Alleen op de Wereld

Chapter 35

Chapter 354,181 wordsPublic domain

Ik kon het niet langer meer uithouden; ik klauterde naar beneden om Mattia te halen; hij werd wakker en daar zijne zeeziekte voorbij was, was ook zijn knorrig humeur geweken, zoodat hij er niets tegen had om met mij op mijne kisten te klimmen. Ook hij was verbijsterd door het schouwspel en wreef zijne oogen uit; hier en daar doorsneden de kanalen de weilanden en stortten zich dan in de rivier uit, hunne vracht van schepen met zich voerende.

Ongelukkig werden de rook en de mist nog dikker; men zag slechts nu en dan iets om zich heen en hoe verder men kwam, zooveel te donkerder werd het.

Eindelijk verminderde onze boot hare vaart; de machine stond stil; de touwen werden naar den oever geworpen; wij waren te Londen en stapten aan wal temidden van menschen, die ons aanstaarden, maar zonder een woord tot ons te spreken.

--Nu is het oogenblik gekomen, dat ge van uw engelsch partij kunt trekken, Mattia, zeide ik.

En Mattia, die het volste vertrouwen had in zijne kennis van de taal, gaat recht op een grooten man met een rooden baard af en vraagt hem heel beleefd, met den hoed in de hand, den weg naar Green-Square.

Het kwam me voor, dat het zeer lang duurde eer Mattia den man aan het verstand had gebracht wat hij bedoelde: bij herhaling moest hij hetzelfde vragen, maar ik hield me of ik volstrekt niet twijfelde aan de kennis van mijn vriend.

Eindelijk kwam hij terug.

--'t Is heel gemakkelijk te vinden, zeide hij; wij behoeven maar den loop van de Theems te volgen en de kaden te houden.

Maar er zijn geen kaden te Londen, of liever zij waren er niet in dien tijd; de huizen, staken vooruit tot in de rivier. Wij waren dus genoodzaakt de straten te volgen, die, naar wij meenden, evenwijdig met de rivier liepen.

Het waren donkere straten, slijkerig, onophoudelijk versperd door wagens en kisten en balen en pakken van allerlei aard, en slechts met moeite baanden wij ons een weg door de hinderpalen, die telkens zich vernieuwden. Ik had Capi aan een touw gebonden en hij volgde mij op de hielen; het was pas één uur in den namiddag en toch was in alle winkels het gaslicht aangestoken; het regende roet.

Onder deze omstandigheden gezien, maakte Londen op ons niet denzelfden indruk als de Theems.

Wij gingen maar altijd verder en van tijd tot tijd vroeg Mattia of wij nog ver van Lincoln's Inn waren. Hij vertelde mij toen, dat wij onder een groote poort moesten doorgaan, welke den weg, dien we volgden, versperde. Dit scheen mij zeer vreemd toe, maar ik durfde niet zeggen dat ik vreesde, dat hij zich vergiste.

Hij vergiste zich dan ook niet en wij kwamen aan een geverfde poort, die zich met twee zijpoortjes over een straat uitstrekte: dat was Temple Bar. Opnieuw vroegen wij den weg en men zeide ons, dat wij rechts moesten afslaan.

Toen bevonden wij ons niet langer in die breede straten vol beweging en gedruisch: integendeel, volgden wij smalle, stille straten, die zich in elkander kronkelden en het scheen ons toe, dat wij zelven in een kring rondliepen en in dezen doolhof niet verder kwamen.

Opeens, toen wij ons al verdoold achtten, stonden wij voor een klein kerkhof vol grafteekens, waarvan de steenen zoo zwart zagen of men ze met roet of schoensmeer had gepoetst: dit was Green Square--het groene plein!

Terwijl Mattia den weg vroeg aan eene schim, die wij ontmoetten, stond ik stil om het kloppen van mijn hart te bedwingen; ik haalde bijna geen adem meer, zoo beefde ik.

Daarop volgde ik Mattia weder en wij stonden stil voor eene koperen plaat, waarop men las "Greth and Galley."

Mattia deed een paar schreden voorwaarts om aan de schel te trekken, maar ik hield zijn arm terug.

--Wat hebt ge? vroeg hij. Gij ziet zoo bleek.

--Wacht een oogenblik, tot ik al mijn moed bijeengezameld heb.

Hij schelde en wij traden binnen.

Ik was zoozeer onder den indruk, dat ik niets onderscheiden kon van hetgeen ik om me zag; het scheen me toe, dat wij in een kantoor waren en dat twee of drie personen, over schrijftafels gebogen, schreven bij het schijnsel van verscheidene gaspitten, die een krassend geluid maakten.

Tot een van die heeren richtte Mattia zich, want natuurlijk had ik het aan hem overgelaten het woord te voeren. In hetgeen hij zeide kwamen herhaaldelijk de woorden "boy", "family" en "Barberin" voor; ik begreep dat hij vertelde dat ik de knaap was, dien men door Barberin had doen zoeken. De naam van Barberin maakte indruk: men zag ons aan en de persoon, tot wien Mattia zich had gericht, stond op en opende ons eene deur.

Wij kwamen in eene kamer vol boeken en papieren; een heer, voor eene schrijftafel gezeten, en een ander in een zwarten toga en met een pruik op, die verscheidene blauwe zakken in zijn hand had, was met hem in gesprek.

Met een paar woorden vertelde hij, die ons was voorgegaan, wie wij waren en de beide heeren beschouwden ons toen van het hoofd tot de voeten.

--Wie van u beiden is het kind dat door Barberin is opgevoed? vroeg in het fransch de heer, die voor de schrijftafel gezeten was.

Toen ik fransch hoorde spreken, voelde ik mij weer geruster en ik deed een stap voorwaarts.

--Dat ben ik, mijnheer.

--Waar is Barberin?

--Die is dood, mijnheer.

De beide heeren zagen elkander een oogenblik aan; toen ging hij, die de pruik op had, heen, de zakken met zich nemende.

--Hoe ben je dan hier gekomen? vervolgde de heer, die begonnen was met ons te ondervragen.

--Te voet tot Boulogne en van Boulogne naar Londen met eene stoomboot; wij zijn pas aangekomen.

--Heeft Barberin u geld gegeven?

--Wij hebben Barberin niet gezien.

--Maar hoe wist gij dan, dat gij hier moest wezen?

Ik vertelde hem zoo kort mogelijk wat hij verlangde te weten.

Ik verlangde op mijne beurt eenige vragen te doen, die mij op de lippen brandden, maar ik kreeg er den tijd niet toe.

Ik moest vertellen hoe ik grootgebracht was door Barberin, hoe ik door dezen aan Vitalis was verkocht, hoe ik, na den dood van mijn meester, door de familie Acquin was opgevoed, hoe de vader in de gevangenis was gebracht wegens schuld en hoe ik daarop mijn bedrijf als rondreizend muzikant weder had voortgezet.

Terwijl ik vertelde, maakte de heer eenige aanteekeningen en zag hij mij aan op eene wijze, die mij hinderde; hij had dan ook een stug voorkomen en iets schurkachtigs in zijn glimlach.

--En wie is die jongen? vroeg hij, naar Mattia wijzend met de punt van zijn stalen pen, alsof hij hem die als een spies naar het hoofd wilde werpen.

--Een vriend, een makker, een broeder.

--Heel goed; dus maar een kennis, onderweg opgedaan, niet waar.

--Neen, de beste, de innigste broederlijke vriend.

--O, daar twijfel ik niet aan.

Het oogenblik scheen mij nu gekomen om eindelijk ook de vraag te doen, die mij van het begin van ons gesprek af op de lippen had gelegen.

--Woont mijn familie in Engeland, mijnheer?

--Zeker; ze woont in Londen, tenminste voor het oogenblik.

--Dus zal ik haar zien?

--Over eenige oogenblikken zult gij bij haar zijn. Ik zal er u heen laten brengen.

Hij schelde.

--Nog een enkel woord, als ik mag: heb ik een vader?

Slechts met moeite kon ik dit woord uitspreken.

--Niet alleen een vader, maar een moeder, broers en zusters.

--O, mijnheer....

--Maar de deur ging open en dit maakte dat ik mijn gevoel moest bedwingen; ik kon slechts met betraande oogen Mattia aanzien.

De heer zeide in het engelsch iets tot den binnenkomende en ik meende eruit te begrijpen, dat hij dezen last gaf om ons te begeleiden.

Ik was opgestaan.

--O, ik vergat het u nog te zeggen, sprak de heer; uw naam is Driscoll; zoo heet uw vader.

Ondanks zijn stug voorkomen had ik hem wel om den hals kunnen vallen, als hij er mij de gelegenheid toe gelaten had, maar hij wees met de hand naar de deur en wij gingen heen.

XXXIV.

DE FAMILIE DRISCOLL.

De klerk, die mij bij mijne ouders zou brengen, was een mager mannetje met een perkamentachtig gerimpeld gezicht, in een zwarten herstelden rok gekleed, die blonk van ouderdom, en met een witte das. Toen wij buiten waren gekomen, wreef hij zich zoo hartstochtelijk in de handen, dat zijne vingers en polsen kraakten. Toen zette hij zijne beenen uit of hij zijne gelapte laarzen van zich wilde werpen en den neus in de lucht stekend, ademde hij met kracht en herhaaldelijk de mistige lucht in met het zalig gevoel van iemand, die opgesloten is geweest.

--Hij vindt dat die lucht lekker ruikt, zeide Mattia in het italiaansch.

Het mannetje zag ons aan en zonder een woord te spreken, riep hij: Pst! pst! alsof wij een paar honden waren, en dit beteekende, dat wij hem op de hielen moesten volgen en hem niet uit het oog moesten verliezen.

Weldra waren wij in eene groote straat gekomen, waar het wemelde van wagens en rijtuigen; hij hield er een aan, waarvan de koetsier, inplaats van op den bok vlak achter zijn paard, hoog boven en achter de kap zat. Later vernam ik, dat zulke rijtuigen cabs heeten.

Hij deed ons plaats nemen in het rijtuig, dat van voren open was en door een opening in de kap begon hij een gesprek met den koetsier. Verscheidene malen sprak hij het woord _Bethnal-Green_ uit en ik dacht, dat dit de naam was van de wijk waar mijne ouders woonden. Ik wist dat _green_ in het engelsch groen beteekende en dit deed me vermoeden, dat die wijk met fraaie boomen was beplant, wat mij recht aangenaam was. Dat zou dus heel iets anders zijn dan die leelijke sombere straten van Londen, die wij bij onze aankomst doorkruist hadden. Het was zeker een mooi huis op een ruim plein, omringd van boomen.

Het gesprek tusschen onzen geleider en den koetsier duurde zeer lang; nu eens richtte de een zich op om door de opening eenige inlichtingen aan den koetsier te geven; dan weder was het deze die van zijn bok scheen te willen klimmen om door de opening te zeggen, dat hij volstrekt niets begreep van hetgeen men hem uitduidde.

Mattia en ik hadden ons in een hoek teruggedrongen met Capi tusschen ons en luisterden naar het gesprek. Het verwonderde me inwendig, dat die koetsier eene plaats, zoo mooi als Bethnal-Green, niet kende; er moesten dus vele van die groene pleinen in Londen zijn. Dat was vreemd, want te oordeelen naar hetgeen wij gezien hadden, zou ik eer gedacht hebben, dat alles met roet was bedekt.

Wij reden vrij snel door breede straten, dan door enge straten, dan weder door breede straten, maar zonder iets om ons heen te onderscheiden, zoo dicht was de nevel, die alles omhulde. Het begon koud te worden en toch voelden wij eene belemmering in de ademhaling, alsof wij stikken zouden. Als ik zeg "wij", bedoel ik Mattia en mij, want onze geleider scheen het weer prettig te vinden; telkens haalde hij diep adem met wijd geopenden mond, als wilde hij een grooten voorraad lucht in zijn longen opdoen en nu en dan deed hij weder zijn vingers kraken en rekte hij zijne beenen uit. Zou hij jarenlang in een toestand hebben doorgebracht, dat hij zich niet bewegen kon en haast geen adem kon halen?

Ondanks de ontroering, die zich van mij had meester gemaakt bij de gedachte, dat ik zoo straks, over een paar minuten misschien, mijne ouders zou omhelzen, mijn vader, mijne moeder, mijne broers en mijne zusters, had ik grooten lust om de stad eens te zien die wij doorreden. Dat was toch _mijn_ stad; _mijn_ vaderland.

Maar hoe ik de oogen ook opende, ik zag niets of bijna niets dan de roode gasvlammen, die in den mist brandden als in eene dichte rookwolk. Ternauwernood onderscheidde men de lichten der rijtuigen, die ons voorbij reden en van tijd tot tijd moest het onze plotseling stilstaan, om niet met andere wielen in aanraking te komen of de menschen niet te overrijden die zich op straat verdrongen.

Wij reden nog maar altijd voort; het was al lang geleden sinds wij Greth and Galley hadden verlaten en dit versterkte mij in de meening, dat mijne ouders buiten woonden; ongetwijfeld zouden wij weldra van de enge straten in de vrije natuur komen.

Daar Mattia en ik elkander bij de hand hielden, deed mij de gedachte dat ik mijne ouders zou vinden, zijne hand drukken; het scheen mij toe dat ik hem moest doen gevoelen, dat ik nog altijd zijn vriend was, op dit oogenblik zelfs meer dan ooit.

Maar inplaats van in de vrije natuur te komen, reden wij nog engere straten in en hoorden wij het fluiten der locomotieven.

Toen verzocht ik Mattia, aan onzen geleider te vragen of wij niet spoedig bij mijn ouders zouden zijn; het antwoord van Mattia was wanhopend. Hij beweerde, dat de klerk van Greth and Galley gezegd had, dat hij nooit in dit dieven-kwartier was geweest. Ongetwijfeld moest Mattia zich bedriegen en begreep hij niet wat deze hem had geantwoord. Maar hij hield vol, dat _thieves_, het engelsche woord, dat de klerk gebruikt had, geen andere beteekenis had en dat hij daar volkomen zeker van was.

Een oogenblik bracht mij dit geheel van mijn stuk, maar ik dacht bij mij zelven, dat, zoo de klerk bang was voor dieven, dit een bewijs was, dat wij buiten de stad zouden komen en dat het woord _Green_ achter Bethnal evengoed van boomen als van het land kon worden gebezigd. Ik deelde die opvatting aan Mattia mede, en wij moesten lachen om de vrees van den klerk: wat waren die menschen die nooit buiten de stad komen, toch dom!

Maar niets kondigde de nadering van het veld aan: was dan gansch Engeland slechts één stad van steenen en slijk, Londen genaamd? Dat slijk drong zelfs in ons rijtuig door, en viel in zwarte spatten op ons neder. Een walgelijke geur omringde ons al geruimen tijd. Alles duidde aan, dat wij in een zeer armoedige buurt waren; de laatste zeker vóór wij te Bethnal-Green kwamen. Het scheen me toe, dat wij altijd in denzelfden kring rondreden en van tijd tot tijd liet de koetsier zijn paard stappen, als wist hij niet meer waar hij was. Eensklaps hield hij geheel stil en het raampje in de cab ging weder open.

Toen volgde er nogmaals een gesprek of liever een twist tusschen koetsier en klerk. Mattia zeide, dat de koetsier weigerde verder te gaan, omdat hij den weg niet kende; hij vroeg inlichtingen aan den klerk van Greth and Galley en deze antwoordde weder, dat hij nooit in deze dievenwijk was geweest. Ook ik verstond nu duidelijk het woord _thieves_.

Wij waren blijkbaar hier niet in Bethnal-Green.

Wat zou er gebeuren?

De twist werd door het openingetje voortgezet en de koetsier en de klerk werden al driftiger en driftiger.

Eindelijk gaf de klerk geld aan den koetsier, die het brommend aannam. Hij steeg uit de cab en riep ons weder met zijn "pst! pst!" Dit beduidde, dat ook wij eruit moesten komen.

Daar stonden wij in eene slijkerige straat, temidden van den dichten mist; een der winkels was schitterend verlicht en de gasvlammen werden weerkaatst door spiegels en verguldsel en als kristal geslepen flesschen. Het licht drong door den mist heen tot aan de straatgoot. Het was een tapperij, of, zooals de Engelschen het noemen, een _gin-palace_, een paleis waar men jenever verkoopt en allerlei soort van sterkendrank, gestookt uit den alcohol van koren of beetwortels.

--Pst! Pst! riep onze geleider opnieuw.

Met hem traden wij het _gin-palace_ binnen. Wij bedrogen ons bepaald als wij meenden in eene armenwijk te zijn. Nooit had ik zoo iets prachtigs gezien; overal spiegels en verguldsel; de toonbank scheen wel van zilver. Evenwel, de menschen die voor deze toonbank stonden, of tegen de muren of vaten geleund, waren in lompen gekleed; sommigen hadden niet eens schoenen aan hunne voeten, waarmede zij door het slijk der straten en goten gebaggerd hadden, en zagen zoo zwart of zij met schoensmeer waren bestreken, dat nog den tijd niet gehad had om te drogen.

Op deze zilveren toonbank liet de klerk zich een glas vullen met een wit vocht, dat lekker rook, en na dit in één teug te hebben geledigd met dezelfde begeerigheid als hij vroeger de lucht had ingeademd, begon hij een praatje met den man met bloote armen, die hem bediend had.

Het was niet moeilijk te begrijpen, dat hij den weg vroeg en Mattia behoefde mij dit niet eens te zeggen.

Wederom volgden wij onzen geleider op de hielen; hier was de straat zoo smal, dat wij ondanks den mist de huizen aan beide zijden konden zien; boven ons waren touwen gespannen van het eene huis naar het andere en daarop hingen linnengoed en oude kleeren. Zeker hing het daar niet om te drogen.

Waar gaan wij heen? Ik begon mij ongerust te maken en van tijd tot tijd zag Mattia mij aan. Maar hij deed mij geen enkele vraag.

Uit de straat sloegen wij een steegje in, dat ons op een klein plein bracht en daarop weder een steegje. De huizen zagen er nog ellendiger uit dan in het kleinste dorpje in Frankrijk. Verscheidene bestonden slechts uit planken als schaapskooien of stallen; toch waren het huizen; vrouwen blootshoofds en kinderen in lompen zaten op den drempel.

Als eene flauwe schemering ons in staat stelde iets beter te zien, bespeurde ik dat die vrouwen zeer bleek zagen, haar lichtblonde haren hingen over de schouders; de kinderen waren bijna naakt en de weinige kleeren, die ze aan 't lijf hadden, waren lompen. In een der steegjes zagen wij varkens in het stilstaande water der goot wroeten, waaruit een walgelijke geur oprees.

Onze geleider stond weldra stil; blijkbaar wist ook hij nu den weg niet meer; maar op dat oogenblik naderde ons een man, met een lange blauwe jas aan en een glimmend lederen hoed op en die een half zwart- half witten band om den arm droeg. Een koker hing aan zijn gordel. Het was een _policeman_.

Onze geleider sprak hem aan en weldra begaven wij ons op weg, voorgegaan door den policeman; wij gingen steegjes en poorten en kronkelende straten door, en het scheen me toe, dat verscheidene huizen op het punt waren van in te storten.

Eindelijk stonden wij stil op een plein, waarvan het middenvak uit een moeras bestond.

--_Red Lion court_, zeide de agent van politie.

Die woorden, welke ik reeds meermalen gehoord had, beteekenden: de Plaats van den Roode Leeuw, zooals Mattia voor mij vertaalde.

Waarom stonden wij stil? Onmogelijk konden wij reeds te Bethnal-Green zijn; woonden in dit huis mijn ouders? Maar dan!....

Ik had den tijd niet om over die vragen, die in mijn onrustig hart oprezen, na te denken. De agent van politie klopte op de deur van eene soort van houten loods, en onze geleider bedankte hem: wij waren dus waar wij wezen moesten.

Mattia, die mijn hand niet losgelaten had, drukte die en ik drukte wederkeerig de zijne.

Wij begrepen elkander; de angst, die zich van mijn hart had meester gemaakt, deed ook het zijne kloppen.

Ik was zoo ontroerd, dat ik niet weet hoe de deur, waarop de agent van politie geklopt had, geopend werd; maar van het oogenblik af, dat wij binnengetreden waren in het groote vertrek, dat verlicht werd door eene lamp en een groot kolenvuur op een fornuis, heb ik mijne herinnering behouden.

Vóór dat vuur, in een matten stoel, die den vorm had van een nis, waarin ik wel eens heiligbeelden had gezien, zat onbeweeglijk een grijsaard met een witten baard en een zwarte muts op het hoofd; tegenover hem, maar aan de andere zijde van de tafel, waren een man en een vrouw gezeten; de man moest zoowat veertig jaar zijn; hij droeg een grijs fluweelen jas en hij had een schrander, maar stug voorkomen. Zijne vrouw was vijf of zes jaar jonger; zij had lange, blonde haren, die neerhingen op een wit en zwart geruiten doek, die zij omgeknoopt had. Hare oogen hadden geen uitdrukking en onverschilligheid of lusteloosheid lag zoowel op haar gelaat, dat vroeger schoon moest zijn geweest, als in hare houding. Er waren vier kinderen in het vertrek, twee jongens en twee meisjes, allen blond, van hetzelfde vlasblond als hunne moeder. De oudste knaap kon ongeveer elf of twaalf jaar zijn; het jongste der twee meisjes was op zijn best drie jaar; het kroop meer dan het liep.

Ik had dit alles met een enkelen oogopslag overzien vóór dat onze geleider, de klerk van Greth and Galley, nog had uitgesproken.

Wat vertelde hij? Ik hoorde het ternauwernood en ik begreep het volstrekt niet; alleen de naam van Driscoll, mijn naam, trof mijn oor.

Aller oogen waren gericht op Mattia en mij, zelfs die van den onbeweeglijken grijsaard. Het kleinste meisje was de eenige, die hare aandacht schonk aan Capi.

--Wie van u beiden is Rémi? vroeg in het fransch de man in de grijs fluweelen jas.

Ik deed een stap vooruit.

--Ik, zeide ik.

--Omhels dan uw vader, mijn jongen.

Zoo dikwijls ik aan dat oogenblik had gedacht, had ik mij voorgesteld, dat eene hevige ontroering mij zou aangrijpen, en dat ik mijn vader om den hals zou zijn gevlogen; maar niets van die aandoening voelde ik in mij. Toch ging ik naar hem toe en omhelsde hem.

--En nu, ging hij voort, dat is uw grootvader, uwe moeder, uwe broers en uwe zusters.

Eerst ging ik naar mijne moeder en omhelsde haar met beide armen; zij liet dit toe, maar kuste mij niet; zij zeide slechts een paar woorden tot me, die ik niet begreep.

--Geef een hand aan uw grootvader, zeide mijn vader, maar voorzichtig: hij is lam.

Ik gaf ook een hand aan mijn twee broers en mijn oudste zusje; ik wilde de jongste in mijn armen nemen, maar zij was juist bezig om Capi te streelen en wilde niets van mij weten.

Terwijl ik van den een naar den ander ging, was ik inwendig verontwaardigd over mij zelven. Hoe was het mogelijk, dat ik volstrekt niets gevoelde, nu ik eindelijk mijn familie gevonden had! Ik had een vader, eene moeder, broers en zusters en zelfs een grootvader; ik was in hun midden en ik bleef koud en ongevoelig. Met een koortsachtig verlangen had ik dit oogenblik tegemoet gezien; ik was half krankzinnig van blijdschap geweest bij de gedachte, dat ook ik een tehuis zou hebben, ouders, die ik kon liefhebben en die mij zouden liefhebben, en daar stond ik nu verlegen en keek hen allen nieuwsgierig aan, maar in mijn hart voelde ik niets; er rees geen woord op, dat ik hun kon toevoegen. Was ik dan een monster? Was ik dan niet waard ouders en broers en zusters te hebben?

Als ik mijn ouders in een paleis gevonden had, inplaats van in zulk een stulp, zou ik dan niet voor hen die teederheid hebben gevoeld, die vroeger mijn hart vervulde bij de gedachte aan een vader en een moeder, die ik niet kende, eene liefde die ik niet aan den dag kon leggen tegen den vader en de moeder, die ik zag?

Die gedachte deed mij bijna blozen van schaamte. Ik ging weer naar mijne moeder toe, omhelsde haar opnieuw en kuste haar vurig. Zeker begreep zij niet waaraan zij die opwelling moest toeschrijven, want inplaats van mijne kussen te beantwoorden, zag zij mij met haar onverschilligen blik aan en zeide toen iets tot haar man, mijn vader, waarbij ze even de schouders ophaalde. Zij sprak iets dat ik niet verstond, maar dat hem deed lachen. Die onverschilligheid van de eene en dat lachen van den ander deden mijn hart bijna breken; ik meende, dat die teederheid van mijn kant toch niet verdiende zóó beantwoord te worden.

Maar men liet mij geen tijd om lang aan mijn indrukken toe te geven.

--En die daar? vroeg mijn vader, naar Mattia wijzend, wie is dat?

Ik vertelde hem welke banden mij aan Mattia hechtten en ik trachtte in mijne woorden iets in te lasschen van de vriendschap, die ik van hem ondervond en de dankbaarheid, die ik hem verschuldigd was.

--Jawel, zeide mijn vader; hij heeft de wereld eens willen zien.

Ik wilde antwoorden, maar Mattia voorkwam me.

--Juist, dat is het, zeide hij.

--En Barberin? vroeg mijn vader. Waarom is die niet meegekomen?

Ik vertelde hem, dat Barberin dood was en welk eene teleurstelling dit voor mij was, toen wij te Parijs waren gekomen, omdat wij te Chavanon van vrouw Barberin hadden gehoord, dat mijne ouders mij zochten.

Mijn vader vertaalde toen voor mijne moeder wat ik gezegd had en ik meende te verstaan, dat zij zeide, dat dit heel goed en wel was; althans zij gebruikte bij herhaling de woorden _well_ en _good_, die ik kende. Waarom was het goed en wel, dat Barberin dood was? Dat vroeg ik me telkens af, zonder dat ik een antwoord op die vraag kon vinden.

--Ge kent geen engelsch? vroeg mijn vader.