Chapter 13
Het was vreeselijk om de twee arme dieren, die twee makkers, die twee vrienden, prijs te geven; voor mij vooral, die aansprakelijk was voor hunne daad; als ik niet geslapen had, zouden zij niet weggeloopen zijn.
Mijn meester was weer naar de hut gegaan en ik was hem gevolgd, telkens nog omziende en luisterend, maar ik zag niets dan de sneeuw en ik hoorde niets dan het kraken van de vorst.
In de hut wachtte ons een nieuwe verrassing; terwijl wij afwezig waren, hadden de takken, die ik op het vuur had geworpen, vlam gevat en verlichtten tot de donkerste hoeken van de loods.
Ik zag Joli-Coeur niet.
Zijn dek lag voor het vuur, maar het was plat: de aap lag er niet onder.
Ik riep hem; Vitalis riep hem ook; hij kwam niet te voorschijn.
Wat was er van hem geworden?
Vitalis zeide me, dat hij het dier bij zijn ontwaken naast hem had gevoeld; het moest dus verdwenen zijn, terwijl wij buiten waren.
Had het ons willen volgen?
Wij namen eenige brandende takken en gingen naar buiten, ons over den grond bukkende, om in de sneeuw de sporen van Joli-Coeur te ontdekken.
Wij vonden ze niet; wel-is-waar hadden de pooten van de honden en onze eigene voetstappen de sneeuw hier en daar platgedrukt, maar toch niet in die mate, of wij moesten de afdrukken van den aap kunnen bespeuren.
Hij was dus niet buiten.
Wij keerden weer naar de loods terug, om te zien of hij zich niet onder een takkenbos had verscholen.
Langen tijd bleven wij zoeken; wel tienmaal kwamen wij op dezelfde plek en in denzelfden hoek. Ik ging op de schouders van Vitalis staan om tusschen de takken te zoeken, die het dak vormden; maar alles tevergeefs.
Van tijd tot tijd riepen wij hem weder, maar er kwam geen antwoord.
Vitalis was radeloos, terwijl ik zelf innig bedroefd was.
Arme Joli-Coeur!
Toen ik aan mijn meester vroeg of hij dacht, dat de wolven ook den aap hadden medegenomen, antwoordde hij:
--Neen, de wolven hebben niet in de hut durven komen; ik geloof wel dat zij Zerbino en Dolce hebben aangevallen, toen deze buiten waren, maar hierbinnen zijn zij niet geweest. Het is waarschijnlijk, dat Joli-Coeur zich hier of daar heeft verborgen, terwijl wij buiten waren en dit deed mij juist zoo ongerust over hem zijn; want met zulk weer moet hij kou vatten en dat is doodelijk voor hem.
--Laten wij dan nog maar eens zoeken.
En opnieuw hervatten wij onze nasporingen, maar wij waren niet gelukkiger dan de eerste maal.
--Wij moeten den dag afwachten, zeide Vitalis.
--Wanneer zal die aanbreken?
--Over twee of drie uren, denk ik.
En hij zette zich bij het vuur, met het hoofd op de handen leunend.
Ik durfde hem niet storen. Onbeweeglijk bleef ik bij hem zitten en verroerde mij alleen om nu en dan een tak op het vuur te werpen. Van tijd tot tijd stond hij op en ging naar de deur; dan keek hij naar den hemel en boog zich naar buiten om te luisteren: daarop nam hij zijn plaats weder in.
Ik geloof dat ik liever gewild had, dat hij mij beknorde, dan hem zoo somber en neerslachtig te zien.
De drie uren, waarvan hij gesproken had, gingen wanhopend langzaam voorbij. Het scheen, dat de nacht nooit zou eindigen.
Eindelijk echter begonnen de sterren te verbleeken en de lucht werd wit; dat was de dageraad; weldra zou het licht worden.
Maar met het aanbreken van den dag werd de koude scherper; de lucht, die door de deur binnendrong, was ijzig koud.
Als wij Joli-Coeur terugvonden, zou hij dan nog leven?
Maar welke redelijke grond bestond er voor de hoop, dat wij hem terug zouden vinden?
Wie wist of met het doorbreken van den dag ook niet de sneeuwbuien zouden terugkeeren?
Hoe zouden wij hem dan zoeken?
Gelukkig was dit niet het geval; inplaats dat wolken weder den hemel verduisterden, nam hij een lichtrooden gloed aan, die een mooien dag voorspelde.
Zoodra het koude morgenlicht aan boomen en struiken hun gewoon voorkomen had gegeven, gingen wij naar buiten.
Vitalis had zich met een dikken knuppel gewapend en ik volgde zijn voorbeeld.
Capi scheen niet meer onder den indruk van de vrees, die hem des nachts bevangen had; met de oogen op zijn meester gericht, wachtte hij op diens wenk om vooruit te gaan.
Terwijl wij nog op den grond de sporen van Joli-Coeur zochten hief Capi den kop omhoog en begon vroolijk te blaffen; dit deed ons aanstonds begrijpen, dat wij boven ons en niet op den grond moesten zoeken.
Wij zagen dan ook, dat de sneeuw, die onze hut bedekte, hier en daar was omgewoeld tot een dikken tak, die boven het dak zich uitstrekte.
Dien tak volgende met de oogen, bespeurden wij boven in den grooten eikeboom, waartoe hij behoorde, tusschen een paar twijgen eene kleine donkerkleurige massa.
Het was Joli-Coeur en wat er gebeurd was, liet zich nu wel gissen. Joli-Coeur was bang geworden door het huilen der wolven en het blaffen en janken der honden, en inplaats van bij het vuur te blijven was hij, tijdens onze afwezigheid, op het dak geklauterd en vandaar in den boom, waar hij wist dat hij veilig was: daarom was hij er gebleven, ondanks ons roepen, waarop hij niet had geantwoord.
Het arme, teedere diertje moest bevroren zijn.
Mijn meester riep hem vriendelijk, maar hij bewoog zich niet, hij scheen dood te wezen.
Eenige minuten lang bleef Vitalis roepen, maar Joli-Coeur gaf geen teeken van leven.
Thans was het mijn plicht om mijne zorgeloosheid van dien nacht goed te maken.
--Als gij 't goedvindt, zal ik hem gaan halen, zeide ik.
--Je zult je hals breken.
--Geen nood.
Dat was niet zoo geheel waar; er was wel degelijk gevaar; bovendien was het zeer moeilijk wat ik ondernam. De boom was dik, en gedeelten van den stam en de takken welke aan den wind waren blootgesteld, waren met sneeuw bedekt.
Gelukkig had ik van mijn jeugd af in boomen leeren klimmen en had ik in die kunst een zeer groote bedrevenheid gekregen. Hier en daar waren kleine takken uit den stam gesproten; deze dienden mij tot steunpunten voor mijn voeten, en niettegenstaande ik half verblind was door de sneeuw, die ik door aan den boom te schudden naar beneden deed vallen, had ik toch spoedig den zwaren tak bereikt. Daar werd het verder klimmen gemakkelijker; ik moest maar oppassen dat ik niet op de sneeuw uitgleed.
Onder het klimmen sprak ik gedurig vriendelijk tot Joli-Coeur, die zich niet verroerde, maar mij met zijne schitterende oogen aanstaarde.
Ik was op het punt hem te bereiken en strekte mijn hand reeds uit om hem te vatten, toen hij plotseling met een enkelen sprong een anderen tak bereikt had.
Ook daar volgde ik hem, maar ongelukkig zijn menschen, ja zelfs jongens, in het klimmen op verre na niet opgewassen tegen apen.
Waarschijnlijk zou ik dan ook nooit Joli-Coeur bereikt hebben, zoo de sneeuw de takken niet had bedekt, want daar die sneeuw zijn pooten nat maakte, was hij weldra het vluchten moede. Daarom liet hij zich van tak tot tak naar beneden vallen en stond weldra met één sprong op de schouders van zijn meester en verborg zich onder diens jas.
Het was reeds veel, dat wij Joli-Coeur hadden teruggevonden, maar het was nog niet alles. Wij moesten nu ook de honden opsporen.
Weinige schreden verder kwamen wij op de plek, waar wij dien nacht geweest waren en de sneeuw omgewoeld hadden gevonden.
Thans was het dag, en het viel ons niet moeilijk te gissen, wat er had plaats gegrepen; die uithollingen in de sneeuw verhaalden de geschiedenis van den dood der honden.
Nadat zij de hut hadden verlaten, achter elkander voortloopende, waren zij langs den stapel takkenbossen gegaan en wij konden duidelijk over eene lengte van twintig el hun spoor volgen. Daarop verdween dit eensklaps in de omgewoelde sneeuw en zagen wij het spoor van andere dieren; aan den eenen kant die, welke aanwezen hoe de wolven in eenige lange sprongen zich op de honden hadden geworpen; aan den anderen kant die, waaruit bleek, hoe zij ze hadden meegesleurd toen zij ze verpletterd in hun bek hadden gegrepen. Van de honden zelven was geen spoor meer te bekennen, behalve de bloeddroppels, die hier en daar de sneeuw kleurden.
Wij behoefden nu onze nasporingen niet verder voort te zetten; de beide honden waren hier gedood en medegesleurd, om rustig opgevreten te worden in eenig kreupelhout.
Bovendien moesten wij ons thans bezighouden met Joli-Coeur en dezen zoo spoedig mogelijk verwarmen.
Wij traden de hut weder binnen; en terwijl Vitalis de handen en voeten van het dier vóór het vuur hield, zooals men dit met kleine kinderen doet, warmde ik zijn deken, waarin wij hem vervolgens wikkelden.
Maar hij had niet slechts een warme deken noodig, doch ook een goed verwarmd bed, en vooral een warmen drank. Noch het een noch het ander was echter binnen ons bereik. Het was al wel, dat wij vuur hadden.
Wij zaten bij den haard, mijn meester en ik, zonder een woord te spreken en wij bleven daar onbeweeglijk zitten, starende in de vlammen.
Wij hadden ook geen woorden noodig, wij behoefden elkander zelfs niet aan te zien om te zeggen wat er in ons hart omging.
--Arme Zerbino! Arme Dolce! Arme vrienden!
Dit waren de eenige woorden, die wij nu en dan lieten hooren of althans de gedachten, die ons bezielden.
Zij waren onze makkers geweest, onze lotgenooten in goede en kwade tijden; en voor mij, in de dagen van droefheid, mijne vrienden, ja schier mijne kinderen.
En ik was oorzaak van hun dood!
Want ik kon mij zelven niet van schuld vrijpleiten: als ik goed de wacht had gehouden bij het vuur, zooals ik had moeten doen, zou ik niet in slaap zijn gevallen en zouden zij niet weggeloopen zijn; de wolven zouden dan niet naar onze hut zijn gekomen om hen te verslinden, maar uit vrees voor het vuur op een afstand zijn gebleven.
Ik had gewenscht dat Vitalis mij beknorde; ik had hem bijna kunnen smeèken, dat hij mij sloeg.
Maar hij zeide niets; hij zag mij zelfs niet aan; hij bleef met het hoofd voorover bij den haard zitten. Zeker dacht hij aan hetgeen ons lot moest worden, wanneer wij geen honden meer hadden. Hoe zouden wij zonder hen voorstellingen kunnen geven? Hoe zouden wij aan den kost komen?
XV.
MIJNHEER JOLI-COEUR.
Wat de doorbrekende dag had aangekondigd, werd vervuld. De zon schitterde aan den wolkeloozen hemel en hare zwakke stralen werden weerkaatst door de vlekkelooze sneeuw. Het bosch, den vorigen dag zoo treurig en somber, schitterde thans van een glans, die de oogen verblindde.
Van tijd tot tijd stak Vitalis de hand onder den deken om naar Joli-Coeur te voelen; maar deze werd niet warmer en toen ik mij over hem heenboog, hoorde ik hem klappertanden.
Weldra kregen wij de overtuiging, dat wij op deze wijze het bloed in zijne aderen niet konden verwarmen.
--Wij moeten het een of ander dorp zien te bereiken, zeide Vitalis, opstaande, anders gaat Joli-Coeur hier dood. Het zal nog een geluk wezen, wanneer hij niet sterft onderweg. Kom, laat ons op weg gaan.
De deken werd nog eens goed verwarmd en vervolgens de aap erin gewikkeld; mijn meester nam hem toen onder zijn jas en wij waren gereed om heen te gaan.
--Dat is een herberg, die ons de gastvrijheid, welke ze ons bood, duur heeft laten betalen, sprak Vitalis.
Hij zeide dit met bevende stem.
Hij ging vooruit en ik volgde hem op de voet.
Wij moesten Capi roepen, die op den drempel van de hut was blijven staan, met zijn neus in de richting van de plek, waar zijne makkers waren overvallen.
Tien minuten nadat wij weder op den grooten weg waren gekomen, ontmoetten wij een wagen, waarvan de voerman ons mededeelde, dat wij na een uur gaans aan een dorp zouden komen.
Dit deed ons met moed onzen tocht vervolgen, maar het gaan was even moeilijk als pijnlijk door de sneeuw, waarin ik halverlijf wegzonk.
Van tijd tot tijd vroeg ik aan Vitalis hoe het met den aap ging, en hij antwoordde, dat hij hem nog altijd voelde sidderen.
Eindelijk zagen wij aan den voet van een berg de witte daken van een groot dorp. Nog eene laatste poging en dan waren wij er.
Wij plachten niet in de voornaamste herbergen onzen intrek te nemen, in die, welke door haar welvarend voorkomen eene goede ligging en eene goede tafel beloofden. Integendeel; gewoonlijk zochten wij een onderkomen in de eerste huizen van het dorp of in eene buitenwijk, bij voorkeur in eene armelijke woning, waar men ons niet zou afwijzen en ook niet te veel geld zou vragen.
Ditmaal echter weken wij van onze gewoonte af; inplaats van in het begin van het dorp stil te houden, ging Vitalis naar eene herberg, waarvoor een fraai verguld uithangbord heen-en-weer bengelde. Door de keukendeur, die wagenwijd openstond, zag men eene tafel bedekt met vleeschschotels en op een breed fornuis ontwaarde men een aantal pannen van roodkoper, die allerverleidelijkst pruttelden en kleine witte wolkjes naar boven zonden. Reeds op straat rook men den lekkeren geur van een soep, die onze hongerige magen alleraangenaamst aandeed.
Mijn meester, die zijn voorkomen van een heer hier aannam, trad de keuken binnen met den hoed op en het hoofd in den nek. Hij verlangde eene goede kamer met vuur.
Eerst had de eigenaar der herberg, die er zeer welvarend uitzag, ons niet eens met een blik verwaardigd, maar de voorname manieren van mijn meester maakten toch indruk op hem en hij gaf aan een dienstmeisje last om ons eene kamer te wijzen.
--Gauw, kruip in bed, zeide Vitalis, terwijl het dienstmeisje de kachel aanmaakte.
Een oogenblik stond ik verwonderd: waarom moest ik gaan slapen? Ik had veel meer trek mij aan tafel te zetten dan in mijn bed te gaan liggen.
--Gauw! herhaalde Vitalis.
Ik gehoorzaamde.
Er lag een donzen dekbed op het ledekant; Vitalis stopte mij tot mijn neus daaronder.
--Doe je best zoo warm mogelijk te worden, zeide hij; hoe warmer hoe beter.
Het kwam mij voor, dat Joli-Coeur veel meer behoefte aan warmte had dan ik, want ik was volstrekt niet koud.
Terwijl ik onbeweeglijk onder het dekbed lag en trachtte warm te worden, wentelde Vitalis, tot groote verbazing van het dienstmeisje, Joli-Coeur om-en-om alsof hij hem wilde roosteren.
--Heb je 't warm? vroeg hij mij na eenige oogenblikken.
--Ik stik bijna.
--Dat is juist wat ik wenschte.
Toen kwam hij bij mij, legde Joli-Coeur in mijn bed en beval mij hem zoo dicht mogelijk tegen mijn lijf te houden.
Het arme dier, dat anders zoo weerbarstig was, wanneer men iets met hem deed dat niet naar zijn zin was, onderwierp zich nu aan alles.
Het drukte zich tegen mij aan zonder eene enkele poging om zich te verzetten. Het was niet koud meer; zijn lijf brandde.
Mijn meester was naar de keuken gegaan en kwam weldra met een groote kom warmen wijn met suiker terug.
Hij wilde Joli-Coeur eenige lepels van dien drank ingeven, maar het dier kon zijn bek niet openen.
Met zijn schitterende oogen zag hij ons treurig aan, als smeekte hij ons, dat wij hem niet langer zouden plagen.
Tegelijk stak hij een van zijn pooten uit bed en strekte die naar ons uit.
Ik begreep die beweging niet, die het dier telkens herhaalde, maar Vitalis gaf mij er de verklaring van.
Voor ik deel uitmaakte van het gezelschap, had Joli-Coeur eene bloedspuwing gehad en men had hem adergelaten. Thans voelde hij zich wederom ziek en stak ons een arm toe, om hem nogmaals ader te laten en te genezen, zooals de eerste maal.
Was dit niet aandoenlijk?
Vitalis werd er dan ook niet alleen door aangedaan, maar het verontrustte hem ook.
Blijkbaar was de arme Joli-Coeur ziek en hij moest zich dan ook wel ziek gevoelen, dat hij den zoeten wijn weigerde, waarvan hij anders zooveel hield.
--Drink den wijn uit, zeide Vitalis, en blijf in bed; ik ga een dokter halen.
Ik moet bekennen, dat ik veel van warmen zoeten wijn hield en dat ik een geduchten honger had. Ik liet het mij dan ook geen tweemaal zeggen, en na de kom te hebben uitgedronken kroop ik weder onder het dekbed, waaronder ik nu, ook tengevolge van den wijn, bijna stikte.
Mijn meester bleef niet lang uit, weldra kwam hij terug met een heer met een gouden bril; dat was de dokter.
Daar hij vreesde, dat zulk een gewichtig man niet zou komen, als het maar voor een aap was, had Vitalis hem niet gezegd voor welke zieken hij hem kwam roepen; toen hij mij dan ook op bed zag liggen zoo rood als een pionieroos, kwam de dokter bij me en terwijl hij zijn hand op mijn voorhoofd legde, zeide hij: congestie, waarbij hij het hoofd schudde op eene wijze, die alles behalve geruststellend was.
Het was tijd dat ik hem uit de dwaling hielp, anders zou hij op mij misschien ook een aderlating hebben toegepast.
--Ik ben niet ziek, zeide ik.
--Niet ziek? herhaalde de dokter. De knaap ijlt.
Zonder te antwoorden sloeg ik het dek een weinig op en wees op Joli-Coeur, die zijn poot om mijn hals had geslagen.
--Dat is de zieke, zeide ik.
De dokter deed twee stappen achteruit en wendde zich tot Vitalis.
--Een aap, riep hij uit. Is het voor een aap, dat gij mij met zulk een weer uit mijn huis hebt gehaald?
Ik dacht dat hij verontwaardigd zou wegloopen.
Maar mijn meester was een slim man, die niet licht van zijn stuk was te brengen. Zeer beleefd en met de voornaamheid hem eigen wist hij den dokter te bewegen om te blijven. Eerst bracht hij hem op de hoogte van den toestand; hoe wij overvallen waren door de sneeuw en Joli-Coeur, uit vrees voor de wolven, in een boom was geklauterd en daar kou had gevat.
--'t Is waar, de zieke was maar een aap, maar welk een geniale aap! Bovendien was hij een makker, een vriend van ons. Hoe zou men zulk een merkwaardig dier, dat zoo voortreffelijk komedie speelde aan de behandeling van een eenvoudig veearts toevertrouwen? Iedereen wist dat de dorpsveeartsen groote domooren waren; terwijl iedereen ook wist, dat alle geneesheeren, ofschoon in verschillende mate, wetenschappelijke mannen zijn, zoodat men zelfs in het kleinste dorp zeker kon wezen dat men de hulp van een edelmoedig en bekwaam man bekomt, wanneer men maar bij een dokter aanschelt. Bovendien, ofschoon de aap slechts een dier is, volgens de natuurkundigen, komt hij een mensch zoo nabij, dat hij ook de ziekten van een mensch heeft. Was het niet van belang, ook uit een wetenschappelijk oogpunt, om na te gaan in hoeverre die ziekten met de menschelijke ziekten overeenstemmen, of daarvan afwijken?
De Italianen bezitten grooten tact om te vleien en de dokter kwam eindelijk bij het bed.
Terwijl mijn meester sprak, had Joli-Coeur, die zeker geraden had dat die heer met zijn bril een dokter was, wel tien keer zijn pootje uitgestoken om gelaten te worden.
--Zie nu eens hoe verstandig die aap is; hij begrijpt dat u een dokter is en hij steekt zijn poot uit, om zijn pols te laten voelen.
Dit gaf voor den dokter den doorslag.
--In ieder geval, zeide hij, is de zaak misschien niet van belang ontbloot.
Voor ons was die zaak echter hoogst treurig en verontrustend; de arme Joli-Coeur werd door een bloedspuwing bedreigd.
Het pootje, dat hij zoo dikwijls had uitgestoken, nam de dokter in zijne hand en met zijn lancet opende hij een ader, zonder dat het dier een kreet slaakte.
Hij wist dat dit het middel was om te genezen.
Na de aderlating kwamen de pappen en de drankjes.
Natuurlijk bleef ik niet in bed; ik werd de ziekenoppasser onder leiding van Vitalis.
De arme Joli-Coeur wilde gaarne door mij verpleegd worden en hij beloonde me met zijn vriendelijksten glimlach; zijn blik had iets erg menschelijks.
Hij, anders zoo vroolijk, zoo dartel, zoo weerbarstig en altijd er op uit om ons een streek te spelen, was thans de rust en gehoorzaamheid zelve.
Het scheen dat hij behoefte had, dat men hem vriendschap betoonde; hij vroeg die zelf van Capi, dien hij zoo vaak geplaagd had.
Als een bedorven kind wilde hij ons allen bij zich hebben en hij was boos, als een van ons de kamer verliet.
Zijne ziekte had den gewonen loop, dien alle borstaandoeningen hebben; weldra begon hij te hoesten en die hoest matte hem af door de gestadige schokken, waaraan zijn lichaam was blootgesteld.
De vijf stuivers, die mijne geheele bezitting uitmaakten, besteedde ik om sucre d'orge voor Joli-Coeur te koopen.
Ongelukkigerwijze werd hij daardoor erger inplaats van beter.
Aan zijn gewone opmerkzaamheid toch ontging het niet, dat ik hem sucre d'orge gaf zoo dikwijls hij hoestte.
Van die opmerking maakte hij gebruik om elk oogenblik te hoesten, teneinde zooveel te vaker het geneesmiddel te krijgen, dat hij zoo lekker vond, zoodat hem dit, inplaats van te genezen erger maakte.
Toen ik zijn list had begrepen, hield ik mijn sucre d'orge terug, maar dit ontmoedigde hem niet; hij begon mij met smeekende oogen aan te zien en, als dit niet baatte, ging hij op zijn kussen zitten, en, in tweeën gevouwen, met zijn hand op zijn buik, hoestte hij zoo erg als hij maar kon; zijn gelaat werd rood; de aderen van zijn voorhoofd zwollen op; de tranen liepen hem over de wangen en hij eindigde met bijna te stikken; thans was het geen komediespel meer, maar volkomen ernst.
Mijn meester had mij nooit inzage in zijne zaken gegeven en slechts door eene toevallige omstandigheid had ik vernomen, dat hij zijn horloge had moeten verkoopen, om mij een schapevacht te bezorgen. In de moeilijke omstandigheden, welke wij nu beleefden, meende hij van den regel te moeten afwijken.
Op een morgen, dat hij van het ontbijt terugkwam, terwijl ik bij Joli-Coeur was gebleven, dien wij niet alleen lieten, deelde hij me mede, dat de herbergier betaling gevraagd had voor hetgeen wij hem schuldig waren en dat wij na de voldoening van diens rekening slechts een gulden overhielden.
Wat nu te doen?
Natuurlijk wist ik geen antwoord op die vraag.
Hij zelf wist ook geen ander antwoord, dan dat wij nog dienzelfden avond eene voorstelling gaven.
Eene voorstelling zonder Zerbino, zonder Dolce, zonder Joli-Coeur! Dit scheen me onmogelijk.
Maar wij waren niet in een toestand om ons zelfs door het onmogelijke te laten weerhouden. Wij moesten, wat het ook kosten mocht, Joli-Coeur verplegen en redden; de dokter, de medicijnen, het vuur, de kamer, alles eischte dat wij onmiddellijk tenminste twintig gulden bijeenbrachten, teneinde den herbergier te betalen, die, als hij maar ééns geld van ons gezien had, ons wel langer krediet zou geven.
Twintig gulden in dit dorp, met dit koude weer en de middelen die ons ten dienste stonden--het zou wel een wonder zijn, als wij daarin slaagden.
Inplaats dat mijn meester daarover bleef peinzen, nam hij terstond maatregelen om hetgeen hij verlangde te verwezenlijken.
Terwijl ik onzen zieke verpleegde, zocht hij eene plaats waar wij eene voorstelling konden geven op de overdekte markt, want in de open lucht was het niet mogelijk bij zulk eene koude. Hij maakte een tooneel met behulp van eenige planken en besteedde den gulden om kaarsen te koopen, die hij half doorsneed om het aantal lichtjes dubbel zoo groot te maken.
Uit het raam van onze kamer zag ik hem heen-en-weer loopen in de sneeuw, bij herhaling de herberg voorbijgaande en niet zonder angst vroeg ik mijzelven af, waaruit de voorstelling van dien avond bestaan zou.
Weldra kwam ik ook dit te vernemen: de tamboer van het dorp, met zijn roode soldatenmuts op het hoofd, hield voor de herberg stand, en na een prachtigen langen roffel las hij het programma voor.
Hoe dit was samengesteld, laat zich wel denken. Vitalis had de buitensporigste dingen beloofd: er was sprake van een "kunstenaar door het gansche heelal beroemd",--dat was Capi--en van een jeugdigen zanger, die een "wonderkind" was.--Dat wonderkind was ik.
Maar het belangrijkste gedeelte van dit programma was de slotbepaling: men behoefde niets te betalen; wat men geven wilde liet Vitalis geheel over aan de mildheid van het geachte publiek, dat eerst zijn giften zou offeren na gehoord, gezien en toegejuicht te hebben.
Dit scheen me nogal gewaagd toe, want het was zeer de vraag óf men ons zou toejuichen. Capi verdiende werkelijk beroemd te worden genoemd; maar ik voor mij was volstrekt niet overtuigd, dat ik een wonderkind was.
Toen hij den tamboer hoorde, had Capi vroolijk geblaft en Joli-Coeur had zich half opgelicht, ofschoon hij op dat oogenblik erg ziek was; beiden hadden begrepen, dat het eene voorstelling gold.