Chapter 31
--O, hebt ge dan uw ouders gevonden? riep vrouw Barberin uit.
--Neen; hij is mijn makker, mijn vriend; en daar is Capi, ook een makker en een vriend van mij. Maak je kompliment eens voor de moeder van je baas, Capi.
Capi ging op zijne achterpooten staan en legde zijn eenen poot op zijn hart, terwijl hij eene diepe buiging maakte. Vrouw Barberin moest er hartelijk om lachen en wischte hare tranen af.
Mattia, die niet, zooals ik, door aandoening overstelpt was, gaf mij een wenk, dat ik aan onze verrassing zou denken.
--Als ge 't goedvindt, gaan wij nu eens naar den tuin om den krommen pereboom te zien, waarvan ik Mattia zooveel verteld heb.
--Uw tuin kunnen wij dan ook gaan zien, want dien heb ik gelaten, zooals gij hem hebt aangelegd, opdat je hem terug zoudt vinden als gij weer hier kwaamt; want dat je terug zoudt komen heb ik altijd en tegen ieder volgehouden.
--En de peerappelen, die ik geplant heb, waren ze lekker?
--Dus heb jij me die verrassing bezorgd? Ik heb het wel gedacht; je woudt me altijd verrassen.
Nu was het oogenblik gekomen.
--En de koestal, vroeg ik, is die veel veranderd sedert Roussette heenging? die arme Roussette; die wilde ook niet gaan, evenmin als ik.
--De stal is ook dezelfde gebleven, behalve dat ik er nu mijn brandhout in berg.
Daar wij juist voor den stal waren gekomen, deed vrouw Barberin de deur open en op hetzelfde oogenblik begon onze koe, die honger had, en zeker dacht dat men haar eten kwam brengen, luid te loeien.
--Een koe! een koe op stal! riep vrouw Barberin.
Toen konden we ons niet meer inhouden en Mattia en ik begonnen hartelijk te lachen.
Vrouw Barberin zag ons verbaasd aan, maar het was zoo iets onmogelijks dat er een koe bij haar op stal stond, dat zij, in weerwil van ons lachen, niets ervan begreep.
--'t Is een verrassing, zeide ik, een verrassing, die wij u bezorgen en die zeker wel opweegt tegen die van de peerappels.
--Eene verrassing, herhaalde zij, eene verrassing!
--Ik wou niet met leege handen bij moeder Barberin komen, die altijd zoo goed was voor haar kleinen Rémi, het verlaten kind; toen heb ik eens nagedacht wat u van 't meeste nut zou kunnen zijn, en ik meende dat eene koe, die de plaats innam van Roussette, u het liefst zou wezen. Op de beestenmarkt te Ussel hebben wij toen de koe gekocht voor het geld, dat Mattia en ik verdiend hebben.
--Och, die goeie jongen! Die lieve jongen! riep vrouw Barberin uit, terwijl ze mij opnieuw in de armen drukte.
Toen gingen wij den stal binnen, opdat vrouw Barberin onze koe eens zou bekijken, die nu _haar_ koe was. Bij alles wat zij aan de koe voor goeds ontdekte, uitte zij opnieuw kreten van tevredenheid en bewondering.
--Wat een mooie koe.
Eensklaps stond zij stil en vroeg, terwijl zij mij aanzag:
--Maar dan ben je rijk geworden?
--Dat zou ik ook denken, antwoordde Mattia lachend; wij hebben nog drie francs.
En vrouw Barberin herhaalde alweder, maar nu eenigszins gewijzigd:
--Die goede jongens!
Het deed me goed, dat zij ook aan Mattia dacht en ons in haar hart vereenigde.
Onze koe bleef intusschen maar voortloeien.
--Zij wil gemolken worden, zeide Mattia.
Oogenblikkelijk liep ik naar huis om den netgeschuurden blikken emmer te halen, waarin vroeger Roussette werd gemolken en dien ik op zijne gewone plaats had zien hangen, hoewel het al heel lang geleden was, sedert vrouw Barberin een koe op stal had. In het teruggaan vulde ik den emmer met water, zoodat vrouw Barberin de uiers kon wassen, die vol stof waren.
Welk een genot voor de goede vrouw, toen zij haar emmer voor driekwart gevuld zag met prachtige schuimende melk.
--Ik geloof, dat zij meer melk geeft dan Roussette, zeide zij.
--En wat lekkere melk, zeide Mattia; ze riekt naar oranjebloesem.
Vrouw Barberin zag Mattia vragend aan; zeker wilde zij te weten komen wat oranjebloesem was.
--Dat is iets heel lekkers, dat men in het hospitaal krijgt, als men ziek is, zeide Mattia, die graag vertelde wat hij wist.
Toen de koe gemolken was, brachten wij haar op 't grasveld om daar te grazen, en wij gingen in huis, waar ik, toen ik den emmer haalde, onze boter en bloem midden op tafel had gezet.
Toen vrouw Barberin die nieuwe verrassing zag, slaakte zij opnieuw allerlei kreten van verbazing, maar toen meende ik dat het maar beter was openhartig te zijn en ik viel haar in de rede:
--Dat is eigenlijk evengoed voor ons als voor u; wij hebben allebei een geweldigen honger en wij zouden zoo graag pannekoeken eten. Weet ge nog wel hoe, den voorlaatsten avond toen ik hier was, onze wafels niet klaar kwamen en de boter, die u ervoor geleend had, diende om uien in de pan te bakken: dezen keer zullen wij niet gestoord worden.
--Weet-je dan, dat Barberin te Parijs is? vroeg zij.
--Ja.
--En weet je ook wat hij te Parijs is gaan doen?
--Neen.
--Het heeft betrekking op jou.
--Op mij? vroeg ik verschrikt.
Voor zij verder ging, zag vrouw Barberin Mattia aan, als vreesde zij, dat ze in zijn bijzijn te veel zou zeggen.
--O, u kunt gerust spreken waar Mattia bij is, zeide ik: ik heb u verteld, dat hij een broer voor mij is; al wat mij betreft, gaat ook hem ter harte.
--'t Is nogal lang om te vertellen, zeide zij.
Ik bespeurde, dat zij ertegen opzag, om te spreken, en nu wilde ik in het bijzijn van Mattia er niet langer op aandringen, omdat, zoo zij weigerde, dit hem leed zou doen. Ik besloot dus maar liever te wachten tot een geschikter oogenblik, om te vernemen wat Barberin te Parijs was gaan doen.
--Zou Barberin spoedig terugkomen? vroeg ik.
--O, zeker niet.
--Dan hebben wij geen haast; laten wij dan maar over de pannekoeken praten; later hoor ik dan wel eens van u wat er voor mij aan die Parijsche reis is gelegen; daar hij vanavond zijne uien niet in onze koekepan zal komen fruiten, hebben wij al den tijd aan ons. Hebt ge eieren?
--Neen, ik houd geen kippen meer.
--Wij hebben geen eieren meegebracht, omdat wij bang waren dat zij onderweg zouden breken. Kunt gij ze ergens leenen?
Die vraag bracht haar in verlegenheid en ik begreep, dat zij bij niemand meer durfde aankloppen.
--Dan is het beste maar, dat ik ze zelf ga koopen, zeide ik, en in dien tusschentijd maakt u het beslag klaar met de melk. Soquet is er immers nog? Dan loop ik er gauw heen. Zeg aan Mattia dat hij het hout klooft, dat kan hij best.
Bij Soquet kocht ik niet alleen eieren, maar ook een stukje spek.
Toen ik terugkwam, was de bloem al met de melk aangemaakt en alleen de eieren behoefden nog maar in het beslag te worden geroerd. 't Is waar, er was geen tijd om het deeg te doen rijzen, maar wij hadden te veel honger om daarop te wachten. Mochten de pannekoeken al wat zwaar uitvallen, onze magen waren stevig genoeg om het te kunnen dragen.
--Maar vertel me nu eens, zei vrouw Barberin, terwijl zij het deeg besloeg, hoe komt het toch, dat zoo'n goede jongen als jij me nooit iets van zich heeft doen hooren? Weet je wel, dat ik dikwijls dacht, dat je dood waart, want, zei ik bij mezelf, als Rémi nog leefde, zou hij zeker wel aan zijn moeder Barberin iets hebben doen weten.
--Die moeder Barberin was niet alleen; bij haar woonde een vader Barberin, die heer des huizes was en die dat ook getoond heeft te zijn, door mij voor twintig gulden aan een ouden muzikant te verkoopen.
--Daar moet ge niet meer van spreken, beste Rémi.
--Ik beklaag er mij niet over, maar ik zeg het alleen om u te doen begrijpen, waarom ik u niet schreef. Ik was bang, dat hij mij weder zou verkoopen, als hij ontdekte waar ik was, en ik wilde niet verkocht worden. Daarom heb ik u ook niet geschreven, toen ik mijn armen ouden meester verloor, die een goed man was.
--Ach, is hij dood, die oude muzikant?
--Ja, en ik heb hem oprecht betreurd, want als ik iets ben op 't oogenblik en instaat ben mijn eigen kost te verdienen, dan heb ik het aan hem te danken. Na zijn dood heb ik goede menschen gevonden, die mij in hun huis opnamen en voor wie ik gewerkt heb. Maar als ik geschreven had: ik ben tuinman bij de Glacière, dan zou men mij komen halen, of men zou aan die goede menschen geld gevraagd hebben. Ik wilde het een zoomin als het ander.
--Ja, ja, dat kan ik wel begrijpen.
--Maar dit heeft niet belet, dat ik altijd aan u dacht, en als ik heel ongelukkig was, is 't mij wel gebeurd, dat ik moeder Barberin riep om mij te helpen. Zoodra ik vrij was om te doen wat ik wilde, ben ik naar haar toe gekomen, maar niet zoo dadelijk, dat is waar: men kan niet altijd doen wat men wil, en ik had een plan, dat niet zoo gemakkelijk ten uitvoer was te brengen. Wij moesten onze koe verdienen vóór dat we u die konden thuis bezorgen, en het geld kwam niet bij rijksdaalders in. Wij hebben heel wat stukjes moeten spelen, dag aan dag, overal, vroolijke en treurige; wij moesten maar loopen, ons inspannen in 't zweet van ons aangezicht, en ons allerlei ontbering getroosten. Maar hoe moeilijker het viel, zooveel te meer genot hadden wij, niet waar Mattia?
--Elken avond telden wij ons geld, niet enkel wat wij dien dag verdiend hadden, maar ook hetgeen wij al hadden, om te zien of het niet verdubbeld was.
--Die goede jongens! Die beste jongens!
Al pratende bleef vrouw Barberin het deeg voor onze koeken beslaan en Mattia zorgde voor het hout, en ik zette de borden gereed en de vorken en de glazen, waarna ik een kruik versch water aan de fontein ging halen.
Toen ik terugkwam stond er eene volle terrine met geelachtig beslag, en vrouw Barberin schuurde met een bosje stroo de koekepan schoon en onder den schoorsteen vlamde een hoog vuur, dat Mattia onderhield door er voortdurend stukken hout op te werpen.
In een hoek naast den haard gezeten, sloeg Capi al die voorbereidende werkzaamheden gade, en daar hij half verschroeide, lichtte hij nu den eenen en dan weder den anderen poot op, even jankend. De heldere vlam verlichtte tot de uiterste hoeken van het vertrek en ik zag de figuren op de katoenen gordijnen van het ledekant dansen, gelijk voorheen, toen zij mij zoo dikwijls angst aanjoegen als ik bij maneschijn wakker werd.
Vrouw Barberin zette de pan op het vuur, nam toen een stukje boter met de punt van het mes en liet dit in de pan glijden, waar het dadelijk smolt.
--Dat riekt heerlijk! riep Mattia, die zijn neus boven het vuur hield zonder vrees, dat hij zich branden zou.
De boter begon te sissen.
--Zij zingt, riep Mattia; ik zal ze accompagneeren.
Voor Mattia loste zich alles op in muziek. Hij nam zijne viool en begon zachtjes te spelen en volgde op de snaren het sissen van de boter, en vrouw Barberin lachte, dat de tranen haar over de wangen liepen.
Maar het oogenblik was te gewichtig om zich aan luidruchtige vroolijkheid over te geven; met haar potlepel had vrouw Barberin in de terrine geroerd en schepte er het beslag uit, dat in dikke stralen neerviel; toen goot zij het in de pan en de boter, die terugvloeide bij den stroom van deeg, vormde er een rossen kring om.
Op mijne beurt boog ik mij voorover; vrouw Barberin gaf een tik op den steel van de pan en deed toen den pannekoek omdraaien tot grooten schrik van Mattia; maar het kon geen kwaad; na een eind in de hoogte in den schoorsteen te zijn gevlogen, viel de pannekoek weder omgekeerd in de pan en met zijn gebakken zijde boven.
Ik nam spoedig een bord en de pannekoek gleed erin.
Hij was voor Mattia, die zijn vingers, zijn lippen, zijn tong en zijn keel brandde, maar dat kwam er niet op aan; hij dacht er niet aan dat hij zich brandde.
--Hè! hoe lekker! riep hij met vollen mond.
Toen was het mijn beurt om mij te branden, en evenmin als Mattia voelde ik iets van de pijn.
De derde pannekoek was gaar en Mattia stak de hand uit, maar nu begon Capi geducht te blaffen: het was zijne beurt, hij had er recht op en Mattia gaf hem dan ook den pannekoek tot groote verontwaardiging van vrouw Barberin, die voor beesten het gevoel had, dat de boeren er algemeen voor koesteren: zij begreep niet, dat men aan een hond "het eten van een christenmensch" gaf. Om haar tevreden te stellen, zeide ik, dat Capi een geleerde hond was en dat hij bovendien een deel van de koe had verdiend; bovendien was hij onze kameraad en had hij recht om te eten wat wij kregen, en te gelijk met ons, daar zij gezegd had zelve niet te zullen eten vóór onze ergste honger was gestild.
Het duurde lang eer het zoover was en toen wij geen honger meer hadden, lustten wij ze toch nog even graag. Maar eindelijk kwam er toch een oogenblik, dat wij beiden verklaarden geen pannekoeken meer te zullen eten vóór dat vrouw Barberin zelve er een paar genuttigd had.
Toen wilden wij zelf pannekoeken bakken. Eerst mocht ik het probeeren en daarna Mattia; boter in de pan te leggen en dan het beslag erop te gieten was vrij gemakkelijk, maar niet om den pannekoek te keeren; de mijne kwam in de asch terecht; die van Mattia viel op zijne handen.
Eindelijk was de pot leeg, en daar Mattia zeer goed bemerkt had, dat vrouw Barberin zoolang hij erbij was niet wilde spreken over hetgeen mij betrof, zeide hij, dat hij nog eens naar de koe wilde gaan kijken en liet vrouw Barberin en mij alleen.
Ik had tot nu toe gewacht op hetgeen zij mij te vertellen had, maar ik kon niet zeggen, dat ik met bijzonder groot ongeduld gewacht had, want het bakken van de pannekoeken had mijne aandacht zoo geheel-en-al beziggehouden, dat ik aan andere dingen niet had gedacht.
Barberin was, meende ik, alleen naar Parijs gegaan om Vitalis op te zoeken en het jaargeld te krijgen, waarvoor hij mij had verhuurd. Daarmede had ik niets te maken. Vitalis was dood en hij kon dus niet betalen, en van mij zou men het geld toch wel in de laatste plaats kunnen vragen. Maar zoo Barberin al geen geld van mij krijgen kon, zou hij misschien beslag kunnen leggen op mijzelven, en dan zou hij mij kunnen plaatsen waar hij wilde, als men maar voor mij betaalde. En dat boezemde mij belang in, want ik had vast besloten het uiterste te beproeven voor ik mij onderwierp aan het gezag van dien naren Barberin. Als het moest, zou ik uit Frankrijk vluchten en met Mattia naar Italië of Amerika gaan, of naar het einde der wereld.
Met die gedachte vervuld, had ik mij voorgenomen, zeer voorzichtig te zijn in mijne woorden als ik met vrouw Barberin sprak; voor die goede vrouw zelve behoefde ik mij niet inacht te nemen, want ik wist, dat zij veel van mij hield en alles voor mij overhad; maar zij was bang voor haar man, dat had ik gezien; en als ik te veel zeide, zou zij het wel eens aan haar man kunnen oververtellen en op die wijze aan Barberin het middel in de hand geven, om mij op te sporen en zich weder meester van mij te maken. Als dit gebeuren mocht, moest het tenminste niet aan mijzelven worden toegeschreven, en daarom was ik op mijn hoede.
Toen Mattia de deur uit was, zeide ik tot vrouw Barberin:
--Nu zijn wij alleen; kunt gij mij nu zeggen wat Barberin voor mij te Parijs is gaan doen?
--Welzeker, mijn jongen, en met veel genoegen.
Met veel genoegen! Ik stond verstomd.
Vóór zij verder ging, wierp vrouw Barberin een blik naar de deur. Opdat niemand ons hooren zou, kwam zij dichter bij me en met een glimlach op 't gelaat sprak ze:
--Het schijnt dat uw familie u zoekt.
--Mijn familie?
--Ja, uw familie, Rémi.
--Heb ik dan familie? Ik? Ik, het kind dat te vondeling werd gelegd?
--Het schijnt, dat men u niet opzettelijk heeft verlaten, want thans zoekt men u.
--Wie zoekt mij? O spreek, vrouw Barberin, spreek, ik bid u.
Opeens scheen het me, dat ik krankzinnig zou worden en ik riep uit:
--Maar dat is niet mogelijk! Neen, Barberin zoekt mij.
--Dat doet hij ook, maar voor uw familie.
--Neen, voor hem zelven, om mij weer te kunnen verkoopen, maar hij zal mij niet hebben.
--Och, Rémi, hoe kunt gij denken, dat ik tot zoo iets de hand zou willen leenen!
--Hij wil ook u bedriegen, moeder Barberin.
--Maar jongenlief, wees toch verstandig, luister naar hetgeen ik u zeggen zal, dan zult ge mij wel gelooven. Aanstaanden Maandag is het juist een maand geleden, dat ik op de deel aan 't werk was, toen een man, of liever een heer, het huis binnentrad, waar Barberin op dat oogenblik zich bevond. "Heet gij Barberin?" vroeg de heer, die met een eenigszins vreemden tongval sprak.--"Ja, zeide Jérôme, zoo heet ik."--"Zijt gij het, die een kind gevonden hebt in de avenue de Breteuil en de taak op u nam om het groot te brengen?"--"Ja."--"Mag ik u dan vragen waar dat kind nu is?"--"Mag ik u vragen wat u dat aangaat?" antwoordde Jérôme met een wedervraag.
Mocht ik al getwijfeld kunnen hebben aan de oprechtheid van vrouw Barberin, aan dat brutale antwoord van haar man bemerkte ik dadelijk, dat zij goed geluisterd had.
--Gij weet, ging zij voort, dat men op de deel alles kan hooren wat hier gezegd wordt en bovendien, nu er sprake was van u, had ik een onweerstaanbaren lust om te luisteren. Ik deed dus een paar stappen nader, maar daarbij trad ik op een tak die kraakte.--"Zijn wij niet alleen?" vroeg de heer.--"Dat is mijn vrouw," antwoordde Jérôme.--"Het is hier erg warm," ging de heer voort, "laat ons liever buiten gaan om daar te praten." Zij gingen toen samen naar buiten en eerst drie of vier uur later kwam Jérôme alleen terug. Gij kunt begrijpen hoe nieuwsgierig ik was om te weten, wat er was behandeld tusschen mijn man en dien heer, die misschien uw vader was, maar op al mijn vragen gaf Jérôme geen antwoord. Hij zeide mij alleen, dat die heer niet uw vader was, maar dat hij op verzoek van de familie onderzoek naar u deed.
--En waar is mijn familie? Wie is ze? Heb ik een vader? een moeder?
--Dat heb ik, evenals gij nu, ook aan Jérôme gevraagd. Hij zeide, dat hij er niets van wist. Toen vertelde hij, dat hij naar Parijs ging om den muzikant op te zoeken, aan wien hij u verhuurd had en die hem zijn adres had gegeven in de rue Lourcine bij een anderen muzikant, Garofoli. Die beide namen heb ik onthouden; onthoud ze ook.
--Ik ken die namen al, wees gerust. En heeft Barberin na zijn vertrek niets meer van zich doen hooren?
--Neen; zeker zoekt hij u nog altijd; de heer heeft hem vijftig gulden in goud gegeven en na dien tijd heeft hij hem zeker nog meer geld gezonden. Dat alles en ook de mooie luiers, waarin gij gewikkeld waart, toen men u vond, is het bewijs, dat uwe ouders vermogende menschen zijn. Toen ik u daar in den hoek van den haard zag zitten, dacht ik, dat gij ze teruggevonden hadt en daarom meende ik, dat uw makker uw broeder was.
Op dit oogenblik ging Mattia juist voorbij; ik riep hem.
--Mattia, mijne ouders zoeken mij; ik heb eene familie, eene wezenlijke familie!
Vreemd genoeg scheen Mattia mijne vreugde en opgewondenheid niet te deelen.
Toen vertelde ik hem, wat vrouw Barberin mij had medegedeeld.
XXXI.
HET OUDE EN NIEUWE GEZIN.
Ik sliep dien nacht weinig; en hoe dikwijls had ik in den laatsten tijd verlangd naar het genot dat ik smaken zou, als ik weder in het bed zou slapen, waarin ik zoo menigen nacht als kind gelegen had, zonder ooit wakker te worden, in een hoekje gedoken met de dekens tot aan mijn kin; hoe dikwijls ook, als ik onder den blooten hemel lag, had ik met weemoed aan dat warme dek gedacht, als ik half-bevroren door de nachtvorst of door-en-door nat van den ochtenddauw ontwaakte uit een bangen droom.
Zoodra ik in mijn bed lag, was ik ingeslapen, want ik was dien dag zeer vermoeid geweest en ook verlangde ik, na dien nacht in de gevangenis, naar rust; maar zoodra ik even was ingedommeld, werd ik met schrik weder wakker en toen was het mij onmogelijk den slaap weder te vatten; ik was daartoe veel te zenuwachtig en koortsig.
Mijn familie!
Toen ik weder insliep, dacht ik aan die familie, en gedurende den korten tijd dien ik slapende doorbracht, droomde ik van haar, van mijn vader, mijn moeder, mijn broeders en zusters; die korte oogenblikken had ik met hen geleefd die ik nog niet kende, en die ik slechts voor het eerst zag; zonderling, Mattia, Lize, vrouw Barberin, mevrouw Milligan en Arthur behoorden allen tot mijn familie en Vitalis was mijn vader; hij was weder levend geworden en thans zeer rijk; terwijl wij van elkaar gescheiden waren geweest, had hij Zerbino en Dolce teruggevonden, die niet door de wolven opgegeten waren, zooals wij gemeend hadden.
Iedereen heeft, geloof ik, zulke visioenen gehad, waarin hij in den kortst mogelijken tijd een aantal jaren doorleeft of wel de onoverkomelijkste bezwaren overwint; iedereen weet ook, dat men bij zijn ontwaken zich alles nog levendig voorstelt, wat men ondervonden heeft.
Toen ik ontwaakte, zag ik allen voor mij, van wie ik gedroomd had, alsof ik den avond met hen had doorgebracht, en natuurlijk was het mij onmogelijk den slaap weder te vatten. Langzamerhand echter werden deze beelden minder duidelijk, maar de werkelijkheid drong zich met zooveel kracht aan mijn geest op dat mij dit nog meer den slaap benam.
Mijn familie zocht mij, maar om ze weer te vinden, moest ik mij tot Barberin wenden.
Deze gedachte alleen was voldoende om mijn vreugde aanmerkelijk te matigen. Het kwelde mij, dat Barberin bij mijn geluk betrokken was. Ik had niet vergeten wat hij tot Vitalis gezegd had, toen hij mij aan dezen verkocht, en dikwijls had ik het bij mezelf herhaald: "zij, die dit kind hebben opgevoed, zullen er voordeel van genieten; als ik daarop niet gerekend had, dan zou ik mij nooit met die zorg belast hebben." Deze woorden waren van dat oogenblik af oorzaak geweest, dat ik weinig hart voor Barberin gevoelde.
Barberin had mij niet uit medelijden van de straat opgeraapt, en evenmin had hij uit medelijden zich met de zorg voor mij belast; het was alleen, omdat ik in fraaie kleederen gewikkeld was, en omdat hij vroeg of laat voordeel van mij halen zou, als hij mij aan mijn ouders teruggaf. Die tijd was echter niet zoo spoedig aangebroken, als hij wel had gewenscht; hij had mij daarom aan Vitalis verkocht; nu zou hij mij aan mijn vader verkoopen.
Welk een onderscheid tusschen die vrouw en haar man; zij had mij niet om mijn geld bemind, die goede moeder Barberin! O, wat zou ik gaarne een middel gevonden hebben om haar dat voordeel te bezorgen en niet Barberin!
Maar hoe ik ook peinsde en mij in mijn bed keerde en wendde, ik kon er geen bedenken en altijd kwam die wanhopende gedachte mij weer voor den geest, dat Barberin mij bij mijn ouders terugbrengen zou en dat hij bedankt en beloond zou worden.
Ik moest mij dit in elk geval laten welgevallen, daar het onmogelijk anders kon, en mij voorloopig troosten met de gedachte, later, als ik rijk was geworden, te toonen welk onderscheid ik tusschen den man en de vrouw maakte, als ik in de gelegenheid was haar te bedanken en te beloonen.
Voor het oogenblik moest ik mij slechts met Barberin bezighouden, of liever ik moest hem zoeken en vinden, want hij behoorde niet tot die echtgenooten, die geen stap doen zonder hun vrouwen daarvan vooraf kennis te geven en haar te zeggen waar zij te vinden zijn, indien zij hem noodig hebben. Alles wat moeder Barberin wist, was dat haar echtgenoot zich te Parijs bevond. Sedert zijn vertrek had hij haar niet geschreven, evenmin had hij iets van zich laten hooren door tusschenkomst van een buurman of landgenoot; het was zijn gewoonte niet om zich aan dergelijke vriendschapsbetuigingen schuldig te maken.
Waar was hij! waar vertoefde hij op het oogenblik? Zij wist het niet juist genoeg om hem een brief te zenden; men kon nergens anders zoeken dan bij twee of drie logementhouders, wier namen zij kende en bij wie men hem zonder twijfel vinden zou.
Ik moest dus maar naar Parijs gaan en hem zelf opzoeken.
Mijn blijdschap was zeer groot, dat ik mijn familie zou terugzien, maar toch ging zij met een gevoel van weerzin, zelfs van verdriet gepaard.
Ik had gehoopt, dat ik eenige rustige, gelukkige dagen bij moeder Barberin zou doorbrengen, mijn kinderspeelgoed met Mattia voor den dag zou halen en zie, nu moesten wij ons den anderen dag weder op weg begeven.