Alleen op de Wereld

Chapter 14

Chapter 144,168 wordsPublic domain

Dit idée, dat ook bij mij opkwam, werd spoedig bevestigd door eene pantomime van Joli-Coeur; die wilde volstrekt opstaan en ik kon hem met geen geweld terughouden; hij verlangde zijn generaals-uniform, zijn rooden rok en broek met goud galon en zijn steek met pluimen.

Hij vouwde de handen en wierp zich op de knieën om mij te smeeken.

Toen hij zag, dat hij door smeeken niets verkreeg, werd hij boos en eindelijk stortte hij tranen.

Het leed geen twijfel, of wij zouden groote moeite hebben om hem te bewegen afstand te doen van zijn plan om dien avond eene rol te vervullen en ik dacht, dat het onder deze omstandigheden het best was, om ons vertrek voor hem geheim te houden.

Ongelukkig hoorde hij het bevel van Vitalis, die niet wist wat er gedurende zijne afwezigheid had plaats gegrepen, dat ik mijne harp en alles wat voor eene voorstelling noodig was, in gereedheid zou brengen.

Bij die woorden, die Joli-Coeur maar al te goed begreep, begon hij opnieuw te smeeken, maar nu wendde hij zich tot onzen meester. Al had hij kunnen spreken, dan had hij zeker zijn wensch niet beter kunnen uitdrukken dan hij nu deed door de verschillende geluiden, welke hij maakte, door het vertrekken van zijn gelaatsspieren en de beweging van zijn geheele lichaam. Het waren echte tranen, die langs zijn wangen biggelden en echte kussen, die hij op de handen van Vitalis drukte.

--Wil-je meespelen? vroeg deze.

--Ja, ja, gaf Joli-Coeur met zijn gansche lichaam te kennen.

--Maar je bent ziek, arme Joli-Coeur.

--Ik ben niet meer ziek, antwoordde hij met zijne sprekende gebaren.

Het was roerend te zien hoe de arme, kleine zieke die slechts met moeite ademhaalde, bad en smeekte en de grimassen die hij maakte, en de houdingen die hij aannam, om ons te bewegen; maar toe te staan wat hij vroeg, ware zijn doodvonnis geweest.

Het oogenblik was gekomen, dat wij ons naar de markt moesten begeven; ik maakte een lekker vuur aan met eenige beukenblokken, die lang konden branden. Toen wikkelde ik hem in zijn dekens en de arme, kleine Joli-Coeur weende heete tranen en omhelsde mij keer op keer. Toen gingen wij heen.

Terwijl wij over de sneeuw voortschreden, vertelde mij Vitalis wat ik doen moest.

Er kon natuurlijk geen sprake wezen van onze gewone voorstellingen, daar onze voornaamste acteurs ontbraken; maar Capi en ik moesten nu ook al ons talent ten beste geven. Het was volstrekt noodig dat wij twintig gulden ontvingen.

Twintig gulden! Dat was een vreeselijke som.

Alles was door Vitalis in orde gemaakt; wij behoefden nog maar de kaarsen aan te steken, maar dit was eene weelde, waartoe wij eerst overgingen toen de zaal nagenoeg gevuld was, immers wij moesten zorgen, dat het licht niet uitging vóór het einde van de voorstelling.

Terwijl wij ons tooneel in bezit namen, ging de tamboer nogmaals voor het laatst trommelend de straten door en wij hoorden zijn roffel nu eens van verre dan van dichterbij, naarmate de straten verder of minder ver van ons verwijderd lagen.

Nadat ik Capi en mijzelven had aangekleed, vatte ik post achter een pilaar, om te zien wie er kwam.

Weldra naderde de tamboer weder en wij hoorden een onbestemd gedruisch op straat: het was het gedreun van een twintigtal straatjongens, die in den pas liepen, den tamboer volgende.

Zonder met zijn roffel op te houden, zette de tamboer zich tusschen een paar lichten neder, die aan den ingang van ons tooneel waren gesteld en het publiek behoefde slechts plaats te nemen in afwachting, dat de voorstelling beginnen zou.

Helaas! het kwam slechts zeer traag op en nochtans ging de tamboer voort aan den ingang zijn ram-plam-plam te doen hooren. Al de straatjongens hadden plaats genomen, maar van hen hadden wij geen twintig gulden te wachten: wij moesten gezeten burgers hebben met eene goed gevulde beurs en geneigd om die te openen. Eindelijk besloot mijn meester de voorstelling te doen beginnen, hoewel de zaal op verre na niet gevuld was. Maar wij konden niet langer wachten, daar de kaarsen waren aangestoken.

Het eerst moest ik zelf op het tooneel komen. Ik zong twee liederen, mij met mijn harp accompagneerende. Openhartig moet ik erkennen, dat de toejuichingen zeer schaarsch waren.

Ik heb nooit groote eigenliefde gehad als acteur, maar in deze omstandigheden deed mij die koelheid van het publiek zeer veel leed. Immers nu ik niet toegejuicht werd, was er niet veel kans op eene ruime ontvangst. Het was waarlijk niet om de eer, dat ik zong: 't was voor mijn armen Joli-Coeur. O, hoe gaarne had ik dat publiek willen behagen, neen, in verrukking brengen, met geestdrift vervullen; maar voor zooveel ik zien kon in dit gewelf, door allerlei zonderlinge schaduwen gevuld, scheen het mij toe, dat men in mij volstrekt geen wonder zag.

Capi was gelukkiger; men juichte hem bij herhaling en luide toe.

De voorstelling duurde voort; dank zij Capi, eindigde zij onder luide bravo's; niet slechts klapte men in de handen, maar men trapte zelfs met de voeten.

Het beslissende oogenblik was gekomen. Terwijl ik, door Vitalis geaccompagneerd, een spaanschen dans uitvoerde, ging Capi met het bakje in zijn bek alle banken van het publiek langs.

Ik was buiten adem; toch danste ik nog altijd voort, want ik mocht niet ophouden vóór dat Capi was teruggekomen; hij haastte zich niet en als hij niets kreeg, tikte hij met zijn pootjes op den zak van hen, die niets wilden geven.

Eindelijk zag ik hem terugkomen en ik was op het punt mijn dans te eindigen, toen Vitalis mij een wenk gaf, dat ik voort zou gaan.

Ik danste dus voort en bij Capi komende, zag ik dat het bakje op verre na niet gevuld was.

Vitalis zelf had met een oogopslag het bedrag van het ontvangen geld begroot. Hij stond op en zeide:

--Ik geloof, zonder ons te vleien, te mogen verklaren, dat wij ons programma zijn nagekomen; evenwel daar de kaarsen nog branden zal ik, met goedvinden van het geëerde publiek, nog een paar liederen voordragen. Capi zal dan nog eene inzameling houden en de heeren en dames, welke den toegang tot hun zak nog niet konden vinden bij zijn eersten omgang, zullen misschien ditmaal gelukkiger en handiger zijn. Ik verzoek hun zich alvast gereed te maken.

Ofschoon Vitalis mijn onderwijzer in het zingen was geweest, had ik hem zelf eigenlijk nog nooit hooren zingen en althans niet zooals dien avond.

Hij koos twee liederen, die iedereen kent, maar die voor mij toen nog vreemd waren. Ik was toen nog te jong om te kunnen beslissen of hij mooi of leelijk zong, met of zonder kunst, maar dit mag ik zeggen, dat de gewaarwording, welke zijne manier van zingen in mij opwekte, mij in tranen deed uitbarsten, terwijl ik op een uithoek van het tooneel aandachtig naar hem luisterde.

Door den nevel heen, die mijne oogen verduisterde, zag ik eene jonge dame op den voorsten rang met geestdrift toejuichen. Ik had haar vroeger al opgemerkt, want ze was geen boerin, zooals de andere vrouwen onder het publiek. Zij was eene wezenlijke dame, schoon en, naar ik opmaakte uit haar bont en mantel, de rijkste van het dorp. Naast haar zat een knaapje, dat ook bijzonder toejuichte als Capi zijn kunstjes deed. Het was zeker haar kind, want hij geleek sprekend op haar.

Na het eerste lied had Capi weder zijne inzameling gehouden en met verbazing zag ik, dat de rijke dame niets op het bakje legde.

Toen mijn meester zijn lied geëindigd had, wenkte zij mij met de hand. Ik ging naar haar toe.

--Ik wenschte uw meester te spreken, zeide zij.

Het verwonderde mij wel eenigszins dat die aanzienlijke dame mijn meester wilde spreken. Zij had, dacht mij, beter gedaan met haar gift op het bakje te leggen; maar ik deelde aan Vitalis haar wensch mede, terwijl Capi onderwijl bij ons kwam.

De tweede inzameling had nog minder opgebracht dan de eerste.

--Wat wil de dame van mij? vroeg Vitalis.

--Zij wil u spreken.

--Ik heb haar niets te zeggen.

--Zij heeft niets gegeven aan Capi; misschien wil ze het hem nu geven.

--Dan moet Capi naar haar toe gaan en niet ik.

Nochtans ging hij, maar nam Capi met zich.

Ik volgde hem.

In dien tusschentijd was een bediende met een lantaarn en een reisdeken gekomen en had achter de dame en den knaap postgevat.

Vitalis was haar genaderd en had gegroet, maar zeer koel.

--Ik vraag u verschooning dat ik u lastig val, maar ik wilde u mijn compliment maken.

Vitalis boog zonder te antwoorden.

--Ik beoefen de muziek, ging zij voort, en dit zal wel voldoende zijn om u te doen beseffen, dat ik gevoelig ben voor zulk een groot talent als het uwe.

Een groot talent! En dat zou Vitalis bezitten, een straatzanger, een man met gedresseerde honden! Ik was buiten mijzelven van verbazing.

--Een oud alledaagsch man als ik heeft geen talent, zeide Vitalis.

--Geloof niet dat onbescheiden nieuwsgierigheid mij beweegt, sprak de dame.

--Ik zou anders zeer bereid zijn die nieuwsgierigheid te bevredigen. Gij waart verwonderd een man met gedresseerde honden te hooren zingen, of althans te doen of hij zong?

--Verrukt zelfs.

't Is evenwel doodeenvoudig; ik ben niet altijd geweest wat ik nu ben. Voorheen, in mijne jeugd--dat is dus lang geleden--ben ik.... ja ben ik de bediende van een groot zanger geweest, en uit zucht tot nabootsing heb ik, als een papegaai, de stukken nagezongen, die mijn meester instudeerde. Dat is de heele zaak.

De dame antwoordde niet, maar zij vestigde langen tijd haar blik op Vitalis, die in verlegen houding voor haar bleef staan.

--Tot weerziens, mijnheer, sprak zij, den klemtoon op dit laatste woord leggende, dat zij op een bizonderen toon uitsprak.--Tot weerziens, en ontvang nogmaals mijn dank voor het genot, dat gij mij geschonken hebt.

Daarop boog zij zich tot Capi en legde een goudstuk in zijn bakje.

Ik dacht dat Vitalis deze dame naar haar plaats zou terugbrengen, maar hij deed het niet, en toen zij zich verwijderd had, hoorde ik hem eenige Italiaansche vloeken mompelen.

--Maar zij heeft aan Capi een goudstuk gegeven, zeide ik.

Ik dacht dat ik een klap zou krijgen; hij trok echter zijn opgeheven hand terug.

--Een goudstuk, zeide hij, alsof hij uit een droom ontwaakte, o ja, het is waar; arme Joli-Coeur, ik vergat hem; kom laten we naar hem toegaan.

Onze zaken waren spoedig geborgen en wij keerden naar de herberg terug.

Ik ging het eerst de trap op en trad de kamer snel binnen; het vuur was niet uitgedoofd, maar toch zag men geen enkele vlam meer.

Ik stak haastig een kaars aan en zocht naar Joli-Coeur, daar ik hem niet hoorde.

Hij lag op zijn mat uitgestrekt in zijn generaalsuniform en scheen te slapen.

Ik bukte mij over hem heen en vatte hem bij een poot, om hem wakker te maken.

Zijn poot was koud.

Op dit oogenblik trad Vitalis binnen.

Ik wendde mij tot hem.

--Joli-Coeur is koud.

Vitalis knielde naast mij neder.

--Helaas, sprak hij, hij is dood! Dat moest gebeuren. Ziet gij, Rémi, het was verkeerd van mij, dat ik u niet bij mevrouw Milligan liet. Ik ben ervoor gestraft. Zerbino, Dolce, en thans Joli-Coeur. En daarmede is het nog niet gedaan.

XVI.

AANKOMST TE PARIJS.

Wij waren nog een geducht eind van Parijs verwijderd.

Aanhoudend moesten wij wegen volgen, waarop de sneeuw hoog lag opgestapeld, en van den morgen tot den laten avond woei een scherpe wind ons in het gelaat.

Hoe akelig waren die lange wandelingen! Vitalis liep altijd voorop, terwijl ik hem volgde, en Capi weder vlak achter mij.

Zoo liepen wij in een rij, zonder dat we, uren lang, een woord met elkander wisselden, met een gelaat blauw van koude, natte voeten en leege maag; en de menschen, die wij tegenkwamen, stonden stil om ons voorbij te zien trekken.

Blijkbaar maakten wij een zonderlingen indruk op hen en zij vroegen zichzelf af: waarheen brengt deze grijsaard dien knaap en dien hond?

Die stilte was mij ondraaglijk; ik had groote behoefte om te spreken en mijn hart eens lucht te geven, maar Vitalis gaf mij altijd een kort antwoord op mijn vragen en keerde zich nooit naar mij om. Gelukkig was Capi hartelijker, en dikwijls voelde ik, onder het loopen, zijn natte, warme tong op mijn hand; Capi likte deze alsof hij daarmede zeggen wilde:

--Gij weet toch wel, dat ik, uw vriend Capi, er nog ben.

Ik streelde dan even zijn kop, zonder stil te staan.

Hij scheen met dit bewijs van mijn genegenheid zeer in zijn schik, evenals ik met het zijne; wij begrepen elkander; wij hielden van elkaar.

Voor mij was hij een steun en ik weet zeker, dat ik dit ook voor hem was; het hart van een hond is niet minder gevoelig dan dat van een kind.

Deze liefkoozingen schonken Capi veel troost, zoodat zij hem wel eenigszins den dood van zijn makkers vergeten deden; de kracht der gewoonte behaalde ook de overhand en dikwijls stond hij eensklaps stil, om evenals vroeger, toen hij nog korporaal over zijn troep was, deze in oogenschouw te nemen. Maar dat duurde ook slechts kort; spoedig kwam zijn geheugen hem te hulp en herinnerde hij zich, waarom zijn troep niet volgde. Hij snelde ons dan voorbij en keek Vitalis aan, alsof hij hem wilde laten zien, dat hij er nog was; zoo Dolce en Zerbino niet kwamen, was het, omdat zij niet konden komen. Hij vertelde hem dit met zulke welsprekende blikken, die van zooveel verstand en smart getuigden, dat wij medelijden met hem kregen.

Dit maakte onze wandeling ook niet vroolijker en toch hadden wij groote behoefte aan eenige afleiding; ik tenminste.

Over het geheele landschap lag een bed van sneeuw gespreid; het was een grauwe, gure dag, waarover de zon haar stralen niet zou werpen; op het veld was niet de minste beweging te ontdekken; geen enkele boer was aan zijn werk. Noch het hinneken van een paard noch het loeien van een koe trof ons oor; slechts het gekras der raven, die in de hoogste toppen der kale boomen zaten en van honger piepten, daar zij geen enkele plaats op den grond zagen waar zij een wormpje zouden kunnen vinden; in de dorpen waren alle huizen gesloten, alles was stil en verlaten; de koude was vinnig, een ieder bleef bij het hoekje van den haard, of men arbeidde op de zolders en in schuren.

En wij liepen steeds voort op den gladden en hobbeligen weg, zonder een oogenblik stil te staan en zonder eenige andere rust genoten te hebben, dan onze nachtrust in een stal of schaapskooi. Met een klein stuk brood moesten wij ons 's avonds tevreden stellen, en dat brood gold ook voor ons middagmaal. Als we het geluk slechts hadden van in een schaapskooi een onderkomen te vinden, dan werden wij tenminste door de warmte der schapen voor de koude bewaard; ook was het juist tijd, dat de schapen hun jongen zogen en dikwijls kregen wij verlof om een schaap te melken; wij zeiden wel niet, dat we bijna van honger omkwamen, maar Vitalis vertelde met zijn gewone slimheid, "dat het kereltje zooveel van schapemelk hield, daar hij als kind gewend was geweest die te drinken en het hem aan zijn land herinnerde." Dit verhaal gelukte niet altijd. Maar het was een heerlijke avond, wanneer het geloofd werd. Ik hield werkelijk veel van schapemelk en wanneer ik ze gedronken had, dan gevoelde ik mij den volgenden dag veel krachtiger en beter tot loopen instaat.

Mijlen en uren volgden elkander op en de eene wandeling kwam na de andere; meer en meer naderden wij Parijs en als de boomen, die langs den weg geplant stonden, mij niet gewaarschuwd hadden, dan zou ik het toch reeds bemerkt hebben aan het grooter vertier op de wegen en ook aan de kleur der sneeuw, die hier lang zoo helder wit niet meer zag, als op de vlakten van Champagne.

Het verbaasde mij ten hoogste, maar het landschap werd niet fraaier en de dorpen niet mooier dan die, welke wij vroeger bezochten. Ik had zoo dikwijls over de wonderen van Parijs hooren spreken, dat ik in mijn onwetendheid mij voorgesteld had, dat deze wonderen reeds van verre door het een of ander buitengewoons zich zouden toonen. Ik wist niet recht wat ik eigenlijk verwachtte en durfde het ook niet vragen; ik bleef dus op een wonder hopen: gouden appelen, straten met marmeren paleizen en wandelaars geheel in fluweel en satijn gedost; dat zou ik alles zeer natuurlijk gevonden hebben.

Hoewel ik geen oog had dan voor de gouden boomen, die ik zocht, bemerkte ik toch wel, dat de voorbijgangers ons niet meer nastaarden; waarschijnlijk hadden zij te veel haast, of zij waren gewend aan nog treuriger tafereelen, dan wij thans aanboden.

Dat stelde mij niet zeer gerust.

Wat zouden wij te Parijs doen? en vooral in den ellendigen toestand waarin wij ons bevonden?

Dit vroeg ik mezelf dikwijls af en gedurende de verre tochten hield dit meestal mijn geest geheel bezig.

Gaarne zou ik het eens aan Vitalis gevraagd hebben, maar ik durfde niet, want hij zag er zoo treurig uit en hij gaf mij altijd een zeer kort antwoord.

Eens echter ging hij naast mij zitten en uit de wijze, waarop hij mij aanzag, begreep ik, dat ik thans zou vernemen wat ik reeds zoo lang gewenscht had te weten.

Het was nog vroeg in den ochtend; wij hadden den nacht in een boerderij doorgebracht, die niet ver van een groot dorp verwijderd lag, dat Boissy-Saint-Léger heette. Wij hadden ons bij het aanbreken van den morgen op weg begeven, en nadat wij geruimen tijd den muur van een park gevolgd waren en het dorp in zijn geheele lengte hadden doorloopen, waren we op een hoogte gekomen, vanwaar wij een zwarten rook boven een groote stad zagen opstijgen, maar waarvan wij slechts eenige hooge gebouwen konden onderscheiden.

Ik deed mijn oogen wijd open om tusschen dat tal van daken, klokken en torens, die zich in den nevel en den rook verloren, op mijn verhaal te komen, toen Vitalis plotseling langzamer ging loopen en naast mij kwam zitten.

--Uw leven is thans veranderd, zeide hij tot mij, alsof hij een gesprek voortzette; binnen vier uur zijn wij te Parijs.

--O, is dat Parijs, dat daar vóór ons ligt?

--Ja.

Op het oogenblik zelf, toen Vitalis mij zeide, dat het Parijs was, brak een lichtstraal door den grijzen hemel, die plotseling, als een bliksemstraal, een gouden kleed over alles verspreidde.

Ik had mij dus niet vergist; ik zou daar gouden boomen vinden.

Vitalis vervolgde:

--In Parijs moeten wij van elkander scheiden.

Plotseling echter viel de duisternis in en ik zag de gouden boomen niet meer.

Ik zag Vitalis aan; ook hij hield den blik op mij gericht en de bleekheid van mijn gelaat, het trillen mijner lippen zeiden hem, wat er in mij omging.

--Gij zijt bang, en het doet u ook verdriet, ik geloof het best.

--Moeten wij scheiden! riep ik, toen het eerste oogenblik van schrik voorbij was.

--Arme jongen!

Deze woorden en vooral de toon, waarop zij werden uitgesproken, deden mij de tranen in de oogen komen; het was zoo lang geleden, sedert ik een hartelijk woord van hem gekregen had.

--O, gij zijt zoo goed voor mij! riep ik uit.

--Gij zijt een goede jongen, een dapper kereltje. Weet je, er zijn oogenblikken in het leven, waarop men geneigd is dit te erkennen en zich te laten overreden. Wanneer het ons in de wereld goed gaat, dan volgt men zijn weg, zonder er ooit aan te denken, wie ons vergezelt; maar wanneer alles tegenloopt, als men beseft, dat men een verkeerd pad is ingeslagen en vooral als men oud wordt, dat is te zeggen, wanneer men niets meer van de toekomst verwacht, dan heeft men behoefte om op iemand te steunen en men gevoelt zich gelukkig, wanneer zoo iemand dan bij ons is. Dat ik op u steun, dat verbaast u waarschijnlijk, niet waar? En toch is het zoo. En gij hebt mij reeds veel troost geschonken, toen ik u tranen zag storten, terwijl gij naar mij luisterdet. Want ook mij, Rémi, doet het scheiden smart.

Eerst later, toen ik iemand liefhad, gevoelde ik de waarheid van zijn woorden.

--Het is ongelukkig, ging Vitalis voort, dat men juist dan van elkander scheiden moet, wanneer men zich nader tot elkander voelt aangetrokken.

--Maar, vroeg ik verlegen, gij zult mij in Parijs toch niet aan mijn lot overlaten?

--Neen, zeker niet, ik zal u niet alleen laten. Wat zoudt gij, geheel verlaten, in Parijs doen? En ik kan u ook gerust zeggen, dat ik het recht daartoe niet heb.

Toen ik u niet aan de zorg van die goede dame wilde toevertrouwen, die u als haar zoon wenschte op te voeden, heb ik de belofte afgelegd, u eene opvoeding te geven, zoo goed als eenigszins in mijn vermogen was. Ongelukkig loopt het mij niet mede. Op het oogenblik kan ik niets voor u doen en daarom ben ik van plan van u te scheiden, wel niet voor altijd, maar toch voor eenige maanden, opdat wij het laatste gedeelte van dit slechte jaargetijde elk op ons zelf kunnen leven. Binnen weinige uren zijn wij te Parijs. Wat zouden wij daar moeten beginnen met een tooneelgezelschap, dat slechts uit Capi bestaat?

Toen de hond zijn naam hoorde noemen, ging hij voor ons staan en toen hij zijn poot bij het oor gebracht had, om ons zijn militairen groet te brengen, legde hij dien op zijn hart, alsof hij daarmede wilde zeggen, dat wij op zijn genegenheid konden rekenen.

In den toestand, waarin wij ons bevonden, stemde ons dit niet minder treurig.

Vitalis zweeg een poos om hem den kop te streelen.

--Gij zijt ook een goede, dappere hond; maar helaas, men leeft in deze wereld niet alleen van goedheid; wij moeten iets overhebben voor het geluk van hen, die ons omringen en ook nog iets anders, hetgeen ons juist ontbreekt.

Wat zullen wij met Capi alleen ontvangen? Gij begrijpt het, nietwaar, dat wij thans geen voorstellingen kunnen geven?

--Dat is waar.

--De jongens zouden ons bespotten en ons met vuil naar het hoofd gooien en wij zouden geen halven franc ophalen; denkt gij, dat wij alle drie van een halven franc daags zouden kunnen leven, en daarbij de kans nog hebben, wanneer het koud is, regent of sneeuwt, niets te verdienen?

--Maar mijn harp?

--Als ik twee kinderen had, zooals gij, dan zou het misschien nog gaan, maar een grijsaard en een knaap, neen, dat gaat niet samen. Ik ben nog niet oud genoeg. Als ik nog wat gebrekkiger was of misschien blind.... Maar ongelukkig ben ik wat ik ben, dat is te zeggen, dat ik niet in een toestand ben om medelijden op te wekken, en om in Parijs de belangstelling te wekken van menschen, die allen evenveel haast hebben, moet men al in een zeer beklagenwaardigen toestand verkeeren. Men moet zich dan ook bovendien niet schamen om een beroep te doen op de publieke liefdadigheid, en daartoe zou ik nooit kunnen besluiten. Wij moeten dus wat anders bedenken. Ik zal u zeggen wat ik gedacht heb en waartoe ik dan ook besloten ben. Tot aan het einde van den winter zal ik u bij een _padrone_ in den kost doen, die u met andere kinderen op de harp zal leeren spelen.

Aan zulk een plan had ik niet gedacht.

Vitalis liet mij echter den tijd niet om hem in de rede te vallen.

--Ik zal, vervolgde hij, les geven op de harp, op de _piva_ of op de viool aan Italiaansche kinderen, die op straat muziek maken. Ik ben in Parijs bekend, waar ik verscheidene malen gewoond heb, en van waar ik kwam, toen ik uw dorp bezocht; ik behoef slechts om een les te vragen, dan krijg ik er meer dan ik er geven kan. Wij kunnen dan elk op ons eigen leven. Terwijl ik les geef, kan ik tevens een paar andere honden dresseeren, die Zerbino en Dolce zullen moeten vervangen. Ik zal hun opvoeding voltooien en wanneer het dan weder voorjaar is, dan kunnen wij samen weder op weg gaan, Rémi, om niet weer van elkander te scheiden, want de fortuin begunstigt steeds hen, die moedig weten te strijden. Ik verg thans slechts moed en onderwerping van u. Later zal alles beter gaan; dit is een moeilijk en voorbijgaand oogenblik. In de lente neemt ons vrij leven weder een aanvang. Ik zal u dan naar Duitschland en naar Engeland brengen. Gij zijt dan ouder en verstandiger geworden. Ik zal u alles leeren en een man van u maken. Dit heb ik mevrouw Milligan beloofd. En die belofte zal ik houden. Juist met het oog op die reizen, zal ik u Engelsch gaan leeren; gij kent nu Fransch en Italiaansch en dat is al veel voor een kind op uw leeftijd; gij zijt nu ook veel sterker. Gij zult zien, Rémi, dat alles nog niet verloren is.