Alleen op de Wereld

Chapter 12

Chapter 124,202 wordsPublic domain

Dat waren woorden die mijn hart goed deden; maar waar zouden wij gastvrije menschen vinden? Voordat de sneeuw ons nog in zijn sneeuwwit kleed had gehuld, had ik een onderzoekenden blik over het geheele landschap geworpen, maar geen huis in den omtrek ontdekt, dat ons de nabijheid van een dorp kon aankondigen. Wij stonden integendeel op het punt om een bosch binnen te treden, welks sombere diepten van alle kanten met het oneindige samensmolten.

Wij moesten dus niet al te vast op die woning rekenen; maar misschien zou de sneeuw spoedig ophouden.

Zij bleef echter vallen en veel erger dan in het begin.

In weinige oogenblikken had zij den weg bedekt of liever alles wat zich op den weg bevond: de steenhoopen, het gras aan de zijden van den weg, de struiken en heggen langs de slooten, want door den wind voortgedreven, die niet was gaan liggen, stoof zij over den grond verder, om zich vast te zetten op alles wat haar tegenstand bood.

Het lastigste voor ons was, dat ook wij behoorden tot de hinderpalen op haren weg. Als de vlokken ons troffen, gleden zij over het gladde heen, maar in elke plooi of opening drongen zij binnen als stof en smolten daar. Ik voelde hoe ze als koud water langs mijn hals afdropen en mijn meester, die de schapevacht had opgelicht om Joli-Coeur lucht te verschaffen, was niet beter beschut.

Toch gingen wij verder tegen wind en sneeuw in. Wij spraken geen woord, maar keerden ons van tijd tot tijd om, teneinde weder eens adem te scheppen. De honden gingen niet meer vooruit; zij volgden ons vlak op de hielen en schenen ons een schuilplaats te vragen, die wij hun niet konden geven.

Slechts langzaam kwamen wij vooruit en met moeite; half blind, door-en-door nat en verstijfd; ofschoon wij reeds geruimen tijd in het bosch waren, vonden wij nergens eenige beschutting, daar de weg geheel aan den wind was blootgesteld.

Gelukkig--moet ik wel gelukkig zeggen?--ging de wind, die eerst zoo heftig was, langzamerhand liggen, maar toen begon het harder te sneeuwen en inplaats van zich als stof te verspreiden, viel zij nu in dichte zware vlokken neder. In korten tijd was de weg bedekt met eene dikke sneeuwlaag, waarover wij onhoorbaar voortliepen.

Van tijd tot tijd zag ik hoe mijn meester naar de linkerzijde keek, alsof hij daar iets zocht, maar men ontdekte daar niets dan een open vak, waarin men in het afgeloopen voorjaar het hout had geveld en waar nu de jeugdige boompjes met hunne buigzame takken bijna bezweken onder de vracht sneeuw.

Wat hoopte hij daar te vinden?

Ik voor mij keek maar recht voor mij naar den weg, die zich daar uitstrekte en zocht of dan dat bosch nooit zou eindigen en of wij niet ten laatste aan een huis zouden komen. Maar het was eene vruchtelooze poging om door dien witten sneeuwmuur te willen doordringen. Reeds op weinige ellen afstand verloren de voorwerpen hunne vormen en vóór ons zagen wij niets dan de sneeuw, die in steeds dichter vlokken neerviel en ons omringde als in de mazen van een onmetelijk net.

De toestand was niet opbeurend, want ik heb het nooit zien sneeuwen, zelfs niet als ik voor de ramen stond in eene goed verwarmde kamer, zonder dat zich een zeker weemoedig gevoel van mij meester maakte, en hier waren wij alles behalve in eene goed verwarmde kamer.

Toch moesten wij maar voortloopen en den moed niet opgeven, want onze voeten zakten hoe langer hoe dieper in de sneeuwlaag, die weldra tot onze knieën reikte, terwijl bovendien de sneeuwvracht, die wij op onze hoeden en kleeren droegen, hoe langer hoe zwaarder werd.

Opeens zag ik Vitalis de hand naar de linkerzijde uitstrekken, als om mijne aandacht in die richting te vestigen. Ik keek en het scheen mij toe, dat ik op de open vlakte den onbestemden vorm van een hutje zag, uit boomstammen samengesteld. Ik vroeg geen uitleg, want ik begreep, dat mijn meester mij niet op dat hutje opmerkzaam maakte, om het effect te bewonderen, dat het in dit landschap teweegbracht. Het kwam er maar op aan den weg te vinden, die erheen leidde.

Dat was moeilijk, want de sneeuw lag al hoog genoeg om elk spoor van een weg of een pad te doen verdwijnen. Intusschen aan het uiteinde van het open vak, op de plaats waar het hooge kreupelhout weder aanving, scheen het mij, dat de sloot langs den grooten weg eindigde. Daar begon zonder twijfel de weg die naar de hut leidde.

Die onderstelling was juist; de sneeuw bezweek niet onder onze voeten, toen wij in de gracht afdaalden en weldra waren wij bij de houten loods. Deze bestond uit takkenbossen en boomstammen, waarboven takken in den vorm van een dak waren gelegd. Dat dak was dicht genoeg, dat de sneeuw er niet had kunnen doordringen.

Deze schuilplaats was zoo goed als een huis.

De honden schenen nog meer haast te hebben of vlugger te zijn dan wij, want zij waren dadelijk in de hut en zij rolden zich over den drogen grond en in het stof, terwijl zij luid en blijde keften.

Onze blijdschap was niet minder dan de hunne, maar wij legden ze op eene andere wijze aan den dag dan door ons in het stof te wentelen, al was dit misschien ook zoo kwaad niet geweest om ons te drogen.

--Ik dacht wel, zeide Vitalis, dat bij dit pas gekapte hout ergens eene houthakkershut moest zijn. Nu kan de sneeuw vallen, wat mij betreft.

--Ja, laat ze maar vallen, zeide ik op uitdagenden toon.

En ik ging naar de deur, of liever naar de opening van de hut want zij had geen deuren of vensters, om de sneeuw van mijn buis en mijn hoed te schudden, opdat ons vertrek niet natter werd dan noodig was.

Dat vertrek was zeer eenvoudig, zoowel wat zijne inrichting betrof als zijne meubels. Deze bestonden slechts uit een bank van klei en eenige steenen, die tot zitplaatsen konden dienen. Maar wat in de gegeven omstandigheden voor ons nog van het meeste belang was, waren de vijf of zes gebakken steenen, die in een hoek lagen gerangschikt en een haard vormden.

Vuur! Wij konden dus vuur maken, 't Is waar, dat een haard alleen niet voldoende is om vuur te maken en dat men ook hout moet hebben om te branden. In een huis als wij nu betrokken hadden, was hout echter niet moeilijk te vinden. Wij konden het van het dak en van de wanden nemen; wij behoefden namelijk slechts de takken uit te trekken, zoo we maar oppasten dat wij de muren niet ineen deden storten.

Dit was spoedig gedaan en weldra vlamde een flikkerend vuur lustig op onzen haard.

Een vuurtje! Een heerlijk vuurtje!

Wel-is-waar maakte het veel rook, en daar er geen schoorsteen was, verspreidde deze zich door de hut; maar wat bekommerden wij ons daarover: wij hadden vuur en het was ons om de warmte te doen.

Terwijl ik op mijne beide handen steunende het vuur aanblies, hadden de honden zich om den haard geschaard en ernstig zaten ze nu daar op hun staart, met uitgestrekten hals, zóó dat zij op hun natten, verstijfden buik de vlammen lieten spelen.

Weldra verliet ook Joli-Coeur de vacht van zijn meester en heel voorzichtig zijn neus naar buiten stekend, keek hij eens om zich heen om te zien, waar hij zich bevond. Het onderzoek stelde hem gerust en hij sprong vlug op den grond, nam de beste plaats bij den haard in, en stak zijne kleine sidderende pootjes naar de vlammen uit.

Wij waren thans zeker, dat wij niet van koude zouden omkomen, maar hoe wij aan eten zouden komen, wisten wij niet.

In die gastvrije hut was geen broodkas en stonden geen pannen op het vuur. Gelukkig was mijn meester een man van ervaring, die steeds zijne voorzorgen nam. Voordat wij dien morgen op weg waren gegaan, had hij reeds voor levensbehoeften gezorgd: een half brood en een stuk kaas. Veel was het niet, maar het was waarlijk het oogenblik niet om veel te eischen en aanmerkingen te maken op hetgeen wij kregen; toen dan ook het halve brood te voorschijn kwam, voelden wij allen eene gewaarwording van innige tevredenheid.

Ongelukkig waren de stukken niet heel groot en voor mij was de teleurstelling nog sterker, want mijne verwachting, dat wij al het brood zouden krijgen, werd niet verwezenlijkt; mijn meester gaf ons niet meer dan de helft.

--Ik ken hier den weg niet, zeide hij in antwoord op den vragenden blik, waarmede ik hem aanzag, en ik weet niet of wij vóór Troyes nog wel eene herberg zullen voorbijkomen. Bovendien ben ik ook in dit bosch niet bekend. Alleen weet ik, dat er zeer veel bosschen in dit land zijn en dat het eene zich aan het andere aansluit. Misschien zijn wij vele mijlen van elke woning verwijderd, en 't is ook mogelijk, dat wij langen tijd in deze hut opgesloten blijven. Het eten moeten wij dus bewaren voor ons middagmaal.

Ik voor mij begreep den toestand heel goed, nu Vitalis mij dien uitlegde, maar toen de honden het brood in den zak zagen wegbergen, terwijl hun honger nog verre van gestild was, staken zij de pooten naar hun meester uit, krabden zijn knieën en vertoonden eene geheele pantomime om hem te beduiden, dat hij den zak moest openmaken, waarop zij onafgebroken de oogen gevestigd hielden.

Maar hun smeeken en liefkoozen was tevergeefs: de zak bleef gesloten.

Hoe schraal intusschen ook het maal geweest was, het had ons weer kracht gegeven; wij waren beschut tegen het weer; dank zij het vuur, doortintelde ons eene aangename warmte; wij konden wachten tot het ophield met sneeuwen.

In die hut te blijven vond ik volstrekt niet naar; vooral niet omdat ik er niet zoolang dacht te blijven als Vitalis mij had voorgespiegeld om zijne zuinigheid te rechtvaardigen.

Intusschen uit niets was af te leiden, dat het spoedig zou ophouden te sneeuwen.

Door de opening van de hut zagen wij de vlokken dicht en snel naar beneden vallen. Daar het niet meer waaide, vielen zij bijna loodrecht naar beneden en de eene volgde de andere, zonder tusschenpoozen.

Men zag den hemel niet en het licht viel niet van boven, maar steeg van beneden op: van de schitterende witte vlakte, die den grond bedekte.

De honden hadden zich geschikt in dit gedwongen oponthoud. Alle drie lagen zij voor het vuur uitgestrekt; de een in elkander gevouwen, de andere op zijne zijde; Capi met zijn neus in de asch. Alle drie sliepen.

Ik kwam op de gedachte om te doen als zij; ik was al vroeg opgestaan en ik vond het veel pleizieriger in het land der droomen rond te zwerven, dan naar de sneeuw te kijken.

Ik weet niet hoe lang ik sliep; toen ik wakker werd, had het opgehouden met sneeuwen; ik zag naar buiten; de sneeuw lag nog veel hooger voor onze hut: als wij ons op weg begaven, zou ik er zeker tot over de knieën zijn ingezonken.

Hoe laat zou het wel wezen? Ik kon het niet aan Vitalis vragen, want in den laatsten tijd hadden wij maar weinig verdiend, zoodat hetgeen hij in de gevangenis en door zijn proces verloren had, niet was aangevuld. Daarom had hij te Dijon, teneinde een schapevacht en eenige andere voorwerpen voor zichzelven en mij te kunnen aanschaffen, zijn horloge moeten verkoopen, het groote zilveren horloge, waarop Capi nog gezien had hoe laat het was, toen zijn meester mij bij zich in dienst nam.

Ik moest dus aan den dag zien welk uur het was, daar wij ons horloge niet meer bezaten.

Maar niets daarbuiten kon mij eenig antwoord geven. Op den grond lag eene onafzienbare witte laag sneeuw; daarboven hing een donkere mist: de lucht was effen grijs en hier en daar vertoonde zich slechts eene flauwe gele streep.

Uit niets van dit alles kon ik opmaken hoe laat het was.

Mijne ooren vertelden mij al even weinig als mijne oogen, want alom heerschte eene doodsche stilte, die door geen vogel werd gestoord, noch door het klappen van een zweep of het rollen van een wagen; geen nacht was ooit zoo stil geweest als deze dag.

Bovendien was alles om ons henen roerloos stil. De sneeuw scheen alle beweging te hebben gedood, alles te hebben versteend. Slechts van tijd tot tijd zag men na een bijna onhoorbaar kraken den tak van een denneboom zich bewegen; onder de vracht die hij torste, was hij langzamerhand tot den grond doorgebogen, en als hij al te schuin hing, was de sneeuw eraf gevallen, en de tak had plotseling zich weder verheven. Zijn donkergroen loof vormde dan een sterk contrast met het witte sneeuwkleed, dat de andere boomen van den top tot den voet omhulde, zoodat men op een afstand meende een zwarte opening te zien in de witte lijkwade.

Terwijl ik tegen den post der deur geleund stond, opgetogen over dit schouwspel, hoorde ik mijn meester mij roepen.

--Hebt gij lust om weer op weg te gaan?

--Ik weet het niet, het is mij alles onverschillig; ik zal alles doen wat u verlangt.

--Welnu, dan komt het mij voor, dat we maar hier moesten blijven; wij zijn hier tenminste beschut en wij hebben vuur.

Ik voegde er in mijn gedachten bij, dat wij niets te eten hadden maar ik hield die opmerking voor me.

--Ik denk dat het spoedig weer zal gaan sneeuwen, ging Vitalis voort. Wij moeten ons niet op weg begeven, zonder dat wij weten op welken afstand we zijn van bewoonde huizen; de nacht zou niet heel aangenaam wezen temidden van die sneeuw; 't is beter dat wij hem hier doorbrengen; hier hebben wij tenminste droge voeten.

Als ik de vraag, hoe en wat wij eten zouden er buiten liet, had dit besluit niets onaangenaams voor me, maar al gingen wij dadelijk weder op weg, dan was het nog volstrekt zoo zeker niet, dat wij vóór den avond eene herberg zouden bereiken, en daar ons maal zouden kunnen vinden; wel wachtte ons daarentegen op de wegen eene dikke laag sneeuw, die nog niet was platgetreden, en waardoor wij slechts met moeite zouden voortkomen.

Men moest dus maar niet aan eten denken; dat was alles wat ons overschoot.

Wat ik verwacht had gebeurde; voor ons middagmaal kregen wij niets anders dan het overschot van de mik, dat Vitalis in zessen verdeelde.

Veel was dit niet en spoedig was het op, niettegenstaande wij de stukjes zoo klein mogelijk maakten, om ze langer te doen duren. Na afloop van ons kort en zeer sober maal, dacht ik dat de honden de vertooning van dien morgen zouden herhalen, want het was duidelijk, dat zij nog geduchten honger moesten hebben. Niets ervan had evenwel plaats, en ik zag alweder welke verstandige dieren zij waren.

Toen Vitalis het mes in zijn broekzak had gestoken, wat te kennen gaf, dat ons middagmaal was afgeloopen, stond Capi op en na een teeken te hebben gegeven aan zijn twee makkers, besnuffelde hij den zak, waarin gewoonlijk onze voorraad geborgen was. Tevens legde hij even zijn poot op den zak om dien te betasten. Na dit tweeledig onderzoek was hij overtuigd, dat er niets meer te eten was. Toen zette hij zich weder op zijne oude plaats bij het vuur en na een nieuwen wenk met den kop aan Dolce en Zerbino, ging hij languit liggen, en slaakte een zucht van berusting.

Er is niets meer; dus behoeven we ook niet te vragen. Dit gaf hij zoo duidelijk te kennen, alsof hij het met zoovele woorden zeide. Zijne makkers begrepen die taal en legden zich toen ook bij het vuur neer, eveneens een zucht slakende, maar die van hen was niet zoo onderworpen, want aan goeden eetlust paarde Zerbino eene bijzondere neiging voor hetgeen lekker was, en het gemis was voor hem dus erger dan voor de anderen.

Het sneeuwde opnieuw geruimen tijd en de sneeuw viel weder hardnekkig in dichte vlokken neder. Van uur tot uur zag men de laag, die zij op den grond vormde, al hooger en hooger tegen de boomstammen rijzen, waarvan alleen de takken nog uitstaken boven de witte zee, die ze weldra zou verzwelgen.

Maar na het eten kon men al minder en minder duidelijk zien wat er om de hut plaats had, want deze sombere dag was nog vroeger dan andere winterdagen geëindigd.

De duisternis bracht evenwel geen verandering teweeg: de sneeuw bleef onafgebroken uit den donkeren hemel op de witte aarde vallen.

Daar wij hier moesten overnachten, was het beste zoo spoedig mogelijk maar in te slapen. Ik volgde dus het voorbeeld van de honden, wikkelde mij in mijn schapevacht, die ik voor het vuur had gehangen en die nu nagenoeg droog was, en strekte mij bij het vuur uit, met het hoofd op een platten steen, die mij tot oorkussen diende.

--Slaap maar, zeide Vitalis, ik zal u wakker maken als ik op mijn beurt ook slapen wil, want ofschoon wij in deze hut niets te vreezen hebben van dieren of menschen, moeten wij toch een van beiden wakker blijven om het vuur te onderhouden. Wij moeten onze voorzorgsmaatregelen nemen tegen de kou, die vrij vinnig zal wezen, als de sneeuw opgehouden heeft.

Ik liet mij dit niet tweemaal zeggen en sliep in.

Toen mijn meester mij wakker maakte, moest het al in 't holle van den nacht wezen; tenminste dit verbeeldde ik mij. De sneeuw had opgehouden; ons vuur brandde nog altijd.

--Thans is het uw beurt, zeide Vitalis: gij moet maar van tijd tot tijd wat hout op den haard werpen; gij ziet dat ik nog genoeg voor u heb klaargelegd.

Ik zag inderdaad een hoogen stapel takkenbossen, die binnen het bereik van mijn arm lag. Mijn meester, die een veel lichteren slaap over zich had dan ik, had willen voorkomen, dat ik hem wakker maakte, zoo dikwijls ik een takkenbos van den muur zou halen; daarom had hij dezen stapel gemaakt, waarvan ik bijna zonder gedruisch te veroorzaken het hout kon afnemen.

Dit was een verstandige voorzorg van Vitalis, maar ze had, helaas! de gevolgen niet, die hij ervan verwachtte.

Toen hij zag, dat ik wakker was en gereed om mijn post waar te nemen, was hij op zijn beurt bij het vuur gaan liggen met Joli-Coeur tegen zich aan. Hij had zich in zijn deken gewikkeld en weldra verkondigde zijne zware regelmatige ademhaling, dat hij was ingeslapen.

Op mijn teenen sloop ik toen naar de deur om eens te zien hoe het buiten was gesteld.

De sneeuw had alles bedolven; over de planten, de struiken, de boomen, zoo ver mijn oog kon ontwaren, lag een ongelijke, maar overal even witte sneeuwlaag; de hemel was bezaaid met schitterende sterren, maar hoe helder haar glans ook was, het landschap werd eigenlijk verlicht door de sneeuw. Het was koud geworden en daar buiten moest het vriezen, want de lucht, die in onze hut doordrong, was ijskoud. In de akelige stilte van den nacht hoorde men soms een zacht gekraak, hetwelk aanduidde, dat de oppervlakte van de sneeuw bevroor.

Het was inderdaad een geluk geweest, dat wij deze hut hadden ontdekt, want wat zou er van ons geworden zijn in 't midden van 't bosch, onder die sneeuw en met die koude?

Hoe weinig gedruisch ik met mijn opstaan ook gemaakt had, waren de honden wakker geworden, en Zerbino was eveneens opgestaan om met mij naar de deur te gaan. Daar hij niet met dezelfde gewaarwording als ik de wondervolle schoonheid van den nacht gadesloeg, begon hij zich spoedig te vervelen en wilde hij naar buiten.

Met de hand wenkte ik hem, dat hij naar binnen zou gaan. Welk een idée om met die koude een wandeling te gaan maken! Was het niet veel beter om bij het vuur te blijven dan te gaan zwerven? Hij gehoorzaamde, maar hij bleef met zijn neus naar de deur gekeerd, als een koppige hond, die zijn plan niet wil opgeven.

Nog eenige oogenblikken bleef ik naar de sneeuw kijken, want hoewel dit schouwspel mij zeer treurig stemde, schepte ik er toch zeker genot in: het bracht mij in eene stemming om te weenen en hoewel het me zeer gemakkelijk zou vallen om het niet meer te zien--ik behoefde daartoe slechts de oogen te sluiten of weer naar het vuur te gaan--verroerde ik mij niet.

Eindelijk keerde ik naar het vuur terug, legde eenige takken kruiselings over elkander, en meende mij gerust te kunnen neerzetten op den steen, die mij tot oorkussen had gediend.

Mijn meester sliep kalm voort; de honden en Joli-Coeur sliepen eveneens; en van het herlevende vuur stegen prachtige vlammen op, die dwarrelend tot het dak rezen en heldere vonken van zich deden afspatten. Dit was het eenige geluid, dat men hoorde in den stillen nacht.

Een poos lang hield ik mij bezig naar die vonken te kijken, maar langzamerhand overviel mij de moeheid die mij verstijven deed, zonder dat ik er mij van bewust was.

Als ik me met mijn houtvoorraad had moeten bezighouden, zou ik opgestaan zijn en door in de hut heen-en-weer te loopen, wakker zijn gebleven; maar daar ik moest blijven zitten en geen andere beweging had te maken dan de hand uit te strekken om takken op het vuur te werpen, gaf ik toe aan mijne slaperigheid, overtuigd dat ik wakker bleef, maar toch inslapende.

Eensklaps werd ik gewekt door een luid geblaf.

Het was donker; zeker had ik lang geslapen en het vuur was uitgegaan; althans de vlammen verlichtten de hut niet meer.

Het blaffen hield aan; het was de stem van Capi, maar, vreemd genoeg, Zerbino, zoomin als Dolce, antwoordde op zijn stem.

--Wel? wat is er? vroeg Vitalis, eveneens wakker wordende. Wat gebeurt er?

--Ik weet het niet.

--Je hebt geslapen en het vuur gaat uit.

Capi was naar de deur geloopen, maar niet naar buiten gegaan. Hij stond er vóór te blaffen.

De vraag, die mijn meester gedaan had, deed ik nu ook aan me zelven. Wat gebeurde er?

Het blaffen van Capi werd beantwoord door twee- of driemaal herhaald klagend geluid, waarin ik de stem van Dolce herkende. Dat geluid kwam van achter onze hut en op vrij korten afstand.

Ik wilde naar buiten gaan; mijn meester hield mij terug, door de hand op mijn schouder te leggen.

--Werp eerst wat hout op het vuur, beval hij.

En terwijl ik gehoorzaamde, nam hij een smeulenden tak, waarop hij blies om hem te doen gloeien.

Inplaats van den tak weer op het vuur te werpen, toen die vlam had gevat, hield hij hem in de hand.

--Wij zullen eens gaan zien, zeide hij; blijf achter me. Vooruit Capi!

Op het oogenblik, dat wij de deur wilden uitgaan, hoorden wij een luid gebrul en Capi drong zich verschrikt tusschen onze beenen terug.

--Het zijn wolven. Waar zijn Zerbino en Dolce?

Op die vraag kon ik geen antwoord geven. Zeker waren de twee honden weggeloopen, terwijl ik sliep. Zerbino had aan den lust toegegeven, dien ik had getracht in hem te bedwingen, en Dolce was zijn makker gevolgd.

Hadden de wolven hen meegesleurd? De toon, waarop mijn meester gevraagd had waar zij waren, scheen die vrees te verraden.

--Neem ook een brandenden tak, zeide hij, en laten we hen helpen.

In mijn dorp had ik allerlei akelige verhalen omtrent wolven gehoord; toch aarzelde ik niet; ik wapende mij met een tak en volgde mijn meester.

Maar toen wij op de open vlakte kwamen, zagen wij honden noch wolven.

Wij bespeurden in de sneeuw slechts de afdrukken der pooten van de twee honden.

Wij volgden die; zij liepen om de hut, maar een weinig verder kwamen wij bij eene plek, waar wij, ondanks de duisternis, konden zien, dat zich dieren daarin hadden gewenteld.

--Zoek! zoek! Capi! sprak mijn meester, en tegelijk floot hij om Zerbino en Dolce te roepen.

Maar geen geblaf antwoordde, geen enkel geluid verstoorde de doodsche stilte van het bosch en Capi, inplaats van te gaan zoeken, drong zich tegen onze beenen aan, de duidelijkste blijken gevende van vrees en angst, terwijl hij anders gewoonlijk zoo gehoorzaam en dapper was.

De afstraling van de sneeuw gaf niet genoeg licht om ons in staat te stellen het spoor te volgen, en op korten afstand verloor zich onze blik in de dichte duisternis.

Opnieuw floot Vitalis en riep met krachtige stem Zerbino en Dolce.

Wij luisterden; alles bleef stil; mijn hart kromp ineen.

Arme Zerbino! arme Dolce!

Vitalis bevestigde mijne vrees.

--De wolven hebben hen meegesleurd, zeide hij. Waarom hebt gij hen ook naar buiten laten gaan?

Ja, waarom? Daarop was het me onmogelijk een antwoord te geven.

--Wij moeten ze gaan zoeken, zeide ik en ik liep vooruit, maar Vitalis hield mij terug.

--Waar woudt gij ze gaan zoeken?

--Ik weet het niet; overal.

--Hoe zouden we onzen weg vinden in die duisternis en door de sneeuw?

Dat was inderdaad niet gemakkelijk; de sneeuw reikte tot onze knieën en met onze smeulende takken, konden wij geen licht brengen in die duisternis.

--Daar zij niet geantwoord hebben op mijn roepen, moeten zij ver.... weg zijn, sprak hij. Bovendien moeten wij ons niet blootstellen aan 't gevaar, dat de wolven ook ons aanvallen. Wij hebben niets om ons te verdedigen.