Chapter 27
De lamp werd uitgedoofd. Wij hadden allen naar hartelust gedronken; geen van ons begon nu meer te ijlen. En vele uren, misschien verscheidene dagen lang, bleven wij roerloos liggen, zonder door iets anders aan het leven herinnerd te worden, dan door het tikken der houweelen, die een put groeven en het uithoozen der tonnen.
Geleidelijk werden nu de slagen luider en luider; het water daalde en men naderde ons. Maar zou men ons bijtijds bereiken? vorderden onze redders in hun werk met reuzenschreden? zouden onze krachten, die voortdurend afnamen, dan nog toereikend wezen? Wij waren zwak naar lichaam en geest. Sedert den dag van de overstrooming, hadden mijn makkers geen voedsel gebruikt. Maar wat nog erger was, wij hadden van dat oogenblik af geen versche lucht ingeademd en deze was hoe langer hoe vunziger geworden. Gelukkig was de luchtdrukking verminderd, naarmate het water daalde, want ware de waterstand gebleven, zooals hij in het eerst was, dan zouden wij ongetwijfeld gestikt zijn. Op welke wijze wij ook gered werden, wij hadden dit te danken aan den ijver en de juistheid waarmede de ingenieur den arbeid leidde.
Het geluid der tonnen en der houweelen ging met de grootste gelijkmatigheid, alsof het de slinger van een klok was en bij iedere postafwisseling gevoelden wij een koortsachtige aandoening. Zag men van de redding af, of ondervond men onoverkomelijke bezwaren? Gedurende het uitpompen van het water hoorden wij eensklaps een oorverdoovend geraas, een schel gefluit.
--Het water valt in de mijn, riep Carrory.
--Het is niet het water, hernam de meester.
--Wat is het dan?
--Ik weet het niet; maar het is niet het water.
Hoewel de meester ons verscheidene malen bewijzen gegeven had van zijn doorzicht en gezond verstand, hechtte men geen geloof aan hetgeen hij zeide, dan wanneer hij dit door bewijzen staafde. Hij erkende, dat hij niet wist, waaraan dit geluid was toe te schrijven--later vernamen wij, dat het ontstond door de kettingen van een ventilator, dien men opheesch om versche lucht aan de werklieden te verschaffen--en nu maakte zich een dolle vrees van ons meester, bij de gedachte aan een overstrooming.
--Steek de lamp aan.
--Dat is niet noodig.
--Steek aan, steek aan!
Hij moest wel gehoorzamen, want allen waren het hierover eens. Bij het schijnsel van de lamp konden wij zien dat het water niet gerezen was, maar dat het eer daalde.
--Gij ziet dat ik gelijk heb, sprak de meester.
--Het stijgt en thans zullen wij verdrinken.
--Welnu, hoe eer hoe beter dan maar, want ik kan het niet langer uithouden.
--Geef de lamp, meester, ik wil op een stukje papier aan mijn vrouw en kinderen schrijven.
--Schrijf voor mij ook.
--Voor mij ook.
Bergounhoux had gevraagd om de lamp aan te steken, teneinde, voordat hij stierf, nog aan zijn vrouw en kinderen te schrijven; hij had in zijn zak een stukje papier en een potlood en maakte zich tot schrijven gereed.
--Luister, dit zal ik schrijven:
"Gaspard, Pagès; de schoolmeester, Carrory en Rémi zijn in de zijgang opgesloten en zullen daarin omkomen."
"Ik Bergounhoux, smeek God, om een man voor de weduwe en een vader voor de weezen te zijn; ik geef hun mijn zegen."
--Gij, Gaspard?
"Gaspard geeft wat hij bezit aan zijn neef Alexis."
"Pagès draagt zijn vrouw en kinderen aan God, de Heilige Maagd en de maatschappij op."
--Gij meester.
--Ik heb niemand, antwoordde de meester op droevigen toon, niemand zal mij betreuren.
--Gij Carrory.
--Ik, riep Carrory, ik verlang, dat mijn kastanjes verkocht zullen worden, voordat zij gedroogd zijn.
--Op ons papier schrijven we niet zulken onzin.
--Het is geen onzin.
--Wilt gij niemand vaarwelzeggen. Uw moeder?
--Mijn moeder zal van mij erven.
--En gij Rémi?
"Rémi geeft aan Mattia Capi en zijn harp; hij groet Alexis en verzoekt hem om naar Lize te gaan, en wanneer hij haar zijn groeten overbrengt, haar tevens een gedroogde roos te geven; die hij in zijn jaszak bewaart.
Wij zullen allen onze handteekening eronder zetten."
--Ik zet een kruis, sprak Pagès.
--Nu, zeide Bergounhoux, toen wij allen onzen naam gezet hadden, vraag ik niets meer, dan dat men mij rustig sterven laat, zonder iets meer tegen mij te zeggen. Vaartwel, makkers.
Hij verliet daarop zijn trede en begaf zich naar de onze, om van ons drieën afscheid te nemen. Daarop klom hij weder naar de zijne, omhelsde Pagès en Carrory, en maakte toen van zand en vermolmd hout een hoogte, waarop hij met zijn hoofd kon rusten en strekte zich vervolgens in zijn geheele lengte uit, zonder zich verder meer te verroeren.
De aandoeningen, welke deze brief bij ons teweeggebracht had, en de gelatenheid van Bergounhoux maakten ons niet moediger.
Intusschen was het kloppen veel duidelijker geworden en ongetwijfeld was men ons reeds zoover genaderd, dat men ons spoedig zou kunnen bereiken.
Hiermede troostte ons de meester, teneinde zoodoende een weinig kracht te geven.
--Als men zoo dicht bij ons is, als gij meent, dan zouden wij hen kunnen hooren schreeuwen en wij hooren hen niet, evenmin als men ons hoort.
--Al waren zij slechts weinige meters van ons verwijderd dan zouden wij hen nog niet kunnen hooren; dit hangt geheel af van het gehalte der aardkorst, die zij doorboren moeten.
--Of van den afstand.
Het water daalde echter voortdurend en weldra kregen wij het bewijs, dat het de daken der gangen niet meer bereikte.
Wij hoorden tegen den wand van de zijgang eenig gedruisch en het water klotste alsof er stukjes steenkool invielen.
Men stak een lamp aan en wij zagen verscheidene ratten beneden in de zijgang loopen. Zij hadden, evenals wij, een schuilplaats in een duikerklok gevonden en toen het water gedaald was, hadden zij haar toevluchtsoord verlaten om eenig voedsel te zoeken. Als zij ons hadden kunnen bereiken, dan was dit omdat het water de gangen niet meer geheel vulde.
Deze ratten waren voor onze gevangenis, wat de duif voor de ark van Noach was: het einde van den zondvloed.
--Bergounhoux, sprak de meester, terwijl hij zich tot aan de bovenste trede oprichtte, vat maar weer moed. En hij bracht hem toen aan het verstand, dat de ratten onze naderende bevrijding aankondigden.
Maar Bergounhoux liet zich niet overtuigen.
--Als de hoop weder voor wanhoop moet plaats maken, dan wil ik liever in het geheel geen hoop meer koesteren; ik wacht den dood; als er redding komt, dan zij God geloofd.
Ik wilde onze trede verlaten, om zelf me te overtuigen of het water inderdaad daalde. Het zakte aanmerkelijk en er was een groote ruimte gekomen tusschen het water en het bovenste gedeelte van de gaanderij.
--Vang eenige ratten, dan kunnen wij ze opeten, riep Carrory.
Maar om de ratten te vangen, moest men vlugger zijn dan ik thans was.
De hoop op redding evenwel had mij weder kracht gegeven en het zien van de ruimte deed mij besluiten een denkbeeld ten uitvoer te brengen, dat mij reeds lang gekweld had. Ik klom weder naar onze trede.
--Meester, ik weet iets; daar de ratten in de gang loopen, bewijst dit, dat men erdoor kan gaan; ik zal zwemmende de ladders bereiken en daar om hulp roepen; men zal ons komen zoeken, dat zal eerder kunnen gebeuren dan door de schacht.
--Ik verbied u dat!
--Maar, meester, ik zwem even goed als gij loopt en als een paling schiet ik door het water.
--En de slechte lucht.
--Als de ratten erdoor komen, dan is de lucht niet slechter voor mij dan voor haar.
--Ga, Rémi! riep Pagès, ik zal u mijn horloge geven.
--Wat zegt gij ervan, Gaspard? vroeg de meester.
--Niets; als hij denkt, dat hij de ladders bereiken kan, laat hij dan gaan, ik heb het recht niet hem dit te beletten.
--En als hij verdrinkt?
--En als hij zich redt, inplaats van hier wachtende om te komen?
Een oogenblik peinsde de meester hierover na; daarop vatte hij mij bij de hand.
--Gij zijt een brave knaap, mijn jongen, doe zooals gij wilt; ik geloof, dat gij het onmogelijke wilt beproeven, maar het zou niet voor de eerste maal zijn, dat gij in het onmogelijke slaagdet. Neem van ons allen afscheid.
Ik zeide allen vaarwel en nadat ik mijn kleederen had uitgetrokken, liet ik mij in het water glijden.
--Gij moet aanhoudend luid spreken, zeide ik, voordat ik begon te zwemmen: uw stem zal mij leiden.
Welke ruimte was er tusschen het dak en de gang? Was ze groot genoeg om mij vrij daarin te kunnen bewegen? Dat was de vraag.
Nadat ik eenige slagen gedaan had, bemerkte ik, dat ik zeer langzaam zwemmen moest, daar ik anders misschien mijn hoofd zou stooten; het waagstuk, dat ik wilde ondernemen, was alzoo mogelijk. Zou het einde de bevrijding of de dood zijn?
Ik wendde mij om en zag het schijnsel van de lampen in den donkeren afgrond weerkaatsen: dit was mijn vuurtoren.
--Gaat het goed? riep de meester.
--Ja.
En met behoedzaamheid ging ik voorwaarts.
De grootste moeilijkheid om van de zijgang naar de ladders te komen, bestond hoofdzakelijk hierin om de goede richting te houden, want ik wist dat op een bepaald punt, waarvan ik niet ver verwijderd was, de gangen in elkander liepen. Ik moest dus niet door de duisternis mij laten misleiden, want dan zou mijn tocht tevergeefs zijn.
Het dak en de wanden van de gaanderij waren dus geen voldoende gidsen voor mij, maar op den grond had ik een veel beter leidsman in de rails. Als ik die volgde, dan was ik zeker, dat ik de trappen bereiken zou.
Van tijd tot tijd raakte ik even met mijn voeten op den grond en als ik dan een rail voelde, liet ik mij weder langzaam bovenkomen. De rails onder mij, de stemmen van mijn makkers achter mij, ik kon dus onmogelijk verdwalen.
Het voortdurend afnemen van het geluid der stemmen en het steeds toenemend geraas, dat het uithoozen van het water veroorzaakte, gaven mij de overtuiging, dat ik vorderde. Eindelijk zou ik dus weder het daglicht aanschouwen en door mij zouden mijn kameraden gered worden. Dat schonk mij kracht.
Ik hield altijd het midden van de gang en behoefde slechts even te duiken om een rail aan te raken, wat ik meestal met de punt van mijn voet deed. Toen ik dit weder beproefde en haar niet met mijn voet vinden kon, dook ik geheel onder om er met mijn hand naar te zoeken, maar dit was tevergeefs; ik zwom van de eene zijde naar de andere, maar vond niets.
Had ik mij bedrogen?
Ik bleef een oogenblik onbeweeglijk liggen om over mijn toestand na te denken; de stemmen van mijn makkers drongen slechts zeer flauw, als een zacht, bijna onhoorbaar gemompel tot mij door. Toen ik weder ademgehaald en een goede hoeveelheid lucht in mij opgenomen had, dook ik geheel onder, maar zonder een gelukkiger uitslag dan de eerste maal. Geen rails.
Ik was de verkeerde gang ingeslagen, zonder het te bemerken, en moest dus weder omkeeren.
Maar hoe? mijn makkers riepen niet langer, of wat hetzelfde is, ik kon ze niet meer hooren.
Een oogenblik gevoelde ik mij als verlamd, en een diepe smart overweldigde mij, toen ik niet wist in welke richting ik zwemmen zou. Ik was dus verdwaald in dien duisteren afgrond; onder dien zwaren steenklomp en in dat ijskoude water.
Maar eensklaps drong weder het geluid van stemmen tot mij door en ik wist daardoor in welke richting ik mij bewegen moest.
Toen ik eenige slagen achterwaarts gedaan had, dook ik opnieuw en reikte met mijn voet een rail. Op dit punt liepen de gangen dus te zamen. Ik zocht naar de metalen plaat op den muur; ik vond die niet; ik zocht naar de openingen en vond ze evenmin; rechts en links tastte ik altijd tegen den muur. Waar lag de rail?
Ik volgde ze tot aan het einde, maar plotseling hield zij op.
Ik begreep toen, dat de spoorbaan weggespoeld was door den stortvloed van water en dat ik mijn gids verloren had.
Door deze omstandigheid werd het mij onmogelijk gemaakt om mijn plan ten uitvoer te brengen en schoot mij niets anders over dan terug te keeren.
Ik had dien weg reeds eenmaal afgelegd en wist, dat ik hier buiten gevaar verkeerde; ik zwom dus met groote snelheid voort om de zijgang te bereiken; de stemmen leidden mij.
Naarmate ik onze schuilplaats naderde, scheen het mij toe, dat de stemmen duidelijker werden, alsof mijn makkers nieuwe krachten verzameld hadden.
Spoedig bevond ik mij aan het begin van de gang en riep ook.
--Kom, kom spoedig, riep de meester.
--Ik heb de schacht niet gevonden.
--Dat doet er niet toe; de opening vordert; zij hooren ons roepen en wij hen; weldra zullen wij met elkander kunnen spreken.
Snel beklom ik de trede en luisterde met ingehouden adem. De slagen waren werkelijk veel harder; en de stemmen van hen, die tot onze bevrijding werkten, waren nog wel zwak, maar toch vrij duidelijk.
Toen de eerste opwelling van vreugde voorbij was, voelde ik dat ik half bevroren was, en daar er geen warme kleederen waren om mij af te drogen, begroef men mij tot aan het hoofd onder de steenkolen, die altijd een zekere warmte behouden en oom Gaspard met den meester drukten zich tegen mij aan. Ik vertelde hun toen mijn onderzoekingstocht en hoe ik een oogenblik verdwaald was geraakt.
--Hebt gij durven duiken?
--Waarom niet? Ongelukkig heb ik niets kunnen vinden.
Maar, zooals de meester ook gezegd had, dat deed er nu weinig toe; want, al waren wij niet door de gang gered, het zou door een schacht gebeuren.
Het geroep werd duidelijker en duidelijker, zoodat wij alle hoop hadden spoedig de stemmen te kunnen onderscheiden.
Eenige minuten later hoorden wij deze woorden langzaam uitspreken:
--Met hoeveel zijt gij?
Oom Gaspard had de sterkste stem van ons allen. Hij zou dus antwoorden.
--Zes!
Er heerschte een poos een diepe stilte. Waarschijnlijk hadden zij boven op een grooter aantal gerekend.
--Haast u, riep oom Gaspard, wij kunnen het hier niet langer uithouden.
--Uw namen.
Hij noemde onze namen:
--Bergounhoux, Pagès, de schoolmeester, Carrory, Rémi en Gaspard.
Gedurende onze redding was dit het vreeselijkste ongeluk voor hen, die boven waren. Toen men vernam, dat men weldra eenige woorden met ons zou kunnen wisselen, waren alle mijnwerkers, alle bloedverwanten en vrienden komen toesnellen en de soldaten hadden groote moeite om hun te beletten de gang binnen te dringen.
Toen de ingenieur mededeelde, dat wij slechts met ons zessen waren, heerschte er algemeene teleurstelling, maar toch bleef een ieder voor zichzelf nog eenige hoop koesteren, daaronder die zes zich juist de persoon bevinden kon, dien men wachtte.
Hij herhaalde onze namen.
Helaas! op honderd en twintig moeders of vrouwen, waren er slechts vier, wier hoop verwezenlijkt zou worden. Welk een groote smart was dat voor de anderen en hoeveel tranen werden er niet gestort!
Ook wij van onzen kant dachten aan hen, die gered hadden kunnen worden.
--Hoeveel zijn er gered? vroeg oom Gaspard.
Men antwoordde niet.
--Vraag waar Marius is, zeide Pagès.
De vraag werd gedaan; maar bleef evenals de eerste, onbeantwoord.
--Zij hebben het niet gehoord.
--Zeg liever, dat zij niet willen antwoorden.
Ik brandde van verlangen, om een vraag te doen.
--Vraag eens hoelang wij hier reeds zijn opgesloten.
--Sedert veertien dagen.
Veertien dagen! Bij onze hoogste berekening waren wij op vijf of zes dagen gekomen.
--Gij behoeft er nu niet langer meer in te blijven. Houdt goeden moed. Laten wij nu zwijgen, anders kunnen wij niet voortwerken. Nog slechts weinige uren.
Deze duurden, geloof ik, het langst van onze geheele gevangenschap, in elk geval, behoorden zij onder de smartelijkste. Bij iederen hamerslag die er viel, dachten wij dat het de laatste was; maar altijd werd hij door een anderen en weder een anderen gevolgd.
Van tijd tot tijd werd er een vraag gedaan.
--Hebt gij honger?
--Ja, zeer veel.
--Kunt gij wachten? als gij te zwak zijt, dan zal men een gat boren en daarin bouillon gieten, maar dat zal uwe bevrijding vertragen; als gij nog wachten kunt, dan zult gij eerder uw vrijheid terugkrijgen.
--Wij zullen wachten, haast u dan ook.
De tonnen waren voortdurend in werking gebleven en het water zakte aanhoudend en geregeld.
--Zeg dat het water zakt, zeide de meester.
--Wij weten het; zoowel door de schacht als door de gang; men zal u spoedig bereiken.... zeer spoedig.
De slagen klonken minder krachtig.
Blijkbaar stond men op het punt om een opening te boren, en daar wij medegedeeld hadden, in welken toestand wij verkeerden, vreesde men een instorting teweeg te brengen, die op ons hoofd zou neerkomen en ons kwetsen of wellicht dooden zou of in het water doen storten.
De meester legde ons toen ook uit, dat het zeer wel mogelijk kon zijn, dat men bevreesd was voor de luchtdrukking, waardoor zoodra er een gat geboord was, de lucht ontsnappen zou als de kogel uit een kanon en alles in puin doen storten.--Wij moeten dus op onze hoede zijn en evenals de opzichters over ons zelf waken.
De schokken aan den bodem toegebracht door de houweelen, waren oorzaak geweest, dat de steenkool in de zijgang had losgelaten en tal van brokstukken in het water vielen.
Zonderling, hoe meer het oogenblik van onze bevrijding naderde, hoe zwakker wij werden; mijn krachten waren uitgeput en onder de steenkolen begraven, was ik zelfs niet instaat mijn arm op te tillen; ik beefde over mijn gansche lichaam, zonder het koud te hebben.
Eindelijk rolden grootere stukken tusschen ons; de opening was boven in de zijgang aangebracht; wij waren als verblind door het licht der lampen.
Maar onmiddellijk was alles om ons weder in het duister gehuld; de tocht, een vreeselijke tocht, een windvlaag, die verscheidene stukken steenkool met zich voerde, vloog ons in het gelaat.
--Dat komt van de tocht, stel u gerust, men zal de lampen spoedig weder aansteken. Hebt slechts even geduld.
Wachten! Alweder wachten!
Maar op hetzelfde oogenblik hoorden wij in de gang een vreeselijk geraas, en toen ik mij omkeerde zag ik dat een helder licht zich over het water verspreidde.
--Moed! Moed! riep men ons toe.
En terwijl men door de opening aan de mannen, die zich op de bovenste trede bevonden, de hand reikte, naderde men ons door de gaanderij.
De ingenieur had zich aan het hoofd gesteld; hij was de eerste die op de trede stapte en ik lag in zijn armen, vóór ik nog een woord had kunnen uiten.
Het was hoog tijd, want mijn hart klopte bijna niet meer.
Toch besefte ik dat men mij wegdroeg, en dat, toen wij buiten de gang waren, men mij in dekens wikkelde.
Ik opende de oogen, maar een oogenblik daarop werd ik als verblind, zoodat ik genoodzaakt was ze weder te sluiten.
Het was dag, wij bevonden ons in de open lucht.
Op hetzelfde oogenblik wierp zich een wit lichaam op mij: het was Capi, die met een sprong op den arm van den ingenieur zat en mijn gelaat lekte. Ook voelde ik, dat men mijn rechterhand vatte en die kuste--Rémi fluisterde een stem,--het was Mattia. Ik wierp een blik om mij heen en ik ontdekte toen een talrijke menigte, die zich in twee rijen geschaard had, zonder den doortocht te belemmeren. Er heerschte een diepe stilte onder de menigte, want men had ieder gewaarschuwd ons door tranen noch klachten nieuwe aandoeningen te bezorgen; maar de houding en de blikken van allen spraken meer dan de stomme lippen.
In de eerste rij zag ik witte, met gouden versierselen bedekte gewaden, die in de zon schitterden. Het was de geestelijkheid van Varses, die zich naar den ingang van de mijn begeven had om daar voor onze bevrijding te bidden.
Toen wij te voorschijn traden, knielden zij in het stof, want gedurende veertien dagen was de bodem, die door stortregens door-en-door nat was geworden, gedroogd.
Twintig armen strekten zich uit om mij aan te nemen, maar de ingenieur wilde mij niet afstaan en, trotsch op zijn overwinning, gelukkig en fier bracht hij mij naar het kantoor, waar men eenige bedden gespreid had om ons daarop neer te leggen.
Twee dagen later wandelde ik door de straten van Varses, gevolgd door Mattia, Alexis en Capi, en ieder, dien wij tegenkwamen, bleef stilstaan om ons na te staren.
Sommigen zelfs kwamen naar mij toe en drukten mij de hand, met tranen in de oogen.
Anderen weer wendden het hoofd van mij af. Deze waren in rouw gedompeld en vroegen zich af, waarom dit kind, dat alleen op de wereld was, gered was geworden, terwijl een huisvader of de zoon zich nog in de mijn bevonden, en nu met verminkte lichamen door het water werden verteerd.
Maar onder hen, die mij staande hielden, waren er velen, die het mij lastig maakten, daar zij volstrekt wilden, dat ik met hen zou eten of naar een koffiehuis gaan.
--Gij moet alles eens aan ons vertellen, zeiden zij.
Ik bedankte altijd voor dergelijke uitnoodigingen, want ik gevoelde in het minst geen lust mijn lotgevallen mede te deelen aan hen, die mij met een middagmaal of een glas bier wilden betalen.
Ik luisterde bovendien ook liever dan dat ik zelf vertelde en ik hoorde met genoegen naar Alexis en Mattia, die mij alles verhaalden wat er gebeurd was, terwijl wij ons onder den grond bevonden.
--Als ik dacht, dat gij door mijn toedoen gestorven waart, zeide Alexis, dan was het of mijn armen en beenen afvielen, want ik geloofde dat gij dood waart.
--Ik heb het nooit gedacht, sprak Mattia; ik wist niet, dat gij levend uit de mijn komen zoudt en of men wel bijtijds zou komen, om u te redden; maar ik geloofde geen oogenblik, dat gij verdronken zoudt zijn, zoodat, als het uithoozen maar snel genoeg gebeurde, men u ergens vinden zou. En terwijl Alexis klaagde en weende, herhaalde ik altijd bij mezelf: hij is nog niet dood, maar misschien zal hij sterven. En een ieder vroeg ik naar zijn meening. Hoelang kan men zonder eten leven? Wanneer zou het water uitgepompt zijn? Wanneer zal met de gang hebben doorboord? Maar niemand gaf mij het gewenschte antwoord. Toen men uw namen gevraagd had en de ingenieur na Carrory, Rémi riep, ben ik weenend op den grond gevallen, en nadat men over mij heengeloopen had, ben ik opgestaan, zonder iets daarvan te hebben bemerkt, zoo gelukkig was ik.
Ik was er recht trotsch op, dat Mattia zooveel vertrouwen in mij stelde, zoo zelfs dat hij niet had willen gelooven dat ik sterven zou.
XXVIII.
EEN MUZIEKLES.
Ik had mij in de mijn vrienden gemaakt: zulk een leed te zamen gedragen brengt de harten nader tot elkander; men lijdt te zamen, men koestert dezelfde hoop, men maakt een geheel uit.
Zoowel oom Gaspard als de meester waren mij bijzonder genegen geworden; en hoewel de ingenieur onze gevangenschap niet gedeeld had, had hij zich aan mij gehecht, zooals men onwillekeurig doet aan een kind, dat men van een wissen dood gered heeft; hij had mij bij zich genoodigd en ik moest toen aan zijn dochter een uitvoerig verhaal geven van alles wat gedurende onze opsluiting had plaats gevonden.
Iedereen in Varses wilde mij zien.
--Ik zal een plaats als werkman voor u zoeken, zeide oom Gaspard, en dan blijft gij bij ons.
--Als gij op een onzer kantoren werkzaam wilt zijn, zeide de ingenieur, dan zal ik daarvoor zorgen.
Oom Gaspard vond het zeer natuurlijk, dat ik naar de mijn terugkeerde, waarin ook hij spoedig weder zou nederdalen, met die onbezorgdheid van hen, die gewend zijn iederen dag het gevaar te trotseeren; maar ik, die zijn zorgeloosheid noch zijn moed bezat, ik was volstrekt niet geneigd om mijn tijdelijk beroep van mijnwerker weder te aanvaarden. Een mijn was heel mooi en belangrijk en ik was blijde, dat ik er een gezien had, maar ik had er genoeg van gezien en ik gevoelde niet den minsten lust om naar de zijgang terug te keeren.
Die gedachte alleen joeg mij reeds schrik aan. Ik was bepaald niet geschikt voor onderaardschen arbeid; het leven in de open lucht, met de zon boven mijn hoofd, of zelfs een bedekte lucht, stonden mij meer aan. Dit trachtte ik ook oom Gaspard en den meester aan het verstand te brengen, waarover de een zeer verbaasd scheen terwijl de ander zich beklaagde, dat ik zoo weinig lust gevoelde om mijnwerker te worden. Carrory, dien ik ontmoette, noemde mij een domkop.
Den ingenieur kon ik natuurlijk niet antwoorden, dat ik niet onder den grond wilde werken, daar hij mij een plaats in zijn bureau aanbood en mij, indien ik goed oppaste, onderwijs wilde doen geven; ik deelde hem dus liever de geheele waarheid mede.