Alleen op de Wereld

Chapter 3

Chapter 34,195 wordsPublic domain

Het was werkelijk kwart vóór drieën.

--Goed zoo, zeide Vitalis; dank u signor Capi; wees thans zoo vriendelijk signora Dolce te verzoeken, touwtje te springen.

Capi stak nu zijn poot in den zak van zijns meesters jas en trok daar een koord uit. Hij wenkte Zerbino en deze plaatste zich snel tegenover hem. Capi wierp hem toen een eind touw toe en beiden begonnen dit met met den grootsten ernst te draaien.

Toen de beweging zeer gelijkmatig was, wierp Dolce zich in het koord en sprong telkens even op, terwijl zij haar vriendelijke oogen aanhoudend op haar meester gevestigd hield.

--Gij ziet, zeide deze, dat mijn leerlingen zeer verstandig zijn; maar het verstand wordt dan eerst gewaardeerd, wanneer men het vergelijken kan. Daarom wensch ik dezen knaap aan mijn gezelschap te verbinden; hij zal de rol van een dier spelen en mijn leerlingen zullen des te hooger gewaardeerd worden.

--Foei, om hem voor een beest te laten spelen! riep Barberin uit.

--Men moet een weinig geest hebben, vervolgde Vitalis, en ik geloof dat het jonge mensch hiervan niet ontbloot zal zijn, wanneer hij eenige lessen heeft gehad. Het overige komt vanzelf. Wij zullen terstond de proef eens met hem nemen. Wanneer hij verstandig is, dan zal hij begrijpen, dat men met signor Vitalis de kans heeft, geheel Frankrijk en nog wel tien andere landen te doorkruisen, een vrij leven te leiden, in plaats van achter de ossen te loopen, en iederen dag op hetzelfde land van den morgen tot den avond te moeten werken. Terwijl, wanneer hij onverstandig is en huilt en schreeuwt.... signor Vitalis houdt niet van stoute kinderen en dan neemt hij hem niet met zich mede. Dan gaat het ondeugende kind naar het gesticht, waar hij hard werken moet en weinig te eten krijgt.

Ik was verstandig genoeg om den zin van deze woorden te vatten, maar tusschen ze te begrijpen en een besluit te nemen was nog een groot verschil.

De leerlingen van signor Vitalis waren zeer aardig en vermakelijk en het moest ook wel aangenaam zijn om veel te wandelen; maar om hen te volgen, moest ik vrouw Barberin verlaten.

't Is waar, zoo ik dit weigerde, zou ik misschien toch niet bij vrouw Barberin blijven en zou men mij naar het gesticht zenden.

Toen ik daar als vastgenageld staan bleef en de tranen mij in de oogen welden, streek Vitalis zachtkens met zijn hand over mijn wang.

--Komaan, zeide hij, het kereltje begrijpt mij, want hij huilt niet; hij zal wel verstandig wezen en morgen....

--Ach mijnheer, riep ik, laat mij bij moeder Barberin als je blieft!

Maar vóór ik nog iets had kunnen zeggen, werd ik door een heftig geblaf van Capi in de rede gevallen.

De hond sprong tegelijkertijd naar de tafel waarop Joli-Coeur was blijven zitten. Deze had gebruik gemaakt van een oogenblik, dat ieders oog op mij gericht was en het volle wijnglas van zijn meester leeggedronken. Maar Capi, die goed de wacht hield, had deze apenstreek gezien en als een trouw bewaker wilde hij dit verhinderen.

--Mijnheer Joli-Coeur, zeide Vitalis op strengen toon, gij zijt een lekkerbek en een schelm; ga in den hoek staan met uw neus tegen den muur, en gij Zerbino moet op hem passen; als hij zich beweegt, geef hem dan maar een flinken klap. Wat u betreft, mijnheer Capi, gij zijt een oppassende hond; laat mij u den poot drukken.

Terwijl de aap zacht kermend aan het bevel gehoorzaamde, reikte de hond fier en gelukkig zijn poot aan zijn meester.

--Laten wij thans onze zaken verder behandelen, begon Vitalis. Ik geef u dus dertig francs.

--Neen veertig.

Er volgde nu een zeer levendig gesprek; maar Vitalis brak dit eensklaps af door te zeggen:

--De knaap moet zich hier vervelen, laat hij maar wat in den tuin gaan spelen.

Hij gaf te gelijk aan Barberin een wenk.

--Ja, dat is goed, ga maar naar den tuin, maar kom niet terug vóór ik u roep; anders word ik boos.

Ik kon niet anders dan gehoorzamen, wat ik dan ook deed.

Ik ging dus naar den tuin, maar tot spelen voelde ik volstrekt geen lust. Ik ging op een stoel zitten en verviel in diep gepeins.

Mijn lot zou op dat oogenblik worden beslist. Wat zou het wezen? Ik bibberde van koude en angst.

Het onderhoud tusschen Vitalis en Barberin duurde geruimen tijd, want meer dan een uur verliep er vóór hij bij mij in den tuin kwam.

Eindelijk zag ik hem: hij was alleen. Kwam hij mij halen om mij aan Vitalis te geven?

--Kom, ga mede naar huis, sprak hij.

Naar huis! Ik zou vrouw Barberin dus niet verlaten?

Ik had het hem gaarne willen vragen, maar ik durfde niet, want hij scheen in een kwade luim.

Wij spraken onderweg geen woord. Maar even vóór wij de woning bereikten, stond Barberin stil.

--Gij begrijpt, zeide hij, terwijl hij mij weder bij mijn oor greep, dat als gij een woord vertelt van hetgeen gij vandaag gehoord hebt, dit u duur te staan zal komen; dus opgepast!

IV.

HET OUDERLIJKE HUIS.

--Wel, vroeg vrouw Barberin, toen wij tehuis kwamen, wat heeft de burgemeester gezegd?

--Wij hebben hem niet gezien.

--Hoe, hebt gij hem niet gezien!

--Neen, ik heb eenige vrienden in _Notre-Dame_ aangetroffen en toen wij daar vandaan kwamen, was het te laat; morgen zullen wij er heengaan.

Barberin had dus voorgoed afgezien van zijn plan om mij aan den hondenman te verkoopen.

Onderweg had ik mezelf gedurig afgevraagd, of in dit naar huis gaan niet de een of andere listige streek lag opgesloten; maar de laatste woorden maakten een einde aan den twijfel, die nog bij mij bestond. Daar wij den anderen morgen naar het dorp zouden terugkeeren om den burgemeester te bezoeken, had Barberin zeker het voorstel van Vitalis van de hand gewezen.

Toch zou ik, ondanks de bedreigingen, zeker mijn vrees aan vrouw Barberin hebben medegedeeld, als ik mij slechts een oogenblik met haar alleen had bevonden, maar Barberin verliet den ganschen avond zijn woning niet en ik begaf mij te bed, zonder dat de gelegenheid waarop ik wachtte, zich had voorgedaan.

Ik sliep in met de gedachte, dat ik den anderen morgen aan mijn hart wel zou kunnen lucht geven.

Maar toen ik den volgenden morgen opstond, was vrouw Barberin niet te vinden.

Toen ik haar in den omtrek van het huis zocht, vroeg Barberin wat ik wilde.

--Moeder.

--Zij is naar het dorp en komt eerst van middag terug.

Zonder te weten waarom, maakte die afwezigheid mij zeer ongerust. Zij had den vorigen avond niet gezegd, dat zij naar het dorp zou gaan. Waarom had zij niet op ons gewacht, daar wij toch ook denzelfden weg gingen? Zou zij weder tehuis zijn vóór wij vertrokken?

Een onbestemde vrees maakte zich van mij meester; zonder mezelf rekenschap te geven van het gevaar dat mij dreigde, gevoelde ik toch dat mij iets boven het hoofd hing.

Barberin zag mij aan met een uitdrukking, die weinig geschikt was om mij gerust te stellen.

Daar ik dien blik niet langer wilde verdragen, ging ik in den tuin.

Die tuin was niet groot; maar voor ons toch van veel waarde, want door hem werden wij gevoed en behalve brood, kregen wij, er bijna alles uit: aardappelen, boonen, kool, wortels en knollen. Geen plekje was dan ook ongebruikt gebleven. Toch had vrouw Barberin mij een stukje grond afgestaan, waarin ik een onnoemelijk aantal planten, kruiden en verschillende soorten van mossen geplant had, die ik aan den rand van het bosch of in de nabijheid der heggen had gezocht, terwijl ik onze koe liet weiden en die ik dan des middags in mijn tuin overplantte.

Het was volstrekt geen mooie tuin met fraai onderhouden paden en nette bloemperken, waarin de zeldzaamste bloemen prijkten; zij, die hier voorbijkwamen, zouden niet eens stilstaan om over de heg te gluren; maar zooals hij was, had ik hem lief; hij was van mij; het was mijn grond en mijn werk; ik kon er in doen wat ik wilde of mij inviel, en wanneer ik er over sprak, wat wel twintigmaal daags gebeurde, dan sprak ik altijd van "mijn" tuin.

Den vorigen zomer had ik mijn kweekerij eerst aangelegd, dus eerst tegen de lente zouden de bloemen uitkomen; sommige misschien reeds bij het einde van den winter.

Mijn nieuwsgierigheid werd dus in de hoogste mate opgewekt.

De krokussen vertoonden reeds eenige gele knoppen en de madeliefjes staken even hun kopje boven den grond, nog tusschen de bladeren verscholen.

Hoe zou dat alles in bloei staan?

Daar ging ik iederen dag naar kijken.

Maar er was nog een gedeelte van mijn tuin, dat ik elken dag met nog grooter belangstelling, ja zelfs met een gevoel van spanning bezocht. In dat gedeelte had ik een vrucht geplant, die ik gekregen had en die in ons dorp maar weinig bekend was--peerappelen. Men had mij verzekerd, dat zij veel beter bollen kreeg dan de aardappelen, en de smaak aangenamer was dan die der artisjokken en knollen en nog vele andere gewassen. Deze voorstelling had mij op de gedachte gebracht om vrouw Barberin eene verrassing te bezorgen. Ik vertelde haar niets van dit geschenk; ik plantte de bollen in mijn tuin; toen zij begonnen uit te botten zeide ik, dat het bloemen waren, en wachtte nu tot ik eindelijk op een mooien morgen, wanneer zij rijp waren, van de afwezigheid van vrouw Barberin gebruik zou kunnen maken om ze uit den grond te trekken en ze dan zelf te koken. Hoe? dat wist ik niet, maar mijn verbeelding bekommerde zich niet over zulk eene kleinigheid, en als vrouw Barberin weder tehuis zou zijn, wilde ik ze haar bij het avondeten voorzetten.

Wat zou ik haar dan verrassen!

En wat zou ze in haar schik wezen!

Want dan zouden wij een nieuw gerecht hebben, dat onze aardappelen in alle opzichten kon vervangen en vrouw Barberin zou dan niet meer gebukt behoeven te gaan onder den verkoop van onze _Roussette_.

En de uitvinder van dit nieuwe gerecht zou ik zijn, ik Rémi; ik zou dus ook nuttig wezen.

Met zulke plannen in mijn hoofd was ik, dat valt te begrijpen, bijzonder begaan met mijn bollen; iederen dag ging ik naar het plekje waar ik ze geplant had, en in mijn oog was het of zij nooit zouden uitkomen.

Ik lag geknield op den grond, met mijn handen onder het hoofd en mijn neus vlak op mijn knollen, toen ik plotseling op ongeduldigen toon mij bij mijn naam hoorde roepen. Het was Barberins stem.

Wat wilde hij van mij?

Ik haastte mij om naar huis terug te keeren.

Hoe groot was mijn verbazing toen ik bij den schoorsteenmantel Vitalis en zijn honden zag staan. Ik begreep terstond wat Barberin van mij wilde.

Vitalis kwam mij halen en zeker had Barberin zijne vrouw uitgezonden om geheel heer en meester te kunnen zijn.

Ik besefte wel, dat Barberin volstrekt geen medelijden met mij hebben zou, noch mij eenige hulp verleenen wilde; ik snelde dus naar Vitalis toe.

--Ach mijnheer, riep ik, neem mij, als je blieft, niet mede.

En ik barstte in snikken los.

--Kom, mijn jongen, zeide hij vriendelijk, gij zult niet ongelukkig bij mij wezen; ik sla nooit kinderen en bovendien zullen mijn leerlingen u gezelschap houden en zij zijn lang niet onaardig. Wie zoudt gij betreuren?

--Vrouw Barberin! vrouw Barberin!

--In elk geval zoudt gij toch niet hier blijven, sprak Barberin, terwijl hij mij ruw bij mijn arm greep; gij hebt te kiezen tusschen dezen man en het gesticht.

--Neen! vrouw Barberin.

--Kom, gij begint mij te vervelen, zeide Barberin toornig; als gij wilt dat ik u hier met stokslagen vandaan jaag, hebt gij het maar te zeggen.

--Het kind wilde liever bij zijn moeder Barberin blijven, zeide Vitalis; gij moet hem daarvoor niet slaan; het is een bewijs, dat hij een hart heeft.

--Als gij hem beklaagt, dan gaat hij nog harder schreeuwen.

--Laten wij thans tot onze zaken overgaan.

Terwijl hij dit zeide, wierp Vitalis acht stukken van vijf francs op tafel, die Barberin met een enkele beweging van de hand in zijn zak liet glijden.

--Waar is het pakje? vroeg Vitalis.

--Hier, gaf Barberin ten antwoord, terwijl hij hem een blauw geruiten zakdoek overhandigde, waarvan de vier hoeken waren saamgeknoopt.

Vitalis maakte ze los en onderzocht toen alles wat deze doek bevatte: slechts twee hemden en een broek waren daarin.

--Dat hebben we niet afgesproken, zeide Vitalis; gij moet mij al zijn kleedingstukken geven en dit zijn eenige lompen.

--Hij heeft niets anders.

--Als ik het aan den knaap vroeg, zou hij zeggen, dat het een leugen was. Maar ik wil daarover niet met u twisten. Ik heb geen tijd daartoe. Ik moet weg. Kom ventje, hoe heet gij?

--Rémi.

--Kom Rémi, neem nu het pakje en ga vooruit, Capi.

Ik stak eerst hem en daarop Barberin mijn hand toe, maar beiden keerden het hoofd om en ik voelde dat Vitalis mij bij den pols greep.

Ik moest loopen.

O, mijn dierbaar huis! het was mij, toen ik den drempel overschreed, of ik een gedeelte van mijn leven daar achterliet.

Ontroerd wierp ik nog een blik om mij heen; mijn oogen vulden zich met tranen toen ik niemand zag, aan wien ik hulp kon vragen; niemand op weg, niemand in mijn onmiddellijke nabijheid.

Ik riep:

--Moeder, moeder Barberin!

Maar niemand gaf eenig antwoord op mijn angstkreet, die in een snik eindigde.

Ik moest Vitalis volgen, die mijn pols niet had losgelaten.

--Goede reis! riep Barberin.

En hij ging weder in huis. Helaas! Er viel thans niets meer aan te veranderen.

--Kom Rémi, laten wij nu ook gaan, sprak Vitalis. En hij trok mij bij den arm mede.

Ik ging toen naast hem loopen. Gelukkig versnelde hij zijn pas niet en ik geloof zelfs, dat hij hem naar mijn stap regelde.

De weg, dien wij volgen moesten, was bergopwaarts en bij elke kronkeling, die hij maakte, zag ik het huis van vrouw Barberin, maar telkens al kleiner en kleiner. Menigmaal had ik dit pad beklommen en ik wist dan ook, dat ik bij den laatsten hoek ons huis nog slechts eenmaal zien zou en zoodra wij de vlakte bereikt hadden, dit geheel uit het oog zou verliezen; ik zou het dan nooit wederzien en vóór mij strekte zich het onbekende uit en achter mij lag het huis, waarin ik tot op dezen dag gelukkig geweest was en dat ik nooit in mijn leven weder betreden zou.

Gelukkig moesten wij geruimen tijd klimmen; eindelijk bereikten wij dan ook den top.

Vitalis had mij steeds bij de hand gehouden.

--Mag ik een oogenblik rusten? vroeg ik hem.

--Met alle genoegen, mijn jongen. En voor de eerste maal liet hij mijn hand los.

Maar op hetzelfde oogenblik zag ik, dat hij zijn blik op Capi vestigde en hem een teeken gaf, dat deze scheen te begrijpen.

Capi deed als een herdershond: hij verliet terstond het hoofd van zijn kudde en plaatste zich achter mij.

Deze beweging was voldoende om mij het teeken te verklaren; Capi was mijn bewaker; indien ik een poging deed om te ontsnappen, dan zou hij zeker tegen mij opspringen.

Ik zette mij op het gras en Capi volgde mij.

Toen ik zat, was mijn eerste werk om met mijn betraande oogen het huis van vrouw Barberin te zoeken.

Aan onze voeten strekte zich het dal uit, waarin bosch en weiland elkander afwisselden, en geheel in de diepte lag mijn ouderlijk huis, de woning waarin ik was opgevoed.

Zij was zeer gemakkelijk tusschen het geboomte te onderscheiden, want een lichte rookwolk steeg uit den schoorsteen op en terwijl die zich statig omhoog verhief, rees zij tot ons op.

Was het verbeelding of werkelijkheid, maar het was mij of die rook den geur der eikebladen met zich bracht, die gedroogd waren tusschen de stapels takkenbossen, waarmede wij altijd het vuur aanmaakten; het kwam mij voor of ik nog in het hoekje bij den haard zat op mijn bankje met mijn voeten in de asch, terwijl de wind door den schoorsteen gierde en de rook ons in het gelaat sloeg.

Ondanks den afstand en de hoogte, waarop ik mij bevond, kon ik alle voorwerpen duidelijk onderscheiden en hadden zij denzelfden vorm en gedaante, maar eenigszins verkleind, behouden.

Op den mesthoop liep onze kip heen en weer, de laatste, die ons was overgebleven, maar zij had niet dezelfde grootte en als ik haar niet zoo goed kende, zou ik haar voor een duif gehouden hebben. Achter het huis zag ik den pereboom met zijn krommen stam, dien ik zoovele jaren tot mijn paard gebruikt had. Verderop, naast de beek, die zich als een zilveren lijn tusschen het donkere groen kronkelde, zag ik het kanaal dat tot afleiding van het water diende en dat ik met zooveel moeite gegraven had om mijn molenrad, dat ik zelf had gemaakt, in beweging te brengen; helaas! het had, ondanks al mijn werk, nooit willen draaien.

Alles stond op zijn gewone plaats, mijn kruiwagen en mijn ploeg, die ik van een knoestigen boomtak gemaakt had en het konijnennest en mijn tuin, mijn heerlijke tuin!

Wie zou nu mijn mooie bloemen zien bloeien? Wie zou mijn peerappelen rooien? Barberin zeker, die nare Barberin!

Nog een stap verder en alles zou voor mijn oogen verdwenen zijn.

Eensklaps ontdekte ik op den weg, die van het dorp naar het huis leidt, heel in de verte een witte muts. Zij verdween achter een groep boomen, maar kwam oogenblikkelijk weder te voorschijn.

Zij was op zulk een afstand van mij, dat ik slechts de witte muts onderscheiden kon, die als een vlinder met bleeke kleuren tusschen de boomen fladderde.

Maar er zijn oogenblikken in het leven, waarin het hart beter en verder ziet dan de scherpste blik: ik herkende moeder Barberin; zij was het, daar was ik zeker van; ik voelde dat zij het was.

--Kom, zeide Vitalis, zullen we verder gaan?

--Och mijnheer, als je blieft, nog niet.

--Het is dan toch een leugen die men mij vertelt heeft; gij hebt geen beenen: nu reeds moe te zijn; dat belooft niet veel goeds.

Maar ik gaf geen antwoord, ik staarde slechts voor mij.

Het was vrouw Barberin, het was haar muts, het was haar blauwe japon, kortom zij was het.

Zij liep snel voort, alsof zij haast had om thuis te komen.

Toen zij het hek bereikt had, duwde zij het open en liep met groote schreden de tuin door.

Ik sprong plotseling van het gras op, zonder op Capi te letten, die eveneens opsprong.

Vrouw Barberin bleef niet lang in huis. Zij kwam spoedig weer uit de deur en liep in den tuin heen en weer; zij zocht mij.

Ik boog mij voorover en uit alle macht riep ik:

--Moeder!

Maar mijn stem kon niet tot haar doordringen, noch het kabbelen van de beek overstemmen; zij ging in de lucht verloren.

--Wat hebt gij? vroeg Vitalis, ik geloof, dat gij gek wordt.

Zonder te antwoorden hield ik de oogen op vrouw Barberin gevestigd, maar zij wist niet, dat ik zoo dicht bij haar was en zij zag niet naar boven.

Zij had nu den tuin ten einde geloopen en liet haar oog naar alle kanten gaan.

Ik riep nog luider, maar evenals de eerste maal, was het ook thans tevergeefs.

Vitalis giste toen de waarheid en beklom ook de helling.

Hij bespeurde terstond de witte muts.

--Arme jongen! fluisterde hij.

--Och, als je blieft, riep ik, aangemoedigd door zijn medelijden, laat mij toch teruggaan.

Maar hij vatte mij bij de hand en liep den weg op.

--Nu zijt gij uitgerust en kunnen we dus verder gaan.

Ik wilde mij losrukken, maar hij hield mij stevig vast.

--Capi! zeide hij, Zerbino! en de beide honden omringden mij. Capi achter mij, Zerbino vooruit.

Ik moest Vitalis dus wel volgen.

Toen wij eenige schreden gedaan hadden, wendde ik het hoofd om.

Wij daalden nu den heuvelrug af en ik kon noch het dal, noch mijn woning meer zien; heel in de verte niets dan de blauwe heuvels, die tot den hemel schenen te reiken: mijn blik verloor zich in de oneindige ruimte.

V.

OP REIS.

Wanneer men voor veertig francs kinderen koopt, ligt hierin nog niet opgesloten, dat men een wildeman is en menschenvleesch opdoet om dat te eten.

Vitalis wilde mij niet opeten en--een zeldzame uitzondering bij een handelaar in kinderen--hij was volstrekt geen slecht mensch!

Hiervan kreeg ik weldra de ondervinding.

Het was op de kruin van den berg, die de beddingen van de Loire en de Dordogne van elkander scheidt, dat hij mijn hand gevat had en bijna onmiddellijk begonnen wij langs de zuidelijke helling af te dalen.

Toen wij ongeveer een kwartier geloopen hadden, liet hij mij los.

--Nu kunt ge langzaam naast mij voortgaan, maar bedenk wel, dat, als ge ontvluchten wilt, Capi en Zerbino u spoedig zouden hebben ingehaald en zij scherpe tanden hebben.

Dat het mij onmogelijk was om te ontvluchten, besefte ik volkomen en evenzoo, dat het een vergeefsche poging wezen zou om het te beproeven.

Een diepe zucht ontglipte me.

--Gij schijnt u ongelukkig te gevoelen, dat begrijp ik en ik neem het u niet kwalijk. Gij kunt gerust eens uitweenen, als ge daartoe lust hebt. Maar wees er van overtuigd, dat ik u niet tot uw ongeluk medeneem. Wat zou er van u geworden zijn? Waarschijnlijk zoudt ge thans in het gesticht wezen. De menschen die u opgevoed hebben zijn uw vader en moeder niet. Die vrouw is goed voor u geweest, zooals ge zegt, en gij houdt van haar; het spijt u, dat gij haar verlaten moet; dat is alles goed en wel; maar bedenk dat zij u niet bij zich zou hebben kunnen houden tegen den wil van haar man. Die man is zoo wreed niet als ge wel meent. Hij is arm; hij is afgetobt en kan niet meer werken en hij heeft ingezien, dat hij niet van honger kan omkomen om u te voeden. Begrijp van nu af aan, mijn jongen, dat het leven dikwijls een strijd is, waarin men niet doen kan wat men wil.

Dit was zeker zeer verstandig gesproken, of liever het getuigde van veel ondervinding. Maar met dat al was het feit aanwezig dat meer tot mijn hart sprak dan alle woorden--eene scheiding.

Ik zou haar, die mij opgevoed had, die mij zoo menigmaal had geliefkoosd, die ik beminde, niet terugzien--mijn moeder!

En die gedachte kneep mij als het ware de keel toe.

Toch liep ik naast Vitalis voort, telkens bij mezelf de woorden herhalende, die hij gesproken had.

Ongetwijfeld was dat alles de zuivere waarheid; Barberin was mijn vader niet en er bestond geenerlei reden, die hem de verplichting oplegde om ten gevalle van mij armoede te lijden: hij had mij bij zich in huis genomen en mij opgevoed; zoo hij mij thans wegzond, dan was dit, omdat hij mij niet langer bij zich houden kon. Wanneer ik aan hem dacht, moest ik mij niet de laatste oogenblikken voor het geheugen halen, maar de jaren die ik in zijn huis had doorgebracht.

--Denk eens na over hetgeen ik u gezegd heb, mijn jongen, herhaalde Vitalis van tijd tot tijd, gij zult er met mij niet ongelukkiger om wezen.

Nadat wij een vrij steile helling waren afgedaald, hadden we een groote vlakte bereikt, die, zoover ons oog reikte, zich voor ons uitstrekte. Geen boomen, geen huizen. Een vlakte, slechts uit hei bestaande en hier en daar afgewisseld door lage ruwe struiken, die, wanneer de wind er langs streek, een golvende beweging maakten.

--Gij ziet, sprak Vitalis, terwijl hij met zijn hand op de vlakte wees, dat het vergeefsche moeite wezen zou, indien gij ontsnappen wildet, gij zoudt terstond door Capi en Zerbino achterhaald worden.

Ik dacht al niet meer aan ontvluchten. Waar zou ik heengaan? Bij wien?

Bovendien zou die oude man met zijn grijzen baard misschien zoo slecht niet wezen, als ik in het eerst gemeend had; en wanneer hij mijn meester was, zou hij misschien geen hardvochtig man blijken.

Geruimen tijd liepen wij over deze vlakte voort, omringd door niets anders dan heidevelden, zoover ons oog reikte, en hier en daar eenige heuvels met kale toppen.

Ik had mij een gansch andere voorstelling van reizen gemaakt en als ik somtijds in mijn kinderlijke droomen mijn dorp verlaten had, dan was het om een fraaie landstreek te bezoeken, die in geenen deele geleek op de werkelijkheid, welke zich thans aan mij voordeed.

Het was voor de eerste maal, dat ik zulk een verren tocht maakte zonder stil te houden.

Mijn meester stapte regelmatig en met groote schreden door, terwijl hij Joli Coeur op zijn schouder of op zijn reiszak droeg, en naast hem trippelden rustig de honden.

Van tijd tot tijd sprak Vitalis hun een vriendelijk woord toe, nu eens in het fransch, dan weder in een taal, die ik niet verstond.

Noch hij, noch zij dachten een oogenblik aan moeheid. Maar bij mij was dit niet het geval. Ik was uitgeput. Mijn lichamelijke vermoeidheid gevoegd bij mijn verdriet, had al mijn krachten geëischt.

Ik sleepte mijn beenen voort en het kostte mij zelfs groote inspanning om mijn meester te volgen. Toch durfde ik niet vragen om weder uit te rusten.