Alleen op de Wereld

Chapter 26

Chapter 264,045 wordsPublic domain

Wij konden het bijna op die nauwe trap niet langer uithouden; wij besloten dus om de treden te verbreeden en ieder toog aan het werk. Met onze messen begonnen wij den muur uit te houwen en de steenkolen, op die wijs verkregen, weg te ruimen.

Daar wij nu een vast steunpunt hadden bekomen, werd onze arbeid ook veel gemakkelijker, en eindelijk gelukte het ons diep genoeg in de aarde door te dringen om onze gevangenis een aanzienlijk stuk te verwijden.

Het gaf een gevoel van rust, toen wij ons in onze volle lengte konden uitstrekken en niet langer met schommelende beenen behoefden te zitten.

Hoewel wij een zeer klein gedeelte van Carrory's brood hadden gekregen, was het toch reeds op. Het laatste stuk had men ons juist bijtijds gegeven om weder tot ons zelf te komen. Want toen de meester het ons gaf, was het licht te begrijpen--te oordeelen naar den blik, dien de houwers er op wierpen--dat zij een tweede verdeeling niet dulden zouden, zonder er ook om te vragen, en zoo men het hun niet gaf, zelf hun deel te nemen.

Het was zelfs zoover tusschen ons gekomen, dat wij niets meer tegen elkander zeiden, en zoo spraakzaam als wij in het begin van onze gevangenschap geweest waren, zoo stil waren wij, toen deze voortduurde.

Ons gesprek kwam altijd op dezelfde onderwerpen terug en wij behandelden steeds dezelfde vraag: welke middelen men zou aanwenden om tot ons door te dringen en hoelang wij opgesloten zouden blijven.

Maar deze gesprekken werden niet met dezelfde belangstelling gevoerd als in het begin; als een van ons iets zeide, dan werd daarop dikwijls geen acht geslagen, of zoo dit al gebeurde, dan was het slechts met een enkel woord; de dag kon in nacht verkeeren, wit in zwart, zonder dat dit een oogenblik onze belangstelling kon opwekken of ons tot eenige gedachtewisseling aanleiding gaf.

--Het is goed; wij zullen zien, was het eenige antwoord.

Waren we twee of zes dagen levend begraven? Men zou zich hiervan eerst kunnen overtuigen, wanneer wij weder bevrijd waren. Maar zou dat oogenblik aanbreken?

Ik voor mij begon hieraan hard te twijfelen.

Ik was niet de eenige en dikwijls lieten ook mijn makkers zich eene opmerking ontvallen, die voldoende bewees, dat zij niet vrij van twijfel waren.

--Eén troost is het, zeide Bergounhoux, dat, als ik hier mocht blijven, de maatschappij aan mijn vrouw en kinderen een jaarlijksch inkomen zal geven; zij zullen tenminste niet aan het armbestuur vervallen.

Ongetwijfeld had de meester, toen hij zijn waardigheid van bevelhebber op zich nam, bij zichzelf besloten, ons niet alleen te beschermen voor de onheilen, welke deze ramp ten gevolge kon hebben, maar ons ook tegen ons zelven te verdedigen, en wanneer een van ons zijn zelfvertrouwen verloor, hem moed in te spreken.

--Gij zult hier evenmin blijven als wij; de tonnen werken, het water daalt.

--Waar daalt het?

--In de putten.

--En in de gang?

--Dat zal wel gebeuren; geduld slechts.

--Zeg, Bergounhoux, viel Carrory hem in de rede, met de tegenwoordigheid van geest en de gevatheid, die alles kenmerkte wat hij deed, als de maatschappij failliet gaat, zooals die van den meester, dan heeft uw vrouw niets.

--Wilt ge wel eens zwijgen, domkop, de maatschappij is rijk.

--Zij was rijk, zoolang ze de mijn bezat; maar nu de mijn onder water staat, niet meer. In elk geval zou ik, als ik boven was, inplaats van hier, wel zoo in mijn schik zijn.

--Omdat....?

--Waarom waren die directeuren en ingenieurs zoo trotsch? Dit zal hun tot een les zijn. Als de ingenieur eens naar beneden gegaan was ... dat zou dwaas zijn, niet waar, zulk een heer!

--Als de ingenieur naar beneden gegaan was, dan zoudt gij hier blijven en wij ook.

--O gij, gij weet, dat gij u om niets behoeft te bekommeren, maar ik heb wel iets anders te doen; mijn kastanjes, wie zal ze drogen? Ik verzoek dus den ingenieur om weer naar boven te gaan; het is om te lachen. Goedendag, mijnheer de ingenieur!

Behalve de meester, die zijn gevoel wist te verbergen en Carrory, die niet veel gevoel had, spraken wij niet meer over onze bevrijding, maar slechts de woorden dood en honger kwamen over onze lippen.

--Gij hebt mooi praten, meester, de tonnen kunnen nooit genoeg water ophalen.

--Ik heb het u al wel twintigmaal voorgerekend; een weinig geduld nog.

--Dat rekenen zal er ons niet uitredden.

Deze opmerking werd door Pagès geuit.

--Wie dan?

--De goede God. Deze heeft gedoogd, dat wij hier onze toevlucht zochten. Hij zal ook redding geven.

--Zoo God ons hier gebracht heeft, dan is het zeker geschied omdat er onder ons zijn, die Hij straffen wilde.

Deze opmerking ging gepaard met een zijdelingschen blik op Bergounhoux.

Inplaats van heftig daartegen op te komen, bevestigde deze de woorden van zijn aanklager.

--Ik ben overtuigd, begon hij, dat God mij straffen wil, omdat ik in den laatsten tijd geen goed christen ben geweest; en ik smeek Hem thans uit het diepst mijner ziel vergiffenis.

Hij viel op zijn knieën en sloeg zich verscheidene malen op de borst.

--Ik voor mij durf ook niet beweren, dat ik geheel zonder zonde ben en ik wil ook gaarne de mijne belijden; maar onze lieve Heer weet, dat ik ze niet uit moedwil bedreven heb; ik heb nooit iemand opzettelijk iets misdaan, sprak Pagès.

--Ik weet niet of die donkere gevangenis eenigen invloed op mij uitoefende, of dat het de vrees voor den dood was, of wel dat wij door den honger verzwakt waren en het geheimzinnige schijnsel van de lamp, die nauwlijks eenig licht over ons wierp; maar ook ik gevoelde mij diep ontroerd, terwijl ik naar de belijdenis der zonden van de anderen luisterde en ook ik stond op het punt om, evenals Pagès en Bergounhoux, mij op de knieën te werpen en mijne feilen te biechten.

Plotseling hoorde ik achter mij luid snikken en toen ik mij omwendde, zag ik den grooten Compayrou op den grond liggen.

--De schuldige, riep hij, is noch Pagès noch Bergounhoux, ik ben het. De goede God straft mij, maar ik heb berouw, oprecht berouw. Ik zal u de zuivere waarheid vertellen, als wij gered worden, dan zweer ik, dat ik mijn misdaad zal herstellen. Een jaar geleden werd Rouquette tot vijf jaren tuchthuisstraf veroordeeld, omdat hij een horloge bij vrouw Vidal gestolen had. Hij is onschuldig. Ik heb die misdaad gepleegd. Het horloge ligt onder mijn bed, en als men de derde plank links opbeurt, zal men het vinden.

--Gooi hem in het water! Gooi hem in het water! riepen Pagès en Bergounhoux als uit één mond.

Ongetwijfeld zouden zij den misdadiger in den afgrond geworpen hebben, maar vóór dat zij hiertoe nog konden overgaan was de meester reeds tusschenbeiden getreden.

--Wilt gij dan dat hij voor God verschijnen zal met die misdaad op zijn geweten? riep hij; laat hem eerst tot zich zelf inkeeren.

--Ik heb berouw, oprecht berouw, herhaalde Compayrou op zulk een zwakken toon, alsof hij een kind was, inplaats van een forschen kerel.

--Gooi hem in het water, herhaalde men.

--Neen, riep de meester.

Hij begon hen toen op kalmen toon toe te spreken, en bracht hun onder het oog, dat wij rechtvaardig en verstandig handelen moesten. Maar zij wilden niets daarvan hooren en dreigden hem in de diepte te zullen werpen.

--Geef mij uw hand, zeide de meester, terwijl hij Compayrou naderde.

--Verdedig hem niet, meester.

--Ik zal hem verdedigen, en als gij hem in het water wilt werpen, dan moet gij mij er ook inwerpen.

--Welnu, neen dan! zeiden zij eindelijk; wij zullen hem niet in het water gooien; maar op één voorwaarde; gij moet hem in gindschen hoek laten liggen en niemand mag een woord tot hem spreken; niemand moet zich met hem bemoeien.

--Dat is billijk, hernam de meester, dat is zijn verdiende loon.

Toen de meester dit gezegd had, hetgeen voor Compayrou als een vonnis gold, schoven oom Gaspard, de meester en ik dichter naar elkander toe en lieten wij den ongelukkige op den grond aan zijn lot over.

Verscheidene uren achtereen bleef hij daar overstelpt van droefheid liggen, zonder zich te verroeren, en van tijd tot tijd herhalende:

--Ik heb berouw.

Bergounhoux of Pagès riepen hem dan toe:

--Het is te laat, gij hebt berouw, omdat gij bang zijt, lafaard. Al een halfjaar, al een jaar lang, hadt gij berouw kunnen gevoelen.

Hij haalde met moeite adem en zonder hun bepaald te antwoorden, kermde hij:

--Ik heb berouw, oprecht berouw.

Hij had de koorts gekregen, want hij sidderde over zijn geheele lichaam, terwijl hij klappertandde.

--Ik heb dorst, zeide hij, geef mij den schoen.

Er was geen water meer in den schoen; ik stond op om dit voor hem te halen; maar Pagès, die het bemerkte, riep mij toe, dat ik dit niet doen mocht en ook oom Gaspard hield mij ervan terug.

--Men heeft gezworen hem aan zijn lot over te laten.

Eenige oogenblikken lang riep hij nog om water, maar toen hij zag, dat wij hem dit niet wilden geven, richtte hij zich op om het zelf te halen.

--Hij sleept de steenkolendam mede! riep Pagès.

--Laat hem tenminste zijn vrijheid behouden, antwoordde de meester.

Hij had gezien, dat ik mij langs den rug naar beneden had laten glijden en wilde dit ook beproeven; maar ik was licht en hij zeer zwaar; ik vlug en behendig, en hij een log wezen. Nauwlijks lag hij dan ook op zijn rug, of de steenkolen gleden onder hem weg en zonder zich een oogenblik tegen te kunnen houden, verdween hij in den donkeren afgrond. Het water plaste ons in het gelaat, maar kabbelde een minuut later weer rustig voort.

Ik boog mij voorover, maar oom Gaspard en de meester hielden mij elk bij een arm terug.

--Wij zijn gered! riepen Bergounhoux en Pagès; wij zullen hieruit komen.

Bevende van schrik, wierp ik mij achterover; ik was ijskoud, bijna halfdood van angst.

--Hij was geen braaf man, zeide oom Gaspard.

De meester sprak niet, maar mompelde een oogenblik later:

--In elk geval verminderde hij de hoeveelheid zuurstof, die wij hadden.

Dit woord, dat ik voor het eerst hoorde, trof mij en nadat ik een poos had nagedacht, vroeg ik den meester, wat hij zeide.

--Iets onbillijks en egoïstisch, jongenlief, en ik heb er berouw over.

--Wat bedoelt gij?

--Wij leven van brood en lucht. Brood hadden wij niet, ook van lucht waren wij niet ruim voorzien, want de lucht, die wij inademden, kunnen wij niet voor de tweede maal gebruiken; toen ik hem zag verdwijnen, zeide ik, dat hij nu niet meer zijn deel aan de lucht zou eischen, en over die woorden zal ik mijn leven lang berouw hebben.

--Kom, kom, zeide oom Gaspard, hij heeft wat hem toekomt.

--Nu zal alles goedgaan, zeide Pagès, terwijl hij met beide voeten tegen den wand schopte.

Als alles nu niet spoedig goedging, zooals Pagès het hoopte, dan was het niet de schuld van de ingenieurs en de werklieden, die voor onze redding werkten.

Aan den put, dien men begonnen was te graven, werd zonder ophouden gearbeid. Maar het was een moeilijk werk.

De steenkolen, waardoorheen men een gang moest maken, waren zeer hard en daar maar één houwer in die nauwe gang kon werken, was men genoodzaakt hem telkens te vervangen, vooral daar allen om strijd aan de redding wilden arbeiden.

Bovendien was de luchtverversching in deze gang zeer slecht; men had van afstand tot afstand blikken pijpen aangebracht, die met klei aan elkander waren gevoegd; maar ofschoon een krachtige ventilator de lucht door die pijpen joeg, brandden de lampen niet dan in de onmiddellijke nabijheid van de opening.

Dit alles was een belemmering bij het boren en den zevenden dag, nadat wij waren bedolven, was men nog slechts twintig meter gevorderd. Onder gewone omstandigheden zou men meer dan een maand noodig gehad hebben om tot die diepte te komen, maar in verhouding tot de middelen, welke men ter beschikking had en den ijver, waarmede men arbeidde, was dit zeer weinig.

Bovendien moest men de edele volharding bezitten van den ingenieur, om dezen arbeid voort te zetten, want volgens het eenparig gevoelen van de mijnwerkers was hij geheel nutteloos. Allen die in de mijnen waren, moesten omgekomen zijn; men had niets anders meer te doen, dan het water uithoozen door middel van de tonnen en men zou dan later wel de lijken vinden. Welk nut stak er dus in, dat men eenige uren vroeger of later dezen ontdekte?

Dat was de meening, zoowel van de mijnwerkers als van het publiek; de bloedverwanten, de vrouwen, ja zelfs de moeders hadden den rouw reeds aangenomen. Niemand zou meer levend uit de Truyère komen.

Zonder de uithoozing te doen staken, welke onverpoosd voortgezet werd en waarmede men alleen ophield, wanneer aan de toestellen eenige averij was gekomen, werd op last van den ingenieur, trots alle opmerkingen van het publiek, van zijn ambtgenooten en van zijn vrienden, met de boring voortgegaan.

De hardnekkigheid, die aan Columbus eenmaal een nieuwe wereld ontdekken deed, was ook zijn karaktertrek.

--Één dag nog maar, vrienden, zeide hij tot de werklieden, en als wij morgen niets ontdekt hebben, dan zullen wij ervan afzien; ik vraag voor uwe kameraden wat ik vragen zou voor u, indien gij in hunne plaats waart.

Zijn vast geloof deelde zich ook mede aan de harten der mijnwerkers, die uit de stad komende, den twijfel van allen deelden, maar door hem weder tot een andere overtuiging waren gebracht.

En eendrachtig, met elkander wedijverend in vlijt, bleven zij voortwerken.

Van den anderen kant moest de gaanderij, waar de lampen bewaard werden, die op verschillende punten was ineengestort, uitgehoosd worden, en door alle mogelijke middelen trachtte hij aan de mijn hare slachtoffers te ontrukken zoo dezen nog in leven mochten zijn.

Den zevenden dag meende de opperman, die bij een afwisseling van posten de steenkolen moest weghalen, een geluid te hooren, dat veel op een zacht kloppen geleek; inplaats van met zijn houweel te hakken, hield hij dit in de hoogte en luisterde aandachtig of hij het geraas ook kon onderscheiden. Hij meende wel dat hij zich vergiste maar riep toch een van zijn makkers om met hem te luisteren. Beiden bukten zich met ingehouden adem voorover, en een poos later herhaalde zich zeer regelmatig dat kloppen en tikken.

Deze tijding ging spoedig van mond tot mond en zonder dat het door iemand geloofd werd, kwam het den ingenieur ter ooren, die onmiddellijk naar de gang snelde.

Hij had dus eindelijk gelijk! Er bevonden zich in de mijn nog levende wezens, die gered konden worden.

Velen hadden hem gevolgd; hij baande zich een weg door de mijnwerkers en luisterde aandachtig, maar hij was zoo zenuwachtig en beefde zoozeer over zijn gansche lichaam, dat hij niet instaat was te luisteren.

--Ik hoor niets, zeide hij wanhopend.

--Het is de mijngeest, antwoordde een werkman; hij wil ons een trek spelen en hij klopt om ons te misleiden.

Maar de beide houwers, die het eerst het geluid gehoord hadden, hielden vol dat zij zich niet hadden vergist en dat hun kloppen beantwoord was geworden. Het waren mannen van ondervinding, die in de mijnen oud waren geworden, en wier woorden gezag hadden.

De ingenieur verwijderde allen, die hem gevolgd waren, uit de gang, en van de werklieden, die een keten hadden gemaakt om de steenkolen weg te dragen, behield hij er slechts twee.

Daarop liet hij door een herhaaldelijk geregeld kloppen de gevangenen waarschuwen, waarop hij telkens weder met ingehouden adem luisterde, of zij ook eenig sein terugzonden.

Na een oogenblik wachtens hoorden zij zeer in de diepte eenig geluid; een zacht kloppen, waarvan de slagen elkander snel opvolgden en hun tot antwoord dienden.

--Klop nogmaals en met groote tusschenpoozen, om ons te overtuigen, dat het niet de echo van ons kloppen is.

De houwers klopten, en oogenblikkelijk hoorden zij denzelfden klop, die als antwoord der mijnwerkers gelden moest.

Alle twijfel was thans opgeheven: zij leefden nog en men kon hen redden.

Het nieuws verspreidde zich met bliksemsnelheid door de stad en een nog talrijker en nog ontroerder menigte dan den dag van het ongeval, snelde naar de Truyère. Vrouwen, kinderen en moeders, alle bloedverwanten der slachtoffers, kwamen bevende van angst of vol hoop, in diepen rouw gedompeld, naar de plaats des onheils.

Hoeveel leefden nog? Velen misschien. De uwe ongetwijfeld, maar de mijne misschien....

Men had den ingenieur wel om den hals willen vallen.

Maar hij behield onder die uitgelaten vreugde evenzeer zijne bedaardheid als hij kalm gebleven was onder den spot en twijfel; hij dacht slechts aan de redding en, om zoowel de belangstellenden als de bloedverwanten te verwijderen, beval hij den soldaten om de gang af te zetten en te zorgen, dat de arbeiders een voldoende ruimte behielden.

Het kloppen was zoo zwak, dat men onmogelijk de juiste plaats bepalen kon, vanwaar het kwam. Toch was de aanwijzing duidelijk genoeg om zich te overtuigen, dat de arbeiders, die aan de overstrooming ontsnapt waren, zich in een van de drie zijgangen der oude werken bevonden.

Niet één put, maar drie zou men moeten graven, om de gevangenen te kunnen bereiken. Als men meer gevorderd was en men daardoor beter zou kunnen hooren, kon men altijd een der schachten, die niet meer noodig waren, prijsgeven, om alle krachten aan de goede aan te wenden.

Het werk werd met meer ijver nog dan te voren hervat, en de maatschappijen uit den omtrek zonden om strijd hun beste werklieden naar de Truyère.

De hoop, die weder bij een ieder onder het graven levendig was geworden, nam toe, naarmate men de gang naderde en het water in de putten daalde.

Toen wij in onze zijgang het kloppen van den ingenieur hoorden, maakte zich dezelfde gewaarwording van ons meester als toen wij het water hoorden uitpompen.

--Gered!

Het was een vreugdekreet, die ons aller borst ontsnapte en zonder verder na te denken, meenden wij, dat men ons weldra de hand zou reiken.

Daarop maakte weder, evenals na het uithoozen van het water, deze blijdschap voor diepe wanhoop plaats.

Uit het houwen en graven maakten wij spoedig op, dat de arbeiders nog ver verwijderd waren. Misschien nog tien, mogelijk wel twintig meter. Hoeveel tijd was er noodig om die dikke steenlaag te doorboren? Onze berekeningen waren zeer verschillend: een maand, een week, minstens zes dagen. Hoe zouden wij het nog een maand, een week, zes dagen kunnen uithouden? Wie van ons zou er nog zes dagen leven? Hoelang waren wij reeds zonder eten geweest?

De meester was de eenige, die nog eenige blijken van moed gaf, maar op den langen duur begon ook hij in onze neerslachtigheid te deelen en verminderde langzamerhand zijn vertrouwen.

Zooveel wij wilden konden wij drinken, maar eten niet, en de honger kwelde ons zoo vreeselijk, dat we eindelijk besloten waren om vermolmd, in water geweekt hout, te eten.

Carrory, die het meest uitgehongerd van ons allen was, had zijn laars in stukken gesneden en kauwde voortdurend op een stuk leder.

Toen ik zag waartoe mijn makkers, door den honger gedreven, instaat waren, moet ik bekennen, dat zich een gevoel van angst van mij meester maakte, en dit, gevoegd bij de vrees die ik reeds koesterde, mij weinig gerust stelde. Ik had Vitalis dikwijls van een schipbreuk hooren vertellen, want hij had menige zeereis gemaakt, en onder die verhalen was er een, dat, sedert de honger mij pijnigde, mij onophoudelijk voor den geest kwam. Het was de geschiedenis van matrozen, die op een zandbank waren geworpen, waar geen voedsel voor hen te vinden was, en toen den kajuitsjongen gedood hadden om hun honger te stillen. Ik vroeg mezelf af, terwijl ik mijn makkers van honger hoorde kermen, of mij niet een zelfde lot beschoren was en of ik op onze kolenbank niet gedood en opgegeten zou worden. Ik was zeker dat de meester en oom Gaspard mij tot het laatst toe zouden verdedigen; maar Pagès, Bergounhoux en Carrory! Carrory vooral, met zijn groote witte tanden, die aanhoudend op een stuk leder knabbelde, boezemden mij volstrekt geen vertrouwen in.

Ongetwijfeld was mijn vrees zeer dwaas; maar in den toestand, waarin wij verkeerden, werd onze geest noch onze verbeelding door het koele, gezonde verstand geleid.

Onze angst werd vooral vermeerderd, omdat wij geen licht hadden. De lampen waren achtereenvolgens uitgebrand bij gebrek aan olie. En toen wij er niet meer dan twee overhadden, had de meester besloten, dat zij niet eer aangestoken zouden worden, voordat zij noodzakelijk zouden zijn. Wij bleven dus voortdurend in de duisternis gedompeld.

Dit was niet slechts onverdraaglijk, maar bovendien gevaarlijk, want, als wij ons maar even onbedachtzaam bewogen, hadden wij kans in het water te storten.

Sedert den dood van Compayrou, lagen op elke trede drie werklieden, waardoor wij dan ook een weinig meerplaats kregen; oom Gaspard rustte in een hoek, de meester in een anderen en ik lag in het midden.

Op een gegeven oogenblik, terwijl ik half was ingedommeld, hoorde ik tot mijn verbazing den meester op zachten toon, alsof hij hardop droomde, eenige woorden stamelen.

Ik ontwaakte en luisterde.

--Daar zijn wolken, zeide hij, hoe mooi zijn die wolken toch. Er zijn menschen die er niet van houden; ik vind ze wel schoon. O, wij krijgen wind, des te beter, ik houd ook van wind.

Droomde hij? Ik trok hem bij den arm, maar hij vervolgde:

--Wilt ge mij een eierstruif geven van zes en niet van acht eieren; snijd hem maar in twaalven; dan zal ik hem opeten, als ik thuis kom.

--Hoort gij hem, oom Gaspard?

--Ja, hij droomt.

--Welneen, hij is wakker.

--Hij praat onzin.

--Ik verzeker u, dat hij wakker is.

--Heila, meester!

--Wilt gij medeeten, Gaspard? Kom dan, maar ik zeg u, dat wij wind krijgen.

--Hij weet niet wat hij zegt, hernam oom Gaspard; het is de honger en de koorts.

--Neen, hij is dood, zeide Bergounhoux, zijn ziel spreekt; gij ziet wel, dat hij elders vertoeft. Waar is de wind, meester, is hij noordwest?

--Er is geen noordwestenwind in de hel, riep Pagès, en de meester is in de hel; gij wildet mij niet gelooven, toen ik zeide, dat wij daarheen gaan.

Wat bezielde hen? hadden zij allen hun verstand verloren? werden zij krankzinnig? Maar dan zouden zij twist krijgen en gaan vechten en elkaar misschien doodslaan.

Wat zou ik doen?

--Wilt gij drinken, meester?

--Neen dank u, ik zal wel drinken als ik mijn eierstruif eet.

Geruimen tijd spraken zij met hun drieën, zonder elkander te antwoorden, en te midden van hun onsamenhangende woorden, hoorden wij altijd "eten, uitgaan, hemel, wind."

Op eens kwam ik op de gedachte om een lamp aan te steken. Zij stond naast den meester met de lucifers erbij, en ik stak ze aan.

Zoodra er licht was, zwegen allen.

Na een oogenblik stilte vroegen zij elkaar af wat er eigenlijk gebeurde, alsof zij uit een droom ontwaakten.

--Gij hebt geijld, antwoordde oom Gaspard.

--Wie?

--Gij zelf meester, en ook Pagès en Bergounhoux; gij zeidet dat gij buiten waart en dat het waaide.

Van tijd tot tijd klopten wij tegen den muur, om onzen redders te laten weten, dat wij nog leefden, en wij hoorden dan hun houweelen zonder ophouden op de steenen vallen. Maar de slagen werden niet veel harder, wat ons duidelijk te kennen gaf, dat zij nog ver van ons verwijderd waren.

Toen de lamp aangestoken was, liet ik mij afglijden, om water te halen in de schoen, en het scheen mij toe dat het water eenige centimeters gezakt was.

--Het water daalt.

--Groote God!

En een oogenblik keerde in aller harten de hoop terug.

Men wilde de lamp aangestoken laten om te zien, hoever het water gezakt was, maar de meester verzette zich hiertegen.

Ik dacht dat er toen een opstand zou losbreken. Maar de meester had altijd een goede reden voor hetgeen hij verzocht.

--Wij zullen later de lampen veel meer noodig hebben; als wij ze nu voor niets gebruiken, wat zullen we dan later doen als we ze noodig hebben? En denkt gij niet, dat ge van ongeduld zoudt sterven wanneer gij het water bijna onmerkbaar zaagt dalen? Want gij moet niet verwachten, dat het plotseling zakt. Wij zullen gered worden, houdt dus goeden moed. Wij bezitten nog dertien lucifers. Wij zullen die, telkens als gij het verlangt, aansteken.