Chapter 30
Ik had gedacht dat ik mijne koe maar behoefde te vragen, om ze te krijgen, maar inplaats daarvan, deed men ons van alle kanten allerlei vragen: waar wij vandaan kwamen en hoe die koe in ons bezit was gekomen?
Onze antwoorden waren even eenvoudig als gemakkelijk: maar zij overtuigden die menschen volstrekt niet en twee of drie stemmen gingen er op, die ons toeriepen, dat wij de koe, die ons ontloopen was, gestolen hadden; dat wij naar de gevangenis moesten gebracht worden, in afwachting dat de zaak werd opgehelderd.
Dat vreeselijke woord "gevangenis" joeg mij een killen schrik op het lijf; ik raakte verward en dat was ons ongeluk: ik verbleekte, begon te stotteren en daar ik door het harde loopen mijn adem verloren had, was ik buiten staat te antwoorden.
Middelerwijl was er een gendarme gekomen; met een paar woorden vertelde men hem onze geschiedenis, en daar ze hem niet in orde scheen, zeide hij, dat onze koe zou worden opgestald en hij ons naar de gevangenis brengen zou.
Ik wilde er mij tegen verzetten; Mattia wilde ook wat zeggen, maar op strengen toon legde de gendarme ons het stilzwijgen op, en daar ik mij herinnerde wat er met Vitalis te Toulouse was gebeurd, zeide ik tot Mattia, dat wij maar moesten zwijgen en den gendarme volgen.
Het gansche dorp liep ons na tot het stadhuis, waar de gevangenen bewaard werden. Men omringde ons van alle zijden; men duwde ons; men schold ons uit en als de gendarme er niet bij geweest was, zou men ons met steenen hebben geworpen, misschien nog wel erger, alsof wij de grootste misdadigers, moordenaars of brandstichters waren. Toch hadden wij volstrekt geen kwaad gedaan. Maar zoo is nu eenmaal de menigte; zij vindt er genot in ongelukkigen te mishandelen, zonder te weten wat zij gedaan hebben, ja zelfs zonder te weten of zij schuldig zijn of niet.
Aan de gevangenis gekomen, had ik nog een oogenblik hoop: de portier van het stadhuis, die tevens cipier was en veldwachter bovendien, wilde ons eerst niet toelaten. Ik zeide al bij mij zelven, dat dit tenminste een braaf man was. Maar toen de gendarme aanhield, gaf hij eindelijk toe. Voor ons uitgaande, opende hij eene groote deur, die van buiten met een zwaar slot en twee stevige grendels was gesloten. Toen eerst bemerkte ik, waarom hij eerst moeilijkheid had gemaakt om ons te ontvangen: hij had namelijk het vertrek, dat tot gevangenis diende, tot bewaarplaats voor zijn uien ingericht en daarmee lag dan ook de grond bedekt. Terwijl men onze zakken doorzocht, onze messen en lucifers enz. afnam, veegde de cipier zijne uien in een hoek bijeen. Toen sloot men de deur en het gedruisch dat het omdraaien van den sleutel en het dichtschuiven van de grendels maakten, klonk verschrikkelijk akelig.
Wij zaten dus in de gevangenis. Voor hoelang?
Toen ik mezelven die vraag deed, kwam Mattia voor mij staan en zeide, terwijl hij zijn hoofd voor mij boog:
--Geef me maar een geducht pak slaag; sla nu maar goed raak; je kunt me niet zwaar genoeg straffen voor mijn domheid.
--Je hebt een domme streek begaan en ik heb ze toegelaten; ik ben even dom geweest als jij.
--Ik zou liever hebben dat je me een pak slaag gaaft; dan zou ik minder verdriet hebben; onze koe! onze arme koe! de koe van den prins!
Hij begon bitter te schreien.
Toen was het mijn beurt om hem te troosten en hem aan 't verstand te brengen, dat onze toestand zoo erg niet was. Wij hadden geen kwaad gedaan en het zou ons niet moeilijk vallen te bewijzen, dat wij onze koe gekocht hadden; de goede veearts uit Ussel zou onze getuige wezen.
--En als men ons beschuldigt, dat wij het geld gestolen hebben, waarvoor wij de koe hebben gekocht, hoe zullen wij dan bewijzen, dat wij het eerlijk hebben verdiend? Je ziet toch wel dat ongelukkigen van alles worden verdacht en beschuldigd.
Mattia had gelijk; ik wist maar al te goed, dat men hardvochtig is voor ongelukkigen; de kreten waarmede men ons vervolgd had tot voor de deur der gevangenis, bewezen het immers maar al te goed.
--En dan, zeide Mattia, nog altijd weenende, als wij uit de gevangenis ontslagen worden en onze koe terugkrijgen, zullen wij dan vrouw Barberin vinden?
--Waarom zouden wij haar niet vinden?
--Zij is mogelijk gestorven in den tijd, dat gij haar niet gezien hebt.
Die vrees sloeg ook mij om 't hart. Het was inderdaad heel goed mogelijk, dat vrouw Barberin gestorven was; want hoewel ik nog niet op den leeftijd was, waarop men aan den dood denkt, wist ik toch bij ondervinding, dat men verliezen kon wie men liefheeft. Had ik Vitalis niet verloren? Hoe kwam het, dat ik zelf daaraan niet reeds vroeger had gedacht?
--Waarom hebt ge me dat niet eerder gezegd? vroeg ik.
--Heel eenvoudig; als ik gelukkig ben, heb ik slechts prettige dingen in mijn hersens, en als ik ongelukkig ben, alleen treurige. En ik was zoo gelukkig bij de gedachte, een koe thuis te brengen bij vrouw Barberin, dat ik haar alleen maar voor me had, blijde en lachend over haar koe en ook enkel onze blijdschap zag. Dat vervulde me zoo met vroolijke gedachten, dat ik voor niets anders gevoel had.
--Uw hoofd is niet dommer dan het mijne, beste Mattia, want ik heb evenmin als gij aan iets anders gedacht. Evenals gij had ik voor niets gevoel dan voor dat ééne gelukkige oogenblik, waarop wij vrouw Barberin haar koe zouden geven.
--Och, och! die koe van den prins! riep Mattia schreiend uit. 't Is een mooie prins!
Plotseling stond hij op en met heftige gebaren riep hij uit:
--Als vrouw Barberin eens dood was en die ellendeling van een Barberin nog leefde en onze koe ons afnam en misschien u zelven ook nog hield!
Zeker was het de invloed van de gevangenis, die zulke zwaarmoedige gedachten bij ons deed oprijzen; 't was dat geschreeuw van de menigte; 't was de gendarme; 't was het gedruisch van het slot en de grendels, die men achter ons had gesloten.
Maar Mattia dacht niet slechts aan ons, maar ook aan onze koe.
--Wat zal men ze te eten geven? Wie zal haar melken?
Het eene uur na het andere verstreek, terwijl wij ons aan die treurige overpeinzingen overgaven, en hoe langer het duurde, zooveel te zwaarmoediger werden wij.
Ik trachtte Mattia op te beuren door hem te zeggen, dat men ons in ieder geval toch verhooren zou.
--En wat zullen wij dan zeggen?
--De waarheid.
--Maar dan zullen ze ons aan Barberin overgeven, of, als vrouw Barberin alleen thuis, zal men haar ondervragen om te zien of wij niet liegen, en dan zullen we haar niet meer kunnen verrassen.
Eindelijk werd de deur met groot geweld geopend en wij zagen een ouden heer binnenkomen, wiens open gelaat terstond onze hoop herleven deed.
--Alloh! kwajongens, staat op, zeide de cipier, en antwoordt op hetgeen mijnheer de vrederechter je vragen zal.
--'t Is goed, 't is goed, sprak de vrederechter, terwijl hij den cipier een wenk gaf om hem alleen te laten; ik zal eerst dien knaap in verhoor nemen--daarbij wees hij met zijn vinger naar mij--, breng den anderen zoolang weg en bewaar hem goed; ik zal later met hem spreken.
Ik achtte het noodig in de gegeven omstandigheden Mattia te waarschuwen hoe hij antwoorden moest en zeide: "Evenals ik, mijnheer de vrederechter, zal hij u de waarheid en niets meer dan de waarheid zeggen."
--Dat is goed, dat is goed, sprak de vrederechter weder kortaf, alsof hij voorkomen wilde, dat ik nog meer zeide.
Mattia werd weggebracht, maar hij had toch nog gelegenheid om mij door een blik te kennen te geven, dat hij mij had begrepen.
--Men beschuldigt u eene koe te hebben gestolen, zeide de vrederechter, mij strak in de oogen ziende.
Ik antwoordde, dat wij die koe gekocht hadden te Ussel en ik noemde den naam van den veearts, die ons bij het koopen geholpen had.
--Dat zal kunnen blijken.
--Dat hoop ik, want daardoor alleen kan onze onschuld aan het licht komen.
--En met welk doel hebt gij die koe gekocht?
--Om ze naar Chavanon te brengen en ze present te geven aan eene vrouw, die mijne min is geweest en die ik nu mijne dankbaarheid wilde betoonen voor hare zorgen en een bewijs van genegenheid wilde geven.
--Hoe heet die vrouw?
--Barberin.
--Is dat de vrouw van een metselaar, die eenige jaren geleden te Parijs een ongeluk kreeg?
--Ja, mijnheer.
--Ook dat zal kunnen blijken.
Op die woorden antwoordde ik niet zooals ik gedaan had, toen het den veearts te Ussel gold.
Toen hij mijne verlegenheid bespeurde, deed de vrederechter mij allerlei vragen en eindelijk bekende ik de reden van mijn zwijgen: als hij bij vrouw Barberin een onderzoek instelde, zou ons plan geheel verijdeld zijn; wij zouden haar dan niet meer kunnen verrassen.
Ondanks mijne verlegenheid, maakte zich toch een gevoel van gerustheid van mij meester; nu de vrederechter vrouw Barberin kende en narichten bij haar wilde inwinnen, om te weten of ik waarheid had gesproken, was dit een bewijs, dat zij nog in leven was.
Maar nog meer genoegen deed het mij, uit hetgeen de vrederechter verder sprak te kunnen opmaken, dat Barberin voor eenigen tijd weder naar Parijs was teruggekeerd.
Dit maakte mij zóó gelukkig, dat ik hem wist over te halen om zich tot het onderzoek bij den veearts te bepalen, daar dit toch voldoende was om te bewijzen, dat wij onze koe niet hadden gestolen.
--En hoe zijt gij aan zooveel geld gekomen, om een koe te kunnen koopen?
Dat was de vraag, waarover Mattia zich zoo ongerust maakte, toen hij voorzag, dat zij ons zou worden gedaan.
--Dat hebben wij verdiend.
--Waar en hoe?
Ik vertelde hem toen hoe wij van Parijs naar Varses en van Varses tot Mont-Dore, stuiver voor stuiver hadden verdiend en bewaard.
--En wat ging-je te Varses doen?
Die vraag noodzaakte mij opnieuw een heel verhaal te geven van mijn lotgevallen. Toen de vrederechter hoorde, dat ik in de mijn van Truyère begraven was geweest, viel hij mij in de rede en op veel zachteren, bijna vriendelijken toon vroeg hij:
--Wie van u beiden is Rémi?
--Die ben ik, mijnheer.
--Hoe bewijst gij dat? Gij hebt geen papieren, zooals de gendarme mij gezegd heeft.
--Neen, die heb ik niet.
--Vertel mij dan eens hoe dat ongeluk te Varses in zijn werk is gegaan. Ik heb het verhaal daarvan in de couranten gelezen, en als gij de wezenlijke Rémi niet zijt, kunt gij mij niet misleiden. Ik luister; pas dus goed op.
De vriendelijke toon van den vrederechter gaf mij moed: ik zag duidelijk, dat hij ons niet vijandig gezind was.
Toen ik mijn verhaal had geëindigd, zag de vrederechter mij een poos lang aan en op zijn gelaat was hartelijkheid en deelneming te lezen. Ik verbeeldde me, dat hij mij nu terstond in vrijheid zou stellen; maar dat gebeurde niet. Zonder een woord verder te spreken, liet hij mij alleen. Zeker ging hij thans Mattia in verhoor nemen, om te zien of onze twee verhalen overeenstemden.
Geruimen tijd bleef ik aan mijne eigene overdenkingen overgelaten; eindelijk kwam de vrederechter terug met Mattia.
--Ik zal narichten inwinnen te Ussel, zeide hij, en als die, zooals ik hoop, bevestigen wat gij mij verteld hebt, dan zal ik u morgen in vrijheid doen stellen.
--En onze koe? vroeg Mattia.
--Die krijgt gij dan terug.
--Dat bedoel ik niet, hernam Mattia, maar wie zal ze te eten geven? en wie zal ze melken?
--Maak je daar maar niet ongerust over, vriendje.
Mattia was door die woorden geheel gerustgesteld.
--Als men onze koe melkt, zeide hij met een glimlach, zou men ons dan de melk niet kunnen bezorgen? Dat zou heerlijk zijn voor ons avondeten.
Zoodra de vrederechter vertrokken was, deelde ik aan Mattia de twee gewichtige tijdingen mede, die me bijna deden vergeten, dat ik in de gevangenis was: vrouw Barberin leefde en Barberin zelf was te Parijs.
--De koe van den prins zal dan een luisterrijken intocht houden, zeide Mattia.
En in zijne vreugde begon hij te dansen en te zingen; ik greep zijne twee handen, door zijne vroolijkheid medegesleept en Capi, die tot hiertoe treurig en onrustig in zijn hoek had gelegen, ging op zijne achterpooten tusschen ons beiden instaan. Toen begonnen wij zoo lustig en levendig te dansen, dat de cipier ongerust werd--waarschijnlijk om zijne uien--en kwam zien wat wij uitvoerden.
Hij verzocht ons wat bedaard te zijn; maar hij sprak nu niet zoo ruw als toen hij de eerste maal met den vrederechter binnenkwam.
Ook daaruit leidden wij af, dat onze toestand zoo erg niet was en spoedig ontvingen we het bewijs, dat we ons hierin niet bedrogen; want weldra kwam hij terug met eene groote terrine vol melk--melk van onze koe! Maar dat was nog niet alles: hij gaf ons ook een groot wittebrood met een stuk koud kalfsvleesch, dat, zooals hij zeide, van den vrederechter kwam.
Nooit werden gevangenen zoo goed behandeld; toen ik mijn kalfsvleesch at en mijn melk erbij dronk, kreeg ik een veel betere meening omtrent gevangenissen; zij waren blijkbaar veel aangenamer dan ik mij ooit had voorgesteld.
Dat was ook het oordeel van Mattia.
--Eten en slapen zonder dat het een cent kost, zeide hij lachend; dat is een buitenkansje.
Ik wilde hem bang maken en zeide:
--Als nu de veearts eens plotseling gestorven was, wie zou dan voor ons getuigen?
--Zulke dingen denkt men alleen maar, als men ongelukkig is, antwoordde hij, zonder boos te worden, en dat zijn wij op dit oogenblik niet.
XXX.
VROUW BARBERIN.
Onze nacht op een veldbed was niet al te slecht: wij hadden er wel slechter doorgebracht, als wij onder den blooten hemel moesten slapen.
--Ik heb gedroomd dat onze koe haar intocht hield, zeide Mattia toen hij ontwaakte.
--Ik ook.
Te acht uren werd onze deur geopend en wij zagen den vrederechter binnenkomen, gevolgd door onzen vriend den veearts, die ons zelf in vrijheid had willen stellen.
Wat den vrederechter betreft, zijne belangstelling voor twee onschuldige gevangenen bepaalde zich niet tot het eten, dat hij ons den vorigen avond had gezonden; hij gaf mij een groot vel papier met een zegel er op.
--Gij zijt een paar domme jongens, sprak hij minzaam, dat gij zoo maar op weg gaat; hier hebt gij een paspoort, dat ik door den burgemeester in orde heb doen maken, en dat zal u voortaan voor moeilijkheden bewaren. Goede reis, jongens!
Toen gaf hij elk van ons de hand en de veearts drukte die eveneens recht hartelijk.
Op schandelijke wijze waren wij het dorp binnengekomen; zegepralend mochten wij het thans verlaten; wij hadden onze koe aan het touw en stapten voort met opgeheven hoofd, met fiere blikken de dorpelingen aanziende, die zich voor hunne woning vertoonden.
--Eén ding spijt mij maar, zeide Mattia: dat wij den gendarme niet tegenkomen, die ons naar de gevangenis heeft gebracht.
--De gendarme had ongelijk, maar wij hadden ook ongelijk, toen wij geloofden dat zij, die ongelukkig zijn, ook niets goeds hebben te wachten.
--Omdat wij niet heelemaal ongelukkig waren, hebben wij nog wat goeds ondervonden; als men vijf francs op zak heeft, is men nog niet heelemaal ongelukkig.
--Gisteren mocht gij dat nog zeggen, maar vandaag niet meer; je hebt toch gezien, dat er nog brave menschen in de wereld zijn.
Wij hadden eene te goede les gehad om weder het touw van onze koe los te laten; zij was heel goedig, dat is waar, maar zij was ook geducht schichtig.
Weldra hadden wij het dorp bereikt, waar ik den eersten nacht met Vitalis doorgebracht had. Van daar hadden wij nog slechts eene vlakte door te trekken om aan den heuvel te komen, aan welks voet het dorpje Chavanon ligt.
Toen ik de straat doorging van het dorp, juist vóór het huis, waar Zerbino een korst brood had gestolen, kwam er eene gedachte bij mij op, die ik terstond aan Mattia mededeelde.
--Je weet wel dat ik je beloofd heb, dat wij wafels bij vrouw Barberin zouden eten; daar is boter voor noodig en bloem en eieren.
--Dat zal dan wel lekker smaken.
--Nu, dat zou ik denken! Maar gij zult het zelf proeven; het smelt in je mond. Maar misschien heeft vrouw Barberin geen boter en geen bloem. Wat zoudt ge er van denken, als wij dat eens voor haar meebrachten?
--Dat is een voortreffelijk idee.
--Houd dan de koe eens vast, maar laat ze vooral niet los; ik ga in dien kruidenierswinkel wat bloem en boter koopen. Wat de eieren betreft, als vrouw Barberin ze niet heeft, zal ze die wel leenen; wij zouden ze maar breken onderweg.
Ik trad den winkel binnen, waar Zerbino zijn korst brood gestolen had en kocht een pond boter en twee kop meel. Toen zetten wij de reis voort.
Ik wilde onze koe niet hard laten loopen, maar had onwillekeurig zooveel haast, dat ik mijn pas versnelde.
Nog tien mijlen! nog acht! nog zes! zonderling; de weg naar vrouw Barberin scheen mij veel langer dan toen ik haar verlaten had en toch viel er dien dag een slagregen, welken ik mij thans nog herinnerde.
Maar ik was zoo ontroerd; ik had de koorts van verlangen, en elk oogenblik keek ik op mijn horloge.
--Is dit geen mooi land? vroeg ik aan Mattia.
--Tenminste de boomen beletten het uitzicht niet.
--Als wij de helling van den berg afdalen naar Chavanon, zult gij eene menigte boomen zien en mooie ook: eiken en kastanjeboomen.
--Met kastanjes er aan?
--Dat beloof ik je! En in den tuin van vrouw Barberin is een kromme pereboom, waarin men ruiter te paard kan zitten. Daar groeien groote peren aan en lekkere ook; dat zult gij zien.
En bij al wat ik hem vertelde, eindigde ik met te zeggen: dat zult gij zien. Voor mijzelven geloofde ik inderdaad, dat ik Mattia in het land der wonderen bracht. Maar dat was het dan ook voor mij. Daar hadden mijne oogen het eerste licht gezien; daar had ik het leven leeren kennen; daar was ik zoo gelukkig geweest; daar had men mij liefgehad. En al die lieflijke gewaarwordingen van mijne eerste jeugd werden nog aangenamer door de herinnering aan al het leed, dat ik op mijne zwerftochten had doorstaan, en drongen zich nu alle aan mijn hoofd en mijn hart op, naarmate wij het dorp meer naderden. Het was of die lucht van mijn geboortegrond mij bedwelmde; alles vond ik even mooi.
Het gevoel dat mij beheerschte, was aanstekelijk en ook Mattia keerde--helaas! slechts in zijne verbeelding--terug naar het land waar hij geboren was.
--Als ge eens te Lucca kwaamt, zeide hij, zou ik u ook wat prachtigs vertoonen; dat zoudt gij zien.
--Maar wij zullen naar Lucca gaan als wij Martha, Lize en Benjamin hebben opgezocht.
--Zoudt gij wel eens te Lucca willen zijn?
--Gij zijt met mij naar vrouw Barberin medegegaan, ik ga met u mede naar uw moeder en uw zusje Christina, dat ik op mijn arm zal dragen, als zij er al niet te groot voor is; ze zal mijn zusje ook zijn.
--O Rémi!
Hij kon er geen woord meer bijvoegen, zoo aangedaan was hij.
Terwijl wij zoo praatten, stapten wij altijd stevig door en weldra waren wij op de kruin van den heuvel, waar de weg begon, die met vele kronkelingen naar Chavanon en langs het huis van vrouw Barberin leidde.
Nog eenige stappen en dan waren wij op de plek, waar ik aan Vitalis verlof had gevraagd, op den rand van den weg te gaan zitten om het huis nog eens te zien van vrouw Barberin, waar ik nooit meer dacht terug te komen.
--Houd het touw vast, zeide ik tot Mattia.
En met een sprong was ik op den dijk langs den weg. Niets was er in onze vallei veranderd; zij zag er nog juist uit als voorheen; tusschen de twee groepen boomen ontdekte ik het huis van vrouw Barberin.
--Wat hebt gij toch? vroeg Mattia.
--Daar! daar!
Hij kwam bij mij staan, maar zonder op het dijkje te klimmen, waarvan onze koe het gras at.
--Volg mijn hand eens; daar is het huis van vrouw Barberin; daar staat de pereboom; dat was mijn tuin.
Mattia, wiens oog niet, zooals het mijne, geleid werd door zijne herinneringen, zag er niet veel van; maar hij zei mij dit niet.
Op dat oogenblik steeg een dunne gele rookkolom uit den schoorsteen en daar er geen wind was, rees zij loodrecht op langs de helling van den heuvel.
Toen voelde ik hoe plotseling tranen mijn oogen verduisterden; ik sprong van het dijkje en omhelsde Mattia. Capi sprong tegen mij op en ik nam hem in mijn armen en kuste hem.
--Nu gauw naar beneden.
--Als vrouw Barberin thuis is, hoe zullen we haar dan met de koe verrassen? vroeg Mattia.
--Gij gaat alleen naar binnen en vertelt haar, dat ge een koe brengt van den prins, en als zij vraagt: van welken prins? dan kom ik te voorschijn.
--Hoe jammer dat wij onzen intocht niet kunnen maken met muziek, dat zou eerst aardig zijn!
--Mattia, geen gekheid!
--Wees maar niet bang; ik heb geen plan om dezelfde domheid nog eens te doen; maar dat is toch zeker, als die vrouw veel van muziek houdt, zou eene fanfare hier recht op zijn pas wezen.
Toen wij aan eene bocht van den weg kwamen, juist boven het huis van vrouw Barberin, zagen wij een witte muts in den tuin te voorschijn komen: dat was vrouw Barberin; zij opende het hek en ging den weg op naar den kant van het dorp.
Ik vertelde aan Mattia dat dit vrouw Barberin was en wij bleven een oogenblik stilstaan.
--Zij gaat uit. Hoe doen wij dan met onze verrassing?
--Wij zullen eene andere verzinnen.
--Welke?
--Dat weet ik nog niet.
--Zoudt gij ze niet roepen?
De verleiding was groot, maar ik weerstond haar toch; maanden lang had ik er mij een feest van gemaakt, dat ik vrouw Barberin verrassen zou en daarvan kon ik nu niet zoo opeens afstand doen.
Spoedig stonden wij aan het hek voor mijn voormalig huis en ik trad binnen zooals voorheen.
Ik kende de gewoonte van vrouw Barberin en ik wist, dat de deur slechts op de klink stond en wij dus gemakkelijk in huis konden komen; maar eerst moest ik onze koe op stal brengen. Ik ging dus eens zien in welken toestand die stal verkeerde en ik zag, dat hij nog precies was als voorheen, behalve dat er eenige takkenbossen in lagen. Ik riep Mattia en nadat wij de koe hadden vastgemaakt, begonnen wij met ijver de takkenbossen opzijde te leggen, en daarmede waren wij spoedig gereed, want heel veel hout had vrouw Barberin niet opgedaan.
--En nu, zei ik tot Mattia, gaan wij naar binnen; ik ga in 't hoekje bij den haard zitten, waar vrouw Barberin mij dan kan vinden. Daar het hek op de hengsels knarst, als het geopend wordt, hebt gij al den tijd, als zij terugkomt, om met Capi u achter het ledekant te verschuilen. Dan zal ze mij alleen zien... wat zal ze opkijken!
Toen wij dit afgesproken hadden, gingen wij in huis en zette ik mij bij den haard neder op het plaatsje, waar ik zoo menigen winteravond had doorgebracht. Daar ik mijn lange haren niet kon afknippen, verborg ik ze onder den kraag van mijn jas en ik kroop zooveel mogelijk in elkander, om nog meer te gelijken op den "kleinen Rémi", die vrouw Barberin moeder noemde.
Van de plek, waar ik zat, kon ik het hek zien en wij behoefden dus niet bang te wezen, dat vrouw Barberin ons plotseling overvallen zou.
Ik keek eens rond, en het scheen mij toe, dat ik eerst gisteren het huis had verlaten. Niets was veranderd; alles stond nog op zijne zelfde plaats; ja zelfs het papier, waarmede de ruit was beplakt, die ik eens gebroken had, was nog altijd hetzelfde; het was alleen maar erg geel en berookt geworden.
Als ik mijne plaats had durven verlaten, zou ik graag elk voorwerp eens van nabij hebben bekeken; maar ieder oogenblik kon vrouw Barberin terugkomen en ik moest dus op den uitkijk blijven.
Opeens zag ik eene witte muts en tegelijk knarste het hengsel van het hek.
--Gauw, kruip weg! riep ik tot Mattia.
Ik maakte mij nu nog kleiner.
De deur ging open: op den drempel reeds ontdekte mij vrouw Barberin.
--Wie is daar? vroeg zij.
Ik zag haar aan zonder antwoord te geven en ook zij zag mij aan.
Eensklaps begon zij over haar geheele lichaam te beven; sidderend stak zij hare handen uit.
--Groote God! prevelde zij.... Goede God! is het mogelijk!... Rémi!
Ik stond op en vloog in hare armen.
--Moeder!
--Mijn jongen! 't Is mijn jongen!
Het duurde eenige minuten, eer wij tot ons zelven kwamen en onze tranen hadden bedwongen.
--Dat is zeker, zeide zij, als ik niet altijd aan je gedacht had, zou ik je nu ook niet herkend hebben. Wat ben je veranderd! En zoo groot geworden! En zoo breed!
Een onderdrukt kuchje herinnerde mij, dat Mattia achter het ledekant verborgen was. Ik riep hem en hij kwam te voorschijn.
--Dat is Mattia, mijn broer.