Chapter 21
Van honger sterven! Allen, die dezen kreet hooren, zullen er niet denzelfden zin aan hechten en menigeen zal hem zelfs niet begrijpen. Mij sneed hij door de ziel: ik wist wat het zeggen wilde van honger te sterven.
--Ik kan werken, vervolgde Mattia; ik speelde viool, ik kan koorddansen, door een hoepel springen en zingen; gij zult zien, ik zal alles doen wat gij wilt; ik zal uw knecht zijn, ik zal u gehoorzamen; ik behoef geen geld, maar slechts voedsel, als ik iets verkeerd doe, dan kunt gij mij slaan; maar gij moet mij niet op mijn hoofd slaan, dat moet gij mij beloven, want mijn hoofd is zeer gevoelig, daar Garofoli mij zoo dikwijls erop geslagen heeft.
Toen ik dien armen Mattia zoo hoorde spreken, voelde ik dat er tranen in mijn oogen welden. Het zou mij onmogelijk zijn geweest hem zijn verzoek niet in te willigen. Van honger sterven! Maar had hij met mij daar niet evenveel kans op als wanneer hij alleen bleef? Ik maakte hem daarop opmerkzaam, maar hij wilde er niets van hooren.
--Neen, antwoordde hij, met zijn beiden sterft men niet van honger; men steunt en helpt elkander; hij die iets heeft, geeft aan den ander een deel van het zijne.
Deze woorden maakten een eind aan mijn aarzeling: daar ik iets had, moest ik hem dus helpen.
--Nu, sla dan toe, zeide ik.
Hij vatte mijn hand en kuste die, en dit trof mij zoo, dat ik niet langer mijn tranen bedwingen kon.
Ga met mij mede, zeide ik, maar niet als mijn knecht, als mijn makker.
Ik hing toen mijn harp weder over den schouder.
--Voorwaarts! sprak ik.
Een kwartier later hadden wij Parijs verlaten.
De voorjaarszon had de wegen gedroogd en de grond was zelfs hard, zoodat wij gemakkelijk konden voortloopen.
Het was zoel in de lucht en de aprilzon stond aan den blauwen, onbewolkten hemel.
Welk een verschil met dien dag, toen ik voor de eerste maal Parijs binnentrad, die stad waarnaar ik zoo vurig had verlangd, alsof Parijs het beloofde land was.
Langs de slooten zag men hier en daar reeds eenige grassprieten en een meizoentje of krokus kwam van afstand tot afstand uit de aarde te voorschijn.
Als wij voorbij tuinen kwamen, zagen wij de takjes der seringen tusschen het groen, dat door een zacht koeltje bewogen werd en soms viel de bloesem van een vroeg bloeienden boom ons op 't hoofd.
In de tuinen, in het kreupelhout langs den weg, in de hooge boomen, overal hoorden wij het tjilpen der vogels en voor ons uit scheerden van tijd tot tijd de zwaluwen langs den weg, om het een of ander onzichtbaar mugje te vervolgen.
Onze reis begon goed en vol vertrouwen stapte ik voort; Capi, die nu van zijn touw bevrijd was, sprong om ons heen en blafte alle rijtuigen en steenhoopen aan, blafte tegen alles en niets, uit louter pleizier om te blaffen, wat voor de honden waarschijnlijk een even groot genot moet zijn als voor de menschen om te zingen.
Mattia liep zwijgend naast mij voort; ongetwijfeld dacht hij over alles na en ik zeide ook niets, daar ik hem niet wilde storen en ik zelf ook tot nadenken wilde komen.
Waarheen gingen wij met zulk een vastberaden tred?
Eerlijk gezegd wist ik het zelf niet goed, of liever in het geheel niet.
Voorwaarts!
Maar dan?
Ik had aan Lize beloofd, dat ik eerst Martha en haar broeders zou gaan zien, vóór ik haar bezoeken zou; maar verder had ik geen afspraak gemaakt; het was dus hetzelfde met wien ik begon, of ik eerst naar Cevennes, naar Charente of naar Picardië ging.
Daar ik Parijs in een zuidelijke richting verlaten had, sprak het vanzelf, dat Benjamin niet in de termen van een bezoek viel, maar dat ik tusschen Alexis en Martha kiezen moest.
Niet zonder reden had ik Parijs aan die zijde verlaten, want ik had een onbestemd verlangen om vrouw Barberin terug te zien.
Al heb ik in lang niet over haar gesproken, men moet daaruit niet opmaken, dat ik haar als een ondankbare vergeten had.
Evenmin moet men mij voor ondankbaar houden, omdat ik haar nooit had geschreven in al den tijd, dat ik van haar gescheiden was geweest.
Hoe dikwijls kwam de gedachte niet bij mij op om aan haar te schrijven en haar te zeggen: "Ik denk aan u en ik houd altijd nog veel van u"; maar daar ik bang was voor Barberin, zag ik telkens van dit plan af.
Als Barberin mij eens door middel van mijn brief terugvond, en mij dan weder bij zich nam; als hij mij nogmaals aan een anderen Vitalis verkocht, die niet als mijn oude Vitalis zou zijn? Ongetwijfeld had hij daartoe het recht. En deze gedachte deed mij telkens besluiten, liever van ondankbaarheid beschuldigd te worden, dan gevaar te loopen weder in Barberins macht te vallen, hetzij hij daarvan gebruik maakte om mij te verkoopen, hetzij hij mij onder zijn opzicht zou laten werken. Liever zou ik sterven--desnoods van honger sterven--dan aan een dergelijk gevaar te worden blootgesteld, waarvan het denkbeeld alleen mij reeds schrik aanjoeg.
Maar zoo ik niet aan vrouw Barberin had durven schrijven, scheen het mij toch toe, dat ik vrij was om te gaan waar ik wilde, en ik kon tenminste beproeven haar te zien. Zelfs sedert ik Mattia bij mijn troep had opgenomen, zeide ik tot mezelf, dat het zeer gemakkelijk gaan zou. Ik zou Mattia vooruitzenden, terwijl ik uit voorzichtigheid achter zou blijven; hij zou bij vrouw Barberin binnengaan en haar onder het een of ander voorwendsel laten praten; als zij alleen was, zou hij haar de waarheid kunnen zeggen, mij komen waarschuwen en ik zou den drempel van het huis weder betreden, waar ik als kind gewoond had en mij in de armen werpen van haar, die mij in mijn eerste jeugd had verzorgd; maar als Barberin tehuis was, dan zou Mattia vrouw Barberin verzoeken op een bepaalde plaats te komen, en daar zou ik haar dan komen omhelzen.
Terwijl ik voortliep, bouwde ik deze luchtkasteelen en dit maakte mij stil, want ik had al mijn gedachten en al mijn overleg wel noodig om zulk een belangrijk punt vast te stellen.
Ik moest niet alleen de gelegenheid vinden om vrouw Barberin op te zoeken, maar ik moest ook mezelf overtuigen, dat wij door steden en dorpen zouden trekken, die ons een voldoende opbrengst zouden geven.
Daarvoor moest ik eerst mijn kaart raadplegen.
Wij waren nu geheel buiten en wij konden zeer goed een oogenblik uitrusten, zonder dat we bevreesd behoefden te zijn om gestoord te worden.
--Als gij het goedvindt, zeide ik tot Mattia, dan zullen we hier wat uitrusten. Vindt ge het goed, dat we nu eens praten?
--Hebt gij mij iets te zeggen?
--Ja.
Ik haalde uit mijn reiszak de kaart te voorschijn en spreidde die op het gras uit. Het duurde lang eer ik mij goed op de hoogte gesteld had, maar eindelijk gelukte het mij toch mijn weg af te bakenen: Corbeil, Fontainebleau, Montargis, Gien, Bourges, Saint-Amand, Montlucour. Wij konden dus zeer goed naar Chavanon gaan en als het ons nu wat medeliep, dan zouden we op weg geen honger behoeven te lijden.
--Wat is dat? vroeg Mattia, op de kaart wijzende.
Ik legde hem toen uit wat het was en waartoe het diende, met ongeveer dezelfde woorden, als Vitalis gebruikt had, toen hij mij de eerste les in de aardrijkskunde gaf.
Hij luisterde aandachtig, terwijl hij mij strak aanzag.
--Maar dan moet men kunnen lezen.
--Zeker; kunt gij dan niet lezen?
--Neen.
--Wilt gij het leeren?
--Kan men dan op de kaart den weg van Gisors naar Parijs vinden.
--Zeker, zeer gemakkelijk zelfs.
En ik wees hem dien op de kaart.
In het eerst wilde hij niet gelooven wat ik hem vertelde, terwijl ik met mijn vinger den weg op de kaart volgde.
Ik legde hem toen zoo goed mogelijk, hoewel niet zeer duidelijk, uit, op welke wijze de afstanden op de kaart worden aangewezen; hij luisterde wel naar mij, maar scheen niet zeer veel vertrouwen in mijn wetenschap te stellen.
Toen ik mijn zak geopend had, kwam ik op de gedachte om hem eens nader te onderzoeken en ik was ook blijde, dat ik al mijn schatten aan Mattia kon laten zien. Ik legde ze allen op het gras.
Ik bezat drie linnen hemden, drie paar kousen, vijf zakdoeken; alles was zeer goed in orde, behalve een paar halfversleten schoenen.
Mattia stond als verstomd.
--En wat hebt gij? vroeg ik.
--Ik heb mijn viool en die draag ik altijd bij mij.
--Welnu, zeide ik, wij zullen alles deelen, zooals dat onder makkers behoort: gij krijgt twee hemden, twee paar kousen en drie zakdoeken; daar wij alles eerlijk moeten deelen, zullen wij beurtelings elk een uur lang de reistasch dragen.
Mattia weigerde eerst dit aanbod aan te nemen, maar ik was reeds gewend om bevelen te geven, wat ik zeer prettig vond--dat moet ik bekennen--en ik verbood hem dus zich hiertegen langer te verzetten.
Op mijn hemden had ik het werktaschje van Martha uitgestald en het doosje van Lize daarnaast gelegd; hij wilde dit openen, maar dat stond ik hem niet toe; ik legde het daarom weder in de tasch zonder het zelf te openen.
--Zoo ge mij plezier wilt doen, zeide ik, dan zult ge nooit aan dit doosje komen; dat is een geschenk.
--Goed, hernam hij, ik beloof het u.
Sedert ik weder mijn schapevacht en mijn harp had omgehangen, had ik toch iets, dat mij hinderde:--het was mijn broek. Ik meende dat een kunstenaar geen lange broek moest dragen; als men in het publiek optrad, moest men korte broeken dragen met kousen, waarover gekleurde schoenlinten kruiselings gebonden waren. Een lange broek was goed voor een tuinman, maar niet voor mij, die nu kunstenaar was!...
Als men zich eenmaal iets in het hoofd gesteld heeft en meester over zijn eigen daden is, dan wacht men niet lang om zijn wil ten uitvoer te brengen. Ik opende Martha's werktaschje en haalde de schaar eruit te voorschijn.
--Terwijl ik mijn broek in orde maak, zeide ik tot Mattia, moet gij mij in dien tijd eens laten hooren, hoe gij op de viool speelt.
--O, dat is goed.
Hij nam daarop de viool en begon te spelen.
In dien tusschentijd zette ik dapper de punt der schaar in de stof van mijn broek, even boven de knie en begon er de beenen af te knippen.
Het was een goede broek van grijs laken, evenals mijn jas en vest, en toen vader Acquin haar mij gegeven had, was ik er erg mede in mijn schik geweest; maar het kwam niet bij mij op, dat ik haar geheel vernielde door er een stuk af te knippen; integendeel.
In het eerst had ik onder het knippen naar Mattia geluisterd, maar al spoedig had ik de schaar opzijde gelegd en was ik geheel gehoor; Mattia speelde bijna even mooi als Vitalis.
--En wie heeft u viool leeren spelen? vroeg ik, in de handen klappend.
--Niemand, of liever iedereen, en vooral mezelf, door mij veel te oefenen.
--En wie heeft u muziek geleerd?
--Dat weet ik niet; ik speel wat ik heb hooren spelen.
--Kent gij de noten?
--Neen.
--Ik zal ze u leeren.
--Gij kent dus alles?
--Dat moet wel, daar ik directeur van een tooneelgezelschap ben.
Men is geen kunstenaar zonder eigenwaan; ik wilde aan Mattia toonen, dat ik ook musicus was.
Ik nam mijn harp, en zonder eenige inleiding begon ik mijn beroemd lied.
"Fenesta vascia e padrona crudele".
En zooals het onder artisten behoort, betaalde Mattia mijn spel met dezelfde loftuitingen als ik het zijne; hij had veel talent, maar ook ik had talent en wij waren elkander waardig.
Maar toch konden wij daar niet blijven zitten en elkaar tal van complimenten maken; wij moesten, na voor ons zelven en ons eigen genot muziek te hebben gemaakt, muziek maken voor een avondmaal en een slaapplaats.
Ik sloot mijn reiszak weder, dien Mattia thans over zijn schouder hing.
En nu voorwaarts over den bestoven weg; nu moesten wij in het eerste dorp, waar wij aankwamen, blijven en daar een voorstelling geven; "eerste optreden van het gezelschap Rémi."
--Leer mij uw lied, zeide Mattia, wij zullen het dan samen zingen en ik denk, dat ik het wel spoedig met de viool zal kunnen begeleiden; dat moet zeer mooi zijn.
Dat zou zeker zeer mooi zijn en het "geëerde publiek" zou wel een hart van steen moeten hebben om ons niet ruimschoots daarvoor te beloonen.
Die studie werd ons echter bespaard. Toen wij een dorp bereikten en wij bezig waren een geschikte plaats voor onze voorstelling uit te zoeken, kwamen wij voorbij een boerderij, waar tal van menschen, gedost in hun zondagsche kleeren met bloemen en linten versierd, bij elkander waren; men behoefde niet heel slim te zijn om te raden, dat dit een bruiloft was.
Plotseling viel het mij in, dat deze menschen het misschien wel prettig zouden vinden, als wij muziek maakten om hen te laten dansen; ik liep de plaats dus op, gevolgd door Mattia en Capi, en met mijn hoed in de hand en eene diepe buiging--de deftige buiging van Vitalis--deed ik aan den eersten persoon, dien ik tegenkwam, dit voorstel.
Het was een groote jonge man, wiens rood gelaat door een paar stijve hooge boorden, die tot aan de ooren reikten, was ingesloten; hij zag er goedhartig en bedaard uit.
Hij gaf mij geen antwoord; maar zich geheel omkeerende tot eenige bruiloftsgasten--want zijn fonkelnieuwe jas scheen hem in zijn bewegingen te hinderen--stak hij twee vingers in den mond, en liet daarop een schel gefluit hooren, waarvan zelfs Capi schrikte.
--Heilo, ho! vrienden! riep hij; wat dunkt u van een stukje muziek? Hier komen juist eenige muzikanten.
--O ja, ja! muziek, muziek! riepen allen als uit één mond.
--Ruimte voor een quadrille.
En binnen weinige minuten hadden de dansers een kring gevormd en waren alle kippen en vogels die rondliepen op de vlucht geslagen.
--Hebt gij wel eens een quadrille gespeeld? vroeg ik Mattia fluisterend in het italiaansch, want ik gevoelde mij in het geheel niet gerust.
--Ja.
En hij begon er een op zijn viool te spelen, toevallig kende ik de wijs. Wij waren dus gered.
Er werd een karretje uit den stal gehaald en de boomen op den grond gelegd, zoodat wij er konden instijgen.
Hoewel we nooit samen gespeeld hadden, bleef onze quadrille toch goed in de maat. Het is waar, ons publiek was niet zeer fijn noch aan veel gewend.
--Kan een van u op den waldhoren blazen? vroeg de groote man.
--Ja, ik, antwoordde Mattia, maar ik bezit er geen.
--Ik zal er een gaan halen, want ik vind een viool wel heel mooi, maar ijselijk pieperig.
--Speelt gij dan ook op den waldhoren? vroeg ik in het italiaansch aan Mattia.
--Ook op de schuiftrompet en de fluit.
Mattia was ongetwijfeld een groote aanwinst voor mij.
De waldhoren was spoedig gehaald en weder begonnen wij quadrilles, polka's en walsen te spelen.
Wij speelden, zonder een oogenblik op te houden, tot aan den nacht toe door; dat was voor mij niet heel erg, maar wel voor Mattia, want hij had de zwaarste partij, daar hij bovendien vermoeid was van de reis en de ontberingen.
Van tijd tot tijd zag ik hem bleek worden, maar hij speelde toch door, en blies zoo hard hij kon door den horen.
Gelukkig was ik niet de eenige, die zijn bleekheid opmerkte; de bruid zag het eveneens.
--Nu is het genoeg, sprak zij, de kleine jongen kan het niet langer volhouden; nu moet ieder zijn beurs openen voor de muzikanten.
--Als gij het goedvindt, zeide ik, terwijl ik uit den wagen sprong, dan zal onze kassier met het bakje rondgaan.
Ik wierp Capi mijn hoed toe, dien hij in zijn bek opving.
Allen bewonderden om strijd de bevallige buiging, die hij maakte, als men hem iets gegeven had, maar wat voor ons nog wel het meeste waard was, hij haalde zeer veel op; daar ik hem met de oogen volgde, kon ik telkens een stuk zilver zien glinsteren; bij de bruid kwam hij het laatst en deze legde er een vijf francs stuk in.
Welk een schat! En daarmede was het nog niet gedaan. Men noodigde ons in de keuken en zorgde in een schuur voor een slaapplaats. Als wij den anderen morgen deze gastvrije woning verlieten, zouden wij minstens dertig francs bezitten.
--Dat hebben we aan u te danken, Mattia, zeide ik tot mijn makker; alleen zou ik nooit zoo'n orkest hebben kunnen samenstellen.
Toen ik dit zeide, schoten mij plotseling de woorden van vader Acquin te binnen, toen ik begonnen was met Lize les te geven. Weder had ik een bewijs, dat men beloond wordt voor het goede, dat men doet.
--Ik had een dwazer streek kunnen begaan dan u in mijn troep op te nemen.
Met dertig francs in onzen zak waren wij rijk, en toen wij te Corbeil kwamen, durfde ik, zonder al te onvoorzichtig te zijn, eenige noodzakelijke inkoopen doen; in de eerste plaats een waldhoren, die ons bij een oudroest drie francs kostte; hij was wel niet nieuw, maar toch tamelijk onderhouden en zeker zou hij ons goed te stade komen; voorts kocht ik rood lint voor onze kousen en een versleten ransel voor Mattia, want het was minder vermoeiend om altijd een lichten zak, dan nu en dan een zwaren op den rug te dragen. Wij zouden alles wat wij dragen moesten eerlijk verdeelen en op die wijze veel vlugger kunnen loopen.
Toen we Corbeil verlieten, waren wij werkelijk goed ingespannen, al onze inkoopen waren betaald, en wij hadden nog acht en twintig francs over, daar onze voorstellingen zeer veel hadden opgebracht. Ons répertoire hadden we zóó samengesteld, dat we verscheidene dagen achtereen in dezelfde streek konden blijven, zonder dat we te veel in herhalingen behoefden te vervallen; gelukkig konden Mattia en ik het uitmuntend met elkaar vinden en waren wij als broeders voor elkander.
--Gij begrijpt toch wel, dat het al te mooi is, dat de chef van een troep nooit slaat, zeide hij dikwijls, lachende.
--Gij zijt dus tevreden?
--Of ik tevreden ben! Voor het eerst van mijn leven, sedert ik mijn land verlaten heb, verlang ik niet naar het ziekenhuis.
Deze gunstige toestand prikkelde mijne eerzucht.
Toen wij Corbeil verlaten hadden, begaven we ons naar Montargis, welke stad in dezelfde richting ligt als het dorp van vrouw Barberin.
Als ik moeder Barberin ging opzoeken, kweet ik mij tevens van mijn schuld; toch kon ik haar maar zeer weinig en lang niet voldoende mijn dank bewijzen.
Als ik eens iets voor haar medebracht....
Nu ik rijk was, mocht ik haar ook wel een geschenk aanbieden.
Wat zou ik haar geven?
Lang zou ik niet behoeven te zoeken.
Eén ding zou haar overgelukkig maken, niet alleen voor het oogenblik, maar zelfs op haar ouden dag,--een koe, die de plaats van de arme _Roussette_ zou kunnen innemen.
Hoe blijde zou vrouw Barberin zijn als ik haar een koe gaf, maar welk een genot zou dit ook voor mij zijn!
Vóór dat wij te Chavanon kwamen, zou ik een koe koopen en Mattia zou haar dan aan een touw het hek van vrouw Barberin binnenleiden. Tenminste als Barberin er niet was.--Vrouw Barberin, zou Mattia zeggen, hier breng ik u een koe.--Een koe! gij zijt verkeerd, mijn jongen.--En zij zou zuchten.--Neen vrouwtje, ik ben niet verkeerd, want gij zijt immers vrouw Barberin uit Chavanon? Welnu, bij vrouw Barberin heeft de prins (evenals in de sprookjes) gezegd, dat ik deze koe brengen moest.--Welke prins? Ik zou dan te voorschijn komen en mij in de armen van mijn pleegmoeder werpen, en als we elkaar dan alles verteld hadden, zouden we wafels gaan bakken, die wij drieën en niet Barberin zouden eten, zooals op dien Woensdag, toen hij teruggekomen was en onze pan omgeworpen en de boter voor zijn uiensoep gebruikt had.
Welk een heerlijke droom! Maar om dien te verwezenlijken moest ik een koe kunnen koopen.
Wat zou een koe wel kosten? Daar had ik volstrekt geen begrip van; zeker zeer duur; maar hoe duur dan wel?
Ik wilde geen heel groote en geen heel zware koe. Want in de eerste plaats, hoe zwaarder ze weegt, hoe duurder zij is en bovendien, hoe vetter een koe is, hoe meer zij eet, en ik wilde niet dat mijn geschenk vrouw Barberin in verlegenheid zou brengen.
Voor het oogenblik moest ik dus slechts den prijs der koeien weten, of liever van een koe, zooals ik er een verlangde.
Gelukkig was dit niet zeer moeielijk voor mij en onderweg of 's avonds in de herberg kwamen wij dikwijls in aanraking met koeiendrijvers of verkoopers. Niets was dus eenvoudiger dan hun naar den prijs te vragen.
De eerste maal, dat ik deze vraag aan een ossendrijver deed, wiens eerlijk gelaat mij had aangetrokken, lachte hij mij in mijn gezicht uit.
De man sloeg met zijn vuist op de tafel, terwijl hij zijn rug in zijn stoel wierp; daarop riep hij de waardin.
--Weet ge, wat mij die kleine muzikant vraagt? Wat een koe kost, geen groote en geen zware, maar toch een goede koe. Moet zij misschien kunstjes leeren?
En wederom begon hij te lachen, maar ik liet mij niet van mijn stuk brengen.
--Zij moet veel melk geven en niet velen eten.
--Moet zij misschien evenals uw hond aan een touw langs den weg loopen?
Toen hij eindelijk uitgelachen had en zijn spotternijen ophielden, was hij wel geneigd mij een ernstig antwoord te geven en begon hij zelfs een gesprek met mij.
Hij had juist wat ik verlangde, een goede koe, die veel melk gaf, melk zoo dik als room, en bijna niets at; als ik hem tweehonderd francs gaf, dan kreeg ik de koe.
Hoeveel moeite het mij gekost had om hem tot spreken te krijgen, het viel mij nog zwaarder om hem te doen zwijgen, toen hij eenmaal begonnen was.
Eindelijk konden wij naar bed gaan en ik had alle gelegenheid om over zijn woorden na te denken.
Tweehonderd francs, zoo'n som zou ik nog in langen tijd niet bij elkander hebben.
Zou ik die kunnen verdienen? Het scheen mij onmogelijk toe en toch, als het ons nu evenzoo bleef medeloopen als in de eerste dagen het geval was, dan zou ik er misschien kunnen komen. Maar ik moest er den tijd voor hebben.
Ik kwam toen op een andere gedachte; als wij inplaats van naar Chavanon te gaan, eerst Varses bezochten, daarmede zouden wij dan tevens tijd winnen, daar het een omweg was.
We moesten dus eerst naar Varses trekken en vrouw Barberin op onzen terugweg bezoeken; ik zou dan zeker mijn honderd gulden hebben en wij konden ons tooneelstuk: "_De koe van den Prins_" vertoonen.
Den anderen dag maakte ik Mattia met mijn plan bekend, en deze verzette er zich volstrekt niet tegen.
--Laten wij naar Varses gaan, zeide hij; de mijnen zijn zeer belangrijk, vooral daar ik er nooit een gezien heb.
XXIII.
EEN ZWARTE STAD.
Het is een lange weg van Montargis naar Varses, dat in het midden van de Cevennes ligt op de helling van den berg, die zich naar de Middellandsche Zee buigt; vijf- of zeshonderd mijl recht toe recht aan. Voor ons was hij zelfs wel duizend mijl, daar wij genoodzaakt waren verscheidene omwegen te maken, om onze levenswijs te kunnen voortzetten. Wij moesten heelwat steden en dorpen bezoeken om eene goede som te maken.
Bijna drie maanden hadden wij noodig om den weg af te leggen, maar toen wij in de nabijheid van Varses kwamen, mocht ik dan ook, nadat ik mijn geld had nageteld, de voldoening smaken, mijn tijd goed besteed te hebben; in mijn leeren beurs had ik honderd zeventig francs, die ik bespaard had op mijn uitgaven; ik kwam dus nog dertig francs te kort voor de koe, die ik voor vrouw Barberin koopen wilde.
Mattia was hierover bijna even blij als ik en hij was er niet weinig trotsch op, dat hij er van zijn kant ook veel toe bijgebracht had om zulk een aanzienlijke som bijeen te garen. Zijn aandeel was dan ook werkelijk groot, want zonder hem, en vooral zonder zijn waldhoren, zouden Capi en ik nooit honderd zeventig francs bijeengezameld hebben.
Van Varses naar Chavanon zou het ons stellig wel gelukken om de dertig francs, die ons nog ontbraken, te verdienen.