Chapter 11
Dan zou Arthur noch zijn moeder mij meer willen kennen; dan zou de genegenheid, die zij voor mij hadden opgevat, geheel verdwijnen; de herinnering aan mij zou hun zelfs onaangenaam worden. Arthur zou met geen vondeling gespeeld hebben; deze zou nooit zijn makker, zijn vriend, bijna zijn broer zijn geweest.
Ik stond als vastgenageld aan den grond.
Mevrouw Milligan zag mij uiterst verbaasd aan. Zij wilde, dat ik spreken zou, maar ik durfde hare vragen niet beantwoorden; toen meende zij echter zeker, dat de gedachte aan de naderende komst van mijn meester mij zoo aandeed, want zij drong niet langer bij mij aan.
Gelukkig vond dit gesprek 's avonds plaats, weinige uren vóór dat wij ons te rust begaven; ik kon mij dus spoedig aan de nieuwsgierige blikken van Arthur onttrekken en mij in mijn hut met mijn angsten en zorgen opsluiten.
Dat was mijn eerste slapelooze nacht, dien ik op _De Zwaan_ doorbracht.
Wat zou ik zeggen? wat moest ik doen?
Ik vond geen uitkomst.
En nadat ik honderdmaal van gedachten veranderd was, de meest tegenstrijdige denkbeelden elkander waren opgevolgd, kwam ik eindelijk tot het besluit niets te doen en niets te zeggen. Ik zou alles zijn gewonen loop laten gaan en mij aan mijn lot onderwerpen, wat er ook gebeuren mocht.
Misschien wilde Vitalis geen afstand van mij doen en dan zou de waarheid ook nooit bekend worden.
En zoozeer vreesde ik, dat de waarheid aan het licht zou komen, dat ik zelfs begon te hopen, dat Vitalis het voorstel van mevrouw Milligan niet aannemen zou.
Ik moest van Arthur en zijn moeder scheiden, om ze nooit weer te zien, maar in elk geval mochten zij geen onaangename herinnering aan mij houden.
Drie dagen later ontving mevrouw Milligan een brief van mijn meester, dat hij den daaropvolgenden Zaterdag met den trein van twee uur te Cette zou komen.
Ik vroeg aan mevrouw Milligan verlof om naar het station te gaan en de honden en Joli-Coeur met mij mede te nemen, om onzen meester op te wachten.
De honden waren onrustig, alsof zij eenig vermoeden hadden van hetgeen gebeuren zou. Joli-Coeur was onverschillig en ik zelf voelde mij geducht zenuwachtig. Er zou thans een beslissing over mijn leven genomen worden. O, als ik maar gedurfd had, hoe gaarne zou ik Vitalis gesmeekt hebben, niet te vertellen, dat ik een vondeling was.
Ik was in een hoekje van het station gaan staan; met mijn drie honden aan een touw naast mij en Joli-Coeur onder mijn jas, wachtte ik hem daar op, zonder acht te slaan op hetgeen om mij heen gebeurde.
De honden waarschuwden mij, dat de trein aangekomen was, en zij onzen meester geroken hadden. Plotseling voelde ik mij voorttrekken en daar ik niet op mijn hoede was, ontsnapten de honden mij. Zij sprongen op Vitalis toe en dezen zag ik eensklaps voor mij in zijn bekend gewaad. Capi was reeds in zijn armen gesprongen en Zerbino en Dolce klauterden tegen zijn beenen op.
Ik ging thans op mijn beurt naar hem toe, en toen Vitalis Capi op den grond had gezet, drukte hij mij in zijn armen. Dit deed hij voor de eerste maal en hij prevelde herhaaldelijk:
--_Buon di, povero caro_!
Mijn meester had mij nooit mishandeld, maar hij was toch ook nooit bijzonder zacht tegen mij geweest en ik was dergelijke ontboezemingen niet van hem gewoon; zij troffen mij dus te sterker en de tranen stonden in mijn oogen, want ik was in een toestand, waarin het hart zich spoedig ontsluit.
Ik zag hem aan en ik bespeurde, dat hij in de gevangenis veel verouderd was; hij ging lang zoo recht niet meer; zijn houding was gebogen, de blos was van zijn wangen verdwenen en zijn lippen waren kleurloos.
--Gij vindt mij veranderd, niet waar? De gevangenis is een ongezond verblijf en de verveling een kwade ziekte; maar dat zal nu allemaal wel overgaan.
Hij veranderde toen plotseling van onderwerp en vroeg:
--Hoe hebt gij die dame leeren kennen, die mij geschreven heeft?
Toen vertelde ik hem mijne ontmoeting met _De Zwaan_ en hoe ik sedert dien tijd bij mevrouw Milligan en Arthur geleefd had, wat wij gezien en gedaan hadden. Mijn verhaal duurde zeer lang, daar ik bang was om aan het einde te komen en onderweg te spreken over hetgeen mij zooveel angst aanjoeg; want ik zou nooit aan mijn meester durven zeggen, dat ik hem verlaten wilde, om bij mevrouw en Arthur te blijven.
Maar ik behoefde hem deze bekentenis nooit te doen, want wij waren het hotel genaderd, waar mevrouw Milligan haar intrek genomen had, vóór dat ik mijn verhaal had geëindigd. Vitalis sprak mij bovendien in het geheel niet van den brief, dien hij had ontvangen, evenmin als van het voorstel, dat zij hem waarschijnlijk daarin gedaan had.
--En die dame wacht mij? vroeg hij, toen wij het hotel binnentraden.
--Ja, ik zal u naar haar kamer brengen.
--Dat is onnoodig, zeg mij het nommer maar; dan kunt gij hier met Joli-Coeur en de honden op mij wachten.
Als mijn meester iets zeide, dan was ik niet gewoon hem tegen te spreken; toch waagde ik eene opmerking en verzocht hem opnieuw, hem naar mevrouw Milligan te mogen vergezellen, wat mij niet meer dan billijk en natuurlijk toescheen; maar met een wenk, legde hij mij het zwijgen op en ik moest hem wel gehoorzamen. Ik bleef in de gang, met de honden bij mij, op een bank wachten. Zij wilden hem ook volgen, maar zij durfden evenmin zich verzetten als ik: Vitalis wist gehoorzaamd te worden.
Waarom wilde hij niet, dat ik tegenwoordig zou zijn bij het onderhoud, dat hij met mevrouw Milligan hebben zou? Dit vroeg ik mezelf gedurig af en beschouwde deze vraag van alle zijden. Ik had zelfs nog geen antwoord daarop gevonden, toen ik hem reeds zag terugkomen.
--Ga van deze dame afscheid nemen, zeide hij; ik wacht u hier, binnen tien minuten zijn wij vertrokken.
Ik was buiten mezelf van schrik.
--Welnu, hervatte hij na een oogenblik, begrijpt gij mij niet? Gij blijft daar staan, alsof ge stom zijt: haast u!
Het was zijn gewoonte niet om mij op zulk een harden toon toe te spreken, en zoolang ik bij hem was, had hij nog nooit zoo iets tegen mij gezegd.
Ik stond op om werktuiglijk, zonder hem te begrijpen, hem te gehoorzamen.
Maar toen ik eenige schreden gedaan had, vroeg ik hem:
--Gij hebt dus gezegd....
--Ik heb gezegd, dat gij mij van dienst waart en dat ik u van het hoogste nut was; dus, dat ik niet van plan was, om van mijn rechten afstand te doen; ga en kom spoedig terug.
Dat gaf mij weder eenigen moed, want ik verkeerde geheel-en-al onder den invloed van het besef een vondeling te zijn en verbeeldde mij, dat, indien wij binnen tien minuten vertrokken moesten zijn, het was omdat mijn meester mijn geboorte had verteld.
Toen ik binnentrad, vond ik Arthur in tranen badende, terwijl mevrouw Milligan zich over hem heenboog, om hem te troosten.
--Gij gaat immers niet vertrekken, Rémi! riep Arthur uit.
Mevrouw Milligan antwoordde hem in mijne plaats en vertelde hem, dat ik gehoorzamen moest.
--Ik heb uw meester verzocht u bij ons te mogen houden, zeide zij, op een toon, die mij de tranen in de oogen deed komen, maar hij wilde er niet in toestemmen en niets heeft hem van zijn besluit kunnen afbrengen.
--Het is een slechte man! riep Arthur.
--Neen, het is geen slechte man, sprak zijn moeder; gij zijt hem van dienst en ik geloof bovendien, dat hij veel van u houdt. Uit zijn spreken kan men opmaken, dat hij een fatsoenlijk man is en dat hij het vroeger stellig beter gehad heeft. Om mij zijn weigering te verklaren, zeide hij: "ik houd van dat kind en hij van mij; het leven dat hij bij mij leidt is hem van meer nut dan de dienstbaarheid waarin hij, ondanks u zelve, bij u verkeert. Gij zoudt hem laten leeren en een rijke opvoeding geven, dat is waar; gij zoudt zijn geest vormen, maar niet zijn karakter. Hij kan uw zoon niet wezen; hij zal de mijne zijn; dat is beter voor hem, dan dat hij de speelbal van uw ziek kind is, en hoe goed en braaf deze knaap mij ook schijnt, zal ik hem toch een opvoeding weten te geven."
--Maar hij is toch de vader niet van Rémi! riep Arthur.
--Hij is zijn vader niet, daar hebt gij gelijk in, maar hij is zijn meester en Rémi behoort hem toe, daar zijn ouders hem verhuurd hebben. Voor het oogenblik moet Rémi hem gehoorzamen.
--Rémi mag niet vertrekken.
--Hij moet zijn meester volgen, maar ik hoop slechts voor korten tijd. Wij zullen aan zijn ouders schrijven en ik zal het met hen wel in orde brengen.
--O, neen! riep ik uit.
--Wat, niet?
--O, neen, als het u belieft, niet!
--Dat is toch het eenige middel, mijn jongen.
--Och, doe dat niet!
Zeker zou mijn afscheid langer geduurd hebben dan tien minuten, zoo mevrouw Milligan niet van mijn ouders gesproken had.
--Zij wonen te Chavanon, niet waar? vervolgde zij.
Zonder haar te antwoorden, trad ik naar Arthur toe en hem in mijn armen nemende, kuste ik hem herhaaldelijk en in mijn kus lag al de broederlijke genegenheid, die ik voor hem gevoelde. Ik rukte mij toen uit zijn omhelzing los en mij naar zijn moeder keerende knielde ik voor haar neder en drukte een kus op haar hand.
--Arme jongen! stamelde zij, terwijl zij zich over mij heenboog en ook zij gaf mij een kus op het voorhoofd.
Ik richtte mij toen plotseling op en snelde naar de deur.
--Arthur, ik zal altijd van u blijven houden, zeide ik snikkend, en u mevrouw, nooit zal ik u vergeten.
--Rémi! Rémi! steunde Arthur.
Maar ik hoorde niets meer; ik was verdwenen en had de deur achter mij gesloten.
Een oogenblik later stond ik naast mijn meester.
--En nu vooruit! zeide hij.
Wij verlieten Cette en sloegen den weg naar Frontignan in.
Zoo verliet ik mijn eersten vriend en tal van lotgevallen werden mijn deel, waarvoor ik anders bespaard zou zijn gebleven, indien ik niet het slachtoffer van een afschuwelijk vooroordeel ware geweest en mij niet door een dwaze vrees had laten beheerschen.
XIV.
SNEEUW EN WOLVEN.
Ik moest voortaan weder achter mijn meester loopen, met het koord van de harp over mijn schouder geslagen, en verre tochten door regen en wind, warmte en koude met hem afleggen.
Het zou weder mijn lot zijn, om mij op pleinen en markten zoo dom mogelijk voor te doen en het geëerde publiek te doen lachen of weenen.
De overgang was wreed, want niets went zoo spoedig als een gemakkelijk en gelukkig leven.
Ik gevoelde mij dikwijls vermoeid en uitgeput, ergerde of verveelde mij gedurig, en ondervond allerlei gewaarwordingen, die vroeger nooit door mij gevoeld werden.
Gedurende onze wandelingen bleef ik dikwijls ver achter, om aan Arthur, aan mevrouw Milligan en _De Zwaan_ te kunnen denken, en in mijn herinnering leefde ik dan weder in het verleden.
O, welk een goede tijd was dat!
En als wij 's avonds in een vuile kamer van de eene of andere herberg sliepen, dan dacht ik aan de hut, die ik in _De Zwaan_ had, en hoe hard vond ik dan mijn beddelakens.
Ik zou niet meer met Arthur spelen, ik zou nooit die lieve, vriendelijke stem van mevrouw Milligan meer hooren!
Gelukkig echter troostte mij één ding in mijn zeer groot en voortdurend verdriet: mijn meester was voor mij veel minzamer--hartelijker zelfs, zoo deze uitdrukking van toepassing kon zijn op Vitalis,--dan hij ooit geweest was!
Zijn karakter, of liever zijn omgang met mij, had in dit opzicht een groote verandering ondergaan en dit althans gaf mij de kracht om mijn leed te dragen en mijne tranen te bedwingen, wanneer de gedachte aan Arthur mij het hart vervulde. Ik gevoelde dan, dat ik niet alleen op de wereld was en dat Vitalis méér voor mij was dan een meester.
Dikwijls zelfs, wanneer ik slechts gedurfd had, gevoelde ik een onwederstaanbaren lust, om hem een kus te geven; zulk een behoefte had ik om aan de genegenheid, die ik hem toedroeg, lucht te geven, maar ik had den moed niet, want Vitalis was er de man niet naar, tegenover wien men vertrouwelijk kon zijn.
In het begin en ook gedurende de eerste jaren, was het een zekere vrees, die mij op een afstand van hem hield; thans was het een gevoel van eerbied, dat hij in mij opwekte.
Toen ik mijn dorp verliet, was Vitalis in mijn oog een mensch zooals alle anderen, want ik was toen nog niet in staat om eenig onderscheid te maken; maar mijn verblijf bij mevrouw Milligan had mij tot op zekere hoogte de oogen geopend en zonderling, wanneer ik Vitalis soms aandachtig gadesloeg, dan scheen het mij toe, alsof hij in zijn houding, zijn manieren en alles eenige overeenkomst had met mevrouw Milligan.
Ik zeide dan wel tot mezelf, dat dit onmogelijk was, daar mijn meester slechts honden en apen vertoonde, en mevrouw Milligan een aanzienlijke dame was.
Maar al zeide mijn verstand mij dit, mijn oogen moesten toch gelooven, wat zij aanhoudend zagen; als Vitalis het wilde, dan was zijn voorkomen even voornaam als dat van mevrouw Milligan; het eenige onderscheid tusschen hen was, dat mevrouw Milligan altijd een dame was, terwijl mijn meester slechts in enkele omstandigheden zich als een heer voordeed; maar hij was het dan ook zoo volkomen, dat hij zoowel den stoutmoedigste als den onbeschaamdste ontzag zou hebben ingeboezemd.
Maar daar ik noch stoutmoedig, noch onbeschaamd was, gevoelde ik mij wel onder dien invloed, maar toch durfde ik mijn hart geen lucht geven, al lokte hij dit ook door eenige vriendelijke woorden uit.
Nadat wij Cette verlieten, hadden wij verscheidene dagen lang niet over mevrouw Milligan en mijn verblijf op _De Zwaan_ gesproken, maar langzamerhand was dit het onderwerp van onze gesprekken geworden en mijn meester was altijd de eerste, die het aanroerde, en weldra verliep er geen dag, zonder dat de naam van mevrouw Milligan door ons uitgesproken werd.
--Gij hieldt veel van die dame? vroeg Vitalis mij eens; ja, ik begrijp het; zij was goed, zeer goed zelfs voor u: gij moet dan ook altijd met dankbaarheid aan haar denken.
Hij voegde er dan ook dikwijls bij:
--Het moest!
Wat moest?
In 't eerst begreep ik dat niet; maar langzamerhand kwam ik tot de overtuiging, dat hetgeen zoo moest zijn, betrekking had op het voorstel, dat mevrouw Milligan had gedaan, om mij bij haar te houden.
Dat beteekende het zeker, wanneer mijn meester zeide: "Het moest"; en het kwam mij voor, dat die enkele woorden eenig berouw verrieden; hij had mij wel bij Arthur willen laten, maar dat was onmogelijk geweest.
En in mijn hart was ik hem dankbaar voor dit berouw; hoewel ik niet gissen kon, waarom hij het aanbod van mevrouw Milligan had moeten afslaan, de uitlegging, welke door deze herhaaldelijk aan mij gegeven was, scheen mij niet zeer duidelijk toe.
--Misschien zou hij later het voorstel aannemen.
En dit gaf mij weer eenige hoop.
--Waarom ook zouden wij _De Zwaan_ niet weder ontmoeten?
Zij moest de Rhône opvaren en wij volgden den oever van dezelfde rivier.
Onder het wandelen wendde ik dan ook dikwijls den blik naar het water, dat aan beide zijden door vruchtbare oevers begrensd werd.
Zoodra wij in een stad kwamen, in Arles, Tarascon, Montélimart, Valence, Tournon en Vienne, begaf ik mij altijd het eerst naar de kaden of naar de bruggen: ik zocht _De Zwaan_, en als ik van verre een boot, die half in een nevel gehuld was, ontdekte, dan bleef ik altijd een poos wachten, om te zien of het _De Zwaan_ ook wezen zou.
Maar zij was het nooit.
Soms verstoutte ik mij om het aan een schipper te vragen en ik beschreef hem dan de boot, die ik zocht, maar zij hadden haar nog nooit voorbij zien varen.
Nu mijn meester besloten had om mij aan mevrouw Milligan af te staan--ten minste ik verbeeldde mij dit--zou ik ook niet langer bevreesd behoeven te zijn, dat men mij naar mijn geboorte zou vragen, of aan vrouw Barberin schrijven zou; alles zou tusschen mijn meester en mevrouw Milligan kunnen afgehandeld worden; zoo stelde ik het mij althans voor en ik had alles reeds geschikt: mevrouw Milligan verlangde mij tot zich te nemen, mijn meester stond haar zijn rechten op mij af, en meer zou er niet toe noodig wezen.
Wij bleven verscheidene weken in Lyon, en zoodra ik vrij was, ging ik naar de oevers van de Rhône en de Saône; ik wist evengoed als een inwoner van Lyon, waar de brug van Aunay, van Tilsitt, van Guillotière en die bij het gasthuis gelegen was.
Maar hoe ik ook zocht, _De Zwaan_ vond ik nooit.
Wij moesten Lyon weder verlaten en ons naar Dijon begeven; toen verloor ik alle hoop om ooit mevrouw Milligan en Arthur terug te zien, want in Lyon had ik alle mogelijke kaarten van Frankrijk, die ik op de boekenstalletjes had kunnen vinden, bestudeerd en ik wist, dat het kanaal, dat _De Zwaan_ zou opvaren, om de Loire te bereiken, bij Chalon zich van de Saône scheidt.
Wij kwamen te Chalon en verlieten die stad zonder _De Zwaan_ te hebben gezien: er viel dus niets meer aan te doen; ik moest mijn droom opgeven.
Dit kostte mij echter veel moeite.
En om mijn wanhoop nog grooter te maken, begon het weder ondragelijk te worden; de winter naderde met rasse schreden en onze tochten door weer en wind werden hoe langer hoe onaangenamer. Wanneer wij 's avonds een armoedige herberg of een schuur tot nachtverblijf hadden gevonden en ik uitgeput van vermoeienis, tot op mijn hemd toe nat en tot over mijn enkels beslijkt was, dan begaf ik mij niet met de gelukkigste gedachten ter ruste.
Toen wij Dijon verlaten hadden, en de heuvels van Côte-d'Or overtrokken, werden wij plotseling door een hevige koude overvallen, die al onze ledematen deed verstijven en Joli-Coeur nog treuriger en knorriger stemde dan mij.
Mijn meester was van plan om Parijs binnen den kortst mogelijken tijd te bereiken; eerst te Parijs zou er voor ons kans bestaan om gedurende den winter eenige voorstellingen te geven, maar hetzij hij geen geld genoeg had om dezen afstand met den trein af te leggen, of om welke andere reden ook, wij moesten te voet den weg volgen, die Dijon van Parijs scheidt.
Als het weer het ons toestond, dan gaven wij een korte voorstelling in de steden of dorpen die wij doortrokken, en wanneer deze ons dan eenig geld opbrachten, zetten wij onze reis weder voort.
Tot Chatillon toe ging alles zijn gewonen gang, hoewel wij altijd veel van de koude en vochtigheid te lijden hadden; maar toen wij deze stad hadden verlaten, werd het weder droog en draaide de wind naar het noorden.
In het eerst was ons dit welkom, hoewel het lang geen aangenaam gevoel is, als de noordenwind ons vlak in het gelaat waait, maar toch was in elk geval aan dezen scherpen wind nog de voorkeur te schenken boven dien regen en mist, dien in de laatste weken zonder ophouden gevallen was.
Ongelukkig echter hielden wij het met dezen wind ook niet droog; donkere wolken pakten zich aan den hemel samen, de zon scheen niet meer en aan alles kon men zien, dat er weldra sneeuw zou vallen.
Waarschijnlijk zouden wij vóór het vallen van de eerste sneeuw een groot dorp hebben kunnen bereiken, maar het plan van mijn meester scheen, zoo snel mogelijk te Troyes te zijn, omdat Troyes een groote stad is, waar wij verscheidene voorstellingen zouden kunnen geven, als het slechte weer ons dwong, om daar geruimen tijd te vertoeven.
--Ga spoedig naar bed, zeide hij, toen wij in onze herberg waren aangekomen; morgenochtend gaan wij reeds vroeg op reis; maar ik vrees, dat de sneeuw ons zal overvallen.
Hijzelf begaf zich echter niet zoo spoedig ter ruste, maar hij bleef bij de kachel zitten om eerst Joli-Coeur nog wat te verwarmen, welke dien dag veel van de koude had geleden en aanhoudend gesteund en gekermd had, ondanks alle voorzorgen om hem in de noodige dekens te wikkelen.
Den anderen morgen stond ik bij het aanbreken van den dag op, zooals hij mij bevolen had; het was nog donker en aan den zwarten hemel flikkerde geen enkele ster; het was alsof een groot, zwaar deksel op de aarde was neergedaald en deze zou verpletteren.
Als men de deur opende, joeg een scherpe wind door den schoorsteen, die de sintels aanblies, welke men den vorigen avond onder de asch had ingerekend.
--Als ik in uw plaats was, sprak de waardin tot mijn meester, dan zou ik niet vertrekken; het begint zoo straks te sneeuwen.
--Ik heb haast, antwoordde Vitalis, en ik hoop Troyes te bereiken, vóór dat het begint te sneeuwen.
--Dertig mijlen legt men niet gemakkelijk in een paar uur af.
Toch begaven wij ons op reis.
Vitalis stopte Joli-Coeur onder zijn jas, om hem wat van zijn eigen warmte te geven, en de honden welke blijde waren met dit droge weder, liepen voor ons uit. Mijn meester had te Dijon een schapevacht voor mij gekocht, waarvan ik de wol naar binnen gekeerd had en waarmede ik mijn gelaat bedekte, zoodat de wind, die ons in het gezicht blies, alleen mijn lichaam trof.
Het was niet prettig den mond te moeten openen; wij liepen dus zwijgend naast elkander voort en stapten zoo snel mogelijk door, zoowel om spoediger ons doel te bereiken, als om ons te verwarmen.
Hoewel het uur reeds lang was aangebroken, waarop de zon opging, werd het toch niets lichter om ons heen.
Eindelijk brak in het oosten een witte streep door de duisternis, maar de zon vertoonde zich niet; het was geen nacht meer, maar ik zou toch zeer overdrijven, als ik beweerde, dat het dag was.
Toch kon men de voorwerpen op het veld reeds duidelijker onderscheiden; het witte waas, dat over de aarde verspreid lag, en van het oosten uitging, als uit een oven, die op den grond was geplaatst, deed ons het geboomte zien, ontdaan van zijn reusachtig lommer en hier en daar de heggen, waaraan nog verdorde bladeren hingen, die een dof geluid maakten door den wind, welke ze telkens deed ruischen.
In den geheelen omtrek was geen schepsel te ontdekken; noch het rollen van een rijtuig, noch het klappen met de zweep trof ons oor; de eenige levende wezens, die men hoorde maar niet zag, waren de vogels, die zich tusschen de takken verscholen; alleen de eksters sprongen over den weg; met opgeheven staart en den kop in de lucht, vlogen zij ijlings op, wanneer wij naderden om zich boven in een boom te zetten, vanwaar zij ons vervolgden met hun gekras, dat den indruk maakte van scheldwoorden, of onheilspellende waarschuwingen.
Plotseling vertoonde zich in het noorden een wit puntje aan den hemel; het nam zeer snel in grootte toe, terwijl het ons naderde en wij hoorden een zonderlinge mengeling van onsamenstemmende geluiden; het moesten wilde eenden of zwanen zijn, die van het noorden naar het zuiden trokken. Zij vlogen boven ons hoofd en zij waren reeds een eind ver, toen wij nog eenig dons en veertjes door de lucht zagen dwarrelen, waarvan de witheid scherp afstak tegen den donkeren hemel.
Het landschap, dat wij doortrokken, was zeer somber en verspreidde over al wat ons omringde een droevige eentonige tint; zoover onze blik reikte, zagen wij kale velden, stille heuvels en dorre boomen.
De wind was een weinig naar het noordwesten gedraaid; de horizon had aan dien kant een koperkleurige tint, hij was zwaar en laag alsof hij op de toppen der boomen rustte.
Het duurde ook niet lang of eenige vlokken sneeuw, die zoo groot waren als vlinders, begonnen te vallen, zij stoven op-en-neer, en warrelden dooreen zonder ooit den grond te raken.
Wij hadden nog niet lang voortgeloopen, of het scheen mij reeds onmogelijk toe om Troyes vóór dat het sneeuwde te bereiken; daarover maakte ik mij echter niet bezorgd, en ik dacht zelfs, dat wanneer het begon te sneeuwen, die noordenwind zou ophouden en de koude zou afnemen.
Maar ik kende geen sneeuwstorm; spoedig zou ik ondervinden wat die was, en wel op een wijze om het nooit te vergeten.
De wolken, die uit het noordwesten al nader en nader gekomen waren en den hemel als met een wit schijnsel verlichtten, waren van elkander gespleten en groote sneeuwvlokken begonnen te vallen.
Het waren nu geen vlokken die voor ons uit warrelden, het was een regen van sneeuw, die op ons nederviel.
--Het stond zeker geschreven, dat wij Troyes niet mochten bereiken, sprak Vitalis; wij moeten dus een schuilplaats zoeken in de eerste woning de beste.