Alleen op de Wereld

Chapter 20

Chapter 204,314 wordsPublic domain

--Ik heb twee gulden, zeide hij, en gij zoudt mij veel genoegen doen, een daarvan aan te nemen.

Van ons vijven was Alexis de eenige, die iets voor geld gevoelde en wij plaagden hem steeds met zijn gierigheid; hij bespaarde altijd elke cent en hij was niet weinig in zijn schik, wanneer hij er zooveel bij elkander had, dat hij ze voor zilvergeld kon inwisselen.

Zijn aanbod trof mij daarom des te dieper; ik wilde weigeren, maar hij drong er zoo op aan, en eindelijk liet hij er een van in mijn hand glijden. Ik besefte toen, hoe sterk de genegenheid was, die hij voor mij gevoelde, daar deze hem afstand van zijn schat deed doen.

Benjamin vergat mij evenmin; hij wilde mij ook een geschenk geven, maar eischte in ruil daarvan een stuiver, "daar een mes de vriendschap afsnijdt."

Het uur ging snel voorbij; nog een kwartier en vijf minuten, en dan zouden wij van elkaar moeten scheiden; zou Lize niet aan mij denken?

Toen wij het rijtuig over den weg hoorden rollen, kwam zij uit de kamer van tante Katherina en wees mij, haar in den tuin te volgen.

--Lize! riep tante Katherina.

Maar Lize gaf geen antwoord en liep snel voort.

Bloemisten en moezeniers gebruiken altijd elk plekje van hun tuin zoo nuttig mogelijk; toch groeide in onzen tuin een prachtige bengaalsche stamroos, die in een verloren hoekje was blijven staan.

Lize begaf zich daarheen en sneed een tak van deze roos af; zij keerde zich daarop tot mij, verdeelde het takje, waaraan twee knoppen zaten, die bijna uitliepen en gaf mij er een van.

O, hoe welsprekend waren hare stomme lippen en wat lag er niet in haar blik te lezen! Hoe koud en onverschillig zijn woorden, vergeleken bij dien blik!

--Lize! Lize! riep tante.

Alle pakjes waren reeds in het rijtuig gezet.

Ik nam mijn harp en riep Capi, die, toen hij mijn instrument en mijn vroegere kleederdracht weder zag, die niets vreeselijks voor hem hadden, vroolijk om mij heen sprong, daar hij begreep, dat wij weder op reis zouden gaan en hij zijn vrijheid daarmede herkreeg, wat voor hem wel zoo verkieslijk was.

Het oogenblik van scheiding was aangebroken. Tante Katherina zorgde, dat het van korten duur zou wezen; zij liet Martha, Alexis en Benjamin instijgen en beval mij, Lize op haar schoot te zetten.

Toen ik geheel terneergeslagen bleef staan, duwde zij mij een weinig weg en sloot het portier.

--Vooruit! zeide zij.

En het rijtuig reed weg.

Door mijn tranen heen zag ik Lize's gezichtje nog even uit het rijtuig steken en wuifde zij met de hand. Een oogenblik later sloeg het rijtuig een hoek om en zag ik niets dan een grijze stofwolk.

Alles was voorbij.

Op mijn harp geleund, met Capi aan mijn voeten, bleef ik gedachteloos voor mij uitstaren en het stof gadeslaan, dat op straat neerviel.

Een buurman zou ons huis sluiten en de sleutels voor den eigenaar bewaren; hij stoorde mij in mijn overpeinzing en bracht mij in de werkelijkheid terug.

--Blijft gij hier? vroeg hij.

--Neen, ik vertrek.

--Waar gaat gij heen?

--Recht toe recht aan.

Waarschijnlijk gevoelde hij medelijden met mij, want hij reikte mij de hand.

--Als gij hier wilt blijven, kunt gij bij mij komen, maar zonder iets te verdienen; want gij zijt niet sterk genoeg; later misschien wel.

Ik bedankte hem.

--Zooals gij wilt, het was voor uw bestwil, goede reis!

En hij verwijderde zich. Het rijtuig was vertrokken; het huis gesloten.

Ik hing mijn harp over den schouder; dit had ik vroeger zoo menigmaal gedaan en het trok thans Capi's aandacht; hij richtte zich op en keek mij met zijn glinsterende oogen aan.

--Kom Capi!

Hij begreep dit en sprong blaffende tegen mij op. Ik wendde mijn oogen van het huis af, waarin ik twee jaar lang gelukkig had mogen zijn en waarin ik altijd had willen blijven.

Ik zag recht voor mij uit.

De zon stond hoog aan den hemel; het was een heldere lucht en zeer warm; het had niets van dien kouden nacht, waarin ik uitgeput van vermoeienis voor deze deur nederviel.

Die twee jaren waren slechts een oponthoud geweest en thans was ik weder genoodzaakt mijn weg te hervatten.

Maar dit oponthoud had weldadig op mij gewerkt.

Het had mij krachtiger gemaakt. En hetgeen nog dubbel zooveel voor mij was, ik gevoelde, dat ik vrienden had gekregen.

Ik was niet meer alleen op de wereld.

Ik had voortaan een doel in mijn leven: hun die van mij hielden en van wie ik hield, nuttig te zijn en genoegen te geven.

Een nieuw leven opende zich voor mij.

Voorwaarts!

XXII.

VOORWAARTS.

Voorwaarts!

De wijde wereld lag daar voor mij open, het deed er niet toe, naar welken kant ik mijn schreden richtte, het kwam er niet op aan of ik naar het noorden of het zuiden, het oosten of het westen ging; ik was geheel vrij.

Hoewel nog maar een knaap, was ik geheel mijn eigen meester.

Helaas! juist dit was het meest treurige van mijn toestand.

Er zijn kinderen, die dikwijls bij zichzelf zeggen: "O, kon ik maar doen, wat ik gaarne wilde!" en die met verlangen den dag tegemoetzien, waarop zij van hun vrijheid kunnen gebruik maken ... om dwaasheden te begaan.

Ik dacht bij mezelf: "Och, had ik toch maar iemand, die mij kon raden en leiden."

Tusschen die kinderen en mij was er dus een treurig onderscheid.

Wanneer zij eene dwaasheid begaan, dan hebben zij altijd iemand in hun nabijheid, die hun de hand reikt, wanneer zij struikelen, of om hen op te beuren als zij gevallen zijn, terwijl ik niemand had. Als ik struikelde, zou ik moeten vallen en beproeven alleen op te staan, zoo ik althans nog in staat was om op te staan.

Ik had genoeg ondervinding om te begrijpen, dat dit mijn toestand wezen kon--wat mij, ik moet het bekennen, wel eenigen angst aanjoeg.

Hoewel nog zeer jong, was ik reeds vaak door het ongeluk getroffen en ik was er dus op bedacht voorzichtiger te zijn dan andere kinderen van mijn leeftijd; maar dat voordeel had ik echter duur moeten koopen.

Vóór ik den weg, die voor mij openlag, betrad, wilde ik eerst hem, die de laatste jaren een vader voor mij geweest was, bezoeken: daar tante Katherina mij niet met de kinderen had medegenomen om hem vaarwel te zeggen, moest ik thans wel alleen afscheid van hem gaan nemen.

Zonder ooit zelf voor schuld in hechtenis te zijn genomen, had ik er toch genoeg over hooren spreken om zeker te zijn, dat ik hem in de gevangenis zou vinden. Ik volgde den weg naar de Madeleine, dien ik zeer goed kende. Daar tante Katherina en de kinderen bij hem waren toegelaten, zou men ook mij niet weigeren. Ik was immers ook zijn kind, of liever ik was zijn kind geweest, want hij had mij liefgehad!

Ik durfde, met Capi op mijne hielen, mij niet in alle straten van Parijs wagen. Wat zou ik den agenten van politie hebben moeten antwoorden, als zij mij aanhielden? Voor hen was ik het meest bevreesd geworden, want ik had niet vergeten wat er te Toulouse gebeurd was. Ik bond Capi dus een touw om den hals, wat hem zeer in zijn eigenliefde scheen te kwetsen, en daarop begaven wij ons naar de gevangenis van Clichy.

Er zijn in de wereld dikwijls zeer treurige dingen, die, als wij ze zien, ons in somber gepeins doen vervallen; ik ken er geen droever en onaangenamer dan de deur van een gevangenis; dit maakt ons koud om het harte, meer nog dan de ingang van een grafkelder; de dooden, waarop een steen rust, gevoelen dien niet; de gevangenen zijn levend begraven.

Ik bleef een oogenblik stilstaan vóór ik de gevangenis van Clichy durfde binnentreden, zoo bekroop mij de angst, dat men mij er zou houden, en dat die deur, die zware deur, zich nooit weder voor mij zou openen.

Ik verbeeldde mij, dat het zeer moeilijk was om een gevangenis te verlaten, maar ik wist niet, dat er ook heelwat zwarigheden te overwinnen waren, eer men ze kon binnentreden. Ik ondervond dit thans.

Eindelijk echter gelukte het mij, daar ik mij niet liet afschrikken of terugzenden, om te worden toegelaten bij hem, dien ik zien wilde.

Men liet mij in een spreekkamer, waar geen tralies voor de vensters waren, zooals ik dacht, dat er zijn zouden, en vader Acquin trad ongeboeid binnen.

--Ik verwachtte u, mijn beste Rémi, zeide hij, en ik heb Katherina beknord, dat zij u niet met de kinderen medegebracht had.

Dien geheelen morgen was ik zeer neerslachtig geweest; zijn woorden beurden mij eenigszins op.

--Tante Katherina wilde mij niet medenemen.

--Dat was ook onmogelijk, beste jongen; men doet in deze wereld niet alles wat men wil. Ik ben ervan overtuigd dat gij hard zoudt gewerkt hebben om uw kost te verdienen, maar mijn zwager Suriot zou u geen werk hebben kunnen verschaffen. Hij is sluiswachter aan het kanaal van Nivernais en de sluiswachters, dat weet ge, kunnen geen tuinlieden gebruiken. De kinderen hebben mij verteld, dat gij weder wilt gaan zingen. Gij zijt dus vergeten, dat gij bijna van koude en honger zijt omgekomen.

--Neen, dat ben ik niet vergeten.

--Toen waart gij niet alleen, toen hadt gij iemand, die u leiden kon; op uw leeftijd, mijn jongen, is het een gewaagde stap om geheel alleen zulke verre tochten af te leggen.

--Ik heb Capi nog.

Wanneer Capi zijn naam hoorde noemen, begon hij altijd te blaffen, alsof hij daarmede zeggen wilde: "Ik ben er nog, als gij mij noodig hebt, hier sta ik."

--Ja, Capi is een goede hond, maar hij is slechts een hond. Hoe zult gij uw kost verdienen?

--Met zingen en door Capi comedie te laten spelen.

--Capi kan toch alleen geen comedie-spelen.

--Ik zal hem kunstjes leeren, niet waar Capi, gij wilt immers alles leeren, wat ik wil?

Hij legde zijn poot op de borst.

--Geloof mij, mijn jongen, als gij verstandig doet, moet ge een dienst zoeken; gij zijt een goed werkman en daarmede kunt gij verder komen dan met langs den weg te loopen; dat is toch eigenlijk maar goed voor luiaards.

--Ik ben niet lui, dat weet ge wel en ik heb mij ook nooit beklaagd, dat ik te veel werk had. Bij u zou ik zooveel gewerkt hebben als ik kon, en ik zou altijd bij u gebleven zijn, maar ik wil niet bij een ander in dienst gaan.

Ik zeide deze woorden zeker op zonderlingen toon, want vader Acquin zag mij aan zonder te antwoorden.

--Gij hebt ons dikwijls verteld, begon hij eindelijk, dat gij niet wist, wie Vitalis was, en dat gij bij u zelf dikwijls verwonderd waart over de wijze, waarop hij de menschen aanzag, en over zijn voorname manieren, waarmede hij ze behandelde; maar weet gij wel, dat ook gij die manieren hebt en men u, naar uw voorkomen te oordeelen, ook niet voor een armen drommel zou houden? Gij wilt niet bij anderen gaan dienen. Nu, misschien hebt gij gelijk en wat ik u daareven zeide was voor uw bestwil, voor niets anders, geloof dat maar. Ik meende, dat het mijn plicht was, om zoo tot u te spreken. Maar gij zijt uw eigen meester, daar gij geen ouders hebt en ik voortaan uw vader niet meer zijn kan. Een arme ongelukkige, zooals ik ben, heeft geen recht van spreken.

Zijn woorden hadden mij diep getroffen, vooral daar ik dit ongeveer tot mezelf ook reeds gezegd had.

Ja, het was gewaagd om geheel alleen langs de groote wegen te loopen; ik gevoelde dat, ik zag het zelf ook in, en wanneer men, zooals ik, reeds een zwervend leven geleid had, als men nachten had moeten doorbrengen als die, toen onze honden door de wolven verslonden werden, of die als in de steengroeven van Gentilly; wanneer men het eene dorp na het andere wordt uitgejaagd, zonder een stuiver te verdienen, zooals mij overkomen was, toen Vitalis in de gevangenis zat, dan wist men ook aan welke gevaren men zich blootstelde, en welk een ellende zulk een zwervend leven medebrengt, en men nooit zeker kan zijn van den dag die volgen moet, als men zelfs niet zeker is van het oogenblik.

Maar zoo ik dit leven varen liet, dan schoot mij slechts één ding over wat vader Acquin mij ook aan de hand gedaan had--een dienst zoeken, en ik wilde niet in dienst gaan. Misschien was het een zeer verkeerde trots van mij, vooral in mijn toestand; maar ik had een meester gehad, aan wien ik verkocht was geworden, en hoewel deze zeer goed voor mij was geweest, wenschte ik thans toch geen ander, dat stond bij mij vast.

Wat mij nog eer besluiten deed, bij mijn voornemen te blijven om een vrij leven te leiden, was de belofte, die ik aan de kinderen van Acquin had gedaan, want dan zou ik ze aan hun lot moeten overlaten. 't Is waar, zij konden zeer goed buiten mij, want zij zouden elkander kunnen schrijven; maar Lize! Lize niet, want zij kon niet schrijven en tante Katherina evenmin. Lize zou dus voor ons verloren zijn, als ik haar niet bezocht. Wat zou zij van mij denken? Zij kon niet anders gelooven, dan dat ik niet meer van haar hield, van haar, die altijd even lief voor mij geweest was, die mij steeds gelukkig had gemaakt. Dat was niet mogelijk.

--Wilt gij dan niet, dat ik u nu en dan eenige tijding van hen breng? vroeg ik hem.

--Zij hebben mij daar iets van verteld; maar ik dacht ook niet aan ons, toen ik u aanraadde om van uw muzikanten-leven af te zien; men moet niet eerst aan zich zelf denken en dan aan anderen.

--Juist, vader; gij ziet dus dat gij mij zelf aanwijst, wat mij te doen staat; wanneer ik van mijn voornemen afzie, uit vrees voor de gevaren, waarvan gij spreekt, dan zou ik aan mezelf denken en niet aan u en aan Lize.

Hij zag mij weder aan, maar nu nog langer; daarop vatte hij eensklaps mijn beide handen.

--Voor die woorden moet ik je danken, mijn jongen; gij hebt een hart en dat krijgt men niet met de jaren.

Wij waren alleen in de spreekkamer en zaten naast elkander op een bank. Zijn woorden deden mij goed en ik was er trotsch op hem te hooren zeggen, dat ik een hart had.

--Ik zeg niets meer, mijn jongen, hervatte hij, dan: God behoede u.

Een oogenblik zwegen wij beiden; de tijd was bijna verstreken en wij moesten scheiden.

Plotseling stak hij de hand in zijn vestzak en haalde een groot zilveren horloge daaruit te voorschijn, dat met een koord aan een knoop van zijn buis bevestigd was.

--Wij mogen niet van elkander scheiden, zonder dat gij een aandenken van mij hebt. Hier hebt ge mijn horloge. Het heeft niet veel waarde, want ge begrijpt, dat ik het anders verkocht zou hebben. Het loopt evenmin goed en nu en dan moet gij er maar eens een duwtje aan geven. Maar het is al, wat ik op het oogenblik bezit; daarom geef ik het u.

Dit zeggende, legde hij het in mijn hand; toen ik er mij tegen verzette om zulk een geschenk van hem aan te nemen, voegde hij er op treurigen toon bij:

--Gij begrijpt, dat ik hier niet behoef te weten, hoe laat het is; de tijd duurt hier toch maar al te lang; ik zou er van sterven, als ik de uren tellen moest. Vaarwel, goede Rémi, geef mij nog een kus; gij zijt een brave jongen; zorg dat altijd te blijven.

Ik geloof, dat hij mij toen bij de hand nam om mij naar de deur te brengen; maar wat toen tusschen ons voorviel, wat wij toen tot elkander zeiden, dat herinner ik mij niet meer; ik was te aangedaan.

Als ik nog aan deze scheiding denk, als ik ze mij weder in het geheugen terugroep, dan maakt zich weder dezelfde verslagenheid van mij meester.

Ik geloof dat ik geruimen tijd voor de deur van de gevangenis staan bleef, zonder er toe te kunnen komen om rechts of links te gaan en misschien zou ik 's avonds daar nog gestaan hebben, als mijn hand niet toevallig in mijn zak een rond en hard voorwerp gevoeld had.

Werktuiglijk en zonder te weten wat ik deed, stamelde ik: "Mijn horloge!"

Voor het oogenblik vergat ik al mijn verdriet en kommer; ik dacht slechts aan mijn horloge. Ik had een horloge, een eigen horloge in mijn zak, waarop ik zien kon hoe laat het was: het stond op twaalf uur. Dat was voor mij echter volstrekt van geen belang: mij was twaalf, tien of twee uur even onverschillig; maar toch was ik blijde, dat het twaalf uur was. Waarom? ik zou het moeilijk hebben kunnen zeggen; maar het was zoo. O, twaalf uur, gelukkig reeds twaalf uur! Het scheen mij toe, alsof een horloge een vertrouwd vriend was, aan wien men raad vraagt en met wien men een gesprek voert.

--Hoe laat is het, mijn vriend?

--Twaalf uur, beste Rémi.

--O twaalf uur, dan moet ik dit of dat gaan doen.--Zeker.

--Gij hadt gelijk, dat ge mij er aan herinnerdet, want zonder u zou ik het vergeten hebben.--Ik ben er immers om het u te helpen herinneren?

Met Capi en mijn horloge kon ik dus voortaan spreken.

Mijn horloge! Dat waren een paar heerlijke woorden om uit te spreken. Ik had altijd naar een horloge verlangd en ik was er steeds van overtuigd geweest, dat ik er nooit een bezitten zou. En toch had ik er nu een in mijn zak, een dat voortdurend tikte. Het liep niet erg goed, had vader Acquin gezegd. Het liep, en dat was voldoende. Nu en dan moest ik eens aan de wijzers duwen. Dat zou ik van tijd tot tijd doen en als dat niet hielp, zou ik het zelf wel eens nazien. Dat zou eerst prettig zijn; ik zou het van binnen bekijken en zien hoe het liep. Het moest goed loopen, want ik zou het zeer streng behandelen.

Ik had mij zoo geheel door mijn vreugde laten medesleepen, dat ik niet eens de blijdschap van Capi bemerkte; hij sprong tegen mijn beenen op en liet van tijd tot tijd een zacht geblaf hooren. Eindelijk gelukte het hem, om mij in mijn gepeins te storen.

--Wat wilt gij Capi?

Hij keek mij aan en daar ik hem niet terstond begreep, richtte hij zich op en legde zijn poot op mijn zak, waarin ik het horloge bewaarde.

Hij wilde weten hoe laat het was, om het aan het "geëerde publiek" te kunnen zeggen, evenals toen hij nog bij Vitalis was.

Ik liet het hem zien; een poos bleef hij er op staren, alsof hij zich iets wilde herinneren; daarop kwispelde hij met den staart en blafte twaalf maal: hij had het niet vergeten. Wat een geld zouden wij al niet met dit horloge verdienen! Dat was nog een kunstverrichting, waarop ik niet gerekend had.

Dat dit allemaal op straat gebeurde, juist tegenover de deur van de gevangenis, bleven verscheidene menschen stilstaan om ons gade te slaan.

Als ik gedurfd had, zou ik onmiddellijk een voorstelling gegeven hebben, maar uit vrees voor de politie, stelde ik het voorloopig uit.

Het was bovendien twaalf uur en juist een geschikte tijd om opweg te gaan.

--Voorwaarts!

Ik wierp een laatsten blik, een laatst vaarwel naar de gevangenis, achter wier muren de ongelukkige Acquin zat opgesloten, terwijl ik vrij was en gaan kon, waarheen ik wilde. Wij vertrokken.

Wat mij op mijn reizen het meest van pas kon komen, was een kaart van Frankrijk; ik wist waar ik die koopen kon en begaf mij in de eerste plaats daarheen.

Toen ik een plein overstak, viel mijn oog op de wijzerplaat van den toren der Tuileriën en gevoelde ik lust om te zien of de klok en mijn horloge gelijk gingen. Mijn horloge stond op halfeen en de klok wees één uur. Wie van beide liep dus te langzaam of te snel? Ik gevoelde grooten lust om mijn horloge wat vooruit te zetten, maar na een oogenblik nadenken zag ik hiervan af: het was volstrekt niet zeker, dat mijn horloge verkeerd liep; het kon zeer wel zijn, dat de klok slecht ging. Ik borg mijn horloge dus weer in mijn zak en zeide tot mezelf, dat voor hetgeen ik te doen had, dit juist de geschiktste tijd was.

Het duurde lang eer ik een kaart had, tenminste zoo'n kaart als ik wenschte te hebben, namelijk een, die op linnen geplakt was en dichtgevouwen kon worden, en niet duurder dan twee francs, wat voor mij al zeer veel was. Gelukkig vond ik er een, die geel was geworden en die ik voor een prijsje kon koopen.

Nu kon ik Parijs verlaten, wat ik dan ook besloot zoo spoedig mogelijk te doen.

Tusschen twee wegen kon ik kiezen, dien van Fontainebleau naar de grenzen van Italië of dien van Orléans over Montrouge; de een was mij even onverschillig als de ander en het toeval wilde, dat ik dien van Fontainebleau koos.

Toen ik op een bordje den naam van de straat Mouffetard las, kwamen tal van herinneringen bij mij op: Garofoli, Mattia, Riccardo, de knaap met zijn marmotjes, de zweep en Vitalis, mijn goede meester, die gestorven was, omdat hij mij niet verhuurd had aan den _padrone_ in de straat Lourcine; ik meende zelfs bij den ingang van de naburige kerk in een knaap Mattia te herkennen: hij had hetzelfde groote hoofd, dezelfde starende oogen en sprekende trekken, kortom, zijn gansche voorkomen deed mij aan hem denken; maar zonderling, hij was in dien tusschentijd niet gegroeid.

Ik naderde hem om mezelf te overtuigen; er viel niet meer te twijfelen; hij was het. Ook hij herkende mij, want op zijn bleek gelaat kwam een glimlach.

--Gij zijt immers met dien ouden man bij Garofoli geweest, juist toen ik op het punt stond om naar het hospitaal te gaan? O wat had ik toen een hoofdpijn!

--En is Garofoli nog altijd uw meester?

Hij wierp eerst een blik om zich heen, vóór dat hij mij antwoordde.

--Garofoli is in de gevangenis; men heeft hem in hechtenis genomen, omdat hij Orlando doodgeslagen heeft.

Het deed mij genoegen, dat Garofoli in de gevangenis zat en voor de eerste maal in mijn leven kwam de gedachte bij mij op, dat de gevangenissen, die mij gewoonlijk zooveel afschuw inboezemden, toch ook haar nut hadden.

--En de jongens? vroeg ik.

--O, dat weet ik niet; ik was niet bij Garofoli's inhechtenisneming tegenwoordig. Toen ik het gasthuis verliet, zag Garofoli in, dat ik niet geschikt was om geslagen te worden, daar ik er altijd ziek van werd; hij besloot toen om mij weg te zenden en verhuurde mij voor twee jaar, met vooruitbetaling, aan het paardenspel van Gassot. Kent gij het paardenspel van Gassot niet? Het is niet heel groot, maar het is er toch een. Zij hadden daar een knaap noodig om bij den ingang te staan en Garofoli verhuurde mij aan Gassot. Bij dezen ben ik tot verleden Maandag gebleven; toen heeft hij mij weggezonden, omdat mijn hoofd te groot is om achter het loketje te zitten. Ik heb Gisors, waar het cirque was opgeslagen, verlaten om weder bij Garofoli te komen, maar deze was nergens te vinden; het huis was gesloten en een buurman heeft mij verteld, dat Garofoli in de gevangenis zat. Ik ben toen daarheen gegaan, daar ik niet wist wat te doen of waarheen mij te begeven.

--Waarom zijt ge niet naar Gisors teruggekeerd?

--Omdat dienzelfden dag, toen ik het paardenspel verliet, dit naar Rouaan vertrok, en hoe zou ik te Rouaan komen? Het is veel te ver en ik heb geen geld; sedert gisterenmiddag heb ik niets gegeten.

Ik was niet rijk, maar ik had toch geld genoeg om dit ongelukkige kind niet van honger te laten omkomen; hoe dankbaar zou ik niet geweest zijn als men mij op weg naar Toulouse, toen ik even hongerig was als Mattia op dit oogenblik, een stukje brood gegeven had.

--Wacht hier op mij, zeide ik.

Ik liep zoo gauw ik kon naar een bakker, die op den hoek van de straat woonde en keerde met een stuk brood terug, dat ik hem aanbood; hij brak het klein en begon er met gulzigheid van te eten.

--En wat wilt gij nu gaan doen? vroeg ik.

--Dat weet ik niet.

--Gij moet toch iets gaan beginnen.

--Ik wilde juist mijn viool gaan verkoopen, toen gij mij aanspraakt en zeker zou ik ze reeds verkocht hebben, als het mij niet zooveel kostte om ervan te scheiden. Het is mijn eenig genot en troost. Als ik mij erg treurig gevoel, dan zonder ik mij af en speel voor mezelf eenigen tijd en dan zie ik allerlei mooie dingen in den hemel, veel mooier nog dan in mijn droomen; dat spreekt.

--Waarom speelt gij dan niet op straat op uw viool?

--Ik heb erop gespeeld, maar niemand heeft mij er iets voor gegeven.

Ik wist hoe onaangenaam het was, als niemand eraan dacht om zijn hand in den zak te steken.

--En gij? vroeg Mattia, wat gaat gij thans doen?

Ik weet niet waarom, maar door een gevoel van ijdelheid gedreven, zeide ik:

--Wel, ik ben het hoofd van een troep.

Het was de waarheid, dat ik een troep bezat, want Capi maakte er een deel van uit, maar toch grensden mijn woorden zeer nauw aan een leugen.

--O, als gij dan wilt.... begon Mattia.

--Wàt?

--Mij bij uw troep opnemen.

Toen werd ik weder oprecht.

--Hier hebt gij mijn heelen troep, zeide ik, op Capi wijzende.

--Welnu, wat doet er dat toe, dan zijn we met ons drieën. Ik bid u, laat mij niet aan mijn lot over; wat zou er van mij worden? waarschijnlijk zou ik van honger sterven.