Alleen op de Wereld

Chapter 16

Chapter 164,183 wordsPublic domain

--Neen, zeker niet, zeide hij.

--Geef het mij, dan wordt de soep beter.

--Als gij meent, dat ik het voor de soep medegebracht heb, dan vergis je je, want ik heb niet meer dan vijftien stuivers kunnen ophalen en ik reken op dit hout, om mij de vijf stuivers, die mij ontbreken, niet te duur door Garofoli te laten betalen.

--Dat zal dat stuk hout niet beletten; je moet ze toch betalen, ieder krijgt zijn beurt.

Mattia zeide dit op bitsen toon, alsof hij blijde was, dat zijn makker ook eens gestraft zou worden. Ik was verbaasd over den harden trek, die er plotseling op zijn zacht gelaat kwam. Eerst later heb ik begrepen, dat, wanneer men aanhoudend met slechte menschen omgaat, men zelf ook slecht wordt.

Het uur, waarop de leerlingen van Garofoli gewend waren tehuis te komen, scheen aangebroken te zijn; na het eene kind met het stuk hout, kwam het tweede en na dit nog wel tien anderen. Elke jongen hing, zoodra hij binnenkwam, zijn instrument aan een spijker boven zijn bed; de een zijn viool, de ander een harp, een derde een fluit of _piva_; zij, die geen muzikanten waren, maar slechts met dieren rondliepen, gingen hun marmotten of barbarijschen biggen voedsel geven.

Een zware tred klonk op de trap; ik voelde, dat het Garofoli was; ik zag daarop een klein, beweeglijk mannetje, met een waggelenden gang binnentreden: hij droeg geen italiaansche kleederdracht, maar had een grijze overjas aan.

Hij wierp het eerst een blik op mij; een blik, die mijn hart deed verstijven.

--Wat doet die jongen hier?

Mattia haastte zich om hem zoo beleefd mogelijk te antwoorden en hem mede te deelen wat Vitalis hem opgedragen had.

--O, is Vitalis in Parijs, antwoordde hij, wat wil hij van mij?

--Dat weet ik niet, hernam Mattia.

--Ik spreek niet tot jou, maar wel tot dien knaap.

--De _padrone_ komt zoo straks, zeide ik, zonder hem de waarheid te durven vertellen: hij zal u zelf wel zeggen wat hij wenscht.

--Nu, dat ventje weet zijn woorden te wikken en te wegen. Gij zijt geen Italiaan?

--Neen, ik ben een Franschman.

Zoodra Garofoli binnengekomen was, waren twee knapen hem genaderd en eerbiedig naast hem blijven staan, totdat hij uitgesproken had. Wat wilden zij van hem? Spoedig zou ik een antwoord ontvangen op deze vraag, die mijn nieuwsgierigheid gaande had gemaakt.

De een nam zijn hoed en legde dezen zorgvuldig op een bed; de ander schoof een stoel naderbij; dit alles gebeurde met den grootsten eerbied en plechtigheid en hieruit kon men opmaken hoe gevreesd Garofoli was, want zeker was het niet uit genegenheid, dat zij hem met zooveel ijver bedienden.

Toen Garofoli gezeten was, bracht een andere knaap hem zijn pijp, die gestopt was en een vierde snelde met een brandende lucifer naar hem toe.

--Die ruikt naar zwavel, kwajongen! riep hij, toen hij de lucifer bij zijn pijp bracht en hij wierp ze in de kachel.

De schuldige haastte zich om den misslag te herstellen. Hij nam eene andere lucifer, die hij weder aanstak en na ze even te hebben laten branden zijn meester aanbood.

Maar deze nam ze niet aan:

--Jij niet, domkop, zeide hij, terwijl hij hem van zich afstiet. Daarop wendde hij zich met een glimlach, hetgeen zeker een bewijs van zijn gunst was, tot een anderen knaap:

--Riccardo, beste jongen, geef mij eens een lucifer.

En de beste jongen voldeed fluks aan zijn verlangen.

--En nu, begon Garofoli, toen hij alles had, wat hij behoefde en zijn pijp brandde, nu zullen we onze rekeningen eens opmaken, beste jongens. Mattia, geef het boek.

Het was inderdaad een groote gunst, wanneer Garofoli zich verwaardigde te spreken, want zijn leerlingen toonden zich zoo bezorgd om aan zijn minste wenschen te voldoen, dat zij ze reeds gisten, vóór hij ze nog te kennen gegeven had.

Nauwelijks had hij het gevraagd, of Mattia bracht hem een vuil boek.

Garofoli wenkte en het kind, dat hem een verkeerde lucifer gegeven had, trad naderbij.

--Ik moet nog een stuiver van gisteren van je hebben; je hebt beloofd, dat je mij die vandaag zoudt geven; hoeveel breng je er mij thans?

De knaap aarzelde eer hij antwoord gaf; een donkere blos overtoog zijn gelaat.

--Ik kom een stuiver te kort.

--Zoo, een stuiver, en gij durft mij dat zoo kalm mededeelen?

--Het is niet de stuiver van gisteren; het is de stuiver, dien ik vandaag moet geven.

--Dan zijn het twee stuivers? Ik heb nooit zoo'n jongen gezien.

--Ik kan het niet helpen.

--Geen onzin; gij kent onze wetten: maak uw kiel los; twee slagen voor gisteren en twee voor vandaag; en bovendien krijgt gij voor uw schandelijke onbeschaamdheid vanmiddag geen aardappelen. Riccardo, beste jongen, gij hebt door zoo goed op te passen, wel eene belooning verdiend; haal de riem.

Riccardo was de knaap, die de goede lucifer gegeven had; hij nam van den muur een karwats met een kort handvatsel, en dat uit twee lederen riemen met dikke knoopen bestond. In dien tusschentijd knoopte de schuldige zijn kiel los en liet zijn hemd tot aan zijn middel toe zakken.

--Wacht even, zeide Garofoli met een boozen lach, gij zijt misschien de eenige niet en het is altijd prettig om gezelschap te hebben; bovendien is Riccardo er dan met één keer af.

De kinderen stonden onbeweeglijk voor hun meester; deze wreede spotternij perste hun allen een gedwongen lachen af.

--Ik ben er zeker van, vervolgde Garofoli, dat hij, die het hardst lacht, de meeste stuivers te kort komt. Wie heeft er hard gelachen?

Allen wezen naar den knaap, die het eerst met zijn blok hout tehuis gekomen was.

--Nu, zeg eens eerlijk, hoeveel kom jij te kort? vroeg Garofoli.

--Ik kan het niet helpen.

--Voortaan zal hij, die zegt: "ik kan het niet helpen", een zweepslag meer krijgen, dan hem toekomt; hoeveel ontbreken er bij je?

--Ik heb een stuk hout medegebracht; dit mooie stuk hout.

--Dat is wat; ga er mede naar den bakker en vraag hem in ruil een brood. Zal hij het je geven? Hoeveel stuivers komt ge te kort? Kom, spreek.

--Ik heb vijftien stuivers.

--Vijf stuivers ontbreken er dus aan, ellendige schooier, vijf stuivers, en gij durft nog vóór me verschijnen! Riccardo, je bent een gelukkige duivel! Je zult pleizier ervan hebben! Doe je vest los.

--Maar mijn blok hout!

--Ik geef het je voor je middagmaal.

Deze domme scherts deed de andere jongens, die niet veroordeeld waren, lachen.

Gedurende dit verhoor waren een tiental knapen binnengekomen; allen kwamen op hun beurt met hem afrekenen; behalve de twee eersten, kwamen er nog drie, welke evenmin het aantal stuivers hadden opgehaald.

--Vijf schelmen bestelen en plunderen mij dus? riep Garofoli met donderende stem; dat komt ervan, wanneer men te edelmoedig is; waarvan, denkt gij wel, dat ik het vleesch en de aardappelen, die ik je geef, betalen moet, als jelui niet werken wilt? Gij speelt liever; wie in het bosch is, moet met de wolven huilen en gij lacht liever. Gelooft gij niet, dat ge beter deedt, wanneer gij schijnbaar huilend uw hand uitsteekt, dan wanneer gij in ernst huilt en me den rug toekeert? Kom, trek uw jassen uit!

Riccardo stond met zijn zweep in de hand, en de vijf schuldigen om hem geschaard.

--Gij weet, Riccardo, dat ik niet naar je omzie; want ik kan niet tegen zulke bestraffingen; maar ik hoor ze wel, en daaruit kan ik zeer goed opmaken, met hoeveel kracht je ze geeft: doe het maar met hart en ziel, mijn jongen, je werkt voor je brood.

En hij ging met zijn gelaat naar het vuur staan, alsof hij onmogelijk deze tuchtiging zien kon. Ik zat in een hoekje te sidderen van verontwaardiging en angst. Deze man zou mijn meester worden; als ik de twintig of dertig stuivers, die hij van mij eischen kon, niet ophaalde, zou ik Riccardo ook mijn rug moeten aanbieden. O, ik begreep toen, waarom Mattia zoo kalm en met eenig verlangen over zijn dood spreken kon.

Toen ik den eersten zweepslag hoorde, sprongen de tranen mij in de oogen. Ik dacht, dat niemand op mij lette, maar ik had mij bedrogen, want Garofoli sloeg mij gade, hetgeen hij ook spoedig blijken liet.

--Dat kind heeft een goed hart, zeide hij, terwijl hij met zijn vinger naar mij wees; hij is niet zooals jelui, die allen groote schelmen zijt en om je makkers ongeluk en mijn verdriet lacht. Al behoort hij niet tot jelui, neem toch maar een voorbeeld aan dien makker.

Het woord makker deed mij van het hoofd tot de voeten rillen en beven.

Garofoli hief zijn hand op en Riccardo liet de zweep hangen.

Ik dacht, dat hij hun genade wilde schenken, maar daarom was het hem niet te doen.

--Gij weet hoe slecht ik dat gillen kan verdragen, zeide Garofoli op vriendelijken toon tot zijn slachtoffer; gij weet, dat al doet de zweep je op je huid pijn, je kreten mij nog meer aan het hart gaan; ik waarschuw je dus, voor elk nieuwe gil krijgt gij een zweepslag meer: en dan is het je eigen schuld; pas op, dat gij mij niet van verdriet ziek maakt; als gij een weinig van mij hieldt, een beetje dankbaarheid gevoeldet, zoudt ge je mond houden. Kom, vooruit Riccardo!

Deze hief de zweep op en de riem viel weder op den rug van den ongelukkige.

--Moeder! moeder! riep deze.

Gelukkig behoefde ik niet langer van dit tooneel getuige te zijn, want de deur ging open en Vitalis trad binnen.

Met een oogopslag begreep hij de kreten, die hij op de trap gehoord had; hij snelde naar Riccardo toe en rukte hem de zweep uit de handen; daarop keerde hij zich tot Garofoli en zag hem ernstig aan, terwijl hij zijn armen over de borst kruiste.

Dit alles had zoo snel plaats gehad, dat Garofoli een oogenblik als verstomd staan bleef, maar hij herstelde zich spoedig en zeide met zijn zoetsappigen glimlach:

--Niet waar, het is vreeselijk; die jongen heeft geen hart.

--Het is een schande! riep Vitalis.

--Dat zeg ik ook, viel Garofoli hem in de rede.

--Geen gekheid, vervolgde mijn meester ernstig, gij weet wel, dat ik niet tot dien knaap spreek, maar tot u; ja, het is een schande, een laagheid om kinderen, die zich niet verdedigen kunnen, zoo te mishandelen.

--Waar bemoeit gij u mede, oude dwaas? vroeg Garofoli, plotseling van toon veranderende.

--Waar de politie zich mede bemoeien moest.

--De politie! riep Garofoli, terwijl hij opstond; gij dreigt mij met de politie?

--Ik, ja, ik, hernam Vitalis zonder zich door den boozen _padrone_ van zijn stuk te laten brengen.

--Luister Vitalis, begon deze op bedaarden, zelfs eenigszins spottenden toon, gij moet u niet zoo boos toonen, en mij dreigen, dat gij klappen zult, want ik zou van mijn kant evengoed dat kunnen doen. En wie zou er dan het ergst aan toe zijn? Gij kunt erop rekenen, dat ik er niets van aan de politie zeggen zal; uw zaken gaan haar niets aan. Maar er zijn andere menschen, die er belang in stellen en als ik hun eens vertelde wat ik wist, als ik hun maar een naam, een enkelen naam noemde, wie zou dan zijn schande moeten verbergen?

Mijn meester zweeg een oogenblik. Zijn schande! Ik stond versteend. Vóór ik den tijd nog gehad had om van mijn verbazing, door deze zonderlinge woorden opgewekt, te bekomen, had hij mij bij de hand genomen.

--Volg mij.

Hij trok mij mede naar de deur.

--Kom, zeide Garofoli lachende, laten we weer goede vrienden zijn, oude: gij wildet mij spreken.

--Ik heb u niets meer te zeggen.

En zonder een woord verder te uiten, zonder zich zelfs om te keeren, ging hij de trap af, mij altijd vasthoudende. Met welk een verlicht hart volgde ik hem! Ik ontsnapte dus aan Garofoli; als ik gedurfd had, zou ik Vitalis wel hebben willen omhelzen.

XVIII.

DE STEENGROEVEN VAN GENTILLY.

Zoolang wij op straat en onder de menschen waren, liep Vitalis, zonder een woord te spreken, voort, maar toen wij een stil en afgelegen gedeelte der stad bereikt hadden, ging hij op een paal zitten, en wreef met de hand over het voorhoofd, hetgeen hij altijd deed, wanneer hij in verlegenheid was.

--Het is heel mooi en wel om aan zijn goed hart gehoor te geven, zeide hij, alsof hij tot zich zelf sprak, maar met dat al staan wij nu op straat, zonder een cent in den zak, of een stuk brood in de maag. Hebt gij honger?

--Ik heb na het korstje brood, dat gij mij vanmorgen gegeven hebt, niets meer gegeten.

--Arme jongen! en waarschijnlijk zult gij vanavond zonder eten naar bed moeten gaan, en als ik dan nog maar wist, waar we een nachtverblijf zullen vinden.

--Gij waart dus van plan, om bij Garofoli den nacht door te brengen?

--Ik meende u bij hem te laten, en daar hij mij een gulden of tien gegeven zou hebben, wanneer ik u den geheelen winter bij hem liet, zou ik voor het oogenblik zelf ook geholpen zijn. Maar toen ik zag, hoe hij de kinderen behandelde, toen kon ik mezelf niet langer meester blijven. Gij hebt immers geen lust om bij hem te blijven?

--Gij zijt zoo goed voor me!

--Misschien is het jonge hart nog niet geheel en al bij den ouden zwerver uitgedoofd. Ongelukkig echter heeft de grijsaard goed gerekend en had de jonkman het mis. Waar zullen we thans heengaan?

Het was reeds laat en de koude, die overdag minder streng was geweest, was thans aanmerkelijk toegenomen; de wind was noord geworden en de nacht zou waarschijnlijk zeer koud wezen.

Vitalis bleef geruimen tijd op den paal zitten, terwijl Capi en ik onbeweeglijk voor hem bleven staan totdat hij een beslissing genomen zou hebben. Eindelijk stond hij op.

--Waar gaan wij heen?

--Naar Gentilly en daar een steengroef opzoeken, waarin ik vroeger ook wel geslapen heb. Zijt gij moe?

--Ik heb bij Garofoli zitten uitrusten.

--Ongelukkig heb ik dat niet kunnen doen en ik kan thans niet meer voort. Toch moeten we verder; kom, vooruit kinderen!

Als hij dit zeide, was hij altijd in zijn schik; maar nu klonken die woorden toch treurig.

Wij liepen dus door de straten van Parijs; het was stikdonker en het gaslicht dat door den wind flikkerde, verlichtte den weg slecht; telkens gleden wij uit op de eene of andere bevroren plaats. Vitalis had mij bij de hand genomen, terwijl Capi ons volgde. Van tijd tot tijd echter bleef hij achter, om tusschen den een of anderen hoop vuil een beentje of een korstje brood te zoeken, want de honger kwelde ook hem; maar het vuil lag onder een ijskorst en zijn zoeken was tevergeefs; met hangende ooren haalde hij ons dan weder in.

Op de groote straten volgden de stegen, en na die stegen weder breede straten; wij liepen maar altijd voort, en de weinigen, die wij op onzen weg ontmoetten, staarden ons verbaasd na; was het onze kleeding of onze vermoeide gang, die de aandacht trok? De agenten van politie, die wij tegenkwamen, bleven stilstaan en sloegen ons een oogenblik gade.

Vitalis liep bijna in tweeën gebogen, zonder een woord te spreken, voort; ondanks de koude, voelde ik zijn hand in de mijne branden; het scheen mij toe, dat hij beefde. Als hij stilstond, om even op mijn schouder te rusten, dan voelde ik, dat een schok door zijn gansche lichaam ging.

Gewoonlijk durfde ik hem niet lastig vallen met vragen, maar ditmaal brak ik met die gewoonte; ik had dan ook behoefte om hem te vertellen, dat ik van hem hield, of tenminste, dat ik gaarne iets voor hem wenschte te doen.

--Gij zijt ziek! zeide ik, toen wij weder stilstonden.

--Ik geloof het ook; in elk geval ben ik doodmoe; die groote tochten zijn voor mijn leeftijd niet meer geschikt en de koude is te heftig voor mijn bloed: ik had een goed bed noodig, een avondmaal in eene warme kamer bij een goed vuur. Maar van dat alles kan niets gebeuren. Kom, vooruit kinderen!

Vooruit! Wij waren nu buiten de stad; of liever wij hadden thans geen huizen meer aan onze zijde; nu eens hadden we aan weerskanten een lange rij muren, dan weder bevonden we ons op het vlakke land. Geen voorbijgangers, geen politieagent noch gaslantaarnen waren op dezen weg te zien; een enkelen keer slechts een verlicht venster en boven ons hoofd een donkerblauwe hemel met eenige sterren. De scherpe en hevige wind deed onze kleeren aan ons lichaam bevriezen; gelukkig echter woei hij in onzen rug, maar daar de naad van mijn jas getornd was, blies hij door die opening tegen mijn arm, wat mij niet verwarmde.

Hoewel het donker was en verscheidene wegen elkander kruisten, liep Vitalis toch steeds voort, als iemand die goed den weg kent; ik volgde hem dan ook zonder een oogenblik bevreesd te zijn, dat wij zouden verdwalen, slechts verlangende, dat wij eindelijk de steengroef zouden bereiken.

Eensklaps echter bleef hij stilstaan.

--Ziet gij daar ginds dat boschje boomen? vroeg hij.

--Ik zie niets.

--Ziet gij geen donkere massa?

Ik zag eerst goed rond, vóór ik hem antwoord gaf; wij moesten ons midden op een vlakte bevinden, want mijn blik verloor zich in de duisternis, zonder iets te bespeuren, wat naar boomen of huizen geleek; nergens ontdekte ik eenig teeken van leven; geen ander geluid dan het gieren van den wind, die over den bodem heenstreek.

--O, had ik uw oogen maar, sprak Vitalis, maar ik zie slecht; kijk ginds eens.

Hij wees recht vóór zich, maar daar ik hem toen nog geen antwoord gaf, want ik durfde hem niet bekennen, dat ik niets zag, begon hij weder voort te loopen.

Eenige oogenblikken zwegen wij, maar daarop bleef hij weder stilstaan en vroeg hij nogmaals of ik geen boschje boomen zag. Ik was toen niet even zeker van mijn zaak als een oogenblik te voren en een onbestemde angst overweldigde mij, toen ik antwoordde, dat ik weder niets zag.

--Het is de angst die u alles zoo verkeerd doet zien.

--Ik verzeker u, dat ik geen boomen zie.

--Ook geen breeden weg?

--Ik zie niets.

--Dan hebben we ons vergist.

Ik wist niet wat hierop te antwoorden, want ik kon niet zeggen waar wij ons bevonden, noch waarheen we ons begaven.

--Laten wij nog vijf minuten voortloopen, en wanneer wij dan nog geen boomen zien, dan keeren wij terug; ik heb mij zeker in den weg vergist.

Nu ik begreep, dat wij verdwaald waren, nu begonnen ook mij de krachten te ontbreken.

Vitalis trok mij bij den arm mede.

--Wat is er?

--Ik kan niet meer loopen.

--En denkt ge dan, dat ik u zou kunnen dragen? Wat mij nog staande houdt is de gedachte, dat, wanneer wij gaan zitten, wij niet weder op kunnen staan en van koude zouden sterven. Kom, vooruit!

Ik volgde hem.

--Zijn er op den weg diepe voren?

--Er zijn er in het geheel geen.

--Dan moeten wij omkeeren.

De wind, dien wij eerst van achteren gehad hadden, blies ons thans vlak in het gelaat en met zooveel hevigheid, dat het was of hij ons brandde.

In het gaan hadden wij niet snel kunnen loopen, maar in het terugkomen liepen wij nog langzamer.

--Wanneer gij voren ziet, waarschuw mij dan, zeide Vitalis; de goede weg moet links zijn; men herkent dien aan het kreupelhout bij den ingang.

Een kwartier lang liepen wij voort, worstelende tegen den wind; onze stappen weerklonken op den harden grond in dezen hollen nacht; hoewel ik eigenlijk het eene been niet meer voor het andere verzetten kon, trok ik thans Vitalis voort. Met hoeveel verlangen zag ik den weg aan de linkerzijde tegemoet.

In het donker zag ik eensklaps een klein roode ster schitteren.

--Een licht, sprak ik, mijn hand uitstrekkende.

--Waar?

Vitalis staarde voor zich uit, en hoewel het licht flikkerde op niet zeer grooten afstand, zag hij toch niets. Ik begreep hieruit dat zijn gezicht verzwakt was, want gewoonlijk kon hij ver zien.

--Wat doet er dat licht ook toe? zeide hij: het is de lamp, die op de tafel van den een of anderen arbeider brandt, of misschien wel haar schijnsel over het bed van een stervende werpt; wij kunnen aan die deur toch niet aankloppen. Op het land zouden wij des nachts een onderkomen kunnen vragen, maar in den omtrek van Parijs is men niet zoo gastvrij. Hier is geen huis voor ons open--kom vooruit!

Weder liepen wij eenige minuten voort; toen meende ik een weg te bespeuren, die den onzen doorsneed en op den hoek van dat pad een zwarte massa, dit moest het kreupelhout zijn. Ik liet de hand van Vitalis los om spoedig vooruit te komen. Deze weg was met voren doorploegd.

--Hier is het kreupelboschje; hier zijn de voren!

--Geef mij de hand, wij zijn gered: de groeve moet een minuut of vijf hier vandaan zijn; zie maar eens goed, dan zult gij het boschje boomen zien.

De hoop schonk ons weder kracht; mijn beenen werden minder zwaar; de grond scheen mij minder hard toe.

Toch waren voor mij die vijf minuten een eeuwigheid.

--Wij volgen nu reeds langer dan vijf minuten den goeden weg, sprak Vitalis, stilstaande.

--Dat geloof ik ook.

--Waar loopen de voren?

--Recht voor ons.

--De ingang van de steengroef moet rechts zijn; we zijn hem voorbijgegaan, zonder hem gezien te hebben; in dezen donkeren nacht is het bijzonder moeilijk; toch hadden wij erom moeten denken, dat wij te ver gingen.

--Ik verzeker u toch, dat de voren niet links afwijken.

--Hoe het ook zij, laten we maar omkeeren.

Wederom keerden wij terug.

--Ziet ge het boschje boomen?

--Ja, daar ginds, links.

--En de voren?

--Die zijn er niet.

--Ben ik dan blind? zeide Vitalis, terwijl hij de hand over de oogen streek; geef mij uw hand en laten we recht op de boomen toeloopen. Is er een muur?

--Een steenhoop?

--Neen, ik verzeker u, een muur.

Dat dit werkelijk zoo was, kon ik spoedig ontdekken, daar wij slechts weinige schreden van den muur verwijderd waren. Vitalis deed eenige passen en toen, alsof hij hem nog niet zag, legde hij zijn beide handen op den hinderpaal, dien hij een muur noemde, en dien ik voor een hoop steenen hield.

--Het is een muur, zeide hij; alle steenen zijn geregeld geschikt en ik voel de kalk: waar is dan toch de ingang? Zoek de voren.

Ik ging op den grond liggen en kroop den geheelen muur langs, zonder echter een voor te kunnen ontdekken; ik keerde toen naar Vitalis terug en stelde een zelfde onderzoek aan de tegenovergestelde zijde in. De uitslag was dezelfde, overal een muur; nergens kon men een opening bespeuren, noch een weg of diepe voren of het spoor dat ons den ingang verraadde.

--Ik zie niets dan sneeuw.

De toestand was onhoudbaar; ongetwijfeld was mijn meester verdwaald en de groeven, die hij zocht, waren niet in dezen omtrek.

Toen ik geen voren vinden kon, bleef mijn meester een oogenbik zwijgend staan; daarop drukte hij weder zijn handen tegen den muur en betastte dezen van alle kanten. Capi begreep van dit alles niets en blafte van ongeduld.

Ik liep achter Vitalis.

--Moeten wij nog verder zoeken?

--Neen, de groeve is ommuurd.

--Ommuurd?

--Men heeft den ingang gesloten, en wij kunnen onmogelijk daar binnen komen.

--Maar wat dan?

--Wat nu, niet waar? Ik weet het niet en er schiet ons niets anders over dan hier te sterven.

--O, meester!

--Ja, gij wilt niet sterven; gij zijt jong en aan het leven gehecht: welnu, gij kunt loopen; ga uw gang.

--Maar gij dan?

--Als ik niet meer voort kan, dan zal ik als een oud, versleten paard er bij neervallen.

--Waar moet ik heen?

--Naar Parijs terug; wanneer wij soms een politieagent tegenkomen, dan laten we ons naar het bureau van politie brengen; ik had dit willen vermijden, maar ik wil u niet van koude laten omkomen. Kom, Rémi, mijn jongen, vat moed.

En wij sloegen toen weder denzelfden weg in, dien wij reeds eenmaal hadden afgelegd. Hoe laat het was, daarvan kon ik mij volstrekt geen denkbeeld maken. Wij hadden reeds lang en zelfs zeer langzaam geloopen. Middernacht, misschien wel een uur later. De hemel bleef steeds donker; de maan scheen niet en slechts enkele sterren vertoonden zich, die echter veel kleiner dan anders geleken. De wind was inplaats van te gaan liggen, met dubbele kracht opgestoken. Telkens deed hij de sneeuw, die aan den kant van den weg opgestapeld lag, verstuiven en ons in het gelaat waaien. De huizen, die wij voorbijgingen, waren allen gesloten en donker: ik verbeeldde mij dat de bewoners, die onder hun dekens lagen te slapen, de deur voor ons zouden geopend hebben, indien ze wisten, hoe koud wij het hadden.

Als we maar hard waren gaan loopen, zouden we de koude nog hebben kunnen trotseeren, maar Vitalis kon slechts met moeite voort en moest telkens uitrusten; zijn ademhaling was snel en kort, alsof hij zeer haastig geloopen had. Toen ik hem iets vroeg, antwoordde hij niet, maar gaf met een gebaar van de hand te kennen, dat hij niet spreken kon.