
--Laten we gauw voortgaan, maar zonder hard te loopen, fluisterde hij.
Eerst na eenige minuten gaf hij mij de verklaring van die vlucht.
--Evenals gij, zeide hij, vroeg ik me af, waar dat paar kousen vandaan kwam, toen ik een man hoorde uitroepen: "waar is de dief?" De dief, dit vat ge, was Capi. Als er niet zoo'n zware mist hing, zouden wij als dieven zijn gepakt.
Ik begreep het nog niet best: een oogenblik stond ik als verbijsterd; zij hadden een dief gemaakt van mijn goeden, eerlijken Capi!
--Laten wij naar huis gaan, zeide ik tot Mattia, en bond Capi aan een touw.
Mattia zeide geen woord en wij keerden zoo snel mogelijk naar De Roode Leeuw terug.
Vader, moeder en de kinderen zaten om de tafel en waren bezig om de manufacturen uit te vouwen. Ik wierp het paar kousen op tafel, waarover Allen en Ned hartelijk begonnen te lachen.
--Daar is een paar kousen, zeide ik, dat Capi gestolen heeft, want men heeft een dief van hem gemaakt. Ik hoop dat het maar voor de aardigheid was.
Ik beefde terwijl ik dit zeide, maar nooit had ik me zoo vastberaden gevoeld.
--En als het eens niet voor de aardigheid was, zeide mijn vader, wat zoudt ge dan doen? zeg dat eens.
--Dan zou ik Capi een touw om den hals binden en hem in de Theems verdrinken. Ik wil niet, dat Capi een dief wordt, evenmin als ik zelf een dief worden wil. Als ik dacht, dat dit me overkomen moest, zou ik me tegelijk met hem gaan verdrinken.
Mijn vader zag mij dreigend aan en maakte eene beweging of hij me wilde vermoorden, zijn oogen kwamen bijna uit de kassen; maar ik sloeg de mijne niet neer; langzamerhand nam zijn gelaat weder de gewone uitdrukking aan.
--Ge hebt gelijk, zeide hij; 't was maar voor de aardigheid. Opdat het niet meer gebeure, zal Capi voortaan alleen met u uitgaan.
XXXVII.
DE MOOIE LUIERS WAREN BEDROG.
Wat ik ook gedaan had om goede vrienden met mijn broeders Ned en Allen te worden, zij hadden mij altijd nijdig van zich gestooten, en alles wat ik voor hen had willen doen, hadden zij geweigerd: blijkbaar was ik in hun oog geen broer van hen.
Na het gebeurde met Capi, werd onze verhouding zuiverder aangegeven. Wel niet met woorden, want ik kon mij niet gemakkelijk in het engelsch uitdrukken, maar door eenige duidelijke gebaren, waarbij mijne vuisten eene voorname rol speelden, gaf ik hun te kennen, dat, zoo zij het minste tegen Capi ondernamen, ze met mij te doen zouden hebben om hem te verdedigen of te wreken.
Nu ik geen broers had, wilde ik toch zusters hebben; maar Annie, de oudste, betoonde mij al niet meer genegenheid dan hare broeders; evenals zij, beantwoordde zij elke poging tot toenadering met stuurschheid en geen dag ging er voorbij, zonder dat zij mij eenige streek speelde, waarin zij--dit moet ik erkennen--zeer ver was.
Door Allen en Ned afgestooten en afgestooten ook door Annie, bleef mij niets dan de kleine Kate, die pas drie jaar oud was en dus te jong om met haar broers en zusters samen te spannen. Zij liet zich dan ook door mij liefkoozen, eerst omdat ik Capi kunstjes voor haar liet doen en later, toen ik Capi weder terugkreeg, omdat ik haar koekjes, sinaasappelen en andere lekkernijen gaf, die ik kreeg van de kinderen, als ze met een heel voornaam gezichtje riepen: "voor den hond." Sinaasappelen aan een hond te geven was niet heel verstandig, maar ik nam ze dankbaar aan, want op die wijze kon ik de liefde winnen van Kate.
Dus was er van het geheele gezin, waarvoor ik zooveel liefde gevoelde, toen ik in Engeland aan wal stapte, slechts een enkel lid, de kleine Kate, die ik mocht liefhebben. Mijn grootvader ging nog maar altijd voort met te spuwen naar mijn kant, als ik dicht bij hem kwam; mijn vader bemoeide zich niet met me, behalve des avonds om het geld te ontvangen dat wij hadden verdiend; mijn moeder was in den regel buiten westen. Allen, Ned en Annie hadden een hekel aan mij; Kate alleen, liet zich aanhalen, en nog maar alleen, omdat ik mijn zakken vol lekkers had.
Welk eene teleurstelling!
In mijne droefheid zeide ik dan ook bij mij zelven, niettegenstaande ik de onderstelling van Mattia in het eerst had afgewezen, dat, zoo ik werkelijk het kind was van die familie, men andere gevoelens mij zou toedragen dan mij nu zoo onbewimpeld werden getoond, terwijl ik, van mijn kant, niets gedaan had om die onverschilligheid en die hardheid te verdienen.
Toen Mattia mij onder den indruk zag van die treurige overpeinzing, begreep hij zeer goed, wat er de oorzaak van was, en alsof hij tot zich zelven sprak, zeide hij:
--Ik ben erg nieuwsgierig wat vrouw Barberin zal antwoorden.
Teneinde den brief te bekomen, die mij "poste restante" zou worden toegezonden, waren wij van onzen gewonen tocht afgeweken en inplaats van naar Holborn te gaan, begaven wij ons over West-Smithfield naar het postkantoor. Zeer dikwijls deden wij dien tocht tevergeefs, maar eindelijk werd de brief, dien wij met zooveel ongeduld verwachtten, mij ter hand gesteld.
Het groote gebouw van het postkantoor was geen plaats bijzonder geschikt om brieven te lezen. Wij zochten daarom een gang op in eene naburige straat, wat mij tevens den tijd gaf om mijne ontroering eenigszins meester te worden. Daar kon ik eindelijk den brief van vrouw Barberin, of liever van den pastoor van Chavanon, openmaken. Hij luidde:
Mijn lieve Rémi!
"Ik ben zeer verwonderd en ontstemd over hetgeen in uw brief te lezen staat, want naar hetgeen mijn goede Barberin mij altijd gezegd had, zoowel nadat hij u in de Avenue de Breteuil had gevonden als nadat hij met den persoon gesproken had, die u zocht, moesten uwe ouders bemiddelde, ja zelfs vermogende menschen zijn.
"In die meening werd ik bevestigd door de wijze, waarop gij gekleed waart toen Barberin u te Chavanon bracht en uit de kleeren, die gij toen aanhadt, bleek klaar, dat zij tot de luiermand behoorden van een rijk kind. Gij verzoekt mij u duidelijk te beschrijven hoe de kleertjes er uitzagen, waarin men u had gewikkeld. Ik kan dit des te gemakkelijker doen, omdat ik al die voorwerpen heb bewaard, daar zij eenmaal misschien strekken konden om u te doen herkennen, als men u mocht opvorderen, wat volgens mij zeker moest gebeuren.
"Maar vooraf moet ik u zeggen, dat gij eigenlijk geen luiers hadt; als ik daarvan soms gesproken mocht hebben was dit uit gewoonte en omdat de kinderen bij ons luiers dragen. Gij hadt die niet; integendeel; zie hier hoe gij waart aangekleed en welke dingen ik bij u heb gevonden: een kanten mutsje, dat niets bijzonders had behalve dat het zeer fraai en kostbaar was; een nauwsluitend hemdje van fijn linnen met een kantje aan den hals en aan de armen; een flanellen hemdje; witte wollen kousjes; gebreide witte schoentjes; een manteltje met een kap van wit cachemir met zijde gevoerd en fraai geborduurd.
"Gij hadt een wollen luier aan, die tot dezelfde luiermand behoorde, maar bij den commissaris van politie had men u eene andere aangedaan, een gewonen doek.
"Ik moet er ten slotte nog bijvoegen, dat geen van die kleeren gemerkt waren, maar de wollen luier en het hemdje moeten gemerkt zijn geweest, want de hoeken, waarop gewoonlijk het merk staat, waren afgeknipt, waaruit genoeg blijkt, dat men alle voorzorgen had genomen om nasporingen vruchteloos te maken.
"Ziedaar, lieve Rémi, alles wat ik u vertellen kan. Als gij meent die dingen noodig te hebben, schrijft mij dan maar; dan zal ik ze u zenden.
"Laat het u maar niet spijten, kindlief, dat gij mij de mooie presenten niet geven kunt, die gij mij hebt beloofd: de koe, waarvoor gij het geld uit uw mond gespaard hebt, is voor mij mooier dan het kostbaarste geschenk. Ik kan u tot mijn blijdschap zeggen, dat zij nog altijd gezond is; zij blijft evenveel melk geven en door haar heb ik nu alles wat ik noodig heb en leef ik in overvloed. Zoo dikwijls ik ze zie, denk ik aan u en aan uw vriendje Mattia.
"Gij zult mij genoegen doen als gij weer eens iets van u laat hooren; moge het altijd iets goeds zijn. Gij zijt zoo lief en hartelijk: wat zoudt gij gelukkig zijn met eene familie, een vader, een moeder, broers en zusters, die u liefhadden, zooals gij verdient.
"Vaarwel, mijn lief kind; ik omhels u hartelijk in gedachten.
Uw pleegmoeder, Weduwe Barberin."
Het slot van den brief deed mijn hart kloppen: arme vrouw Barberin! wat was zij goed voor mij. Dat was omdat zij mij liefhad en zij zich verbeeldde dat iedereen mij moest liefhebben zooals zij.
--'t Is eene goede vrouw, zeide Mattia, zij heeft aan mij ook gedacht; maar al had zij mij vergeten, dan zou ik haar toch dankbaar zijn voor haar brief om die uitvoerige beschrijving; die Driscoll moet zich nu niet vergissen als hij de kleeren opnoemt, die gij aanhadt, toen men u stal.
--Hij kan ze vergeten hebben.
--Zeg dat nu niet: zou men de kleeren kunnen vergeten van het kind, dat men verloren heeft,--want die zouden juist het eenige middel zijn om het terug te vinden.
--Zoolang mijn vader mij nog niet geantwoord heeft, moet gij niet zulke onderstellingen maken, als ik je verzoeken mag.
--Welnu, wij zullen zien.
Het was geen gemakkelijke zaak om aan mijn vader te vragen hoe ik gekleed was, toen ik gestolen werd. Als ik hem heel argeloos, zonder bijgedachte, die vraag kon doen, zou niets eenvoudiger zijn geweest; maar dit was zoo niet; en het was juist die bijgedachte, die mij beschroomd en aarzelend maakte.
Eindelijk, toen een ijskoude regen ons eens op een avond vroeger naar huis had gedreven dan gewoonlijk, vatte ik moed en bracht ik het gesprek op het onderwerp, dat mij zoo onophoudelijk kwelde.
Bij het eerste woord zag mijn vader mij strak aan en trachtte met zijn blik mijne gedachte uit te vorschen, zooals hij gewoon was te doen, wanneer hij zich gekrenkt gevoelde door hetgeen ik zeide, maar ik doorstond zijn blik beter dan ik op dat oogenblik gemeend had te kunnen doen.
Ik dacht dat hij woedend boos zou worden en wierp een angstigen blik naar Mattia, die naar ons luisterde, zonder den schijn ervan aan te nemen, om hem getuige te doen zijn van de onhandigheid, die hij mij had doen begaan; maar dit gebeurde niet; toen de eerste aanval van drift voorbij was, begon hij te glimlachen; wel is waar was er iets hards en wreeds in dien glimlach, maar hij glimlachte toch.
--Wat mij het meest geholpen heeft om u terug te vinden, zeide hij, was de beschrijving van de kleeren die gij aanhadt den dag dat men u gestolen heeft: een kanten mutsje, een linnen hemdje met kant geboord, een luier en flanellen jurk, wollen kousjes, gebreide schoentjes, een cachemiren geborduurd manteltje met een kap. Ik had vooral gehoopt, dat de letters, waarmede uw goed gemerkt was, F. D.--Francis Driscoll, want zoo is uw naam,--mij op het spoor zouden brengen; maar dat merk is er afgeknipt door haar, die u gestolen heeft en daardoor meende zij te beletten, dat men u ooit ontdekte; ik moest uw geboorte-akte overleggen, die ik in de parochie gelicht had; deze heeft men mij gegeven en ik moet ze nog hebben.