Alleen op de Wereld

Chapter 29

Chapter 294,212 wordsPublic domain

Als wij een zieke zagen, die zwaarmoedig op een stoel was neergezonken, bleek, met glazige oogen en uitgeteerde wangen, dan wachtten wij ons wel in zijne onmiddellijke nabijheid te gaan spelen en hem in zijne treurige overpeinzingen te storen. Wij plaatsten ons op een afstand, alsof wij muziek maakten voor ons zelven, maar wij speelden zoo goed mogelijk; nu en dan wierp hij een schuinschen blik op ons; als hij ons boos aanzag, gingen wij heen; als hij met genoegen naar ons scheen te luisteren, kwamen wij langzamerhand nader en Capi kon dan gerust zijn bakje ophouden; hij behoefde niet bang te zijn, dat hij een schop kreeg.

Maar vooral bij de kinderen maakte Mattia opgang; met zijn strijkstok scheen hij veerkracht aan hunne beenen te geven en wekte hij den lust tot dansen in hen op; als hij glimlachte, begonnen zij ook te lachen, zelfs als ze uit hun humeur waren. Hoe deed hij dat? Ik weet het niet; maar toch was het zoo; men schepte behagen in hem; men hield van hem.

De verdienste op onze reis overtrof verre onze verwachtigen; nadat wij alle verteringen betaald hadden, bezaten wij na korten tijd zeventig francs.

Zeventig francs met de honderd veertig, die wij in kas hadden, maakte tweehonderd tien; nu was de tijd gekomen om zoo spoedig mogelijk naar Chavanon te reizen over Ussel, waar, naar men ons had medegedeeld, in dezen tijd eene groote beestenmarkt werd gehouden, die met een kermis gepaard ging.

Een kermis, dat was juist iets voor ons; en eindelijk zouden wij dan die koe kunnen koopen, waarover wij zoo dikwijls hadden gesproken en waarvoor wij zoolang hadden gespaard.

Tot dusverre hadden wij ons slechts gelukkig gevoeld door dit vooruitzicht en hadden wij die koe zoo mooi gemaakt, als onze verbeelding ze maken kon: het zou eene witte koe zijn; daar stond Mattia bepaald op; zij zou lichtrood zijn; dat was mijn verlangen, ontstaan uit de herinnering aan Roussette van vrouw Barberin. Zij zou heel mak zijn en elken dag emmers melk geven. Het was meer dan heerlijk wat wij ons voorstelden.

Maar nu zouden al die droomen verwezenlijkt worden, en thans begonnen wij min of meer met de zaak verlegen te zijn.

Hoe zouden wij bij de keus van eene koe de zekerheid hebben, dat zij al de eigenschappen bezat, die wij in haar wenschten? Dat was eene zaak van gewicht! Welk eene verantwoordelijkheid rustte op ons! Ik wist niet hoe men eene goede koe kon onderscheiden van eene slechte en Mattia wist er niet veel meer van dan ik.

Wat ons nog ongeruster maakte, waren de zonderlinge verhalen, die wij in de herbergen hadden gehoord, sinds wij ons in het hoofd gesteld hadden om eene koe te koopen. Paardenkoopers en ossenkoopers waren allen bedriegers en schurken. Al die verhalen waren ons bijgebleven en maakten ons bevreesd voor de verwezenlijking van ons plan. Een boer koopt op de markt eene koe, die den mooisten staart heeft, dien ooit een koe heeft bezeten; met zoo'n staart kon zij haar neus zelfs afvegen, wat, zooals men weet, eene gewichtige eigenschap is; hij komt zeer tevreden thuis, want hij heeft niet te veel betaald voor dit merkwaardige dier. Den anderen morgen gaat hij eens naar zijn beestje kijken: het heeft volstrekt geen staart meer; die, welken zij scheen te hebben, was er aangeplakt, 't was een valsche staart. Een ander had een koe gekocht met valsche horens; een derde bespeurde, dat de uiers waren opgeblazen en dat zij niet meer dan een paar glazen melk gaf in de vier-en-twintig uren. Als wij eens op die wijze bedrogen werden!

Voor een valschen staart is Mattia niet bang; hij zal met zijn volle gewicht gaan hangen aan den staart van alle koeien, die hij plan heeft te koopen; en hij zal zoo hard trekken, dat de staart, als hij valsch is, wel in zijn handen zal blijven. Voor de opgeblazene uiers heeft hij ook een goed middel: hij zal er met een lange speld in prikken.

Dit waren middelen, die ontegenzeggelijk doeltreffend zouden wezen, als de staart valsch is of de uiers opgeblazen zijn; maar als de staart echt is, zal dan de koe geen geweldigen trap tegen den buik of het hoofd geven van hem, die eraan trekt, en zou zij hetzelfde niet doen, als men haar met een speld in het lichaam prikt?

De kans op zulk een trap bracht eenige kalmte in de plannen van Mattia en wij bleven aan dezelfde onzekerheid ten prooi: het zou een vreeselijke zaak zijn aan vrouw Barberin eene koe te geven, die geen melk gaf of geen horens had.

Onder de verhalen die men ons had verteld, was er een, waarbij een veearts een strenge rol speelde, althans tegenover een ossenkooper. Als wij een veearts in den arm namen, zou ons dit ongetwijfeld wel wat kosten, maar wij zouden dan zeker zijn van onze zaak.

In onze verlegenheid besloten wij tot het laatste, wat ons, in alle opzichten, nog het verstandigst voorkwam, en wij zetten vroolijk en tevreden onze reis voort.

Mont-Dore en Ussel liggen niet ver van elkander; wij legden dien afstand in twee dagen af en kwamen vrij vroeg in Ussel aan.

Ik was hier in zekeren zin in mijn eigen land; te Ussel was ik voor het eerst in het publiek opgetreden als _de knecht van den heer Joli-Coeur of de domste is niet hij, dien men er voor houdt_. Te Ussel was het ook dat Vitalis mij mijn eerste paar schoenen had gekocht, die schoenen met spijkers, die mij zoo gelukkig gemaakt hadden.

Arme Joli-Coeur; hij was er niet meer met zijn mooie roode uniform van engelsch admiraal, en Zerbino en de bevallige Dolce waren er ook niet meer.

Arme Vitalis; ook hem had ik verloren en nooit zou ik hem meer zien, zooals hij met opgeheven hoofd en met zijn breede borst vooruitstapte, terwijl hij met zijn armen en beenen de maat aangaf, een wals spelende op zijn schelle fluit.

Van ons zestal waren er maar twee meer overgebleven: Capi en ik. Geen wonder dat ik treurig te moede was, toen ik te Ussel kwam; onwillekeurig verbeeldde ik mij, dat ik zoo straks den grijzen hoed van Vitalis zou zien, wanneer ik den hoek eener straat omsloeg, en dat ik weer die bekende woorden zou hooren, die mij zoo vaak in de ooren klonken: "voorwaarts!"

De winkel van den oudkleerkoop, waarheen Vitalis mij gebracht had om een kunstenaarsvoorkomen aan me te geven, verdreef gelukkig die sombere gedachten; ik vond dien nog evenzoo als ik hem de eerste maal gezien had, toen ik de drie glibberige trappen afging. Voor de deur hing nog dezelfde rok met galons op de naden, die mij toen met bewondering had vervuld; en in de toonkast zag ik dezelfde oude geweren en dezelfde oude lompen.

Ik wilde ook de plaats terugzien, waar ik het eerst was opgetreden, toen ik de rol vervulde van "de knecht van den heer Joli-Coeur," namelijk van den domste der twee. Capi herkende eveneens de plek en kwispelstaartte.

Nadat wij onze reiszakken en instrumenten in de herberg hadden gebracht, waar ik met Vitalis had gelogeerd, gingen wij een veearts zoeken.

Toen deze vernam wat wij van hem vroegen, begon hij ons hartelijk uit te lachen.

--Maar er zijn geen geleerde koeien in dit land, zeide hij.

--Wij willen ook geen koe hebben die kunsten maakt, maar eene die goede melk geeft.

--En die een heuzigen staart heeft, voegde Mattia erbij, wien de gedachte aan een valschen staart bijzonder kwelde.

--In één woord, mijnheer de veearts, wij komen uw hulp en kennis vragen om te voorkomen, dat wij door beestenkoopers worden bedrogen.

Ik zeide dat op een voornamen toon, zooals Vitalis aannam, als hij de menschen wilde overbluffen.

--En wat drommel woudt ge met een koe doen? vroeg de veearts.

In weinige woorden had ik hem uitgelegd wat mijn doel was.

--Je bent een paar goede jongens, sprak hij; morgenochtend zal ik met je naar de beestenmarkt gaan, en ik beloof je, dat de koe die ik koopen zal geen valschen staart zal hebben.

--En ook geen valsche horens? zeide Mattia.

--Ook geen valsche horens.

--En geen opgeblazen uiers?

--Het zal een mooie, goede koe zijn, maar om ze te koopen, moet men geld hebben.

Als eenig antwoord knoopte ik mijn zakdoek los, waarin wij onzen schat bewaarden.

--In orde; kom mij morgenochtend maar afhalen om zeven ure.

--En hoeveel zijn we u schuldig, mijnheer de veearts?

--Niemendal; denkt ge dat ik geld zou aannemen van zulke flinke jongens, als jelui!

Ik wist niet wat ik zeggen zou om hem onzen dank te betuigen; maar Mattia had een idée.

--Houdt u van muziek, mijnheer, vroeg hij?

--Heel veel, beste jongen.

--En u gaat vroeg naar bed?

--Met het slaan van negenen.

--Nogmaals dank, mijnheer. Morgen om zeven uren zullen wij bij u zijn.

Ik begreep wat Mattia van plan was.

--Je wilt een concert aan den veearts geven, zeide ik.

--Juist; een serenade als hij naar bed gaat; dat doet men voor menschen, van wie men houdt.

--Dat is een goed idee; laten wij nu naar onze herberg teruggaan en voor ons concert gaan zorgen; voor de menschen, die betalen, doet het er zooveel niet toe, maar als men zich zelven betaalt, dan zorgt men dat het goed is.

Drie minuten voor negenen stonden wij voor 't huis van den veearts; Mattia met zijn viool en ik met mijn harp; de straat was donker, want de maan ging pas te negen uren op en men had goedgevonden om de lantaarnen niet aan te steken, terwijl de winkels al gesloten waren. Men zag bijna geen menschen meer op straat.

Met den eersten slag van negenen begonnen wij. In die enge stille straat klonken onze instrumenten als in de beste zaal; men opende de vensters en wij zagen een aantal hoofden met doeken, petten en mutsen daaruit te voorschijn komen; men riep elkander uit het eene venster naar het andere toe.

Onze vriend de veearts woonde in een huis dat op een zijner hoeken een kleinen bevalligen toren had. Een der vensters van het torentje werd geopend en hij stak zijn hoofd naar buiten om te zien wie er speelde.

Zeker herkende hij ons en hij begreep onze bedoeling, want hij wenkte met de hand, dat wij niet voort zouden gaan.

--Ik zal de deur openen, zeide hij, dan kunt gij in den tuin spelen.

Bijna op hetzelfde oogenblik werd de deur geopend.

--Ge zijt goede jongens, sprak hij, terwijl hij ons beiden hartelijk de hand drukte, maar ge zijt dwaas; hebt ge er dan niet aan gedacht dat een agent van politie u zou kunnen oppakken wegens straatgerucht!

Wij zetten ons concert voort in den tuin, die niet zeer groot was, maar zeer netjes aangelegd, met een priëel dat met slingerplanten was begroeid.

De veearts was gehuwd en had verscheidene kinderen; wij hadden dus spoedig een ganschen kring van toehoorders om ons heen; men stak kaarsen aan in het priëel en wij speelden tot tien ure. Als er een stukje uit was, juichte men ons toe en vroeg men een ander.

Als de veearts ons niet eindelijk schertsend weggejaagd had, zouden wij den halven nacht hebben voortgespeeld.

--Kom jongens, zeide hij, maakt nu dat je wegkomt, want morgenochtend om zeven ure moet ge weer hier zijn.

Maar hij liet ons niet gaan, zonder ons een goed maal voor te zetten, dat ons recht naar den zin was. Om hem onze dankbaarheid te bewijzen, liet ik Capi nog eenige van zijn mooiste kunsten vertoonen, wat vooral bijzonder in den smaak der kinderen viel. 't Was bijna middernacht toen wij heengingen.

In het stadje Ussel, dat des avonds zoo kalm en rustig was, heerschte den anderen morgen groote drukte en getier. Vóór de zon nog aan den hemel was, hoorden wij in onze kamer onophoudelijk het geratel van wagens op de steenen en het hinniken van paarden, het loeien van koeien en het blaten van schapen, vermengd met het praten en schreeuwen van de boeren die ter markt gingen.

Toen wij beneden kwamen, was het plein achter de herberg vol wagens en karren, terwijl uit de rijtuigen, die voor de deur stilhielden, boeren in hun zondagskleeren stegen, die hunne vrouwen in de armen namen om ze op den grond te zetten. Als ze daar stonden, schudden en rekten allen zich uit en streken de vrouwen hare gekreukte rokken glad.

In de straat vormden de menschen een breeden stroom, die naar het marktveld vloeide, en daar het nog geen zes ure was, gingen ook wij er heen om de koeien te zien, die reeds aangevoerd waren en eene keuze te doen.

Welke prachtige koeien waren er bij! Men had er van allerlei kleur en van allerlei grootte; er waren vette en magere; sommige met hare kalveren, andere met zware uiers; op het marktplein waren ook paarden, die hinnikten; merries, die haar veulens lekten; vette varkens, die kuilen in den grond groeven; speenvarkens, die schreeuwden of zij gevild werden; voorts schapen, kippen en ganzen. Maar om die allen bekommerden wij ons niet; wij hadden alleen maar oogen voor de koeien, die ons onderzoek doorstonden, terwijl zij met haar groote oogen knipten en langzaam met haar onderkaak heen-en-weder schoven, haar laatsten maaltijd herkauwend, zonder eraan te denken, dat zij nooit meer het gras zouden eten van de weiden, waar zij werden grootgebracht.

Na een halfuur te hebben rondgedoold, hadden wij er zeventien gevonden, die volkomen aan ons doel beantwoordden, de eene om deze, de andere om gene eigenschap; drie omdat zij rood waren, twee andere omdat zij wit waren, wat natuurlijk een punt van geschil was tusschen Mattia en mij.

Te zeven ure waren wij bij den veearts, die ons wachtte en wij gingen met hem naar de markt terug. Onderweg vertelden wij hem nogmaals, welke eigenschappen wij in onze koe verlangden.

Deze kwamen in hoofdzaak hierop neder, dat zij weinig moest eten en veel melk moest geven.

--Dat moet een goede zijn, zeide Mattia, naar eene witte koe wijzende.

--Ik geloof dat die andere beter is, zeide ik, en wees naar eene roode.

De veearts maakte ons geschil uit door noch de eene noch de andere te kiezen; hij ging naar eene derde; eene kleine koe met magere pooten, rood van haar met bruine ooren en wangen, zwarte kringen om de oogen en een witten kring aan den snuit.

--Dit is eene koe uit Rouergue, zeide hij; juist eene zooals gij hebben moet.

Een boer met een armelijk voorkomen had haar aan een touw.

--Wat moet gij voor die koe hebben? vroeg de veearts.

--Drie honderd francs.

Reeds had die kleine vlugge koe, zoo fijn van vormen en met zoo'n verstandigen kop ons hart gestolen; maar toen hij drie honderd francs vroeg, waren wij nog wanhopend.

Drie honderd francs! dat maakte onze rekening volstrekt niet. Ik wenkte den veearts, dat wij maar naar eene andere koe moesten omzien; hij, van zijn kant, gaf me een wenk, dat wij integendeel moesten volhouden.

Toen volgde er een loven en bieden tusschen den boer en den veearts; hij bood honderd vijftig francs; de boer sloeg tien francs af. De veearts kwam tot honderd tachtig francs, de boer tot twee honderd tachtig.

Maar toen de onderhandeling zóó ver was gevorderd, en onze hoop weder begon te herleven, nam zij opeens eene andere wending. De veearts begon de koe eens nauwkeurig op te nemen; zij had te zwakke pooten; de nek was te kort; de horens waren te lang; zij had geen longen; de uiers waren niet goed gevormd.

De boer zeide, dat, daar wij zooveel verstand van koeien hadden, hij de koe voor twee honderd vijftig francs zou verkoopen, omdat zij in goede handen kwam.

Toen kregen we opeens een heimelijken angst, dat de koe niet deugde.

--Laten wij maar eens naar andere koeien gaan kijken.

Toen hij dit hoorde, sloeg de boer opnieuw tien francs af.

Zoo kwam hij ten slotte op twee honderd francs: maar lager wilde hij niet gaan.

De veearts stootte mij tersluiks aan om mij te doen begrijpen, dat het kwaad, hetwelk hij van de koe gezegd had, niet was gemeend en dat het dier, inplaats van zooveel gebreken te hebben, voortreffelijk was. Maar twee honderd tien francs was eene geduchte som voor ons.

Onderwijl was Mattia achter de koe gaan staan en had ze een haar uit den staart getrokken, waarop het dier met een trap had geantwoord.

Dit gaf den doorslag.

--Welnu, voor twee honderd tien francs neem ik de koe, zeide ik, en meende, dat nu alles in orde was.

Ik stak mijn hand al uit om het touw te vatten, maar de boer liet het niet los.

--En de fooi? zeide hij.

Opnieuw gingen wij aan het onderhandelen; thans over de fooi en wij kwamen overeen, dat we een franc zouden geven. Wij hadden dan nog drie francs over.

Wederom stak ik mijn hand uit; de boer drukte mij die zoo stevig of wij oude vrienden waren.

Omdat ik zijn vriend was, zou ik het drinkgeld niet vergeten.

Dat was weder een halve franc.

Voor de derde maal wilde ik het touw vatten, maar mijn vriend, de boer, hield mij tegen.

--Ge hebt geen halster, zeide hij; ik verkoop wel de koe, maar niet den halster.

Daar ik zijn vriend was, wilde hij mij echter wel den halster overdoen. Met anderhalven franc was hij tevreden; dat was niet duur.

Een halster hadden wij noodig om onze koe te leiden, en ik stemde er dus in toe. Ik hield toch nog altijd een franc over.

--Waar is je touw? vroeg hij. Ik heb u den halster verkocht, maar niet het touw.

Het touw kostte ons een franc; dat was onze laatste.

Toen die betaald was, werd ons de koe afgeleverd met haar halster en touw.

Wij hadden nu eene koe, maar geen stuiver meer om haar te voeden of in ons eigen onderhoud te voorzien.

--Dan gaan we maar weer aan 't werk, zeide Mattia: de herbergen zijn vol menschen en als wij elk onzen weg gaan, kunnen wij overal gaan spelen en van avond zullen wij met eene goede som thuiskomen.

Wij brachten onze koe in den stal van onze herberg, waar wij haar stevig vastmaakten. Daarop gingen wij beiden de stad in en toen wij 's avonds onze rekening opmaakten, bleek het, dat Mattia vier en een halven franc en ik drie francs had ontvangen.

Zeven en een halven franc hadden wij weer: wij waren rijk.

Maar het genot dat wij zeven en een halven franc hadden verdiend, beteekende niets vergeleken met onze vreugde, dat wij er twee honderd veertien hadden uitgegeven.

Wij wisten de keukenmeid over te halen, dat zij onze koe zou melken en wij dronken des avonds haar melk; nooit hadden wij zulke lekkere melk gedronken. Mattia verzekerde, dat er suiker in was en dat zij naar oranjebloesem smaakt. Zij was nog beter dan de melk die hij in het gasthuis had gedronken.

In onze opgetogen blijdschap gingen wij naar den stal en kusten onze koe op haar zwarten snuit; blijkbaar was zij gevoelig voor die liefkoozing, want zij lekte onze wangen met haar ruwe tong.

--Ze zoent me, riep Mattia, buiten zich zelven van opgetogenheid.

Het genot de koe te liefkoozen en door haar geliefkoosd te worden zal men beter begrijpen, als men weet dat Mattia noch ik in dit opzicht verwend was; wij behoorden niet tot die gelukkige kinderen, die door hunne moeders zóó overladen worden, dat zij er zich zelfs tegen verzetten. Beiden gevoelden wij, dat ook wij gaarne dat genot zouden hebben gesmaakt.

Den anderen morgen stonden wij op met het krieken van den dag en begaven ons terstond op weg naar Chavanon.

Daar ik Mattia dankbaar was voor de hulp, die hij mij had verleend--want zonder hem zou ik nooit die som van twee honderd veertien francs bijeen hebben gekregen--gaf ik hem het genoegen onze koe te leiden en hij was recht gelukkig, dat hij het touw mocht vasthouden, terwijl ik er achter liep. Eerst toen wij buiten de stad waren gekomen, ging ik naast hem loopen, om als gewoonlijk met hem te praten, maar vooral om onze koe te zien. Nooit had ik zoo'n mooie koe ontmoet.

Zij zag er dan ook heel goed uit; langzaam stapte zij voort, met haar kop buigende, als een dier, dat volkomen zijne waarde beseft.

Thans behoefde ik niet onophoudelijk mijne kaart te raadplegen zooals ik deed sedert wij Parijs verlaten hadden; ik wist waar ik heenging; en ofschoon er reeds vele jaren verloopen waren sinds ik met Vitalis dien weg had afgelegd, herkende ik toch alle bijzonderheden.

Teneinde onze koe niet te vermoeien en om niet te laat in den avond te Chavanon te komen was mijn plan, te overnachten in het dorp, waar ik den eersten nacht met Vitalis had doorgebracht, op het varen bed waar de goede Capi, toen hij mijn verdriet had bemerkt, zich naast mij uitstrekte en zijn poot in mijne hand legde om mij te kennen te geven, dat hij mijn vriend wilde zijn. Van daar begaven wij ons den anderen morgen op weg, om reeds bijtijds bij moeder Barberin te komen.

Maar het lot, dat ons tot hiertoe zoo gunstig was geweest, werkte ons thans tegen en deed ons van plan veranderen.

Wij hadden bepaald dat wij onzen tocht in tweeën zouden verdeelen en tegen het midden van den dag ons ontbijt zouden gebruiken, vooral ook om onze koe te laten eten van het gras, dat langs den weg groeide.

Tegen tien uur vonden wij een plek waar het gras welig en malsch was; daar legden wij onze zakken neder en lieten onze koe in de greppel afdalen.

Eerst wilde ik haar aan het touw vasthouden, maar zij was zoo rustig en zoo gewoon om te grazen, dat ik haar het touw om de horens wond en bij haar ging zitten om mijn boterham te eten.

Natuurlijk waren wij veel spoediger daarmede gereed dan zij. Toen wij haar een poos lang bewonderd hadden, gingen wij, om den tijd te dooden, met ons beiden knikkeren, want men moet niet gelooven, dat wij een paar brave, ernstige, oude mannetjes waren, die alleen maar dachten aan geld verdienen. Al leidden wij ook een leven, zooals knapen op onze jaren niet gewoon zijn, toch waren wij in ons hart nog jongens van denzelfden aard als anderen en speelden wij gaarne. Geen dag ging er voorbij dat wij niet een uurtje knikkerden, met den bal speelden, of haasje-over sprongen. Dikwijls gebeurde het dat Mattia mij zonder aanleiding opeens vroeg: "willen wij wat spelen?" En dan wierpen wij onmiddellijk onze zakken en onze instrumenten neder en middenop den weg begonnen wij dan ons spel. Als ik geen horloge gehad had, dat mij zeide hoe laat het was, zouden wij tot 's avonds hebben doorgespeeld. Maar dan ontwaakte het besef in mij, dat ik aan het hoofd van den troep stond en dat wij werken moesten om het geld te verdienen, dat wij voor ons onderhoud noodig hadden. Dan legde ik den riem van mijne harp over den schouder en voorwaarts ging het dan weder.

Wij waren klaar met spelen vóórdat de koe klaar was met grazen, en toen zij ons naar zich toe zag komen, begon zij groote plukken gras met haar tong af te rukken, alsof zij ons zeggen wilde, dat zij nog lang niet gereed was.

--Laten wij nog maar een oogenblik wachten, zeide Mattia.

--Weet gij dan niet, dat eene koe den ganschen dag kan eten?

--Een oogenblikje maar.

Al wachtende, namen wij onze zakken en instrumenten weder op.

--Als ik eens een deuntje op mijn horen voor haar speelde? zeide Mattia, die niet werkeloos kon zijn. Wij hadden in het paardenspel van Gassot eene koe, die veel van muziek hield.

Zonder mijn antwoord af te wachten, maakte Mattia een fanfare.

Bij de eerste tonen lichtte onze koe den kop op, maar eensklaps, vóór ik haar nog bij de horens had kunnen grijpen, om het touw te vatten, rende zij in galop voort.

Wij renden haar na en liepen zoo hard wij konden, met alle macht haar terugroepende.

Ik riep Capi toe, dat hij ze zou tegenhouden; maar men kan niet alle talenten te gelijk bezitten. Een hond van een koeherder zou haar tegen den neus zijn gesprongen, maar Capi, die een geleerde hond was, sprong tegen haar pooten op.

Dit hield haar natuurlijk niet tegen; zij rende voort en wij haar achterna.

Onder het loopen riep ik tot Mattia: "Stommerik!" En hij antwoordde, eveneens voortdravende:

--Je moogt me een pak slaag geven; ik heb het verdiend.

Wij hadden ons neergezet om te ontbijten op een halfuur afstand van een groot dorp; daarheen rende nu onze koe en zij kwam er natuurlijk veel eerder aan dan wij. De weg was recht en wij zagen nu, niettegenstaande wij nog op verren afstand waren, dat men haar tegenhield en zich van haar meester maakte.

Toen liepen wij minder snel; wij behoefden haar slechts te vragen van de goede menschen, die haar hadden vastgehouden, en die zouden ze ons wel teruggeven.

Naarmate wij dichterbij kwamen, was het aantal omstanders toegenomen, en toen we eindelijk naast haar stonden, zagen wij ons omringd door een twintigtal mannen, vrouwen en kinderen, die het zeer druk over ons hadden.