Alleen op de Wereld

Chapter 32

Chapter 324,136 wordsPublic domain

Als wij vrouw Barberin verlieten, was ons plan geweest den zeekant langs te reizen om Martha te bezoeken--wij moesten van deze reis dus afzien en ik zou die goede Martha, die altijd zoo lief voor mij geweest was, vooreerst niet wederzien.

Van daar zouden wij naar Lize gegaan zijn, om haar de groeten van haar broeder en zuster over te brengen--ook dit genoegen moest ik mij ontzeggen.

Terwijl deze gedachten mijn geest doorkruisten, was de nacht voorbijgegaan, zonder dat ik voor mezelf had kunnen beslissen of ik Lize en Martha niet eerst moest gaan bezoeken, of dat het verstandiger zou wezen mij zonder oponthoud naar Parijs te begeven.

Ik sliep eindelijk in zonder een besluit genomen te hebben en die nacht, dien ik mij voorgesteld had dat de heerlijkste uit mijn leven zou zijn, was de woeligste en onrustigste, dien ik mij herinneren kan.

Toen wij den anderen morgen weder alle drie bij elkander waren, en bij de kachel zaten, waarop de melk van onze koe kookte, bespraken wij wat ons te doen stond.

Wat moest ik doen?

Ik vertelde hun wat mij dien nacht zoo gekweld had en hoe besluiteloos ik was geweest.

--Gij moet terstond naar Parijs gaan, antwoordde moeder Barberin; uw ouders zoeken u, en gij moet zoo spoedig mogelijk hun verlangen naar u trachten te bevredigen.

Zij voegde hierbij nog tal van redenen, waarom een onmiddellijk vertrek wenschelijk was en ik was eindelijk volkomen overtuigd, dat zij groot gelijk had.

--Laten wij naar Parijs gaan, zeide ik; dit is dus afgesproken.

Maar Mattia stemde dit volstrekt niet toe, integendeel.

--Gij vindt dat wij niet naar Parijs moeten gaan, gaf ik hem ten antwoord. Waarom geeft gij dan geen betere reden op dan moeder Barberin?

Hij schudde het hoofd.

--Waarom helpt gij mij niet, als ge ziet hoe moeilijk het mij valt een besluit te nemen?

--Ik vind, begon hij, dat de nieuwe de oude niet mogen doen vergeten: tot nu toe behoorden Lize, Martha, Alexis en Benjamin tot uw familie; zij zijn als broeders en zusters voor u geweest en hielden veel van u; maar nu een nieuwe familie voor u opdaagt, die gij niet kent, die niets anders voor u gedaan heeft dan u op straat te leggen, nu verlaat gij hen, die goed voor u geweest zijn, terwille van anderen, die u slechts kwaad berokkend hebben; ik vind dat dit niet billijk is.

--Gij moet niet zeggen, dat zijn ouders Rémi verlaten hebben, viel moeder Barberin hem in de rede; misschien hebben ze hun het kind ontstolen en betreuren zij het verlies nog altijd en zoeken zij hem voortdurend.

--Ik weet het niet, maar wel weet ik, dat de tuinman Acquin Rémi halfdood heeft opgenomen en hem als zijn eigen kind heeft verzorgd en zijn kinderen als broers en zusters van hem hielden; en ik meen, dat zij, die zich zoo jegens hem gedragen hebben, evenveel recht op zijn vriendschap hebben, als zij, die willens of onwillens, hem aan zijn lot hebben overgelaten. Bij vader Acquin hebben zij hem uit eigen beweging zooveel vriendschap betoond; zij waren dit volstrekt niet verplicht.

Mattia zeide dit op een toon, alsof hij boos op mij was, want hij verwaardigde mij noch vrouw Barberin met een blik. Dit deed mij leed, maar het pijnlijke van het verwijt belette niet, dat ik toch de juistheid ervan geheel gevoelde. Bovendien verkeerde ik in dien toestand, waarin besluitelooze menschen zich dikwijls aan de zijde scharen van hen, die het laatst gesproken hebben.

--Mattia heeft gelijk, hernam ik, en het heeft mij dan ook niet weinig moeite gekost, om tot het besluit te komen, naar Parijs te gaan, vóór dat ik Martha en Lize bezocht had.

--Maar uw ouders! herhaalde moeder Barberin.

Ik moest nu voor mijne meening uitkomen en tevens allen tevredenstellen.

--Wij zullen niet naar Martha gaan, zeide ik, omdat dit een te groote omweg zijn zou; zij kan ook lezen en schrijven; wij kunnen haar dus door een brief van alles op de hoogte stellen; maar vóór wij naar Parijs gaan, kunnen wij ons naar Dreuze begeven, om Lize te bezoeken; al kost dit wat meer tijd, dan maakt dat toch niet zoo'n groot verschil uit, en Lize kan niet schrijven of lezen. Vooral ook om harentwille besloot ik mijn reis op deze wijs te nemen; ik zal haar alles van Alexis vertellen, en aan Martha wil ik verzoeken mij een brief te schrijven, dien ik haar dan zal voorlezen.

--Goed, antwoordde Mattia glimlachend.

Wij kwamen daarop overeen, dat wij den anderen morgen vertrekken zouden, en een gedeelte van den dag gebruikte ik om aan Martha te schrijven en haar mede te deelen, waarom ik haar niet, zooals mijn voornemen was, kwam bezoeken.

En den anderen morgen moest ik andermaal al het smartelijke van een afscheid ondervinden; maar nu tenminste verliet ik Chavanon niet zooals den vorigen keer met Vitalis; ik mocht moeder Barberin thans een afscheidskus geven, en haar beloven, dat ik zoo spoedig mogelijk met mijn ouders bij haar zou terugkomen. Den avond vóór ons vertrek spraken wij nog geruimen tijd over het geschenk dat ik haar geven zou: niets zou te mooi en te goed voor haar zijn; ik zou immers rijk worden?

--Niets heeft voor mij zooveel waarde als de koe, mijn beste Rémi, zeide zij, en met al uw rijkdom kunt gij mij niet gelukkiger maken dan gij gedaan hebt, toen gij arm waart.

Wij moesten ook onze lieve kleine koe verlaten. Mattia drukte herhaaldelijk een kus op haar snuit, dat zij zeer prettig scheen te vinden, want bij elken kus stak zij haar tong uit.

Wij bevonden ons thans weder op den grooten weg, met onzen ransel op den rug en Capi naast ons. Wij liepen met haastigen tred, of liever, van tijd tot tijd zonder te weten wat ik deed, zette ik het op een drafje, zoo groot was mijn verlangen om Parijs te bereiken.

Maar Mattia, die mij een korte poos bijgehouden had, waarschuwde mij, dat, zoo ik op deze wijze bleef loopen, mijn krachten spoedig zouden zijn uitgeput. Ik volgde zijn raad, om een oogenblik daarna weder denzelfden tred te nemen.

--Wat hebt gij een haast! zeide Mattia op verdrietigen toon.

--Dat heb ik ook, en ik vind dat gij die ook wel mocht hebben, want mijn familie zal ook uw familie zijn.

Hij schudde het hoofd.

Deze beweging, die ik reeds meer had opgemerkt als er van mijn familie sprake was, ergerde mij en deed mij leed.

--Wij zijn immers broeders?

--O, dat zijn wij voor elkander, daar twijfel ik niet aan, ik ben heden uw broeder en zal dat morgen ook zijn, dat geloof ik zeer goed, dat voel ik zelfs.

--Welnu dan?

--Welnu? Meent gij dan dat ik een broeder zijn zou van uw broeders en zusters, zoo gij die hebt, de zoon van uw vader en moeder?

--Als wij naar Lucca zouden gegaan zijn, was ik dan niet de broeder geworden van uw zuster Christina?

--O ja, zeer zeker.

--Waarom zoudt gij dan niet de broeder worden van mijn broeders en zusters, zoo ik die heb?

--Omdat dit niet hetzelfde is, volstrekt niet hetzelfde.

--Waarom niet?

--Ik ben niet in zulk fijn linnen gewikkeld geweest, antwoordde Mattia"

--Wat doet er dat toe?

--Dat doet er zeer veel toe; dat doet er alles toe; dat weet gij evengoed als ik. Gij zoudt in Lucca gekomen zijn--en ik zie thans zeer goed dat gij nooit daarheen zult gaan--en daar door arme menschen zijn ontvangen, die mijn ouders waren en die u niets te verwijten hadden, omdat zij veel armer zijn dan gij. Maar als het uitkomt, zooals het fijne linnen voorspelt, zooals moeder Barberin denkt en zooals werkelijk het geval zal zijn, dan zijn uw ouders rijk; misschien behooren zij zelfs tot de aanzienlijkste menschen! Hoe zouden zij dan zulk een kleinen armen knaap, als ik ben, kunnen ontvangen?

--Ben ik dan zelf iets meer?

--Op het oogenblik niet, maar morgen zijt gij hun zoon en ik zal altijd dezelfde arme knaap blijven, die ik heden ben; men zal u naar de akademie zenden; men zal u meesters geven, terwijl ik altijd alleen in de wereld zal blijven en mijn eigen weg zal moeten vinden, om dan aan u te denken, zooals ik hoop, dat gij ook aan mij zult doen.

--O, mijn goede, beste Mattia! hoe kunt gij zoo spreken?

--Ik spreek zooals ik denk, _o mio caro_, en daarom kan ik mij niet in uw geluk verheugen; daarom, dáárom alleen ook, omdat wij van elkander zullen moeten scheiden; en ik meende, ik verbeeldde mij, dikwijls zelfs heb ik dat gedroomd, dat wij altijd bij elkander zouden blijven, zooals thans. Maar niet geheel-en-al zooals nu, niet als arme straatmuzikanten; wij zouden samen gewerkt hebben, wij zouden groote artisten worden en voor een muzikaal publiek optreden, en elkander nooit verlaten.

--Maar dat zal allemaal gebeuren, mijn goede Mattia; als mijn ouders rijk zijn, dan zullen zij dat evengoed voor u als voor mij zijn; als ik naar de akademie ga, gaat gij met mij mede; wij zullen elkander niet meer verlaten; wij zullen samen werken, samen opgroeien en leven, zooals gij dat verlangt en zooals ik het ook wensch; dat verzeker ik u.

--Ik weet wel, dat gij het wenscht, maar gij zult dan niet meer uw eigen meester zijn, gelijk thans.

--Luister eens: als mijn ouders mij zoeken, dan is dit een bewijs, niet waar, dat zij belang in mij stellen, dat zij mij liefhebben of mij zullen liefhebben. In dat geval zullen ze mij niets weigeren. En ik verlang slechts, dat zij hen gelukkig maken, die goed voor mij geweest zijn, die mij liefgehad hebben toen ik alleen op de wereld was, zooals moeder Barberin, vader Acquin, dien zij zeker uit de gevangenis zullen bevrijden, Mattia, Alexis, Benjamin, Lize en gij; Lize zullen zij bij zich nemen, laten genezen en leeren, en u zullen zij met mij naar de akademie zenden, zoo ik daarheen moet gaan. Geloof mij, zoo zal de zaak zich toedragen, als mijn ouders rijk zijn en gij weet, dat ik het heerlijk zou vinden, als zij het waren.

--En ik zou het prettig vinden, als zij arm waren.

--Hoe dom!

--Misschien.

En zonder meer te spreken, riep Mattia Capi; het was langzamerhand tijd geworden om iets te eten; hij nam den hond in den arm en sprak tegen hem alsof het een mensch was, die hem verstaan en begrijpen kon.

--Niet waar, oude Capi, gij zoudt het ook prettiger vinden als de ouders van Rémi arm waren?

Toen Capi mijn naam hoorde, begon hij, zooals altijd, te blaffen en hij legde den rechterpoot op zijn hart.

--Als zijn ouders arm waren, dan behielden wij dit vrije leven, dan konden wij gaan waarheen wij wilden, en wij behoefden slechts te zorgen, dat het "geëerde gezelschap" tevreden over ons was.

--Ouaf! Ouaf!

--Nu zijn ouders rijk zijn, gebeurt juist het tegenovergestelde; Capi krijgt een groot hok op een plein en wordt aan een blinkenden ijzeren ketting gelegd, in elk geval aan een ketting, omdat de honden niet in de huizen van rijke lui mogen komen.

Eigenlijk was ik boos op Mattia, nu hij wenschte, dat ik arme ouders zou hebben, inplaats van hetzelfde droombeeld als ik te koesteren; maar aan den anderen kant was ik blijde, dat ik de oorzaak van zijn verdriet kende--het sproot voort uit zijn vriendschap, uit zijne vrees van mij gescheiden te worden; ik kon hem hiervan dus geen verwijt maken, daar het een bewijs was van zijn genegenheid en gehechtheid. Hij had mij lief, en daar hij slechts aan onze wederkeerige genegenheid dacht, wilde hij niet, dat men ons van elkander scheidde.

Zoo wij niet verplicht waren geweest te zamen ons dagelijksch brood te verdienen, zou ik, ondanks Mattia, met dezelfde snelheid zijn blijven voortloopen, maar wij moesten in de groote dorpen voorstellingen geven en in afwachting, dat mijne rijke ouders hun rijkdom met ons zouden deelen, moesten wij ons met de weinige stuivers vergenoegen, die wij toevallig en met groote moeite hier en daar ophaalden. Wij waren dus wel genoodzaakt langer onderweg te blijven dan oorspronkelijk ons plan was geweest.

Bovendien was er nog eene andere reden dan het verdienen van ons dagelijksch brood, die ons besluiten deed om zooveel geld mogelijk met onze voorstellingen op te halen. Ik was de woorden van vrouw Barberin niet vergeten, toen zij mij verzekerde, dat met al mijn rijkdom ik haar niet gelukkiger maken kon, dan ik gedaan had toen ik arm was, en ik wilde dat mijn kleine Lize even gelukkig zijn zou als vrouw Barberin. Lize zou natuurlijk mijn rijkdom deelen; dat leed geen twijfel; maar vóórdat ik nog rijk was, wilde ik Lize een geschenk geven, dat ik met eigen verdiend geld voor haar gekocht had--een geschenk van mijn armoede.

Wij kochten te Dreuze een pop voor haar, die gelukkig niet zoo duur was als de koe, en van daar konden wij ons met de meeste haast voortspoeden naar de plaats onzer bestemming; want de dorpen, die wij moesten doortrekken, waren alle even arm en de bewoners zelven konden nauwelijks hun eigen brood verdienen, dus veel minder waren zij instaat mild jegens ons te zijn.

Van Chatillon af volgden wij de oevers van het kanaal en de boschrijke dreven, het zacht kabbelende water en de scheepjes, die langzaam door de paarden werden voortgetrokken, brachten mij de gelukkige dagen weder in herinnering, die ik op _De Zwaan_ met mevrouw Milligan en Arthur had mogen doorbrengen, toen ook ik op het water dobberde. Waar bevond zich thans _De Zwaan_? Hoe dikwijls had ik, als wij een rivier overstaken of langs een kanaal liepen, mij zelf afgevraagd of men niet het een of ander pleizierbootje had zien voorbijstoomen, dat, door zijn dek, zijn smaakvolle versierselen met geen ander verward kon worden. Mevrouw Milligan was ongetwijfeld weder naar Engeland teruggekeerd en Arthur zou zeker genezen zijn. Dit was het meest waarschijnlijke en het verstandigste om te gelooven en toch, meer dan eens, als wij langs dat kanaal liepen, dacht ik bij mezelf, als ik in de verte een boot zag naderen, of dat niet _De Zwaan_ was, die ons tegemoet stevende.

Het was intusschen herfst geworden; de dagen waren minder lang dan in den zomer en wij stelden alles in het werk om tegen den nacht een schuur te bereiken, waar wij een onderkomen zouden kunnen vinden.

Hoe wij onzen pas ook versneld hadden, was het toch reeds middenin den nacht toen wij te Dreuze aankwamen.

Om de woning van Lize's tante te bereiken, hadden wij slechts het kanaal te volgen, daar de man van tante Katharina, die sluiswachter was, in de onmiddellijke nabijheid van de sluis woonde. Dit bespaarde ons veel tijd, en spoedig hadden wij de woning gevonden, die aan het einde van het dorp was gelegen, omringd van hooge boomen, wier takken in den nevel schenen te wiegelen.

Mijn hart klopte onstuimig, toen wij dit huis naderden, waarvan het venster verlicht werd door het schijnsel van een groot vuur, dat onder den schoorsteen brandde en nu en dan een rood licht over onzen weg wierp.

Toen wij zeer dicht bij het huis waren gekomen, zag ik dat de deur en het venster gesloten waren, maar door het venster, dat blinden noch gordijnen had, zag ik Lize voor de tafel zitten, naast hare tante, terwijl een man, ongetwijfeld haar man, naast haar zat, met den rug naar haar toegekeerd.

--Zij zijn aan het avondeten, merkte Mattia op; het is juist het geschiktste oogenblik.

Maar ik hield hem terug en wenkte Capi om stil achter ons te blijven.

Daarop gespte ik de harp los en maakte mij gereed om erop te spelen.

--O, ja, fluisterde Mattia, een serenade, dat is een goede inval.

--Neen, gij niet, ik alleen.

En ik begon de eerste noten te spelen van mijn napolitaansch lied, maar zonder te zingen, zoodat mijn stem mij niet kon verraden.

Terwijl ik speelde, hield ik mijn blik op Lize gericht; zij hief plotseling het hoofd op en uit haar oogen straalde een flikkerend licht.

Ik begon te zingen. Zij sprong toen van haar stoel en snelde naar de deur; ik had slechts den tijd om mijn harp aan Mattia te geven, want Lize hing reeds aan mijn hals.

Men liet ons binnen en toen tante Katherina mij goedendag gezegd had, zette zij twee borden op tafel.

Ik verzocht haar toen om er nog een derde naast te plaatsen.

--Als gij het goedvindt, breng ik nog een derden makker mede.

Ik haalde uit mijn reistasch de pop te voorschijn, die ik op een stoel naast Lize zette.

De blik, dien Lize mij toewierp, zal ik nooit vergeten en dikwijls voel ik hem nog op mij gericht.

XXXII.

BARBERIN.

Als ik niet zulk een haast gehad had om Parijs te bereiken, dan zou ik ongetwijfeld nog zeer lang bij Lize gebleven zijn; wij hadden elkander zooveel te vertellen, en wij konden elkaar, met de taal, waartoe wij onze toevlucht moesten nemen, zoo weinig zeggen.

Lize moest mij toch hare komst te Dreuze vertellen, hoe lief en goed haar oom en tante voor haar waren, die van de vijf kinderen, welke zij gehad hadden, geen een meer hadden overgehouden; een ramp die vele gezinnen treft, daar de moeders haar eigen kinderen dikwijls verlaten om als voedsters naar Parijs te gaan. Hoe zij haar behandelden alsof zij hun eigen dochter was, wat zij in de huishouding verrichtte en welke bezigheden en genoegens men haar gaf; met visschen, roeien en wandelen bracht zij bijna al haar tijd door, daar zij niet naar school kon gaan.

En ik wilde, van mijn kant, haar ook alles vertellen, wat gebeurd was, sedert wij elkander verlaten hadden en hoe ik bijna omgekomen was in de mijn, waarin Alexis werkte en hoe ik, toen ik bij moeder Barberin kwam, vernam dat mijn familie mij zocht, en daardoor verhinderd was geworden om Martha te bezoeken.

Natuurlijk speelde mijn familie een groote rol in mijn verhalen en vooral mijn rijke familie. Ik herhaalde aan Lize wat ik Mattia reeds gezegd had en sprak vooral over het vooruitzicht op een groot fortuin, en als wij dat hadden, zouden wij allen gelukkig kunnen worden: haar vader, hare zuster, hare broers en zij zelve, ja zij vooral.

Lize, die niet zoo vroeg ontwikkeld was als Mattia en die, gelukkig voor haar, niet de ondervinding had van de school der leerlingen van Garofoli, was zeer geneigd te gelooven, dat zij die rijk waren niet anders dan gelukkig op aarde konden zijn en dat de fortuin een talisman was die, evenals in de sprookjes, onmiddellijk alles verschafte wat men maar verlangen kon. Immers haar vader was alleen in de gevangenis gezet omdat hij arm was en zijn armoede was de oorzaak, dat zijn gezin wijd en zijd was verspreid. Of ik rijk was, of zij, was volkomen hetzelfde; althans hetzelfde wat de gevolgen betrof; wij zouden beiden gelukkig zijn en om het overige bekommerde zij zich niet: wij zouden allen weder vereenigd worden en gelukkig leven.

Wij brachten onzen tijd niet door met bij de sluis te staan praten bij het ruischen van het water, dat door de deuren stroomde, maar wij maakten ook met ons drieën, Lize, Mattia en ik, groote wandelingen. Eigenlijk waren wij met ons vijven, want Capi was altijd van het gezelschap, evenals de pop, die ik voor Lize had medegebracht.

Mijne zwerftochten door Frankrijk met Vitalis gedurende eenige jaren en met Mattia gedurende de laatste maanden hadden mij bekend gemaakt met een groot deel van het land; maar ik had geen merkwaardiger oord gezien dan dat, waarin ik mij thans bevond: onmetelijke bosschen, schoone weilanden, rotsen, heuvels, spelonken, schuimende watervallen, kalme vijvers, enge dalen met stille rotswanden langs den stroom, die zich door de streek kronkelde. Het was prachtig in alle opzichten; men hoorde slechts het ruischen van het water, het gezang der vogels, of het suizen van den wind in de hooge boomen. Ik moet erkennen, dat ik ook eenige jaren geleden de vallei van de Bièvre zeer schoon had gevonden; men behoeft mij dus niet zoo onbepaald op mijn woord te gelooven, maar dit kan ik verzekeren dat overal, waar ik met Lize gewandeld heb en waar wij te zamen speelden, het land mij voorkwam eene schoonheid en bekoorlijkheid te bezitten, die andere streken, welke men beweert dat schooner zijn, in mijn oog niet bezaten: ik heb dat land gezien met Lize en daaraan is mij eene herinnering gebleven, die beschenen wordt door het geluk, dat ik toen genoot.

Des avonds, als het niet te vochtig was, zetten wij ons voor de deur der woning neder, of, was de nevel te zwaar, bij den haard, en ik speelde voor Lize op de harp, waarvan zij zooveel hield. Ook Mattia speelde op de viool of den wandhoren, maar Lize gaf de voorkeur aan de harp, wat mijn eigenliefde niet weinig streelde. Als het oogenblik gekomen was om ons ter rust te begeven, vroeg Lize mij altijd nog eens het napolitaansche lied en dat zong ik dan voor haar.

Maar eindelijk kwam de dag, waarop ik haar verlaten moest en weder op weg moest gaan.

Wat mij betreft, het heengaan viel mij zoo zwaar niet; ik had zoo dikwijls gedacht aan den rijkdom, die mij wachtte, dat ik niet alleen geloofde dat ik eenmaal rijk zou worden, maar dat ik al rijk was, en dat alles wat ik wenschte binnen zeer korten tijd kon verwezenlijkt worden, ja misschien wel dadelijk.

Mijn laatste woord tot Lize, wat ik evenwel niet uitsprak, maar duidelijk te kennen gaf, kan beter dan door uitvoerige bespiegelingen doen begrijpen hoe vast mijne overtuiging was omtrent mijn toekomstigen rijkdom:

--Ik zal u komen afhalen met een rijtuig met vier paarden, zeide ik.

En zij geloofde me en met hare hand wees zij hoe de zweep zou klappen. Ook zij zag zeker het rijtuig met vier paarden, evengoed als ik het zag.

Vóór ik evenwel in een rijtuig met vier paarden den weg van Parijs naar Dreuze aflegde, moest ik te voet van Dreuze naar Parijs. Ware Mattia niet bij mij geweest, dan zou ik steeds zeer groote afstanden afgelegd en mij bepaald hebben om slechts zooveel te verdienen, als wij voor ons onderhoud volstrekt noodig hadden. Waarom zouden wij ons zooveel moeite geven? Wij behoefden geen koe en geen pop meer te koopen; als wij ons dagelijksch brood dus maar hadden, was het voldoende, want aan mijne ouders behoefde ik waarlijk geen geld te brengen.

Maar Mattia liet zich volstrekt niet overtuigen door de redenen, die ik voor de verdediging van mijne meening aangaf.

--Laten wij maar verdienen wat wij krijgen kunnen, zeide hij, terwijl hij mij noodzaakte mijn harp te bespelen. Wie weet of wij Barberin wel zoo spoedig zullen vinden.

--Als wij hem om twaalf uren niet mochten vinden, zullen wij hem zeker om twee uren ontmoeten: de rue Mouffetard is zoo groot niet.

--En als hij nu eens niet in de rue Mouffetard woonde?

--Dan zullen wij gaan daar, waar hij elders woont.

--En als hij naar Chavanon is teruggekeerd, zullen wij hem moeten schrijven en op zijn antwoord moeten wachten. Waar zullen wij in dien tusschentijd van leven, als wij niets in onzen zak hebben? Men zou wezenlijk zeggen, dat gij Parijs niet kent. Hebt gij dan de groeven van Gentilly vergeten?

--Neen.

--Welnu, ik voor mij heb den muur van de kerk Saint-Médard ook niet vergeten, waartegen ik leunde om niet te vallen, toen ik dacht van honger om te komen. Ik wil geen honger meer lijden in Parijs.

--Des te beter zullen wij eten, als we bij onze ouders aankomen.

--Nu ik eet toch, al heb ik goed ontbeten, maar als ik niet ontbeten en niet gegeten heb, dan ben ik volstrekt niet zooals ik wezen moet; en dat bevalt mij volstrekt niet. Laten wij dus maar werken of wij ook voor uwe ouders een koe moesten koopen.

Dat was een zeer verstandige raad; ik moet evenwel bekennen, dat ik niet meer zoo zong als toen wij stuiver voor stuiver moesten verdienen om eene koe voor vrouw Barberin en een pop voor Lize te koopen.

--Wat zult ge lui wezen, als ge rijk zijt, zeide Mattia.

Van Corbeil af volgden wij den weg dien wij zes maanden geleden hadden afgelegd, toen wij Parijs hadden verlaten om naar Chavanon te gaan, en vóór wij te Villejuif kwamen, traden wij dezelfde hoeve binnen, waar wij ons eerste concert hadden gegeven, toen wij voor de eerste maal samen speelden en de bruiloftsgasten lieten dansen. Het jonge echtpaar herkende ons en wij verzochten, dat wij hen nogmaals zouden laten dansen. Men gaf ons een goed avondmaal en liet ons in de schuur slapen.

Van daar vertrokken wij den anderen morgen om onzen intocht in Parijs te houden. Er waren juist zes maanden en veertien dagen verloopen, sinds wij Parijs verlaten hadden.