Chapter 23
Ik moest dus mijn begeerte om mijne nieuwsgierigheid te voldoen laten varen en dacht, dat ik de stad verlaten zou zonder iets meer van de mijnen te leeren kennen dan hetgeen Alexis er mij van verteld had, of door mij kon opgemaakt worden uit de antwoorden, welke ik oom Gaspard ontlokte, totdat geheel onverwachte, toevallige omstandigheden mij de gevaren, waaraan de mijnwerkers zijn blootgesteld, in al hun vreeselijkheid deden kennen.
XXIV.
OPPERMAN.
Het leven van een mijnwerker is niet ongezond en behalve nu en dan een kleine ongesteldheid, die het gevolg is van gebrek aan licht en lucht, welke bloedarmoede veroorzaakt, is de mijnwerker even gezond als de boer, die op het land woont; hij heeft zelfs nog dit boven dezen voor, dat hij niet blootgesteld is aan de guurheden van het klimaat, aan regen, koude of bovenmatige hitte.
Voor hem echter bestaat het groote gevaar in mijninstortingen, ontploffingen en overstroomingen, en tevens in de ongelukken, die niet zijn arbeid gepaard gaan en het gevolg zijn van onvoorzichtigheid of onhandigheid.
Den avond vóór mijn vertrek keerde Alexis huiswaarts met een gekneusden arm, daar een zwaar blok steenkool op hem was nedergevallen; een van zijn vingers was bijna geheel verbrijzeld en de geheele hand gekwetst.
De geneesheer kwam hem verbinden en deze verklaarde, dat zijn toestand niet gevaarlijk was, dat zijn hand en vinger ongetwijfeld genezen zouden, maar dat rust een eerste vereischte was.
Oom Gaspard had de gewoonte om het leven te nemen, zooals het viel, zonder ooit verdrietig of moedeloos er onder te worden; slechts één ding was instaat hem zijn goed humeur te doen verliezen: een tijdelijke verhindering om te werken.
Toen hij hoorde dat Alexis gedwongen was om verscheidene dagen rust te houden, was hij zeer knorrig: wie zou nu het wagentje voortrollen? hij had niemand, die het werk van Alexis kon waarnemen; wanneer het voor vast was, dan zou hij wel iemand vinden, maar voor enkele dagen slechts was het op dit oogenblik zelfs onmogelijk; er bestond gebrek aan mannen en vooral aan kinderen.
Hij stelde wel pogingen in het werk om er een op te sporen, maar keerde onverrichterzake huiswaarts.
Hij begon toen weder te klagen en te jammeren; 't was waarlijk om wanhopend te worden, want hij zou nu ook genoodzaakt worden zijn werk te laten rusten, en hiertoe stelde zijn beurs hem niet instaat.
Toen ik dit zag en de reden van zijn wanhoop begreep, gevoelde ik, dat het bijna mijn plicht was om in zulke omstandigheden hem de mij betoonde gastvrijheid te betalen; ik vroeg hem of het moeilijk was om die betrekking te vervullen.
--Niets is gemakkelijker; men behoeft slechts een wagen voort te duwen, die over rails loopt.
--Is die wagen zwaar?
--Niet erg zwaar, daar Alexis hem kan voortduwen.
--Welnu, als Alexis het kan, dan zou ik het ook wel kunnen.
--Gij?
En hij begon hartelijk te lachen, maar werd spoedig weder ernstig.
--'t Is waar, gij zoudt het kunnen, zoo ge wildet.
--Ik wil het, daar ik u dan van dienst kan zijn.
--Gij zijt een goede jongen en het blijft afgesproken; morgen gaat gij met mij naar de mijn; gij zult mij daar werkelijk van dienst kunnen wezen; misschien is het voor u zelf ook wel nuttig; als ge lust mocht gevoelen mijnwerker te worden, was dat stellig wel zoo goed, dan langs den weg te loopen. In de mijnen behoeft men voor wolven niet bevreesd te zijn.
Wat zou Mattia doen, terwijl ik in de mijn was? Hij kon oom Gaspard toch niet tot overlast zijn?
Ik vroeg hem of hij alleen met Capi voorstellingen in den omtrek wilde geven, waarin hij terstond toestemde.
--Ik ben blij, dat ik nu alleen geld voor de koe kan verdienen, zeide hij lachende.
Sedert de drie maanden, dat wij samen in de open lucht leefden, geleek Mattia volstrekt niet meer op het ziekelijke, bleeke kind dat ik bij de kerk, bijna van honger stervende, gevonden had en nog minder op den mismaakten knaap, dien ik voor het eerst op den zolder van Garofoli ontmoette, bezig diens soep te koken en die van tijd tot tijd zijn gezwollen hoofd in de handen moest laten rusten.
Hij had thans geen hoofdpijn meer; hij had geen verdriet en voelde zich nooit ziek; de straat Lourcine maakte hem zoo treurig; de zon en de lucht schonken hem zijn gezondheid en zijn vroolijkheid terug.
Gedurende onze reis was hij zeer opgewekt geweest en beschouwde hij alles altijd van de goede zijde, schepte in alles behagen, was met een kleinigheid gelukkig en trachtte steeds in het slechte het goede te erkennen. Wat zou er zonder hem van mij geworden zijn? Hoe menigmaal maakten vermoeidheid en zwaarmoedigheid mij niet wanhopend?
Dit verschil tusschen ons kwam ongetwijfeld door ons karakter en onze natuur, maar ook door de verscheidenheid van afkomst en ras.
Hij was Italiaan en bezat eene zorgeloosheid, eene gemakkelijkheid om zich in alle moeilijkheden zonder morren of klagen te schikken, hetgeen mijn landgenooten niet kunnen, daar zij meer tot verzet en strijd geneigd zijn.
--Wat is dan uw land? zult gij vragen, hebt gij dan een land?
Dat zal ik eerst later beantwoorden; voor het oogenblik bedoel ik hiermede slechts, dat Mattia en ik niets op elkander geleken, waaraan juist onze goede verstandhouding moet toegeschreven worden, die zelfs dan niet minder werd, wanneer ik hem de noten en letters leerde. De muziekles leverde volstrekt geen bezwaren op, maar met het lezen was dit niet het geval geweest en licht had er een twist tusschen ons kunnen ontstaan, daar ik niet het geduld en de toegevendheid bezat van hen, die gewoon zijn kinderen te onderwijzen. Gelukkig kwam het nooit tot eene uitbarsting tusschen ons, en zelfs wanneer ik onrechtvaardig handelde, hetgeen meermalen gebeurde, werd Mattia niet boos.
Wij besloten dus, dat, terwijl ik in de mijn werkte, Mattia eenige voorstellingen zou geven, om ons inkomen te vermeerderen en Capi, dien ik met deze schikking bekend maakte, scheen het evenzoo te begrijpen.
Den anderen morgen gaf men mij het werkpak van Alexis.
Nadat ik Mattia en Capi nogmaals op het hart gedrukt had om toch vooral voorzichtig te wezen, volgde ik oom Gaspard.
--Pas op, zeide hij, terwijl hij mij het licht overhandigde, volg mijne schreden en als gij de ladder afdaalt, laat dan nooit de eene trede los, vóór dat gij een andere vasthebt.
Wij verdwenen in de gangen, hij vooruit en ik hem op de hielen volgende.
--Als gij op de ladder uitglijdt, vervolgde hij, laat u dan nooit vallen, maar houd u tegen, want de bodem is diep en hard.
Ik had zijn waarschuwingen niet noodig om ontroerd te wezen; ik was uit mezelven reeds ontroerd genoeg, want niet zonder een zeker gevoel van angst verlaat men het daglicht, om den nacht tegemoet te treden, de oppervlakte van de aarde te verwisselen met haar peillooze diepten. Onwillekeurig keerde ik mij om, maar wij waren reeds te ver in de gang gevorderd en het daglicht in dien langen donkeren koker was niet meer dan een witte schijf, evenals de maan wanneer ze aan een donkeren hemel zonder sterren schijnt. Ik schaamde mij over deze werktuiglijke beweging, die slechts een oogenblik duurde en volgde terstond zijn schreden.
--De trap, zeide hij weldra.
Wij bevonden ons voor een donker gat, in welks voor mij bodemlooze diepte tallooze lichtjes flikkerden, die bij den ingang vrij groot waren, maar slechts puntjes werden, naarmate zij meer van ons verwijderd waren. Het waren de lampen der mijnwerkers, die vóór ons de mijn waren binnengegaan; het geluid hunner stemmen drong als een dof gemurmel tot ons door, voortgedragen door een zwoele lucht, die ons in het gelaat woei; die lucht had een geur, dien ik voor het eerst in mijn leven rook; hij was echter met iets aromatisch vermengd.
Na de trap volgden de ladders en na de ladders een andere trap.
--Nu hebben we de eerste laag bereikt, zeide hij.
Wij waren in een gewelfde gang met rechte wanden, waarvan de muren waren gemetseld. Het gewelf was niet hooger dan een manslengte, maar op enkele plaatsen moest men zich bukken om erdoor te gaan, hetzij omdat het gewelf gezakt was, of omdat de grond hooger was geworden.
--Dat is het gevolg van de verschuiving van het terrein, sprak Gaspard. Daar de berg overal doorgraven is en zich telkens holten vormen, zakt de aarde en wanneer zij te zwaar drukt, dan worden de gangen saamgeperst.
Op den grond lagen spoorwegrails en naast de gang stroomde een beekje.
--Deze beek vereenigt zich met andere, die, evenals zij, het doorgesijpelde water in zich opnemen: zij storten zich allen in een put. Duizend of twaalfhonderd kubiek meter water moet de machine dagelijks in de Divonne werpen. Wanneer zij stilstond, zou er onmiddellijk een overstrooming volgen. Op dit oogenblik bevinden we ons juist onder de Divonne.
Toen ik een onwillekeurige beweging maakte, begon hij hartelijk te lachen.
--Op vijftig meter diepte bestaat er volstrekt geen gevaar, dat zij in uw hals zal vallen.
--Als ze een gat boorde?
--O ja, een gat. Wel tien gangen loopen onder de rivier; er zijn mijnen, waarin men voor overstroomingen bevreesd is, maar dat is bij deze het geval niet; hier hebben we genoeg aan ontploffingen van het mijngas en de instortingen.
Toen wij onze werkplaats genaderd waren, legde Gaspard mij uit, wat ik te verrichten had, en toen onze wagen vol steenkolen geladen was, duwde hij hem voort om mij te wijzen hoe ik hem naar den put moest rollen en wat ik doen moest, als ik een anderen wagen tegenkwam.
Hij had gelijk, toen hij zeide, dat het geen moeilijk werk was, en al was ik binnen weinige uren geen bekwaam arbeider, kon ik hem toch voldoende bijstaan. Wel had ik er nog den slag niet van en was ik ook niet handig, en wanneer men deze beide eigenschappen mist, dan slaagt men zelden in een vak. Ik was dus genoodzaakt om mij meer in te spannen, waarvan langzamer werken en grooter vermoeidheid het gevolg was.
Gelukkig was ik bestand tegen dergelijke vermoeienissen door mijn levenswijze en vooral door de laatste reis; ik beklaagde mij dus niet en oom Gaspard verklaarde, dat ik een flinke jongen was en later ongetwijfeld een goed mijnwerker worden zou.
Maar had ik grooten lust gevoeld om in de mijn af te dalen, ik had weinig zin om er in te blijven; mijn nieuwsgierigheid had mij er toe doen besluiten, maar toch gevoelde ik voor het mijnwerken niet de minste roeping.
Om onder den grond te leven moet men bijzondere hoedanigheden bezitten, die ik miste; men moet van stilte en eenzaamheid en een in-zich-zelf gekeerd leven houden. Men moet urenlang, geheele dagen, verdiept in eigen mijmeringen, zonder ooit met iemand een woord te kunnen wisselen, noch zich eenige afleiding te kunnen verschaffen, in de mijn doorbrengen. En tot zulk een bestaan was ik ten eenemale ongeschikt, daar ik te veel gewend was aan een zwervend leven, waarbij ik zingen en loopen kon zooveel ik wilde; ik gevoelde mij al dien tijd, dat ik het wagentje door die donkere gangen voortrolde, treurig en droefgeestig gestemd; het flauwe licht, dat uit mijn lampje straalde, het geluid van het rollen der andere wagens in de verte, het kletteren van het water in de beek en nu en dan de kruitontploffingen in de mijn, die in deze doodelijke stilte nog akeliger en zwaarder klonken--dat alles viel niet in mijn geest.
Daar het reeds een zwaar werk is, om de mijn binnen te gaan of ze te verlaten, blijft men den ganschen dag, die twaalf uren duurt, er in en men komt niet boven om te eten; men gebruikt het middagmaal onder den grond.
In de mijn van oom Gaspard was een opperman werkzaam, die inplaats van een kind te zijn, zooals ik en de anderen, integendeel een oud man was met een witten baard. Als ik zeg met een witten baard, moet men daarbij wel in aanmerking nemen, dat die slechts des Zondags wit was, wanneer de man zich goed had gewasschen, want in de week begon hij des Maandags met grijs te zijn, om des Zaterdags geheel zwart te wezen. De man was ongeveer zestig jaar oud. In zijn jeugd was hij tuinman geweest; daarna moest hij zorgen voor het onderhoud van het hout, dat in de gangen aangebracht was; maar bij een instorting waren drie zijner vingers verbrijzeld, zoodat hij zijn taak niet langer had kunnen volhouden. De maatschappij in wier dienst hij was, had hem een klein jaargeld verstrekt, want deze ramp had hem getroffen, terwijl hij drie zijner makkers redde. Gedurende eenige jaren had hij van dit jaargeld geleefd. De maatschappij was toen failliet gegaan, en hij verloor daarbij zijn pensioen en was wel genoodzaakt om als opperman in de mijn van Truyère te gaan werken. Men noemde hem _de schoolmeester_, omdat hij veel wist, dat de andere mijnwerkers niet wisten, en omdat hij gaarne daarvan vertelde en trotsch was op zijn wetenschap.
In de schofturen maakte ik kennis met hem en spoedig had hij een groote genegenheid voor mij opgevat; ik was een onvermoeid vrager en hij een onvermoeid prater. Wij werden zelfs onafscheidelijk. In de mijn spreekt men gewoonlijk weinig en men noemde ons dan ook de babbelaars.
Alexis had mij niet alles verteld wat ik weten wilde, en evenmin hadden de antwoorden, die oom Gaspard mij gaf, mij kunnen voldoen, want als ik hem vroeg: "Wat is steenkool?" gaf hij mij ten antwoord: "Dat zijn kolen, die men onder den grond vindt."
Zulke antwoorden konden mij niet bevredigen, daar Vitalis mij geleerd had om mij niet zoo spoedig tevreden te stellen. Toen ik dezelfde vraag herhaalde aan den schoolmeester, kreeg ik de bekende verklaringen, dat steenkolen gevormd waren door de versteening van geheele levende bosschen.
--Wij hebben thans geen tijd om veel te praten, maar morgen is het Zondag, kom dan maar eens bij mij, dan zal ik u allerlei soort van steenkolen laten zien. Zij noemen mij den schoolmeester, maar gij zult zien, dat die schoolmeester toch tot iets deugt. De mensch heeft zijn leven niet alleen in zijn hand, maar ook in zijn hoofd. Evenals gij, stelde ik op uw leeftijd in veel dingen belang; ik leefde in de mijn en ik wilde alles, wat ik iederen dag in mijn omgeving zag, kennen; ik heb veel van de ingenieurs geleerd, wanneer deze mij iets wilden mededeelen en ik heb veel gelezen. Na mijn ongeluk heb ik veel vrijen tijd gehad en dien heb ik nuttig besteed; als men oogen heeft om te zien, en als men op die oogen de bril zet, die de boeken u geven, dan eindigt men met veel op te merken. Nu heb ik niet veel tijd tot lezen, en ik bezit geen geld om boeken te koopen, maar ik heb nog oogen en die houd ik open. Kom morgen bij mij, dan zal ik u een massa dingen laten zien. Men weet niet welk zaad een woord kan doen ontkiemen, dat in een vruchtbaar oor gevallen is. Ik heb naar de mijnen te Bessèges een geleerd man, Brouguiart genaamd, gevolgd en van dezen heb ik gedurende zijn onderzoekingen veel gehoord, wat mij op het denkbeeld bracht zelf te gaan leeren en dat is de oorzaak waarom ik thans wat meer weet dan mijne makkers. Tot morgen.
Den volgenden dag zeide ik aan oom Gaspard, dat ik den schoolmeester een bezoek ging brengen.
--O zoo, zeide hij lachend, hij heeft eindelijk een geduldig oor gevonden; ga, mijn jongen, daar uw hart het u ingeeft; gij zult toch wel gelooven, wat ge zelf wilt. Wanneer gij echter iets van hem leert, wees er dan niet zoo ijdel op; als de schoolmeester niet zoo pedant was, zou hij een beste kerel zijn.
De schoolmeester woonde niet, evenals zijn makkers, in de kom van de gemeente, maar op een kleinen afstand in een zeer onaanzienlijk en armoedig gedeelte. Hij woonde bij een oude vrouw, de weduwe van een mijnwerker, die bij een ontploffing het leven verloren had. Zij verhuurde hem een soort kelder, waarin hij op de droogste plek zijn bed geplaatst had, die echter zoo droog niet was of er groeiden nog paddestoelen onder. Maar voor een mijnwerker, die gewend is met de voeten in het water te staan en den ganschen dag water op zijn lijf voelt druppelen, was dit iets van weinig belang. Hij had deze woning gekozen, omdat hij dan in de nabijheid der kolenlagen zou zijn, en daarin zijn nasporingen kon voortzetten en vooral omdat hij hier naar welbehagen over steenkolen met afdrukken, fossielen enz. voor zijn verzameling kon beschikken.
Hij kwam mij halverwege te gemoet, toen ik binnentrad en op vroolijken toon zeide hij:
--Ik heb ook voor een lekker kostje gezorgd, want evengoed als de jeugd ooren en oogen heeft, heeft zij een maag en die moet ook gevuld worden; men voldoet dan aan alle eischen.
Het lekkere kostje bestond uit gebraden kastanjes, die in witten wijn gedoopt worden, wat men in de Cevennes voor een groote lekkernij houdt.
--Als we dat op hebben, vervolgde de schoolmeester, dan zal ik u mijn verzameling eens laten zien.
Hij sprak het woord "_mijn verzameling_" op een toon, die het verwijt van zijn makkers volkomen rechtvaardigde en ongetwijfeld kon een conservator van een museum er niet trotscher op zijn. Bovendien scheen mij de collectie zeer rijk toe, tenminste voor zoover ik er over oordeelen kon, en zij nam bijna zijn geheele kamer in beslag, daar de kleine stukken op de stoelen en de tafel waren uitgestald en de grootere op den grond lagen. Twintig jaren lang had hij alles verzameld, wat hij bij zijn werk vond en de moeite waard achtte om te bewaren, en daar de mijnen van Cère en Divonne zeer rijk zijn aan delfstoffen, bezat hij inderdaad zeldzame stukken, die een natuurvorscher of een geoloog gelukkig gemaakt zouden hebben.
Hij verlangde evenzeer om te spreken als ik om te luisteren; wij hadden dus in zeer korten tijd onze kastanjes naar binnen gewerkt.
Hij vertelde mij toen alles, wat ik gaarne weten wilde, terwijl hij mij de verschillende namen zijner steenen opnoemde. De avond begon reeds te vallen, eer hij hiermede geëindigd had, maar ik was toen wel gedwongen, om naar de woning van oom Gaspard terug te keeren.
XXV.
DE OVERSTROOMING.
Den anderen morgen begaven wij ons weder naar de mijn.
--Wel, vroeg oom Gaspard aan den schoolmeester, zijt gij gisteren tevreden over den knaap geweest?
--Zeker, hij heeft ooren, en ik hoop, dat hij spoedig ook oogen zal hebben.
--Het voornaamste is dat hij armen heeft, antwoordde oom Gaspard.
Hij gaf mij een houweel, om hem behulpzaam te wezen in het afbeitelen van een stuk steenkool, waarvan hij het benedengedeelte onderhanden had; de opperman moet den arbeider soms in het werk bijstaan.
Toen ik de derde maal het wagentje naar den put Saint-Alphonsine rolde, hoorde ik plotseling een oorverdoovend geraas, een vreeselijk geweld zooals ik nog nooit gehoord had. Was het een verzakking of een instorting? Ik luisterde; het geraas bleef voortduren en drong van alle zijden naar binnen. Wat beteekende dit? Ik schrikte hevig en mijne eerste gedachte was om naar de ladder te snellen en te ontvluchten.
Maar men had reeds dikwijls met mijn bangheid den spot gedreven; uit schaamte besloot ik te blijven. Was het een mijnontploffing of een wagen, die in een put werd geledigd; of waren het slechts aardhoopen, die door de gangen naar beneden stortten?
Eensklaps snelde een bende ratten langs mij heen alsof zij een escadron huzaren waren, die op de vlucht geslagen werden; daarop hoorde ik een zonderling geritsel tegen den grond en de muren, als het kabbelen van doorstroomend water. De plaats waar ik stond, was echter geheel droog en dat geluid was mij dus onverklaarbaar.
Ik nam mijn lampje en nadat ik een blik in het rond geworpen had, bukte ik mij om langs den grond te kijken.
Het was inderdaad het water; het kwam uit de putten en steeg naar de gangen. Dat geweldige leven, dat gedonder werd dus veroorzaakt door een waterloozing die de mijn binnendrong.
Ik liet mijn wagen op de rails staan en ijlde naar de werkplaats.
--Oom Gaspard, het water is in de mijn!
--Wat een onzin!
--Er is een gat door de Divonne geboord, laten wij ons redden.
--Laat mij met rust.
--Luister dan zelf.
Ik zeide dit op zulk een angstigen toon, dat oom Gaspard zijn werk een oogenblik staakte om te luisteren; hetzelfde geluid was het, maar nog veel sterker, veel onheilspellender. Men kon zich niet vergissen: het water stroomde met alle kracht binnen.
--Red u, riep hij, het water is in de mijn!
En al roepende: "het water is in de mijn", greep oom Gaspard zijn lampje, want hiervoor zorgt de mijnwerker altijd in de eerste plaats, en snelde de gang in.
Nog geen tien stappen had ik gedaan, of ik zag den schoolmeester eveneens zich naar de gang begeven, om naar het geluid te onderzoeken.
--Water in de mijn! riep oom Gaspard hem toe.
--De Divonne heeft een gat geboord! voegde ik er bij.
--Zijt ge dwaas!
--Redt u! riep de schoolmeester.
De oppervlakte van het water was spoedig in de gang gestegen, en reikte bijna tot onze knieën, wat ons het voortgaan zeer belemmerde.
De schoolmeester liep met ons mede en alle drie snelden wij voort, terwijl wij bij elke werkplaats riepen:
--Redt u! Het water is in de mijn!
Het water steeg met eene ontzettende snelheid; gelukkig waren wij niet ver van de ladders verwijderd, daar wij deze anders nooit zouden hebben bereikt. De schoolmeester was de eerste, maar hij wachtte.
--Gaat gij maar vooruit, ik ben de oudste en ik heb een gerust geweten.
Het was hier de plaats niet om beleefdheden met elkander te wisselen; oom Gaspard klom het eerst naar boven, ik volgde hem en de schoolmeester achter mij en na dezen, maar een heel eind achter hem, eenige werklieden, die zich bij ons gevoegd hadden.
Nooit waren de veertig meters, welke de eerste van de tweede laag scheidden, met grootere snelheid afgelegd. Maar vóór dat wij de laatste trede bereikt hadden, viel een stroom water ons op het hoofd, waardoor onze lampen uitdoofden. Het was een waterval.
--Houd je goed vast! riep oom Gaspard.
Wij klemden ons alle drie zoo vast mogelijk aan de sporten om het water weerstand te bieden, maar zij, die achter ons kwamen, werden medegesleurd, en ongetwijfeld zouden wij, wanneer we nog een tiental sporten moesten stijgen, evenals zij, in de diepte gestort zijn, want de waterval was een stortvloed geworden.
Toen wij de eerste laag bereikt hadden, waren wij nog niet gered, want nog een vijftig el hadden wij af te leggen, eer we bij den uitgang waren, en ook in de gaanderij bevond zich het water; wij hadden geen licht, nu onze lampen waren uitgedoofd.
--Wij zijn verloren, zeide de schoolmeester bedaard; beveel uw ziel aan God, Rémi.
Maar op hetzelfde oogenblik verschenen in de gang zeven of acht lampen, die ons tegemoet snelden; het water reikte tot aan onze knieën en zonder ons te bukken, raakten wij het met de hand aan. Het was geen kalm stroomend water, het was een vloed, een draaikolk, die alles medevoerde wat hij op zijn weg vond en stukken hout als veertjes draaien deed.
De mannen, die ons te hulp schoten en wier lampen wij bespeurden, wilden de gang volgen en op deze wijze de trappen en de ladders, die zich in de nabijheid bevonden, bereiken; maar tegen zulk een stroom waren zij niet opgewassen; hoe dezen te stuiten, hoe weerstand te bieden aan zijn kracht en aan het hout, dat hij met zich voortsleurde?
Ook hun ontsnapte dezelfde uitroep, dien de schoolmeester zich had laten ontvallen:
--Wij zijn verloren!
Zij waren ons thans genaderd.
--Dien kant! riep de schoolmeester, die de eenige scheen, welke zijn tegenwoordigheid van geest behouden had; ons eenige toevluchtsoord zijn de oude werken.
De oude werken waren een gedeelte van de mijn, waarin sedert langen tijd niet meer gearbeid werd en waar niemand ooit kwam; maar de schoolmeester had ze dikwijls bezocht als hij eenige merkwaardige steenen voor zijn collectie zocht.
--Keert terug! riep hij, en geef mij een uwer lampen, dan zal ik u daarheen brengen.
Gewoonlijk lachte men om hetgeen hij zeide, of keerde men hem schouderophalend den rug toe; maar de sterksten hadden thans zelf hun kracht verloren, waarop zij zoo trotsch plachten te zijn en een ieder volgde het bevel op, dat uit den mond van den man kwam, dien men vijf minuten geleden nog bespotte; werktuigelijk reikte elk hem zijn lampje.