Chapter 15
Dit was misschien nog het beste, waartoe wij in onzen toestand besluiten konden. En wanneer ik er nu nog aan denk, dan moet ik erkennen, dat mijn meester al zijn best gedaan heeft om ons uit dien hachelijken toestand te redden. Maar niet dezelfde gedachten bezielen ons wanneer wij in onze herinneringen de een of andere gebeurtenis herdenken, als op het oogenblik, toen deze plaats greep.
In hetgeen hij mij toen zeide, stonden twee dingen mij slechts duidelijk voor oogen:
Onze scheiding.
En de _padrone_.
Op onze tochten door dorpen en steden hadden wij verscheidene van die _padrones_ ontmoet, die de kinderen, welke zij in dien tusschentijd hadden gehuurd, met stokslagen gedrild hadden.
Zij geleken volstrekt niet op Vitalis; zij schenen mij wreed, onrechtvaardig en veeleischend toe, en waren meestal dronken en vloekten aanhoudend.
Het was zeer wel mogelijk, dat ik in handen van zulk een meester zou vallen.
En al voerde het toeval mij bij een die goedhartiger was, dan zou het toch eene groote verandering voor mij wezen.
Na mijn pleegmoeder, Vitalis.
Na Vitalis, alweer een ander.
Zou het altijd zoo met mij gaan?
Zou ik dan nooit, mijn geheele leven lang, aan iemand mij mogen hechten?
Langzamerhand had ik mij aan Vitalis gehecht, alsof hij mijn vader was.
Ik zou dus nooit een vader hebben?
Nooit een bloedverwant?
Zou ik dan altijd alleen op de wereld wezen?
Altijd op die groote wereld moeten rondzwerven, zonder mij ooit ergens te kunnen vestigen?
Op al die vragen had ik gaarne eenig antwoord gehad en zij waren mij bijna van de lippen gevloeid, zoo ik ze niet met moeite teruggehouden had.
Mijn meester had van mij moed en onderwerping gevraagd; ik wilde hem gehoorzamen en zijn verdriet niet vermeerderen.
Bovendien zat hij al niet meer naast me; alsof hij bang was al deze vragen te moeten aanhooren, die hij eveneens voorzien had, was hij eenige schreden vooruitgeloopen.
Ik volgde hem en spoedig hadden wij een rivier bereikt waarover een brug lag, die hier vreeselijk slikkerig was; de sneeuw was geheel zwart en men zakte tot aan de enkels in de modder.
Aan het einde van die brug bevond zich een dorp met enge straten; daarna was men weder geheel buiten, maar men zag hier geen arme woningen in vervallen toestand.
Op den weg volgden en kruisten elkander tal van rijtuigen. Ik ging naast Vitalis loopen en Capi kwam vlak achter ons.
Spoedig was men niet meer in de vrije natuur, maar kwamen wij in een straat, waarvan het einde niet te zien was; aan beide zijden verhieven zich huizen, maar het waren vuile, arme en lang zulke mooie huizen niet als te Bordeaux, te Toulouse en te Lyon.
De sneeuw lag hier en daar opgehoopt en op die zwarte stapels had men asch, verrotte groente en allerlei vuil geworpen; een onaangename lucht kwam ons tegemoet, de kinderen, die voor de deur speelden, zagen er bleek en ongezond uit; telkens reden zware wagens ons voorbij, die zij met de grootste behendigheid wisten te ontwijken zonder er ooit acht op te slaan.
--Waar zijn wij nu? vroeg ik aan Vitalis.
--Te Parijs, mijn jongen.
Te Parijs!....
Was het mogelijk! Was dat Parijs?
Waar stonden mijn marmeren paleizen?
Waar liepen de menschen in fluweel en satijn?
Hoe leelijk en akelig was de werkelijkheid!
Dat was dan het Parijs, waarnaar ik zoo vurig verlangd had.
Daar zou ik dus den winter doorbrengen, gescheiden van Vitalis.... en van Capi!
XVII.
EEN PADRONE UIT DE STRAAT LOURCINE.
Hoewel ik al wat mij omringde even leelijk vond, moest ik toch mijn oogen wijd openen om alles aandachtig op te nemen en vergat ik bijna in welk een ernstigen toestand ik mij bevond.
Hoe verder wij in Parijs doordrongen, hoe minder het aan mijn kinderlijke droomen en mijne verwachtingen beantwoordde: de bevroren grachten wasemden een vuilen geur uit; de slijk werd hoe langer hoe zwarter en wanneer zij niet meer uit ijs of sneeuw bestond, dan spatte zij om de wielen der rijtuigen en bemorste de ruiten der onaanzienlijke winkels.
Parijs kon ongetwijfeld niet bij Bordeaux vergeleken worden.
Toen wij geruimen tijd een breede straat, die minder onaanzienlijk was dan die welke wij reeds waren doorgegaan, hadden gevolgd en waarin de winkels hoe langer hoe beter werden naarmate wij verder kwamen, sloeg Vitalis rechts om en een oogenblik later bevonden we ons in een zeer armoedige wijk der stad met hooge huizen, die door hun zwarte gevels nog hooger schenen; het water liep uit de ontdooide goten midden door de straat en zonder zich om dat vuile water te bekommeren, schreed een dichte menigte over de modderachtige steenen voort. Nooit had ik zulke bleeke gezichten gezien als van deze menschen; evenzoo trof mij de onbeschaamdheid der kinderen; in de vele kroegen zaten mannen en vrouwen of stonden zij aan de toonbank te drinken, terwijl zij om het hardst schreeuwden.
Op den hoek van een straat las ik den naam _Lourcine_.
Vitalis, die den weg scheen te kennen, ontweek behoedzaam de voorbijgangers, die hem den doortocht belemmerden en ik volgde hem op den voet.
--Pas op, dat gij mij niet verliest, zeide hij.
Maar deze aanbeveling was noodeloos; ik liep vlak achter hem en voor alle zekerheid hield ik een pand van zijn jas vast.
Nadat wij een groote plaats en een gang waren doorgegaan, bereikten wij een soort van loods, die zeer donker en vermolmd er uitzag, en waarin de zon zeker nooit hare stralen had geworpen. Dit was nog leelijker en verschrikkelijker dan alles, wat ik tot nogtoe gezien had.
--Is Garofoli tehuis? vroeg Vitalis aan een man, die allerlei lompen tegen den muur ophing en zichzelf met een lantaarn bijlichtte.
--Ik weet het niet; ga maar naar boven; gij kent den weg; de bovenste trap, dan hebt ge de deur recht voor u.
--Garofoli is de padrone van wien ik u gesproken heb, zeide Vitalis, terwijl wij de trap bestegen, waarvan de treden met een laag slijk en aarde waren bedekt, alsof zij uit vochtige klei gehouwen waren; hier woont hij.
De straat noch het huis of de trap waren geschikt om mij in een vroolijker stemming te brengen. Hoe zou de bewoner wel zijn?
Wij klommen tot de vierde verdieping; Vitalis duwde, zonder te kloppen, de deur open en wij bevonden ons in een ruim vertrek, op een soort van zolder. In het midden was een groote ruimte ledig gebleven, terwijl langs de wanden een dozijn ledekanten geschaard stonden. De muren en de zoldering waren van een niet meer te onderscheiden kleur; ofschoon vroeger waarschijnlijk wit geweest, waren zij door rook, stof en onzindelijkheid zwart geworden en op verscheidene plaatsen zag men zelfs gaten; naast een kop met houtskool geteekend hingen eenige gebeeldhouwde bloemen en vogels.
--Garofoli, sprak Vitalis, terwijl hij binnentrad, zijt gij thuis? Ik kan niets zien, dus geef mij eenig antwoord; ik ben Vitalis.
Het scheen inderdaad of er zich niemand in de kamer bevond, zoo flauw was deze door een kleine hanglamp verlicht; maar op de vraag van mijn meester antwoordde een zachte en sleepende kinderstem:
--Signor Garofoli is uitgegaan; eerst over een paar uur komt hij terug.
Op hetzelfde oogenblik stond hij, die ons antwoord gegeven had, voor ons: het was een kind van omstreeks tien jaar oud; het kwam met een sleependen tred naar ons toe en ik was zoozeer door zijn uiterlijk getroffen, dat ik het thans nog vóór mij zie; het had eigenlijk geen lichaam en zijn groot hoofd, dat niet in de minste evenredigheid met zijn voorkomen was, scheen onmiddellijk op zijn beenen te rusten, evenals op die karikatuurplaten, die eenige jaren geleden zooveel opgang maakten. Op zijn gelaat lag een pijnlijke en zachte uitdrukking en uit zijn blik las men een groote gelatenheid, terwijl zijn geheele voorkomen iets wanhopends had. Zoo gevormd, kon hij niet schoon wezen en toch gevoelde men zich tot hem aangetrokken, hetzij uit medelijden of wel door zijn vriendelijk, trouwhartig oog en den verstandigen trek, die er op zijn gelaat lag.
--Zijt gij zeker, dat hij binnen twee uren thuis zal zijn? vroeg Vitalis.
--O, heel zeker, signor, dan is het etenstijd en hij alleen geeft ons het eten.
--Welnu, zoo hij soms vroeger terug mocht komen, zeg hem dan, dat Vitalis over twee uur bij hem terugkomt.
--Over twee uur, goed signor.
Ik wilde mijn meester volgen, maar deze wees mij terug en zeide:
--Blijf gij hier, gij kunt hier uitrusten; ik kom terug.
Ik kon mijn angst niet verbergen.
--Ik verzeker u, dat ik terugkom, herhaalde hij.
Liever was ik, ondanks mijn groote vermoeidheid, Vitalis gevolgd, maar wanneer hij iets gebood, dan was ik gewoon hem te gehoorzamen en ik bleef dus staan.
Toen wij zijn zware stappen niet meer op de trap hoorden, vroeg het kind, dat met zijn oor tegen de deur aandachtig geluisterd had:
--Zijt gij uit het land? Hij vroeg mij dit in het italiaansch. Gedurende mijn omgang met Vitalis had ik genoeg italiaansch geleerd om bijna alles in die taal te verstaan, maar zelf was ik ze niet voldoende machtig om ze gaarne te spreken.
--Neen, antwoordde ik in het fransch.
--O, zuchtte hij en zag mij met zijn groote oogen strak in het gelaat: dat is jammer, ik had gehoopt dat gij ook uit het land waart.
--Uit welk land?
--Uit Lucca; gij zoudt mij misschien eenige tijding hebben medegebracht.
--Ik ben een Franschman.
--O, des te beter.
--Houdt gij dan meer van de Franschen dan van de Italianen?
--Neen, ik zeg het ook niet voor mezelf, maar voor u, want als gij een Italiaan waart, dan zoudt gij waarschijnlijk in dienst van signor Garofoli komen; en men zegt niet des te beter tot hen, die bij dezen in dienst treden.
Deze woorden waren nu juist niet zeer geruststellend voor mij.
--Is hij kwaad?
Het kind gaf op deze vraag geen antwoord, maar de blik, waarmede hij mij aanzag, was welsprekend genoeg. Daarop, alsof hij dit onderwerp niet langer wilde voortzetten, keerde hij mij den rug toe, en begaf hij zich naar den schoorsteen aan het einde van de kamer.
Een heerlijk vuur van takkenbossen brandde daarin en op dat vuur stond een groote ketel.
Ik ging voor het vuur staan, om mij wat te verwarmen en ontdekte toen dat deze ketel iets bijzonders had, wat ik in het begin niet had opgemerkt. Het deksel met een smal tuitje bovenop, waaruit de stoom ontsnapte, was aan den pot bevestigd, aan de eene zijde met een scharnier en aan de andere zijde met een hengsel.
Ik begreep, dat ik geen onbescheiden vragen omtrent Garofoli doen mocht, maar toch wel wat den pot betrof.
--Waarom is deze ketel op slot?
--Omdat ik er niet uit snoepen zou. Ik moet de soep wel gaarmaken, maar de meester vertrouwt mij niet.
Ik kon een glimlach niet onderdrukken.
--Gij lacht erom, vervolgde hij op verdrietigen toon, want gij denkt zeker, dat ik snoepziek ben. In mijn plaats zoudt gij het misschien ook zijn. Ik ben ook eigenlijk geen snoeper, maar ik ben uitgehongerd en de reuk van de soep, die uit het tuitje ontsnapt, doet mijn honger nog grooter worden.
--Signor Garofoli laat u dus hongerlijden?
--Wanneer gij in zijn dienst komt, dan zult gij wel ondervinden, dat men van honger niet sterft, maar wel ontzettend veel erdoor lijden kan. En vooral ik, want voor mij is het eene straf.
--Een straf, hongerlijden?
--Ja; en ik durf het u gerust vertellen, want als Garofoli soms uw meester wordt, dan zou mijn voorbeeld u van nut kunnen zijn. Signor Garofoli is mijn oom en hij heeft mij uit liefdadigheid bij zich genomen. Gij moet weten, dat mijn moeder weduwe en dus, zooals gij wel begrijpen kunt, niet rijk is. Toen Garofoli het vorige jaar onze streek bezocht, om kinderen op te halen, stelde hij mijn moeder voor mij met zich te nemen. Het kostte haar heelwat om mij van zich af te zenden; maar gij begrijpt als iets noodzakelijk is! En het was noodig, want wij waren met ons zessen thuis, waarvan ik de oudste was. Liever had Garofoli mijn broeder medegenomen, die op mij volgt, want Lenardo is mooi, terwijl ik leelijk ben. En als men geld verdienen moet, dan moet men niet leelijk zijn; zij, die leelijk zijn, krijgen niets dan slaag en slechte woorden. Maar mijn moeder wilde Lenardo niet afstaan; Mattia is de oudste, zeide zij, en wanneer er een weggaan moet, dan is het Mattia; de goede God heeft het zoo besloten en er valt niets aan den wil van God te veranderen." Ik ben dus met mijn oom Garofoli op reis gegaan; gij begrijpt, dat het mij hard viel om de ouderlijke woning en mijn moeder, die luid weende, te verlaten en vooral de kleine Christina, die veel van mij hield, omdat zij de jongste was en ik haar altijd droeg. Ook speet het mij, dat ik mijn broeders, mijn makkers en mijn land vaarwel moest zeggen.
Ik wist bij ondervinding hoe wreed zulk een scheiding was en ook ik kon mij de aandoening nog levendig herinneren, toen ik voor de laatste maal de witte muts van vrouw Barberin zag.
De kleine Mattia vervolgde zijn verhaal.
--Ik was geheel alleen met Garofoli, toen ik mijn woning verliet, maar acht dagen later waren wij reeds met ons twaalven en begaven we ons op weg naar Frankrijk.
O, hoe lang viel die weg aan mij en mijn makkers, die even treurig waren als ik. Eindelijk toch kwamen wij te Parijs; wij waren toen nog met ons elven, daar een onzer in het gasthuis te Dijon was achtergebleven. In Parijs werd er een keus uit ons gedaan; de sterksten kwamen bij schoorsteenvegers of rookverdrijvers in dienst; die niet krachtig genoeg voor een ambacht waren, gingen op straat zingen en op de lier spelen. Garofoli gaf mij twee witte muizen, die ik op straat en voor de deuren moest laten kijken en hij rekende uit, dat ik daarmede vijftien stuivers daags zou verdienen. "Zooveel stuivers als daaraan ontbreken, wanneer gij 's avonds tehuis komt, zooveel stokslagen krijgt gij van me." Vijftien stuivers was moeilijk bij elkander te zamelen; maar stokslagen waren evenmin prettig, wanneer Garofoli ze toediende. Ik spande dus alles in om die som op te halen, maar ondanks al mijn moeite, gelukte het mij niet dikwijls. Mijn makkers hadden gewoonlijk het aantal stuivers en ik bijna nooit. Dit maakte Garofoli nog boozer. "Die domkop van een Mattia, wat voert die dan toch uit?" vroeg hij. Een ander kind, dat evenals ik, met witte muizen rondliep, moest twee francs inbrengen, hetgeen hij getrouw iederen avond deed. Dikwijls ging ik met hem mede, om te zien, wat hij deed en waarin hij zich handiger gedroeg dan ik. Ik begreep toen waarom hij zoo gemakkelijk zijn twee francs en ik zoo moeilijk nog een franc bij elkander kreeg.
Als een heer en een dame ons iets gaven, dan zeide de dame altijd: "Geef het aan dien aardigen en niet aan dien leelijken jongen." De leelijke was ik. Ik ging nooit meer met mijn makker mede, want al is het naar stokslagen te krijgen als men tehuis komt, het is toch nog akeliger op straat in tegenwoordigheid van iedereen een hard woord te hooren. Gij kent dat gevoel niet, daar men u nooit gezegd heeft, dat gij leelijk waart; maar ik.... Kortom, toen Garofoli zag, dat slaag tot niets leidde, bedacht hij een ander middel. "Voor elken stuiver, die er ontbreekt, krijgt gij 's middags een aardappel minder, zeide hij. Daar uw huid tegen slagen bestand schijnt te zijn, zal ik eens zien of uw maag misschien voor den honger gevoeliger is." Hebben bedreigingen ooit eenigen vat op u gehad?
--Dat hangt ervan af.
--Nu, op mij nooit; bovendien kon ik niet anders doen dan ik tot nogtoe gedaan had; en ik kon onmogelijk tot hen, die ik mijn hand reikte, zeggen: "Als gij mij geen centen geeft, dan krijg ik vanavond geen aardappelen." Menschen die een aalmoes aan kinderen geven, laten zich nooit door zulke redenen overhalen.
--En door welke dan wel? Men geeft om iemand genoegen te doen.
--O, wat zijt ge nog jong; men geeft om zich zelf genoegen te doen en niet voor het pleizier van anderen; men geeft gaarne iets aan een aardig kind; dat is nog de beste reden, ook wel als men een kind verloren heeft of men gaarne zoo'n kind zou willen hebben; men geeft wanneer men het zelf warm heeft en het kind van koude loopt te rillen. O, ja, ik weet het allemaal heel goed; ik heb al den tijd gehad om het te leeren. Het is koud vandaag, niet waar?
--Zeer koud.
--Welnu, ga voor een deur staan en steek uw hand eens uit naar een heer, die haastig voortloopt en een kort overjasje draagt en vertel mij dan eens, wat hij u gegeven heeft. Strek daarentegen uw hand eens uit naar een heer, die langzaam loopt en in een jas met bont gewikkeld is, dan zult gij misschien een stuk zilvergeld van hem krijgen. Nadat ik ongeveer een maand deze manier gevolgd had was ik er niet dikker op geworden; ik zag er bleek en ziekelijk uit en dikwijls hoorde ik in het voorbijgaan zeggen: dat kind sterft van honger. Mijn lijden gaf mij dus, wat ik door schoonheid niet had kunnen verkrijgen; het gaf aan mijn gelaat een uitdrukking die belangstelling scheen in te boezemen en het maakte mijn oogen grooter; de menschen uit de buurt kregen medelijden met mij, en al haalde ik niet altijd geld op, ik kreeg dikwijls brood of soep. Dat was een goede tijd! Ik kreeg geen slag, maar ook geen aardappelen, hoewel het laatste mij minder hinderde, daar ik gewoonlijk 's middags wat te eten gehad had. Maar eens betrapte Garofoli mij toen ik bij een fruitverkooper een bord soep at en hij begreep toen, waarom ik mij nooit beklaagde, dat ik geen aardappelen kreeg. Hij besloot toen mij niet meer uit te laten gaan en mij voortaan tehuis te houden om op de soep te passen en het huishouden te doen. Maar daar ik onder de hand best van de soep zou kunnen snoepen, verzon hij er op, om ze in dezen ketel te koken; iederen morgen, voordat hij uitgaat, doet hij het vleesch en de groenten in den pot en sluit het deksel met een hangslot; ik behoef dan maar te zorgen, dat het gaar wordt; ik kan dan alleen het vleesch ruiken, maar ervan proeven, dat begrijpt gij, dat zou nooit door zulk een smal tuitje gaan. Sedert ik in de keuken gekomen ben, heb ik zulk een vale kleur gekregen, want de reuk voedt niet, integendeel hij doet den honger nog erger worden. Zie ik er erg bleek uit? Daar ik thans niet meer op straat kom, hoor ik het ook niet meer zeggen en er hangt hier geen spiegel.
Ik had toen nog niet veel ondervinding, maar toch wist ik, dat men een zieke nooit beangst moet maken door hem te zeggen, dat hij er ziek uitziet.
--Gij ziet er niet bleeker uit dan een ander, antwoordde ik.
--Ik merk wel, dat gij dit zegt om mij gerust te stellen, maar ik vind het prettig, als ik er bleek uitzie, want dat bewijst dat ik zeer ziek ben en ik wil gaarne heelemaal ziek zijn.
Ik zag hem met de grootste verbazing aan.
--Gij begrijpt mij niet, vervolgde hij glimlachend, en het is toch heel eenvoudig. Als men erg ziek is, dan wordt men òf goed opgepast òf men sterft.
Als ik dood ga, dan is alles uit, dan heb ik geen honger meer en krijg ook geen slaag; en men beweert ook, dat, als men dood is, men in den hemel komt. Als ik in den hemel ben, dan zie ik mijn moeder weer en dan zal ik misschien aan onzen lieven Heer kunnen vragen, om mijn zuster Christina gelukkig te maken. Als men mij goed wil verzorgen, dan zendt men mij naar het gasthuis en dat zou ik gelukkig vinden.
Het gasthuis boezemde mij altijd grooten afkeer in en dikwijls, als ik onderweg uitgeput was van vermoeienis, behoefde ik slechts aan het hospitaal te denken, om weder kracht tot loopen te vinden. Het verbaasde mij dus zeer, toen ik Mattia op deze wijze daarover hoorde spreken.
--Als gij eens wist hoe goed men het in het gasthuis heeft, vervolgde hij; eens ben ik daar reeds geweest; men heeft daar een dokter, een grooten man met blonde haren, die altijd klontjes in zijn zak heeft. Het zijn wel gebroken klontjes, want die zijn goedkooper, maar daarom smaken ze niet minder lekker; en de verpleegsters zijn ook altijd even vriendelijk: "Kom, doe dat, mijn jongen, steek uw tong uit, arm kind." Ik vind het prettig als men zoo vriendelijk tegen mij spreekt, dan zou ik wel kunnen weenen en als ik daarin lust heb, dan ben ik ook gelukkig. Dat is dom, niet waar? Maar mijn moeder sprak altijd zoo vriendelijk tegen mij. Die pleegzusters spreken juist zooals mijn moeder en al zijn het niet dezelfde woorden, dan is het toch dezelfde muziek. En als men beter wordt, dan krijgt men bouillon en wijn. Ik vond het prettig, toen mijn krachten hier langzamerhand begonnen af te nemen, omdat ik niet meer at. Ik zeide toen tot mezelf: Ik word ziek en Garofoli zal mij naar het gasthuis zenden. O, ik word erg ziek; nu ben ik nog niet ziek genoeg; ik voel het zelf wel, maar het is nog niet zóó erg, dat ik Garofoli hinder; hij heeft mij bij zich gehouden. Het is vreemd, maar ongelukkige menschen zijn taai. Gelukkig heeft Garofoli het niet verleerd om mij evenals de anderen te tuchtigen. En acht dagen geleden heeft hij mij een slag met zijn stok op het hoofd gegeven. Ik hoop nu dat het beslist is; mijn hoofd is erg gezwollen; gij ziet daar dien grooten witten bult wel. Hij zeide dat het misschien een gezwel was; ik weet niet wat een gezwel is, maar zooals hij erover sprak, moet het wel erg zijn; in elk geval heb ik er vreeselijk pijn aan. Soms voel ik onder mijn haren zoo hevig steken en trekken, nog veel erger dan wanneer ik kiespijn heb. Mijn hoofd is zwaar, alsof het honderd pond weegt; vaak krijg ik duizelingen en alles waggelt mij voor de oogen, en 's nachts zelfs in mijn slaap, lig ik te steunen en te kermen. Nu geloof ik zeker, dat ik over een dag of drie, vier, wel naar het gasthuis zal gezonden worden; want ge begrijpt, een jongen die 's nachts lastig is, hindert ook de anderen en Garofoli wordt niet gaarne gehinderd. Hoe gelukkig dat hij mij een slag met zijn stok gegeven heeft! Zeg nu eens eerlijk of ik niet erg bleek zie?
Terwijl hij dit zeide, ging hij vlak voor mij staan, en keek hij mij strak aan. Ik had nu geen reden om langer te zwijgen; toch wilde ik hem niet de volle waarheid zeggen, en hem bekennen welk een akeligen indruk zijn groote glinsterende oogen, zijn magere, ingevallen wangen en zijne bleeke lippen op mij maakten.
--Ik geloof wel, dat gij ziek genoeg zijt om naar het hospitaal te gaan.
--Eindelijk!
En met zijn hinkend been trachtte hij eene buiging te maken. Daarop ging hij weder naar de tafel en begon deze af te vegen.
--Nu heb ik genoeg gepraat, zeide hij, Garofoli komt zoo dadelijk tehuis, en dan vindt hij niets gereed: nu gij meent, dat ik genoeg slaag heb gehad, om naar het hospitaal te gaan, nu is het ook niet langer noodig om er meer bij te krijgen; dat zou slechts verloren moeite zijn en bovendien schijnen die, welke ik thans krijg, mij veel harder dan de klappen, die hij mij eenige maanden geleden gaf. Zij, die beweren dat men aan alles went, hebben gelijk, niet waar?
Terwijl hij sprak, liep hij hinkende om de tafel en legde de borden en lepels en vorken op hun plaats. Twintig borden telde ik, dus twintig kinderen had Garofoli onder zijn leiding; daar ik slechts twaalf bedden zag staan, sliepen zij dus zeker twee aan twee. En welke bedden waren het! geen lakens, maar versleten wollen dekens lagen erop, die zeker uit een stal afkomstig waren, toen zij niet warm genoeg meer waren voor paardendekken.
--Is het overal zooals hier? vroeg ik angstig.
--Waar, overal?
--Overal, waar men knapen opvoedt.
--Dat weet ik niet; ik ben nooit ergens anders geweest, maar tracht gij ergens anders te komen.
--Waar?
--Dat weet ik niet, dat doet er ook niet toe; ergens waar gij beter zijt dan hier.
"Het doet er niet toe waar", dat was zeer onbestemd en hoe zou ik het aanleggen, om Vitalis op zijn besluit te doen terugkomen?
Terwijl ik hierover stond na te denken, ging de deur open en trad een knaap binnen; hij had een viool onder zijn arm en in zijn andere hand hield hij een stuk hout, dat van afbraak afkomstig was. Dat stuk hout, dat veel geleek op de stukken, welke onder den schoorsteen lagen, deed mij plotseling begrijpen, vanwaar Garofoli zijn voorraad hout opdeed en hoeveel deze hem kostte.
--Geef mij uw stuk hout! zeide Mattia, terwijl hij naar den nieuwaangekomene toetrad.
Maar inplaats van het stuk hout aan zijn makker te geven, hield hij het achter zijn rug.