Chapter 17
Wij waren nu weder in de stad gekomen, dat is te zeggen wij liepen tusschen muren, boven welke van tijd tot tijd een lantaarn uitstak, die aan een ijzerdraad scheen te hangen.
Vitalis stond stil: ik begreep, dat hij niet langer voort kon.
--Wilt gij, dat ik aan deze deur zal kloppen? vroeg ik.
--Neen, want men zou ons toch niet openen; het zijn tuinlui en groenteboeren, die daar wonen; zij staan midden in den nacht niet op. Laten wij dus maar voortloopen.
Maar hoe gaarne hij dit ook wilde, zijne krachten begaven hem. Toen hij eenige schreden gedaan had, stond hij weder stil.
--Ik moet een oogenblik uitrusten, zeide hij, ik kan niet meer.
Een deur in de heining stond open en boven deze heining uit verrees een groote mesthoop, zooals men ze dikwijls in de tuinen van moezeniers ziet; de wind, die daarover heenstreek, had het stroo losgemaakt en de eerste laag had zich over den weg, zelfs tot aan de heining toe, verspreid.
--Ik ga daar zitten, hernam Vitalis.
--Gij zeidet daar straks, dat, als wij eens gingen zitten, wij door de koude overvallen zouden worden, en niet meer zouden kunnen opstaan.
Zonder mij hierop te antwoorden, wenkte hij mij, dat ik het stroo een weinig bij elkander moest vegen. Hij liet zich toen daarop nedervallen; hij klappertandde en eene rilling voer door zijn geheele lichaam.
--Breng nog wat stroo, zeide hij, de mesthoop beschut ons tegen den wind.
Hij beschutte ons tegen den wind, dat is waar, maar niet tegen de koude. Toen ik al het stroo zoo goed mogelijk bij elkander had gezameld, ging ik naast Vitalis zitten.
--Kruip maar dicht naast mij en neem Capi bij u; hij zal u iets van zijne warmte geven.
Vitalis was een man van ondervinding, die wist, dat de koude, in een toestand, waarin wij verkeerden, doodelijk zijn kon. Hij moest dus wel uitgeput zijn, om zich aan zulk een gevaar bloot te stellen.
Hij was dit ook inderdaad. Veertien dagen lang was hij iederen avond te ruste gegaan, na een dag van inspanning, die zijn krachten te boven ging; deze laatste tocht had hem bewezen, dat hij te zwak en te oud was om dergelijke vermoeienissen te doorstaan.
Had hij eenig bewustzijn van zijn toestand? Dat heb ik nooit te weten kunnen komen. Maar toen ik wat stroo over mij heen had gelegd en vlak naast hem was gekropen, toen voelde ik, dat hij zich over mij heenboog en mij een kus gaf. Dat was voor de tweede maal en, helaas! het was ook de laatste maal.
Een geringe koude belet hen, die zich bibberend in bed leggen, te slapen; een groote koude, die men geruimen tijd heeft moeten doorstaan, brengt ons plotseling in een bedwelmenden, doffen toestand. Dit was bij ons het geval.
Nauwelijks lag ik naast Vitalis of ik gevoelde, dat ik in zwijm viel en dat mijne oogen zich sloten. Ik deed nog een poging om ze te openen, maar daar dit mij niet gelukte, kneep ik mezelf met alle kracht in mijn arm; mijn huid was echter gevoelloos, en hoe ik ook mijn best deed, mocht het mij niet gelukken, mezelf pijn te doen. Toch keerde ik eenigszins tot mijn bewustzijn terug. Vitalis, die met zijn rug tegen de deur leunde, haalde zwaar en moeilijk adem. In mijn armen en vast tegen mijn borst gedrukt, lag Capi te slapen. De wind gierde steeds over ons heen en bedekte ons met stroo. Op straat was niemand; een doodelijke stilte omringde ons.
Deze stilte maakte mij bang; waarvoor was ik bang? Ik kon me daarvan geen rekenschap geven, maar een onbestemde vrees en een onbeschrijflijk treurig gevoel deed mij de tranen in de oogen komen. Het was mij, of ik daar zou sterven.
En de gedachte aan den dood bracht mij Chavanon in herinnering. Arme vrouw Barberin! Zou ik dan sterven, zonder haar te hebben weergezien, zonder een blik op ons huis en onzen tuin? En ik weet niet door welk een zonderling spel mijner verbeelding, zag ik mij plotseling in dien tuin verplaatst; de zon stond hoog aan den hemel, de goudsbloemen openden haar knoppen, de meerlen zongen in het kreupelhout en over de heg had vrouw Barberin het linnen gehangen, dat zij in de beek gewasschen had.
Eensklaps dwaalde mijn geest van Chavanon naar _De Zwaan_: Arthur sliep in zijn bed; mevrouw Milligan was ontwaakt en toen zij den wind zoo hoorde loeien, vroeg zij zichzelf af, waar ik mij in deze hevige koude bevinden zou.
Mijn oogen vielen toen weder dicht; mijn hart verstijfde en ik gevoelde duidelijk, dat een bedwelming zich van mij meester maakte.
XIX.
LIZE.
Toen ik ontwaakte lag ik in een bed; een heerlijk knappend vuur brandde in de kamer, waarin ik te slapen lag.
Ik keek eens rond.
Ik kende die kamer niet.
Evenmin kende ik de personen, die mij omringden: een man in een grijze jas en op gele klompen; drie of vier kinderen, waaronder een meisje van vijf of zes jaar was, die mij met de grootste verbazing stond aan te staren; het waren zonderlinge sprekende oogen.
Zij verdrongen zich om mij heen.
--Vitalis? vroeg ik.
--Hij vraagt naar zijn vader, zeide een meisje, dat de oudste der kinderen scheen.
--Hij is mijn vader niet, hij is mijn meester; waar is hij? Waar is Capi?
Vitalis had men voor mijn vader gehouden, en men vreesde daarom zeker mij van hem te spreken; maar nu hij slechts mijn meester bleek te zijn, was men van meening, dat ik gerust de waarheid vernemen mocht en men vertelde mij toen het volgende:
De deur die in de heining was, waartegen wij ons hadden gelegd, behoorde aan een tuinman. Tegen twee uur in den morgen had de tuinman deze deur geopend om naar de markt te gaan, en had ons toen onder het stroo gevonden. Men was begonnen met ons te zeggen, dat wij moesten opstaan, om den wagen voorbij te laten gaan; maar toen wij ons geen van beiden verroerden en Capi slechts tot onze verdediging kon blaffen, had men ons bij den arm genomen en ons eens terdege geschud. Toen zelfs bewogen wij ons nog niet. Men had daarop gemeend, dat het wel een zeer ernstig geval kon zijn. Er was een lantaarn gehaald; de uitslag van dit onderzoek was geweest, dat Vitalis dood en van koude gestorven was, en dat ik er al even slecht aan toe was als hij. Dank zij echter Capi, die op mijn borst gelegen had, kon ik nog ademhalen. Men had mij toen in de tuinmanswoning gebracht en in het bed van een der kinderen gelegd. Zes uur lang was ik meer dood dan levend geweest; gelukkig had mijn bloedsomloop zich hersteld, was de ademhaling langzamerhand weder op haar kracht gekomen en ontwaakte ik uit mijn bezwijming.
In welk een staat van verdooving, hoe afgemat ik van lichaam en geest ook was, zoo had ik mijn denkvermogen toch voldoende herkregen om de woorden, die ik vernam, in hun geheelen omvang te begrijpen. Vitalis was dood!
De man met de grijze jas, of liever de tuinman, deed mij dit verhaal; terwijl hij sprak had het kleine meisje, met haar verbaasde oogen, haar blik niet van mij afgewend. Toen haar vader vertelde, dat Vitalis dood was, besefte zij zeker, als bij ingeving, welk een zware slag deze tijding voor mij wezen moest, want zij trad naar haar vader toe, legde haar handje op zijn arm en uitte daarbij een zonderlingen klank, die niets van de menschelijke stem had, maar veel op een stillen, medelijdenden zucht geleek.
Bovendien was die beweging zoo welsprekend, dat zij er geen woord behoefde bij te voegen; in haar blik en haar geheele houding raadde ik onwillekeurig een gevoel van sympathie en voor de eerste maal, sedert ik van Arthur gescheiden was, maakte zich een onbeschrijflijk gevoel van mij meester, dat mij vertrouwen en genegenheid inboezemde, evenals in dien goeden tijd, toen vrouw Barberin mij zoo liefderijk aanstaarde, vóór zij mij een kus gaf. Vitalis was dood, ik stond dus heel verlaten op de wereld en toch scheen het mij toe alsof ik niet geheel alleen was en hij nog naast mij stond.
--Ja, lieve Lize, sprak haar vader, terwijl hij zich over het kind heen boog; gij hebt gelijk, het smart hem, maar ik moet hem toch de waarheid vertellen, want als wij het niet deden, dan doet de politie het toch.
Hij ging toen voort mij mede te deelen, dat hij de politie gewaarschuwd had en deze Vitalis had medegenomen, terwijl men mij in het bed van Alexis, den oudsten zoon, gelegd had.
--En Capi, vroeg ik, toen hij zweeg.
--Capi?
--Ja, de hond.
--Ik weet het niet, hij is plotseling verdwenen.
--Hij is de baar gevolgd, zeide een van de kinderen.
--Hebt gij hem gezien, Benjamin?
--Ik geloof het wel, hij volgde de dragers met hangenden kop en van tijd tot tijd zelfs sprong hij op de burrie, en toen zij hem begroeven, liet hij een klagend geluid hooren alsof hij zacht huilde.
Arme Capi! hij, die zoo menigmaal als een goed acteur de begrafenis van Zerbino gevolgd was en dan altijd zulk een treurige houding wist aan te nemen en daarbij zoo steunde en jammerde, dat soms de kleinen aan zijn verdriet geloofden....
De tuinman en zijn kinderen lieten mij toen alleen en zonder zelf recht te weten wat ik deed of wat ik wilde doen, stond ik op.
Mijn harp lag aan het voeteinde van mijn bed; ik hing het koord om mijn hals, en begaf mij naar de kamer, waar de tuinman en zijn kinderen zaten. Ik moest wel vertrekken, maar waarheen, dat wist ik niet.... ik had er zelfs niet het minste begrip van, maar ik gevoelde dat ik vertrekken moest.... en ik vertrok.
Toen ik in het zachte bed ontwaakte, gevoelde ik mij niet ziek, een weinig stijf en mijn hoofd brandde mij als vuur; maar toen ik eenmaal op was, dacht ik, dat ik zou neerstorten en ik moest mij aan een stoel vastgrijpen. Toch, na een oogenblik gerust te hebben, opende ik de deur en toen was ik weder bij den tuinman en de kinderen.
Zij zaten aan een tafel, bij een helder vuur, dat in een hoogen schoorsteen brandde, en ze waren bezig een lekkere warme soep te eten.
De reuk van de soep wekte weder mijn honger op; ik voelde dat ik in onmacht raakte en wankelde. Mijn machteloosheid lag op mijn gelaat te lezen.
Zijt gij niet wel, mijn jongen? vroeg de tuinman mij op deelnemenden toon.
Ik antwoordde, dat ik mij ongesteld gevoelde en, als men het mij toestond, ik gaarne een oogenblik bij het vuur ging zitten.
Maar aan warmte gevoelde ik thans geen behoefte, meer aan voedsel; het vuur bracht mij niet bij en de damp, die uit den soepketel steeg, het rinkelen der borden, het klokken van de tong van hen, die aten, dat alles deed mijn zwakte nog toenemen.
Als ik gedurfd had, zou ik om een bord soep gevraagd hebben, maar Vitalis had mij geen bedelen geleerd en ook had de natuur mij niet tot een bedelaar geschapen; liever zou ik van honger omgekomen zijn dan mijn honger bekend te hebben. Waarom, dat weet ik zelf niet; misschien omdat ik nooit om iets heb willen vragen, wat ik niet terug heb kunnen geven.
Het meisje met haar verwonderde oogen, dat geen woord sprak en door haar vader Lize genoemd werd, had haar lepel nedergelegd en staarde mij onafgebroken aan. Eenklaps stond zij van tafel op, nam haar bord, dat nog vol soep was en bracht dat mij.
Ik deed een poging om haar ervoor te bedanken, daar ik zelf de kracht tot spreken miste; maar hiertoe liet haar vader mij zelfs den tijd niet.
--Neem het gerust aan, mijn jongen; wat Lize geeft is goed gedaan en als ge trek hebt, is er nog wel weer een ander te krijgen.
Als ik trek had! Het bord soep was in een oogwenk ledig. Toen ik mijn lepel neerlegde, uitte Lize, die voor mij was blijven staan, een onverstaanbaren kreet, hetgeen thans geen zucht maar een uitroep van tevredenheid beduidde. Zij nam toen het bord en reikte het haren vader over om het nogmaals te vullen; toen het gevuld was, bracht zij het mij weder, met een glimlach zoo zacht en bemoedigend, dat ik ondanks mijn honger, een oogenblik dien honger vergat en het bord niet aannam.
Evenals de eerste maal, was de soep in een oogwenk verdwenen; geen glimlach speelde er meer om de lippen van de kinderen, die mij omringden; allen lachten luidkeels.
--Wel, vriendje, sprak de tuinman, gij zijt een goede eter.
Ik kleurde tot achter de ooren; maar ik begreep terstond, dat ik beter deed, hem de waarheid te zeggen, dan mij van gulzigheid te laten beschuldigen, en ik gaf hem daarop ten antwoord, dat ik sedert den vorigen dag niets gegeten had.
--En ontbeten?
--Ook niet ontbeten.
--En uw meester?
--Hij had evenmin iets gegeten.
--Dus is hij eigenlijk van honger en koude omgekomen.
De soep had mij weder kracht gegeven, ik stond op om te vertrekken.
--Waar wilt gij heen? vroeg de vader.
--Vertrekken.
--Waarheen wilt gij gaan?
--Dat weet ik niet.
--Hebt gij vrienden in Parijs?
--Neen.
--Geen menschen, die uit dezelfde streek komen als gij?
--Niemand.
--Waar woont gij?
--Wij hadden geen woning; wij zijn eerst gisteren hier gekomen.
--Wat wilt gij doen?
--Op de harp spelen, liedjes zingen om daarmede mijn kost te verdienen.
--Waar?
--Te Parijs.
--Gij zoudt beter doen met naar uw land, naar uw bloedverwanten of ouders terug te keeren.
--Ik heb geen ouders.
--Gij zeidet dat die grijsaard uw vader niet was?
--Ik heb geen vader.
--En uw moeder?
--Ik heb geen moeder.
--Gij hebt toch stellig wel een oom of tante, een nicht of neef?
--Neen, niemand.
--Waar komt gij vandaan?
--Mijn meester heeft mij gekocht van den man van mijn voedster. Gij hebt mij met goedheid behandeld en ik ben u daarvoor hartelijk dankbaar; zoo gij wilt, zal ik Zondag terugkomen en voor u op de harp spelen, als u dat genoegen kan doen.
Al pratende, was ik de deur genaderd; maar nauwelijks had ik eenige schreden gedaan of Lize, die mij gevolgd was, greep mij bij de hand en wees lachende op mijn harp.
Ik kon mij niet bedriegen.
--Wilt gij, dat ik voor u speel?
Zij knikte toestemmend en klapte in de handen.
--Kom, ja, speel een deuntje.
Ik nam mijn harp en hoewel ik niet den minsten lust tot dansen gevoelde, begon ik een wals te spelen, die ik het best kende. O, hoezeer wenschte ik toen te kunnen spelen als Vitalis, om het jonge meisje genoegen te geven, wier oogen mij tot diep in de ziel roerden!
Eerst luisterde zij, terwijl zij mij bleef aanstaren, maar daarop begon zij de maat met haar voetjes te trappelen; spoedig echter, alsof zij door de muziek werd medegesleept, begon zij in de keuken te dansen, terwijl haar twee broeders en zuster rustig bleven zitten; zij walste echter niet, maakte ook niet de gewone passen, maar draaide en wendde zich geheel verrukt in de meest bevallige en sierlijke houdingen.
Haar vader, die bij den schoorsteen zat, verloor haar geen oogenblik uit het oog; hij scheen getroffen en klapte telkens in de handen.
Toen de wals geëindigd was, hield ik op met spelen. Zij ging toen voor mij staan en maakte een diepe buiging. Zij klopte vervolgens met haar vinger op mijn harp, hetgeen wilde zeggen: "speel het nogmaals."
Ik zou den geheelen dag wel voor haar hebben willen spelen, maar haar vader zeide, dat het lang genoeg geduurd had, daar hij vreesde, dat zij te vermoeid zou worden.
Inplaats van een wals of een dans te spelen, zong ik een napolitaansch lied, dat Vitalis mij geleerd had, en dat mijn lievelingsstukje was.
Zoodra Lize dat hoorde, ging zij tegenover mij staan en terwijl zij mij strak aanzag, bewoog zij hare lippen, alsof zij mijne woorden herhaalde; toen mijn lied droever werd, ging zij eenige passen achteruit en bij het laatste couplet viel zij snikkend in haar vaders armen.
--Genoeg, zeide deze.
--Hoe dwaas! riep haar broeder Benjamin, om eerst te dansen en dan te huilen.
--Niet zoo dwaas als gij! Zij begrijpt het, sprak haar zuster, terwijl zij zich over haar heenboog om haar te kussen.
Terwijl Lize zich in haar vaders armen had geworpen, hing ik de harp om mijn hals en begaf mij naar de deur.
--Waar gaat gij heen? vroeg hij weder.
--Ik ga weg.
--Gij houdt dus zeer veel van muziek?
--Ik ken niets anders.
--Gij zijt dus niet bang om alleen zulke verre tochten te maken?
--Ik heb geen thuis.
--Toch zullen de nacht en de angsten, die gij doorgestaan hebt, u wel tot nadenken gebracht hebben?
--Zeker, en ik houd ook meer van een goed bed en een knappend vuur.
--Wenscht gij dat bed en dat vuur, tenminste als gij ervoor werken wilt, wel te verstaan? Als gij wilt, kunt gij hier werk vinden en bij ons blijven. Gij begrijpt, dat ik u geen schatten kan aanbieden, maar evenmin dat ik luiheid zou dulden. Wanneer gij het aanneemt, dan zult gij u veel moeite moeten getroosten, des morgens vroeg opstaan, overdag hard werken, en uw geld in het zweet uws aanschijns verdienen. Maar gij kunt op een stuk brood staatmaken; 's nachts zult ge niet meer onder den blooten hemel behoeven te slapen, en geen gevaar loopen van in een sloot of greppel om te komen; 's avonds zult gij uw bed gespreid vinden, en wanneer gij de soep eet, dan zult ge de voldoening genieten, dat gij ze zelf verdiend hebt, hetgeen ze nog wel dubbel zoo lekker smaken doet; dat verzeker ik u. En wanneer gij een oppassende jongen zijt--wat ik wel geloof--dan zult gij door ons als kind behandeld worden.
Lize had zich omgewend en door haar tranen heen, zag zij mij lachend aan.
Door dit voorstel verrast, bleef ik een oogenblik besluiteloos staan, zonder mezelf rekenschap te geven van hetgeen ik hoorde.
Lize kwam toen naar mij toe en mij bij de hand nemende, trok zij mij voort naar een gekleurde plaat, die tegen den muur hing: zij stelde den heiligen Johannes voor in een schapevacht.
Zij wenkte haar vader en broeders om naar de plaat te zien en tegelijkertijd strekte zij de hand naar mij uit, streek over mijn schapevacht en wees naar mijn haren, welke, evenals die van Johannes, in het midden gescheiden waren en golvend over mijn schouders hingen.
Ik begreep, dat zij een gelijkenis tusschen Johannes en mij vond en zonder te weten waarom, deed mij dit toch genoegen en trof het mij.
--Het is waar, sprak haar vader; hij lijkt op den heiligen Johannes.
Lize klapte in de handen.
--Welnu, hernam haar vader, op zijn voorstel terugkomende; hebt gij lust om in ons gezin te worden opgenomen?
Een gezin!
Ik zou dus een gezin hebben! O, hoe menigmaal bleek deze geliefkoosde droom ijdel geweest te zijn: vrouw Barberin, mevrouw Milligan, Vitalis, de een na de ander waren mij ontvallen.
Ik zou niet langer alleen op de wereld zijn.
Mijn toestand was vreeselijk: ik had een man zien sterven, met wien ik jaren achtereen geleefd had en die voor mij altijd een vader was geweest. Op hetzelfde oogenblik had ik een metgezel verloren, een makker, een vriend, mijn goeden, besten Capi, van wien ik zooveel hield en die ook een groote gehechtheid voor mij had opgevat en toch, toen de tuinman mij voorstelde om bij hem te blijven, begon ik weder eenig vertrouwen in mijn toekomst te stellen.
Alles was dus nog niet voor mij verloren: het leven kon dus weder voor mij beginnen.
En wat mij nog het meest aantrok, meer nog dan het brood, dat ik verdienen zou, was die kring, dat huiselijk leven, dat men mij beloofde.
Die jongens zouden mijne broeders zijn.
Die mooie lieve Lize mijne zuster.
In mijn kinderlijke droomen had ik mij meer dan eens voorgesteld, dat ik mijn vader en moeder zou weervinden, maar nooit had ik aan broeders en zusters gedacht.
En nu boden zij zich aan.
Zij waren het niet in werkelijkheid, dat was waar, maar door hun vriendschap konden zij het worden; ik behoefde ze daarvoor slechts lief te hebben (en ik voor mij wenschte niets liever) en om mij door hen te laten beminnen zou niet moeilijk zijn, want zij schenen mij allen even goed toe.
Haastig ontdeed ik mij van mijn harp.
--Dat is zijn antwoord, zeide de vader lachende, en het is een goed ook, want men ziet dat het u genoegen geeft. Hang uw instrument aan dien spijker, mijn jongen, en wanneer de dag soms mocht aanbreken, waarop gij het niet langer met ons vinden kondt, dan neemt gij het daar weder af om te vertrekken; als gij dan maar het voorbeeld van de zwaluwen en de nachtegalen volgt en een beter jaargetijde tot reizen kiest.
Het huis, voor welks deur wij ons ter ruste hadden gelegd, behoorde aan de _Glacière_ en de tuinman, die het bewoonde, heette Acquin. Toen ik door hem in zijn huiselijken kring opgenomen werd, bestond zijn gezin uit vijf personen: de vader, dien men vader Peter noemde, twee zoons Alexis en Benjamin, en twee dochters, Martha de oudste en Lize de jongste der kinderen.
Lize was stom, maar niet stom geboren; dat wil zeggen, dat geen doofheid van haar gebrek de oorzaak was. Twee jaar lang had zij gesproken, maar plotseling, kort vóór haar vierde jaar, had zij haar spraak verloren, tengevolge van hevige stuipen. Gelukkig echter had het op haar verstand geen invloed uitgeoefend; dit had zich integendeel met een buitengewone snelheid ontwikkeld; zij begreep niet alleen alles, maar wist ook alles uit te drukken. In arme gezinnen en dikwijls zelfs bij gezeten families ook wordt zulk een kind verstooten of aan zijn lot overgelaten.
Maar dit was met Lize het geval niet geweest; haar lieftalligheid en levendige geest, haar zacht en goedhartig karakter hadden haar voor zulk een rampzalig lot weten te bewaren. Haar broeders zorgden altijd, dat zij haar ongeluk vergat; de vader had slechts oogen voor haar en de oudste zuster aanbad haar.
Vroeger was het recht van den oudste bij adellijke geslachten een groot voordeel; tegenwoordig is het bij arbeidersfamiliën dikwijls een groote verantwoordelijkheid, welke de eerstgeborene erft. De vrouw van Acquin was een jaar na de geboorte van Lize gestorven en sedert dien dag was Martha, die slechts twee jaar ouder was dan haar broeder, een moeder voor het gezin geworden. Inplaats van naar school te gaan, moest zij tehuis blijven, het eten klaarmaken, het linnengoed van haar vader en broeders herstellen en Lize verzorgen; men had vergeten, dat zij de dochter, de zuster was en was haar spoedig als een dienstbode gaan beschouwen, die men zelfs in geen enkel opzicht ontzag, want men wist, dat zij nooit zou wegloopen of boos worden.
Martha had geen jeugd gekend, want toen ze nog een kind was, droeg ze Lize reeds in haar armen, paste op Benjamin, werkte den ganschen dag voor het huishouden, stond 's morgens reeds vroeg op, om haar vader, vóór dat hij zich naar de markt begaf, zijn soep te geven, ging laat te rust om alles op te bergen; waschte het linnengoed, begoot de bloemen, zoodra zij een uurtje vrij had, en verliet menigmaal des winters midden in den nacht haar bed om de stroomatten uit te leggen, wanneer de vorst plotseling was ingevallen. Op haar veertiende jaar lag er op haar gelaat een treurige, zwaarmoedige trek, alsof zij reeds dertig jaar oud was, maar tevens een uitdrukking van zachtheid en onderwerping.
Nog geen vijf minuten hing mijn harp aan den spijker, terwijl ik nog bezig was mijn lotgevallen te vertellen, of wij hoorden krabben tegen de deur en een klagend geblaf.
--Dat is Capi! zeide ik opstaande.
Maar Lize was mij reeds voor, zij snelde naar de deur en opende ze.
De arme Capi was in een sprong bij mij en, toen ik hem in mijn armen drukte, lekte hij mijn gezicht en gaf door een zacht janken zijn blijdschap te kennen: hij beefde over zijn geheele lichaam.
--En Capi? vroeg ik.
Mijn vraag werd goed verstaan.
--Wel, Capi blijft bij u.
Het was of hij het begreep, want hij sprong op den grond en terwijl hij den rechterpoot op zijn hart legde, maakte hij een buiging.
Hierin hadden de kinderen groot pleizier en vooral Lize, maar toen ik Capi een stuk van zijn repertoire wilde laten spelen, weigerde hij mij te gehoorzamen en sprong weder op mijn knieën om mij te lekken; daarop begon hij mij aan de mouw van mijn jas te trekken.
--Hij wil dat ik zal uitgaan.
--Om u bij uw meester te brengen.
De politie, die Vitalis had medegenomen, had gezegd, dat zij mij een verhoor zou doen ondergaan en in den loop van den dag zou terugkomen. De tijd viel mij lang. Ik verlangde naar eenige tijding van Vitalis. Misschien was hij niet dood, zooals men meende. Ik was ook niet dood. Hij kon, evenals ik, uit zijn bewusteloosheid ontwaakt zijn.