Chapter 24
Haastig greep hij er een met de eene hand, en vatte hij mij met de andere vast, terwijl hij zich aan het hoofd van den troep stelde. Daar wij nu dezelfde richting als de stroom volgden, liepen wij veel sneller.
Ik wist niet waarheen wij ons begaven, maar mijn hoop was teruggekeerd.
Nadat wij de gang eenige minuten lang gevolgd hadden--ik weet niet of het minuten, dan wel seconden waren, want wij hadden geen besef meer van tijd--bleef hij stilstaan.
--Wij zullen daartoe geen tijd meer hebben! riep hij, want het water stijgt met te groote snelheid.
Werkelijk rees de spiegel al hooger en hooger; van mijn knieën was het tot aan de heupen gekomen en van de heupen tot aan mijn borst.
--Wij moeten de wijk nemen naar een der zijgangen, die naar boven loopt, zeide de schoolmeester.
--En dan?
--De zijgang leidt nergens heen.
Een zijgang in te slaan was de laatste kans op redding, want dezen hebben geen uitgang; maar het was hier kiezen of deelen: wij moesten òf de zijgang nemen en daardoor eenige minuten tijd winnen, dat is te zeggen, daarmede de uitkomst op redding vermeerderen, òf de gang volgen met de zekerheid van binnen weinige oogenblikken verzwolgen te worden door de golven.
De schoolmeester voerde ons dus naar de zijgang. Twee onzer makkers wilden de gaanderij doorwaden en hen hebben wij ook nooit teruggezien.
Toen wij de gang hadden bereikt en weder tot bewustzijn kwamen, hoorden wij een donderend geraas, dat alles overstemde. Dat geluid was reeds onstaan vóór dat wij vluchtten, maar wij hadden er niet op gelet. Het werd veroorzaakt door de instortingen, het doorbreken van het water, het neerploffen in de kolken, het uiteenrukken van het houtwerk en de losbarstingen van de saamgeperste lucht. Dit alles deed in de mijn een ontzaggelijk gedruisch ontstaan, waarbij hooren en zien verging.
--Het is de zondvloed.
--Het einde van de wereld.
--Groote God, heb medelijden met ons!
Sedert wij ons in de zijgang bevonden, had de schoolmeester geen woord gesproken, want zijn krachtige geest was verheven boven ijdel klagen.
--Kinderen, zeide hij, wij moeten ons niet vermoeien; wanneer wij onze handen en voeten zoo vastgeklemd houden, dan verliezen wij onze krachten; wij moeten rustpunten uithouwen in de wanden.
Deze raad was van het grootste belang, maar zeer moeilijk om ten uitvoer gebracht te worden, want niemand had zijn houweel medegenomen; wij hadden alleen onze lamp, maar geen van ons zijn gereedschap.
--Met de haken van onze lampen, zeide de schoolmeester.
En wij begonnen allen den grond met de haken van de lampen uit te houwen; het was een zwaar werk, want de zijgang was zeer steil en de wanden zeer glad. Maar wanneer men weet, dat, als men uitglijdt, men den dood in de diepte vindt, dan is men krachtig en behendig.
Binnen weinige minuten hadden wij elk een holte uitgehouwen, waarin wij onzen voet konden doen steunen.
Toen wij dit gedaan hadden, durfden we ademhalen en elkander aanzien. Wij waren met ons zevenen: de schoolmeester, ik, oom Gaspard, drie houwers en een opperman; de andere werklieden waren in de gang verdwenen.
Het gedruisch in de mijn ging steeds met dezelfde hevigheid voort; geen woorden kunnen de kracht ervan uitdrukken en het gebulder van het geschut, dat zich paart aan het ratelen van den donder en het dreunen der instortende bergmassa, zou geen ontzaglijker geweld teweeggebracht hebben.
Verschrikt, buiten ons zelf van angst, staarden wij elkander aan en trachtten in elkanders blik een verklaring te lezen, die het verstand ons niet aangaf.
--Het is de zondvloed, sprak de een.
--De wereld vergaat.
--Een aardbeving.
--De genius der mijn, die vertoornd is en zich wreken wil.
--Een overstrooming, die door een opeenhooping van het water in de oude werken veroorzaakt is.
--Een gat dat de Divonne heeft geboord.
Deze laatste opmerking kwam van mij, want ik hield vol, dat het niets anders zijn kon.
De schoolmeester zeide niets en zag ons beurtelings aan, terwijl hij de schouders ophaalde, alsof op klaarlichten dag deze vraag besproken werd, onder het lommer van een moerbezieboom, bij het genot van de een of andere lekkernij.
--Het is een overstrooming, zeide hij ten laatste, toen ieder zijn meening had uitgesproken.
--Door een aardbeving veroorzaakt.
--Door den boozen geest van de mijn gezonden.
--Zij komt van de oude werken.
--Het is een gat, dat de Divonne in den weg geslagen heeft.
Ieder herhaalde zijn meening.
--Het is een overstrooming, vervolgde de schoolmeester.
--En verder? Waar komt ze vandaan? vroegen verscheidene stemmen, als uit één mond.
--Dat weet ik niet, maar wat den boozen geest van de mijn betreft, dat is onzin; wat de oude werken aangaat, dat is onmogelijk; het zou alleen waar kunnen zijn, wanneer de derde laag slechts overstroomd was, maar de tweede en de eerste is het ook; gij weet wel dat het water niet stijgt, maar altijd zakt.
--Een gat.
--Zulke gaten kunnen niet geboord worden.
--Een aardbeving.
--Dat weet ik niet.
--Als gij het niet weet, zeg het dan ook niet.
--Ik weet wat een overstrooming is, en dat beteekent al iets, een overstrooming die van boven komt.
--Dat zien we allemaal, want ze is ons gevolgd.
Daar we nu droog stonden, keerde meer en meer onze bedaardheid terug en daar het water niet langer steeg, wilde men niet meer naar den schoolmeester luisteren.
--Doe maar niet of gij een geleerde zijt, want gij weet het evenmin als wij.
De overmacht, die hij door zijn moed had verkregen, toen wij in gevaar verkeerden, had hij wederom verloren. Hij zweeg oogenblikkelijk.
Om het geraas te overstemmen, spraken wij zoo luid mogelijk en toch klonk onze stem nog dof.
--Zeg eens wat.
--Wat zal ik zeggen?
--Alles wat ge wilt, zeg maar wat, het eerste wat u invalt.
Ik sprak eenige woorden.
--Goed, nu wat zachter. Juist, goed.
--Hebt ge uw verstand verloren, zeg, schoolmeester? vroeg er een.
--Wordt ge krankzinnig van angst?
--Denkt gij, dat ge dood zijt?
--Ik geloof dat hier het water ons niet zal kunnen bereiken en dat, al mochten wij hier omkomen, wij niet zullen verdrinken.
--Dat beduidt....
--Kijk eens naar uw lamp.
--Wel, zij brandt.
--Zooals altijd?
--Neen, de vlam is sterker, maar kleiner.
--Is hier dan mijngas?
--Neen, antwoordde de schoolmeester, daarvoor behoeven wij ook niet bevreesd te zijn; het mijngas evenmin dreigt ons, als thans het water, dat geen voet meer stijgt.
--Doe maar niet of ge een toovenaar zijt.
--Dat is mijn plan ook niet; wij bevinden ons als onder een stolp, waar de lucht niet in doordringt en juist daardoor wordt het water belet er in op te stijgen; de zijgang, die aan het einde afgesloten is, is thans voor ons, wat een duikerklok voor een duiker is; de lucht die door het water is opgedrongen, is in deze gang samengeperst, biedt nu aan den stroom weerstand en dringt dien terug.
Toen wij den schoolmeester hoorden uitleggen, dat wij ons in een soort van duikerklok bevonden, waarin het water ons niet kon bereiken, daar het door de lucht tegengehouden werd, hoorde men van verschillende zijden halfluide opmerkingen die getuigden, dat niemand er geloof aan sloeg.
--Wat een onzin! Heeft het water dan niet de meeste kracht?
--Ja, wanneer het buiten, geheel in vrijheid stroomt; maar als ge een glas het onderstboven in een emmer dompelt, dan zult gij zien, dat het water niet tot bovenin uw glas doordringt. Een gedeelte blijft ledig. Welnu, in die ledige ruimte bevindt zich de lucht. Hier heeft thans hetzelfde plaats; wij zijn bovenin het glas, het water zal niet tot ons komen.
--Dat begrijp ik, hernam oom Gaspard, en ik zie nu in, dat gij allen ongelijk hebt om den schoolmeester te bespotten; hij weet dingen, die wij niet verstaan.
--Wij zijn dus gered?
--Gered? Dat zeg ik niet. Wij zullen niet verdrinken, dat beloof ik u. Wij zijn gered, doordat de zijgang gesloten was en de lucht niet ontsnappen kon; maar juist wat ons nu redt, kan ons het leven kosten; de lucht kan er niet uit, ze is opgesloten. Maar wij zijn ook opgesloten en wij kunnen de gang niet verlaten.
--Als het water gaat dalen....
--Zal het dalen? dat weet ik niet; om dat te weten, moeten wij eerst bekend zijn met de oorzaak der stijging, en wie kan dat zeggen?
--En gij zegt dat het een overstrooming is?
--Welnu, wat dan nog? Het is een overstrooming, dat is zeker, maar waar komt ze vandaan? Is de Divonne buiten haar oevers getreden en heeft zij de putten doen volloopen; is het een stortregen, een bron, die den omtrek overstroomd heeft, of is het een aardbeving? Wij zouden boven moeten zijn om dat te kunnen beoordeelen en ongelukkig zijn we beneden.
--Misschien is de stad weggespoeld?
--Misschien....
Een oogenblik heerschte er een diepe stilte en waren we allen hevig ontsteld.
Het gedruisch van het water had opgehouden; van tijd tot tijd hoorde men nog slechts een dof gerommel en nu en dan voelde men een schok.
--De mijn moet vol zijn, sprak de schoolmeester, het water dringt er niet langer in door.
--En Marius! riep een der werklieden, wanhopend.
Marius was zijn zoon en, evenals hij, houwer, die in de derde laag in de mijn werkte. Tot op dit oogenblik had de zorg voor eigen veiligheid, die altijd het krachtigst spreekt, hem belet om aan zijn zoon te denken; maar toen de schoolmeester zeide, dat de mijn gevuld was, begon hij aan zijn kind te denken.
--Marius! Marius! riep hij op hartverscheurenden toon; Marius!
Maar hij kreeg geen antwoord, zelfs de echo weerkaatste de stem niet, die binnen de wanden van de gang besloten bleef.
--Hij zal ook een zijgang hebben opgezocht, hernam de schoolmeester; honderdvijftig menschen zullen toch niet verdrinken; dat zou vreeselijk zijn.
Dit echter sprak hij niet op denzelfden overtuigenden toon. Honderdvijftig menschen minstens waren 's morgens de mijn ingegaan; hoeveel hadden haar door de schacht kunnen verlaten of een schuilplaats kunnen opzoeken, zooals wij? Al onze makkers omgekomen, verdronken, dood! Niemand durfde een woord spreken.
Maar in een toestand als de onze, wordt het hart niet door medelijden of sympathie blijvend beheerscht.
--En wij dan? vroeg een ander, na een poos gezwegen te hebben, wat zullen wij doen?
--Wat wilt gij doen?
--Er schiet ons niets anders over dan geduldig af te wachten, hernam de schoolmeester.
--Wat afwachten?
--Wachten; want zoudt gij dan die veertig of vijftig meters, die ons van het daglicht scheiden, met het haakje van uw lamp willen doorboren?
--Maar wij zullen van honger sterven.
--Dat is niet het grootste gevaar, dat ons bedreigt.
--Kom, meester, zeg ons wat gij ervan denkt, gij maakt ons waarlijk bang; waar schuilt dan het gevaar, het grootste gevaar?
--Aan den honger kan men weerstand bieden; ik heb wel eens gelezen, dat mijnwerkers, die, evenals wij, door het water overvallen waren, vier-en-twintig dagen zonder eten gebleven zijn; het is vele jaren geleden, het gebeurde tijdens de godsdienstoorlogen, maar al was het gisteren gebeurd, dan zou dit hetzelfde wezen. Neen, ik ben voor den hongerdood niet bang.
--Waarvoor zijt ge dan bevreesd, daar ge zelf beweert, dat het water niet meer stijgt?
--Voelt gij u niet zwaar in het hoofd, geen kloppen of bonzen? Haalt gij gemakkelijk adem?
--Ik niet.
--Ik heb hoofdpijn.
--Ik voel mij of ik in zwijm zal vallen.
--Mijn slapen bonzen geducht.
--Ik ben krachteloos.
--Juist, daarin schuilt het gevaar. Hoelang kunnen wij in deze lucht leven? Dat weet ik niet. Als ik een geleerde, inplaats van een domkop was, dan zou ik het u zeggen. Thans weet ik het niet. Wij bevinden ons een veertig el onder den grond; waarschijnlijk hebben wij vijf-en-dertig of veertig meter boven ons: dat beteekent dat de lucht een drukking van vier of vijf atmosferen ondergaat. Hoelang kan men in zulke samengeperste lucht leven? dat moeten wij in de eerste plaats weten en misschien zullen wij het ten koste van ons eigen leven te weten komen.
Ik kon mij in het minst geen denkbeeld vormen wat samengeperste lucht was en dit misschien was de oorzaak, dat de woorden van den schoolmeester mij zoo hevig ontstelden; mijn makkers schenen ook niet minder verschrikt dan ik; zij wisten het evenmin en op hen, evenals op mij, maakte het onbekende een diepen indruk.
De schoolmeester verloor geen oogenblik zijn tegenwoordigheid van geest in dezen wanhopenden toestand, en hoewel hij zelf zeer goed het hachelijke van de zaak inzag, dacht hij slechts aan de middelen, die hij tot ons behoud kon aanwenden.
--Het voornaamste is thans om ons hier zóó in te richten, dat wij niet door het water meegesleept worden.
--Wij hebben holten gemaakt.
--Gelooft gij, dat ge ook niet vermoeid zult worden door voortdurend in dezelfde houding te moeten blijven?
--Denkt gij dan, dat we hier lang moeten blijven?
--Weet ik dat?
--Men zal ons zeker hulp zenden?
--Zeker, maar om ons hulp te verleenen, moet men daartoe instaat zijn. Hoelang zal het duren, eer men in onze redding slaagt? Zij, die boven den grond zijn weten dat alleen. Wij, die er onder zijn, moeten ons zoo goed mogelijk inrichten, want indien een van ons uitglijdt, dan is hij verloren.
--Wij moeten ons aan elkander vastmaken.
--En de touwen?
--Wij moeten elkander een hand geven.
--Ik geloof, dat we het best doen, door treden uit te houwen, en een trap te maken; wij zijn met ons zevenen, op twee treden kunnen we dus allen gemakkelijk staan: vier op de eerste, drie op de tweede.
--Waarmede zullen we ze uithouwen?
--Wij hebben geen houweelen.
--Met onze lampehaken in het zachte gedeelte, met onze messen in het harde.
--Daarin zullen we nooit slagen.
--Zeg dat toch niet, Pagès; in onzen toestand kan men alles als het op zelfbehoud aankomt; als op dit oogenblik een van ons door den slaap overvallen wordt, dan is hij verloren.
Door zijn koelbloedigheid en vastberadenheid had de schoolmeester weder zijn heerschappij over ons verkregen, die hoe langer hoe machtiger werd; wij beseften allen, dat zijn zedelijke moed grooter was dan de onze en allen verwachtten hulp van deze kracht.
Wij begonnen te werken, want blijkbaar was het uithouwen dier treden het eerst wat wij doen moesten; wij moesten trachten ons zoo goed mogelijk in te richten, tenminste zoo, dat wij niet konden uitglijden in de diepte, die zich onder onze voeten uitstrekte. Vier lampen waren aangestoken en deze verspreidden voldoende licht om ons bij het werk te leiden.
--Laten we een plaats uitzoeken, die het best geschikt is voor het uithouwen, hernam de meester.
--Luistert, sprak oom Gaspard, ik heb u een voorstel te doen; als iemand van ons goed zijn verstand heeft, dan is het wel de schoolmeester; toen wij half waanzinnig van angst waren, behield hij zijn kalmte; hij is een man en hij heeft bovendien een goed hart. Hij is evenals wij trouw geweest, en hij weet van heel veel dingen meer dan wij. Laat hij ons thans leiden en het werk verdeelen.
--De schoolmeester! viel een der anderen in, waarom ik niet? Ik ben even goed opperman als hij.
--Hij is geen opperman; hij is een man en nog wel de dapperste van ons allen.
--Gisteren zeidet gij dat ook niet.
--Gisteren was ik even dom als gij, ik dreef evenals gij den spot met hem en wilde zijn meerderheid niet erkennen. Vandaag verzoek ik hem over ons te bevelen. Kom meester, zeg maar wat ik doen moet! Ik heb sterke armen, dat weet gij. En wat zegt gij?
--Kom, meester, wij gehoorzamen u.
--En wij zullen u gehoorzamen.
--Luistert, sprak hij: daar gij wilt, dat ik mij aan het hoofd zal stellen, stem ik daarin toe; maar op die voorwaarde, dat gij alles doet, wat ik u zeg. Wij kunnen hier lang blijven, verscheidene dagen; ik weet niet wat er gebeuren zal; wij zijn hier als schipbreukelingen op een wrak in den meest hachelijken toestand, want op een wrak heeft men lucht en licht, men ademt en kan naar redding uitzien; wat er ook gebeuren moge, als ik uw leidsman ben, moet gij mij gehoorzamen.
--Men zal u gehoorzamen! riepen allen.
--Als gij gelooft, dat alles wat ik verzoek billijk is, ja, dan zult gij gehoorzamen; maar wanneer gij het niet gelooft?
--Wij zullen het gelooven.
--Men weet, dat gij een verstandig man zijt, meester.
--En een moedig man.
--En een man van ondervinding.
--Gij moet ons het spotten vergeven, meester.
Ik bezat toen nog niet de ondervinding, die ik op later leeftijd verkreeg, en ik was verbaasd, hoe zij, die eenige uren geleden nog duchtig den spot met hem dreven, thans al zijne goede hoedanigheden erkenden. Ik wist toen niet hoezeer de omstandigheden de meeningen en gevoelens van sommige menschen kunnen doen veranderen.
--Gij zweert het mij dus? sprak de schoolmeester.
--Wij zweren, antwoordden allen tegelijk.
Wij begonnen toen te werken; wij hadden allen een mes in onzen zak, goede, stevige messen, die veel konden verdragen.
--Drie moeten de zijgang onderhanden nemen; de drie sterksten en de zwaksten, waaronder Rémi en ik behooren, zullen de uitgehouwen steenen wegwerpen.
--Neen, gij moet niet werken, zeide een krachtige kerel, gij zijt niet sterk genoeg; de ingenieurs bevelen, maar werken zelf niet.
Een ieder stemde hierin toe; men gevoelde van hoeveel nut hij ons was in gevaar, zoodat men wel alles had willen aanwenden om hem voor verdere ongelukken of rampen te bewaren: hij was onze loods.
Het werk, dat wij moesten verrichten, was zeer eenvoudig geweest, zoo we ons gereedschap gehad hadden, maar met messen duurde het langer en was het moeilijker. Wij moesten twee treden in den wand uitgraven en opdat wij geen gevaar zouden loopen om in den afgrond te storten, moesten die treden vrij breed zijn en er voor drie of vier personen plaats op wezen. De opzichter sloeg ons werk met de grootste aandacht gade. Terwijl wij groeven, vonden wij onder het zand eenige stukjes hout, die ons van zeer veel nut waren om te beletten, dat de uitgehouwen steenen weggleden.
Toen wij drie uren gewerkt hadden, zonder een oogenblik te rusten, hadden wij een vloer uitgehouwen, waarop wij konden zitten.
--Voor het oogenblik is het genoeg, beval de schoolmeester; later zullen wij den houten vloer verbreeden, zoodat wij erop kunnen liggen; wij moeten onze krachten niet noodeloos verspillen, want we zullen ze nog te veel moeten gebruiken.
Wij namen plaats: vier op de benedenste en drie op de bovenste trede.
--Wij moeten ook zuinig met ons licht zijn, waarschuwde de meester, laten we de lampen dus, op een na, uitdooven.
Deze bevelen werden terstond opgevolgd. De lampen zouden uitgedraaid worden, maar plotseling wenkte hij, dat men hiermede niet moest voortgaan.
--Wacht even, hernam hij, een tocht kan ons licht uitdooven; het is niet waarschijnlijk, maar wij moeten zooveel mogelijk op alles rekenen; wie heeft er lucifers bij zich?
Hoewel het streng verboden was om in de mijn licht aan te steken, hadden bijna alle werklieden lucifers in den zak, en daar de opzichter niet tegenwoordig was om deze inbreuk op de wet te straffen, antwoordden vier stemmen op deze vraag: Ik.
--Ik heb ze ook, vervolgde de meester, maar zij zijn vochtig.
Dit was met de anderen eveneens het geval, want ieder had de lucifers in zijn broekzak en wij waren tot aan de borst of de schouders in het water geweest.
Een der arbeiders, Carrory, sprak toen:
--Ik heb ze ook.
--Vochtig?
--Dat weet ik niet, ze zijn in mijn muts.
--Geef dan uw muts hier.
Inplaats van zijn muts te geven, zooals men hem verzocht, een zwarte bonten muts, reikte hij ons zijn lucifersdoosje; dank zij de goede bewaarplaats, waren deze tenminste niet vochtig geworden.
--Blaast nu de lampen uit, beval de schoolmeester.
Eén lamp bleef nog branden, maar deze verlichtte ternauwernood onze steenen stolp.
XXVI.
IN DE ZIJGANG.
Diepe stilte heerschte er in de mijn, geen geluid drong meer tot ons door; het water lag onbeweeglijk aan onze voeten, zonder dat een rimpel het plooide of het minste gekabbel werd gehoord; de mijn was vol, zooals de meester gezegd had, en het water, nadat het alle gangen van boven tot onder had gevuld, sloot ons in onze gevangenis steviger en hermetischer dan een steenen muur dit had kunnen doen. Die loodzware, ondoordringbare stilte, die doodsche kalmte was vreeselijker en kwellender, dan het helsche leven, dat wij gehoord hadden bij het binnendringen van het water; wij waren in een graf, levend begraven onder dertig of veertig meter aarde.
Het werk hield den geest bezig en gaf ons afleiding; de rust deed ons den toestand, waarin wij verkeerden, beseffen en van allen, zelfs van den meester, maakte zich een soort van bedwelming meester.
Eensklaps voelde ik op mijn hand warme droppels vallen. Een der arbeiders weende in stilte.
Op hetzelfde oogenblik hoorden wij op de bovenste trede een diepen zucht slaken en op klagenden toon roepen:
--Marius! Marius!
De vader dacht aan zijn zoon....
Met moeite slechts ademden wij de lucht in; ik gevoelde mij bedrukt en aanhoudend suisde het in mijn ooren.
Misschien verkeerde de meester in een minder bewusteloozen toestand dan wij, of wilde bij daartegen strijden en ons beletten om er ons aan over te geven; althans hij was de eerste, die de stilte verbrak:
--Nu, zeide hij, moeten wij eens zien hoe groot onze voorraad eetwaren is.
--Gelooft gij dan, dat wij lang zullen opgesloten blijven? viel Gaspard hem in de rede.
--Neen, maar wij moeten onze voorzorgen nemen; wie heeft er brood bij zich?
Niemand gaf antwoord.
--Ik, zeide ik, ik heb een korstje brood in mijn zak.
--In welken zak?
--In mijn broekzak.
--Dan zal het wel doorweekt zijn; maar laat het ons toch eens zien.
Ik stak mijn hand in den zak, waarin ik dien morgen een snede versch brood bewaard had; ik haalde een stuk deeg te voorschijn, dat ik op het punt was om teleurgesteld weg te werpen, toen de meester mij weerhield.
--Bewaar het nog, hoe slecht het ook is, gij zult het spoedig genoeg lekker vinden.
Dat was geen geruststellende waarschuwing, maar wij sloegen er geen acht op; later eerst kwamen die woorden mij weder in het geheugen en bewezen mij toen, dat de meester van het eerste oogenblik af het volle bewustzijn van onzen toestand had, en al zag hij nu niet juist in, welk een gebrek aan voedsel ons te wachten zou staan, en hoe vreeselijk wij daaronder zouden lijden, hij begreep toch ten volle met welke moeilijkheden onze redding zou gepaard gaan.
--Heeft nog iemand van u brood? vroeg hij.
Men gaf geen antwoord.
--Dat is jammer, vervolgde hij.
--Hebt ge dan honger? vroeg er een.
--Ik spreek niet voor mezelf, maar voor Rémi en Carrory; het brood zou voor hen zijn.
--En waarom zouden wij het niet onder elkander verdeelen? vroeg Bergounhoux; dat zou onbillijk zijn, de honger is voor ons allen hetzelfde.
--Dus als er brood was, dan zouden we twist gekregen hebben. Gij hebt beloofd, mij te zullen gehoorzamen; maar ik zie, dat gij mij niet gehoorzaamt, dan na uw misnoegen te kennen gegeven en na met elkander uitgemaakt te hebben of ik rechtvaardig handelde.
--Bergounhoux zou gehoorzamen.
--Er zou misschien een twist uit ontstaan, en twisten mogen wij niet; ik zal u dus zeggen, waarom Rémi en Carrory het brood zouden gehad hebben. Niet ik heb dat zoo bepaald, maar de wet; "De wet heeft gezegd, dat wanneer bij eene algemeene ramp verscheidene personen omkomen, de oudste beneden de zestig jaren geacht zal worden, de anderen te hebben overleefd," waarin opgesloten ligt, dat Rémi en Carrory, uithoofde van hun jeugd, minder weerstand aan den dood zullen bieden dan Pagès en Compayrou.
--Gij zijt toch ook ouder dan zestig jaar.
--O, ik tel niet mede; bovendien ben ik gewoon mij zeer matig te voeden.
--Dus zou het brood, als ik het gehad had, toch voor mij wezen? vroeg Carrory.
--Voor u en Rémi.
--Als ik het niet had willen geven?
--Dan zou men het u hebben afgenomen; gij hebt immers gezworen te zullen gehoorzamen?
Hij bleef geruimen tijd zwijgen; eensklaps haalde hij een snede uit zijn muts te voorschijn.
--Daar hebt gij een stuk.
Die muts van Carrory was dus onuitputtelijk.