Alleen op de Wereld

Chapter 18

Chapter 184,152 wordsPublic domain

De vader giste mijn bezorgdheid en nam mij naar het bureau van politie mede, waar men mij de eene vraag na de andere stelde die ik eerst beantwoordde, toen men mij verzekerd had, dat Vitalis dood was. Hetgeen ik wist was zeer weinig en in korte woorden te vertellen. Maar de commissaris wilde meer weten en ondervroeg mij geruimen tijd naar alles, wat betrekking had op Vitalis en mij.

Wat mezelf betrof kon ik hem antwoorden, dat ik geen ouders had en dat Vitalis mij voor een som geld, die hij aan den echtgenoot van mijn voedster had gegeven, gehuurd had.

--En wat gaat gij nu doen? vroeg de commissaris.

Acquin antwoordde hem hierop voor mij.

--Daarvoor zullen wij zorgen, indien gij hem aan ons wilt toevertrouwen.

Niet alleen stemde de commissaris hierin toe, maar hij prees den tuinman zelfs voor deze goede daad.

Ik moest nu alles vertellen, wat ik van Vitalis wist: dat viel mij moeilijk, want ik wist niets of bijna niets van hem.

Toch was er een geheimzinnig punt, dat ik zou hebben kunnen aanhalen: hetgeen bij onze laatste voorstelling had plaats gehad, toen het zingen van Vitalis zoozeer de bewondering en verbazing van die dame had opgewekt; evenzoo de bedreigingen welke Garofoli hem had toegevoegd; maar ik vroeg mij af, of ik niet beter deed, dit voor mijzelf te houden.

Wat mijn meester bij zijn leven zoo zorgvuldig bewaard had, mocht toch na zijn dood niet openbaar worden gemaakt.

Maar een kind kan moeilijk voor een commissaris van politie iets verzwijgen, want deze heeft een manier om zoo te vragen, dat ieder spoedig alles moet bekennen.

Dat gebeurde ook met mij.

Eer er vijf minuten verloopen waren, had de commissaris mij alles laten vertellen, wat ik hem juist verbergen wilde.

--Het beste is om hem bij Garofoli te brengen, zeide hij tot een agent; wanneer hij in de straat Lourcine is, dan zal hij het huis wel herkennen; gij moet dan maar met hem naar boven gaan en dien Garofoli ondervragen.

Wij begaven ons alle drie op weg; de agent, de vader en ik.

Zooals de commissaris vermoed had, zou ik spoedig het huis herkennen en wij gingen naar de vierde verdieping. Ik zag Mattia niet, die was waarschijnlijk reeds naar het gasthuis gebracht. Toen Garofoli den agent zag en mij herkende, verbleekte hij; zeker was hij bang.

Maar spoedig werd hij gerustgesteld, toen hij de reden van ons bezoek vernam.

--Zoo, is de arme oude dood?

--Kendet gij hem?

--Ja, zeer goed.

--Welnu, zeg mij dan alles, wat gij van hem weet.

--Dat is heel eenvoudig. Hij heette niet Vitalis; zijn naam was Carlo Balzani, en zoo gij een dertig of veertig jaar geleden in Italië geleefd hadt, zoudt gij weten, wie deze persoon was, naar wien gij thans onderzoek doet. In dien tijd was Balzani de beroemdste zanger en oogstte op het tooneel vele lauweren; hij heeft overal gezongen, te Napels, Rome, Milaan, Venetië, Florence, Londen en Parijs. Maar eens brak de dag aan, waarop hij zijn stem verloor; toen was hij niet langer de koning der zangers; hij wilde niet, dat zijn roem zou verminderen door in schouwburgen van minder rang op te treden. Hij deed afstand van den naam Carlo Balzani en is Vitalis geworden; voor een ieder die hem in zijn goeden tijd gekend had, hield hij zich verborgen. Hij moest echter leven, maar is nooit kunnen slagen, wat hij ook beproefd heeft, zoodat hij steeds lager en lager zonk en eindelijk met dieren ging rondreizen. Maar hoe ellendig zijn toestand ook was, zijn trots behield hij, en hij zou van schaamte gestorven zijn zoo het publiek te weten ware gekomen, dat de gevierde Carlo Balzani de arme Vitalis geworden was. Een toeval heeft mij dit geheim verraden.

Dit was dus het geheim, dat mij altijd zooveel belang had ingeboezemd.

Arme Carlo Balzani, goede, beste Vitalis!

XX.

DE TUINMAN.

Den anderen dag zou mijn meester begraven worden en Acquin had mij beloofd, dat ik daarbij tegenwoordig mocht wezen.

Maar den anderen morgen was ik niet in staat mij op te richten, want dien nacht had ik eene hevige koorts gekregen, die met een rilling begon en in een bad van zweet eindigde; het was mij, of een stuk vuur op mijn borst brandde en ik gevoelde mij zeker even ziek als Joli-Coeur, toen hij een nacht in een boom en in de sneeuw had geslapen.

Ik had een heftige longontsteking, veroorzaakt door de koude, welke ik den nacht, waarin mijn meester gestorven was, doorstaan had.

Deze ziekte deed mij nog meer de goedheid van de familie Acquin op prijs stellen, en vooral bleek mij toen welk een zorgvolle huishoudster Martha was.

Hoewel men bij minder gegoede huisgezinnen niet spoedig de hulp van een dokter inroept, deden zich bij deze ziekte zulke onrustbarende verschijnselen voor, dat men voor mij een uitzondering maken moest op dezen regel, die even natuurlijk als algemeen is.

De geneesheer behoefde mij niet lang te onderzoeken om een volledig verslag van mijn ongesteldheid te geven; hij verklaarde terstond, dat men mij naar het gasthuis brengen moest.

Dit was inderdaad het eenvoudigste en gemakkelijkste wat men doen kon. Toch weigerde de tuinman dezen raad op te volgen.

--Daar hij voor onze deur is gevallen en niet voor die van het gasthuis, moeten wij hem ook bij ons houden!

De geneesheer trachtte op allerlei wijzen hem van dit denkbeeld af te brengen, maar niets mocht baten. Men wilde mij houden en men hield mij bij zich.

En bij al haar drukke bezigheden nam Martha nog de rol van ziekenverpleegster op zich; zij verzorgde mij liefderijk, geheel volgens het voorschrift, evenals de zusters dat in het gasthuis doen, zonder ooit eenig ongeduld daarbij aan den dag te leggen. Als zij mij een oogenblik verlaten moest om haar huishouden te besturen, nam Lize haar plaats in en dikwijls zag ik deze in mijn koorts, aan het voeteinde van mijn bed, terwijl zij haar groote oogen aanhoudend op mij gevestigd hield. In mijn verward brein meende ik, dat zij mijn beschermengel was en ik sprak haar toe, zooals men tot een engel spreekt, aan wien men zijn wenschen en verlangen vertelt.

Sedert dien tijd gewende ik mij, haar als een ideaal wezen te beschouwen, dat door een soort van stralenkrans omgeven was en ik kon nooit mijn verbazing bedwingen, wanneer ik haar zag deelnemen aan het gewone huiselijke leven, juist wanneer ik meende, dat zij haar groote witte vleugels zou uitspreiden.

Ik leed veel gedurende mijn lange ziekte; telkens stortte ik weder in, zoodat bloedverwanten misschien den moed zouden hebben opgegeven. Maar Martha verloor haar geduld niet en bleef mij trouw oppassen. Nachten achtereen moest er bij mij gewaakt worden, want ik had dikwijls zulke benauwdheden, dat men bevreesd was, dat ik er in stikken zou. Alexis en Benjamin waakten beurtelings bij mij.

Eindelijk vertoonde zich eenige beterschap; maar daar ik nu eens erger dan weder beter was, moest ik wachten tot het voorjaar aanbrak en de velden bij de Glacière met een groen waas overtogen waren.

Lize, die niet werkte, nam weder de plaats van Martha in. Met haar wandelde ik langs de oevers van de Bièvre. Tegen den middag, als de zon hoog aan den hemel stond, begaven we ons samen hand aan hand op weg, door Capi gevolgd. Het was een mooi en zacht voorjaar, tenminste ik heb dien lieflijken indruk ervan behouden, hetgeen toch eigenlijk op hetzelfde neerkomt. Dagelijks bezochten wij het dal dat niet ver van onze woning verwijderd lag.

Natuurlijk sprak Lize onderweg nooit, maar zonderling genoeg, wij hadden ook geen woorden noodig, want als wij elkander zagen, lazen wij in elkaars blik hetgeen we wilden zeggen, zoodat ik zelf meestal ook zweeg.

Langzamerhand kreeg ik mijn krachten terug en zou ik in den tuin kunnen arbeiden; ik zag dien tijd met ongeduld tegemoet, want ik verlangde er naar om voor de anderen te doen, hetgeen zij voor mij gedaan hadden: voor hen te werken en naarmate mijn krachten het vergunden, terug te geven, hetgeen ze mij gegeven hadden. Ik had nooit gewerkt, want hoe vermoeiend verre tochten ook zijn mochten, zij zijn niet te vergelijken met den bestendigen arbeid, die veel goeden wil en ijver eischt; maar het scheen, dat ik goed werkte, tenminste dat ik met lust het voorbeeld van hen, die mij omringden, volgde.

Het was de tijd, waarop de viooltjes naar de markt te Parijs gebracht werden en vader Acquin had aan deze bloemen al zijn zorg gewijd; in onzen tuin stonden er van allerlei soort en kleur en 's avonds, vóór dat de ramen gesloten werden, was de lucht met de geur van deze bloemen vervuld.

De taak, die men mij had opgedragen, was in evenredigheid met mijn krachten; zij bestond voornamelijk om 's morgens de ramen van de broeikasten af te lichten, wanneer de vorst voorbij was, en ze 's avonds daarmede weder te bedekken, vóór dat deze inviel; overdag moest ik zorgen, dat zij met rietmatten overdekt werden, wanneer de zon soms al te fel scheen. Dat was moeilijk noch zwaar, maar het duurde toch lang, daar ik wel een paar honderd pannen tweemaal daags verleggen en aanhoudend moest zorgen, dat het te warm noch te koud werd.

Gedurende dien tijd bleef Lize altijd bij het toestel, dat diende om het water voor de besproeiing op te pompen, en als de oude Coco, wiens oogen met een lederen klap waren geblinddoekt, vermoeid van het rondloopen, wilde stilstaan, dan klapte zij met haar kleine zweep; een van haar broeders stortte de emmers uit, die gevuld opgehaald werden en de ander hielp zijn vader; zoo had iedereen zijn werk en niemand liet tijd verloren gaan.

In mijn dorp had ik de boeren menigmaal aan het werk gezien, maar ik had in het minst geen denkbeeld van den moed en de inspanning, welke de arbeid van de tuinlieden in den omtrek van Parijs vereischt, die 's morgens nog vóór het opkomen der zon reeds moeten opstaan, en eerst laat in den avond zich ter rust kunnen begeven, zich geheel aan hun werk wijden en daarvoor hun beste krachten inspannen; ik had ook het land zien bebouwen, maar ik wist niet hoeveel schatten dit kon voortbrengen, indien men het voortdurend bewerkte: ik was in een goede leer bij vader Acquin.

Ook werd ik niet altijd in de broeikasten gebruikt; toen ik weder geheel hersteld was, mocht ik ook bloemen planten en smaakte ik het genot, die te zien groeien; dat was mijn werk, mijn eigendom, mijn schepping en dat maakte mij trotsch; ik was dus tot iets geschikt en ik gaf hiervan de bewijzen. Maar wat mij nog gelukkiger maakte was, dat ik zelf gevoelde, dat ik het goed deed, hetgeen de moeite dubbel loont; dit verzeker ik u.

Ondanks de vermoeienissen, dat dit nieuwe leven voor mij medebracht, gewende ik mij toch spoedig aan al deze werkzaamheden, die zoo weinig geleken op mijn vorig zwervend leven. Inplaats van vrij rond te loopen, zooals vroeger, steeds den grooten weg te volgen, moest ik mij thans tusschen vier muren van een tuin opsluiten en van den morgen tot den avond hard werken, terwijl het hemd mij aan het lijf kleefde, met de gieters aan mijn arm en mijn voeten in beslijkte schoenen; maar iedereen werkte zoo hard; de gieters van den vader waren nog zwaarder dan de mijne en zijn schoenen niet minder vuil. Het doet ons goed, als wij, wanneer ons iets moeite kost, zien, dat anderen hetzelfde lot met ons deelen. Bovendien had ik hier wat ik niet dacht dat ik ooit genieten zou: het leven in een huiselijken kring. Ik was niet langer alleen, ik was niet meer het verlaten kind; ik had een eigen bed; ik had een plaats aan de tafel, waaraan wij ons altijd vereenigden. Zoo Alexis of Benjamin nu en dan eens met mij vochten, spoedig hadden wij onze twisten weder vergeten en 's avonds, als we de soep aten, waren wij weer de beste vrienden.

Om de waarheid te zeggen, moet ik bekennen, dat we niet altijd werkten en ons vermoeiden; wij hadden ook onze uren van rust en uitspanning; zij waren wel kort, maar daarom juist des te prettiger.

Des Zondagsmiddags kwamen wij allen in een met wingerden begroeid prieel bij elkander; ik nam dan mijn harp van den muur, die de gansche week daaraan hangen bleef, en liet de kinderen dansen. Geen van allen had dansen geleerd, maar de jongens hadden eens een bal bijgewoond en hun geheugen kwam hen bij die gelegenheid te hulp.

Wanneer zij het dansen moe waren, verzochten zij mij om iets voor hen te zingen en wanneer ik mijn napolitaansch lied zong, dan kwamen altijd, evenals de eerste maal, de tranen in Lize's oogen.

Om haar dan eenige afleiding te geven, liet ik terstond een vroolijk stukje volgen, waarbij Capi kon optreden. Voor hem waren die Zondagen ook feestdagen; zij herinnerden hem aan het verleden en wanneer hij zijn rol afgespeeld had, zou hij die gaarne weer van voren af aan begonnen zijn.

Twee jaren gingen er op deze wijs voorbij, en daar de tuinman mij dikwijls naar de markt medenam of soms ook wel naar andere tuinlieden, bij wie wij onze planten brachten, begon ik langzamerhand Parijs te leeren kennen en te begrijpen, dat het geen stad van marmer en goud was, gelijk ik mij vroeger verbeeldde, maar dat het evenmin slechts vuil en slijk was, wat men er zag, zooals op den avond, toen wij voor de eerste maal hare straten doorkruisten.

Ik zag praalgraven en monumenten, ik wandelde langs de kaden en over de boulevards, in het Luxemburg, de Tuileriën en de Champs Elysées.

Ik zag beelden. Ik bleef de menigte vol bewondering gadeslaan. Ik begon mij een denkbeeld te vormen van het leven, dat men in een hoofdstad leidt.

Gelukkig bestond mijn opvoeding niet alleen in hetgeen ik toevallig op mijn wandelingen of mijn tochten door Parijs zag. Voordat "de vader" zich zelf als tuinman gevestigd had, was hij werkzaam geweest in de boomkweekerij van den Plantentuin en daar was hij in aanraking gekomen met wetenschappelijke en gestudeerde menschen, door wier omgang het verlangen bij hem levendig was geworden om te lezen en te studeeren. Verscheidene jaren had hij van zijn inkomen gespaard om boeken te koopen en die in zijn vrijen tijd te lezen. Maar toen hij getrouwd was en kinderen had, kreeg hij minder vrijen tijd, want hij moest toen zorgen, dat allen aan den kost kwamen; zijn boeken bleven van toen af gesloten, maar hij bewaarde ze zorgvuldig in een kast. De eerste winter dien ik in zijn huisgezin doorbracht, duurde zeer lang en hoewel het werken in den tuin niet geheel gestaakt werd, viel er toch maanden achtereen weinig te arbeiden.

Des avonds vereenigden wij ons dan bij den haard; de oude boeken werden te voorschijn gehaald en onder ons verdeeld. Voor het grootste gedeelte handelden zij over planten en kruiden en de geschiedenis daarvan; voorts waren er eenige reisverhalen. Alexis en Benjamin hadden echter niet dien lust in lezen en studeeren, dien hun vader in zijn jeugd bezat; geregeld vielen zij dan ook gerust over hun boek in slaap. Ik voor mij, die minder slaperig of misschien leergieriger was, bleef, totdat wij naar bed gingen, doorlezen: de eerste lessen, welke Vitalis mij gegeven had, waren dus niet verloren gegaan, en wanneer ik dit bij mezelf zeide, terwijl ik mij uitkleedde, dacht ik altijd met dankbaarheid aan hem.

Mijn lust tot leeren herinnerde Acquin weder aan den tijd, toen hij op zijn eten zooveel mogelijk uitzuinigde om zich boeken aan te schaffen; hij bracht mij soms ook wel nieuwe boeken uit Parijs mede. Zijn keus liet hij aan het toeval over en dikwijls zelfs ging hij alleen op de titels af; in elk geval, het waren boeken en al mochten zij mijn geest een weinig in de war brengen, met den tijd zou dat wel in orde komen en ontegenzeglijk is mij veel goeds daarvan bijgebleven.

Lize kon niet lezen, maar toen zij mij, zoodra ik een uur vrij had, in een boek verdiept zag, verlangde zij te weten, wat mij zooveel belangstelling inboezemde. In het eerst wilde zij mij altijd de boeken afnemen, die mij beletten om met haar te spelen; maar toen zij zag, dat ik, ondanks alles, toch altijd weer naar mijn boeken terugkeerde, verzocht zij mij haar te vertellen, wat erin stond. Een nieuwe band vormde zich daardoor tusschen ons. Daar zij vaak in zichzelf gekeerd was en haar verstand goed ontwikkeld was, zonder dat zij ooit kon deelnemen aan beuzelachtige of onbeduidende gesprekken, moest zij een groote vergoeding in het lezen vinden, hetgeen zij er dan ook werkelijk in vond: een afleiding en voedsel voor haar geest.

Hoeveel uren hebben wij niet samen doorgebracht: zij naast mij, geen oogenblik haar oogen van mij afwendende, terwijl ik verdiept was in een boek. Dikwijls hield ik even op, als ik een woord of een zin niet begreep, en dan zag ik haar aan. Langen tijd zochten wij dan, en wanneer wij het niet te weten kwamen, dan beduidde zij mij met een gebaar, dat ik maar moest voortgaan, alsof zij zeggen wilde: "later". Ik leerde haar ook teekenen, dat wil zeggen, zooals ik teekenen kon. Dit duurde echter lang en was veel moeilijker, maar het gelukte mij toch. Ik was zelf geen groot meester, maar wanneer meester en leerling het met elkander eens zijn, is dit dikwijls meer waard dan talent. Welk een vreugde was het, toen zij eenige lijnen kon zetten, waaruit men kon opmaken, wat zij voorstellen wilde! Vader Acquin drukte mij toen een kus op het voorhoofd.

--Ik had wel een grooter domheid in mijn leven kunnen begaan dan u in huis te nemen, zeide hij. Lize zal er u later wel voor betalen.

Later, dat wil zeggen, wanneer zij weder spreken kon, want men had de hoop nog niet opgegeven, dat zij eenmaal haar spraak zou terugkrijgen; de dokters hadden echter gezegd, dat zij voor het oogenblik er niets aan doen konden en zij de krisis moesten afwachten.

"Later" beteekende ook een treurig schudden met haar hoofd, wanneer ik een van mijn liedjes voor haar gezongen had. Zij had ook op de harp willen leeren spelen en al spoedig liet zij even vlug als ik haar vingers over dat instrument glijden. Maar natuurlijk kon ik haar niet leeren zingen en dat speet haar. Dikwijls zag ik tranen in haar oogen, die mij het bewijs waren, hoeveel zij er onder leed. Maar bij zulk een goed en zacht karakter duurt het verdriet niet lang; zij wischte hare tranen af en met een glimlach beduidde zij mij dat het "later" wel gebeuren zou.

Door vader Acquin als kind aangenomen en door zijn zoons als een broeder beschouwd, zou ik waarschijnlijk mijn levenlang op de Glacière gebleven zijn, zoo er niet een gebeurtenis plaats had gegrepen, die plotseling weder een verandering in mijn leven bracht; want het stond geschreven, dat ik niet lang gelukkig zou kunnen zijn, en dat juist wanneer ik meende het zekerst van mijn rust te zijn, het oogenblik was aangebroken, waarop ik weder, door omstandigheden onafhankelijk van mijn wil, tot een leven vol avonturen en zonderlinge lotgevallen zou terugkeeren.

XXI.

HET HUISGEZIN WORDT OPGEBROKEN.

Als ik alleen zat, dacht ik dikwijls bij mezelf: "Gij zijt te gelukkig, jongen; dat zal niet lang meer duren."

Welk ongeluk mij overkomen moest, dat kon ik niet voorzien, maar ik was bijna zeker, dat het, van welken kant ook, zou komen opdagen.

Dit stemde mij dikwijls treurig, maar toch had het in één opzicht veel goeds, daar ik in alles zooveel mogelijk mijn best deed om het ongeluk te vermijden, en mij verbeeldde, dat het mijn eigen schuld zou zijn, wanneer ik weder door een ramp getroffen werd.

Het was echter niet door mijn toedoen, maar als ik mij niet bedrieg, besefte ik het ongeluk in zijn geheelen omvang.

Ik zeide reeds, dat vader Acquin hoofdzakelijk viooltjes teelde. Deze zijn zeer gemakkelijk te kweeken en de tuinlieden, die in den omtrek van Parijs wonen, slagen erin wonderen daarvan voort te brengen, getuige de groote planten, die van boven tot onderen met bloemen beladen zijn en die zij in de maanden April en Mei naar de markt brengen. De tuinman, die van viooltjes zijn werk maakt, moet er slechts op letten, dat hij de dubbele planten uitkiest, omdat de dames de enkelen niet verlangen. Daar het zaad, in evenredigheid tenminste, meestal evenveel dubbele als enkele planten doet ontkiemen, is het van het grootste belang, dat men slechts de dubbelen behoudt; want anders loopt men gevaar, dat men met de grootste zorg vijftig op de honderd planten kweekt, die men moet wegwerpen, wanneer zij beginnen te bloeien, dat wil zeggen, een jaar nadat zij gezaaid zijn.

Wanneer zij, die viooltjes telen, de dubbelen van de enkelen moeten uitzoeken, dan wenden zij zich tot andere tuinlieden die met het geheim bekend zijn en deze gaan naar de stad, om, evenals de dokters of deskundigen, een consult te houden. Vader Acquin behoorde onder de knapste bloemkweekers van Parijs; wanneer de tijd was aangebroken waarop de viooltjes uitgezocht moesten worden, was hij den ganschen dag bezig. Dan was het voor ons en vooral voor Martha een slechte tijd, want als vrienden bij elkaar komen, wordt er in den regel menig glas gedronken en als hij dan na zulk een dag tehuis kwam, had hij een hooge kleur, kon moeilijk uit zijn woorden komen en dikwijls beefden zijn handen.

Martha ging niet naar bed voordat hij tehuis was, hoe laat in den nacht dit ook wezen mocht.

Als ik dan nog wakker was, of door het gedruisch, dat hij veroorzaakte, ontwaakte, hoorde ik vanuit mijn kamer, wat zij spraken.

--Waarom zijt ge niet naar bed gegaan? vroeg de vader.

--Omdat ik wilde zien, of gij soms nog iets noodig mocht hebben.

--Dat wil zooveel zeggen, als dat gij mij bespied.

--Als ik niet meer wakker was, tot wien zoudt u dan spreken?

--Gij wilt zien of ik nog goed kan loopen; zie nu maar, of ik niet heel goed tot aan gindsche deur kan gaan zonder een oogenblik van de streep af te wijken.

Ik hoorde hem in de keuken eenige ongeregelde schreden doen; daarop volgde er een stilte.

--Gaat het met Lize goed?

--Ja, zij slaapt, wilt gij zorgen dat gij geen leven maakt.

--Ik maak geen leven; ik loop recht voor mij uit; ik moet wel recht voor mij uit loopen, daar de dochters anders haar vader beschuldigen. Wat zeide zij wel, toen ze mij niet bij het avondeten zag?

--Niets; zij heeft aanhoudend naar uw plaats gekeken.

--O, zag zij naar mijn plaats?

--Ja.

--Dikwijls? Zag zij er dikwijls naar?

--Dikwijls.

--En wat zeide zij?

--Haar oog zeide, dat gij daar niet zat.

--Toen vroeg zij u zeker, waarom ik er niet was en gij hebt haar toen verteld, dat ik bij mijn vrienden was?

--Neen, zij vroeg mij niets en ik heb haar ook niets verteld, zij wist wel waar gij waart.

--Zij wist het, zij wist dat.... Is zij spoedig gaan slapen?

--Neen; eerst een kwartier geleden heeft zij den slaap kunnen vatten; zij wilde op u wachten.

--En wat wildet gij?

--Ik wilde niet hebben, dat zij u thuis zag komen.

Na een oogenblik stilte.

--Martha, gij zijt een goede dochter; luister eens; morgen ga ik naar Louisot, ik beloof u plechtig, dat ik dan bijtijds terug zal wezen; ik wil niet, dat gij zoo lang op mij moet wachten; ik wil niet, dat Lize ongerust gaat slapen.

Maar die beloften werden gewoonlijk niet nagekomen en dikwijls kwam hij weer even laat thuis. In huis was Lize almachtig, buitenshuis werd zij vergeten.

Weet ge, men drinkt zonder er bij te denken, omdat men het zijn vrienden niet weigeren wil; men drinkt de tweede maal, omdat men de eerste maal gedronken heeft en men is dan vast besloten om geen derden keer te drinken: maar drinken geeft nadorst. De wijn stijgt dan naar het hoofd; men weet, dat, als men een goed glas gebruikt heeft, men de zorgen vergeet; men denkt niet langer aan schuldeischers; alles ziet men van de zonnige zijde; het is of men in een andere wereld komt, in die wereld, waarin men zoo gaarne zou willen zijn. En men blijft voortdrinken; daar schuilt het gevaar.

Ik moet eerlijk zeggen, dat het niet dikwijls gebeurde. Bovendien duurde die tijd niet lang en als deze voorbij was, dan had vader Acquin ook geen reden om van huis te gaan. Hij was geen man, die uit luiheid of om zijn tijd zoek te brengen, naar kroegen of herbergen liep.

Toen de viooltjes uitgebloeid waren, gingen we onze zorg aan andere planten wijden, want een tuinman mag nooit een plekje in zijn tuin onbebouwd laten: zoodra de eene plant verkocht is, moet er een andere voor in de plaats komen.