Alleen op de Wereld

Chapter 10

Chapter 104,203 wordsPublic domain

Ik riep ze, evenals Joli-Coeur; zij kwamen bij ons en bogen en ook de aap maakte allerlei dwaze bewegingen. Allen schenen te verwachten, dat wij eene voorstelling zouden geven.

Maar dien morgen was er geen sprake van eene voorstelling. Mevrouw Milligan had haar zoon buiten de zon geplaatst en had zich naast hem neergezet.

--Wilt gij de honden en den aap wegbrengen? vroeg zij, dan kunnen wij gaan werken.

Ik deed wat zij verlangde en ging met mijn troepje naar den voorsteven.

Maar voor welken arbeid was die arme zieke knaap geschikt?

Ik zag, dat zijne moeder hem eene les overhoorde, en aandachtig in een boek volgde wat hij zeide. Op zijne plank uitgestrekt, zeide Arthur zijne les op, zonder eene enkele beweging te maken. Liever gezegd: hij trachtte zijne les op te zeggen, want hij haperde geweldig en bracht geen drie woorden vlot er uit, en dan nog vergiste hij zich dikwijls.

Zijne moeder verbeterde zijne fouten met zachtheid, maar toch met ernst.

--Gij kent uw fabel niet, zeide zij.

Het trof mij, dat eene moeder tot haar kind u zeide, want ik wist toen nog niet, dat dit in Engeland de gewoonte was.

--Ach moeder, sprak hij, op treurigen toon.

--Gij maakt vandaag veel meer fouten dan gisteren.

--Ik heb toch mijn best gedaan om te leeren.

--En gij hebt niet geleerd.

--Ik kon niet.

--Waarom niet?

--Ik weet het niet; omdat ik niet kon--ik ben ziek.

--Gij zijt niet ziek van hoofd. Ik zal nooit gedoogen, dat gij niets leert, en dat gij, onder voorwendsel, dat gij ziek zijt, in onkunde opgroeit.

Mevrouw Milligan scheen mij zeer streng toe, maar zij sprak toch zonder drift en met eene vriendelijke stem.

--Waarom doet gij mij zoo'n verdriet aan, door uw lessen niet te leeren?

--Ik kan niet, mama; ik verzeker u, dat ik niet kan. En Arthur begon te weenen.

Maar mevrouw Milligan liet zich door die tranen niet van haar stuk brengen, ofschoon zij aangedaan was en bedroefd, zooals zij zelve had gezegd.

--Ik had u vanmorgen met Rémi en de honden willen laten spelen, ging zij voort, maar gij moogt niet spelen vóór gij uw fabel zonder fouten opzegt.

Met die woorden gaf zij aan Arthur zijn boek en verwijderde zich eenige schreden alsof zij naar beneden wilde gaan, terwijl zij haar zoontje op zijne plank alleen liet liggen.

Hij snikte van 't weenen en waar ik stond, kon ik duidelijk hooren hoe zijn stem hokte.

Hoe kon mevrouw Milligan zoo streng zijn voor haar armen kleinen jongen, dien zij zoo innig lief scheen te hebben? Als hij zijn les niet kon leeren, was het zijne schuld niet, maar de schuld van zijn ziekte zeker.

Zou zij dan heengaan zonder hem een vriendelijk woord toe te voegen? Maar zij ging niet heen; in plaats van in het benedengedeelte van het schip te verdwijnen, kwam zij bij haar zoontje terug.--Willen we het samen nog eens beproeven? vroeg zij.

--O ja, mama, zamen.

Toen ging zij bij hem zitten en nam het boek weder op en begon langzaam de fabel te lezen van "de wolf en het lammetje." Arthur herhaalde elken volzin, woord voor woord. Toen hij dit driemaal gedaan had, gaf zij het boek aan Arthur en zeide, dat hij nu maar alleen verder moest leeren. Daarop ging zij naar beneden.

Arthur begon dadelijk te leeren en van de plaats, waar ik was blijven staan, kon ik duidelijk zijne lippen zien bewegen. Het scheen, dat hij met aandacht leerde. Maar die aandacht duurde niet lang. Weldra sloeg hij zijne oogen op; zijne lippen bewogen zich minder snel, en opeens zweeg hij geheel.

Hij las niet meer; hij herhaalde niet meer. Zijne oogen, die nu her- dan derwaarts dwaalden, ontmoetten de mijne. Met mijn hand wenkte ik hem, dat hij voort zou gaan met leeren.

Hij glimlachte vriendelijk, alsof hij mij wilde bedanken voor mijn waarschuwing en zijn oogen vestigden zich opnieuw op zijn boek. Maar weldra sloeg hij ze weder op en zij doolden van den eenen naar den anderen oever. Daar hij niet in de richting zag, waar ik mij bevond, stond ik op om zijne aandacht te trekken en wees hem toen op zijn boek.

Hij begon weder, half beschaamd, te lezen.

Ongelukkigerwijze schoot een oogenblik daarna een ijsvogel pijlsnel over het water, vlak voor het schip en liet als eene blauwe straal achter zich.

Arthur hief het hoofd op om hem te volgen.

Toen de vogel verdwenen was, vestigde hij zijn blik op mij.

Daarop sprak hij mij aan.

--Ik kan niet, zeide hij, en toch zou ik zoo gaarne.

Ik kwam bij hem.

--Die fabel is toch zoo moeilijk niet, zeide ik.

--O, dat is ze wel. Heel moeilijk.

--Ze scheen me zoo gemakkelijk, en toen ik ze uwe moeder hoorde voorlezen, dacht ik ze al te kennen.

Hij glimlachte ongeloovig.

--Wil ik ze eens voor u opzeggen?

--Maar dat is onmogelijk.

--Dat is volstrekt niet onmogelijk. Wil ik het eens probeeren? Neem het boek maar.

Hij nam het boek en ik begon het vers op te zeggen. Slechts een paar maal behoefde hij mij te helpen.

--Maar hoe is 't mogelijk, dat gij ze kent! riep hij verbaasd uit.

--Ik ken ze nog niet heel goed, maar nu geloof ik wel, dat ik ze zonder fouten zou kunnen opzeggen.

--Hoe hebt gij ze dan geleerd?

--Ik heb ze uw mama hooren voorlezen, maar ik heb aandachtig geluisterd, zonder te letten op hetgeen er om mij gebeurde.

Hij bloosde en wendde het gelaat af. Na een oogenblik van schaamte, vervolgde hij:

--Ik begrijp hoe gij geluisterd hebt, en ik zal trachten te luisteren zooals gij. Maar hoe hebt gij het toch aangelegd, om al die woorden uit elkaar te houden, die in mijn geheugen zich met elkander verwarren.

Hoe ik dat had aangelegd wist ik zelf niet juist; want ik had er niet over nagedacht. Toch trachtte ik het hem uit te leggen en daardoor tevens mijzelven rekenschap ervan te geven.

--Waarover loopt eigenlijk die fabel? vroeg ik. Over een lammetje? Nu begon ik te denken aan lammeren. Dan denk ik aan hetgeen zij doen. "De lammetjes waren zoo veilig in 't park." Ik zie die lammeren neergevlijd en slapend in hun park, omdat zij daar veilig zijn, en nu ik ze eens gezien heb, vergeet ik ze niet meer.

--O ja, zeide hij; nu zie ik ze ook. "De lammetjes waren zoo veilig in 't park." Ik zie witte en zwarte; ik zie ook de schapen en het park zelf. Het zijn elzeboomen.

--Dus zult gij 't niet meer vergeten?

--O, neen.

--Wie waakt er gewoonlijk over de schapen!

--Honden.

--Als ze niet op de schapen behoeven te passen, omdat deze veilig zijn, wat doen dan de honden?

--Dan hebben ze niets te doen.

--Dus kunnen zij slapen. Daarom zegt de fabel: "De honden sliepen."

--O ja, nu wordt het gemakkelijk.

--Niet waar? 't Is heel gemakkelijk. Nu denken wij aan iets anders. Wie bewaken de schapen nog meer dan de honden?

--Een herder.

--Als de schapen veilig zijn en de herder niets te doen heeft, waar brengt hij dan zijn tijd mee door?

--Met op de fluit te spelen.

--Ziet ge hem?

--Ja.

--Waar is hij?

--Onder de schaduw van een grooten olmboom.

--Is hij alleen?

--Neen, met andere herders uit den omtrek.

--Welnu, als gij de schapen ziet, het park, de honden, den herder, kunt gij dan niet zonder fouten het begin van uw fabel opzeggen?

--Dat geloof ik ook.

--Probeer het eens.

Toen hij mij zoo hoorde praten en hem uitleggen hoe hij gemakkelijk eene les kon leeren, die hem eerst zoo moeilijk toescheen, zag Arthur mij met ontzag en zelfs eenigszins vreesachtig aan, alsof hij nog niet overtuigd was van de waarheid van hetgeen ik zeide. Na eenige oogenblikken van aarzeling, was hij echter gereed.

--De lammetjes waren zoo veilig in 't park; de honden sliepen en de herder, onder de schaduw van een grooten olmboom, speelde op de fluit met andere herders uit de buurt.

Toen klapte hij in de handen.

--Maar ik ken ze! riep hij; ik heb geen enkele fout gemaakt.

--Wilt gij het overige gedeelte van de fabel op dezelfde wijze leeren?

--O, met u ben ik zeker, dat ik ze zal kennen. Wat zal mama in haar schik zijn.

En hij leerde de rest van de fabel, zooals hij het eerste gedeelte geleerd had. In minder dan een kwartier kende hij ze letterlijk en hij was juist bezig om ze op te zeggen, toen zijn moeder bij ons kwam.

Eerst keek zij een weinig knorrig, dat zij ons bij elkander zag, want zij dacht, dat wij samen speelden, maar Arthur liet haar den tijd niet een woord te zeggen.

--Ik ken ze! riep hij, en hij heeft ze mij geleerd.

Mevrouw Milligan zag me eenigszins verwonderd aan, en zij zou mij zeker iets gevraagd hebben, toen Arthur, zonder dat zij het hem vroeg, de fabel van "de wolf en het lammetje" begon op te zeggen. Hij deed dit opgewonden en vroolijk, zonder een oogenblik te haperen en zonder een enkele fout.

Onderdehand keek ik mevrouw Milligan aan; ik zag een glimlach op haar schoon gelaat, en toen meende ik hare oogen vochtig te zien worden, maar daar zij op dat oogenblik zich over haar zoon heenboog en hem teeder met beide armen omhelsde, kon ik niet zien of zij weende.

--Die woorden, och! zeide Arthur, die beteekenen niets; men moet de dingen zien en Rémi heeft mij den herder laten zien met zijne fluit. Als ik onder het leeren de oogen opsloeg, dacht ik niet meer aan 't geen om mij was; ik zag de fluit van den herder en hoorde wat hij speelde. Wil ik u eens voorzingen wat hij speelde, mama?

En hij zong in het engelsch een droefgeestig lied.

Nu weende mevrouw Milligan bepaald, en toen zij zich ophief, zag ik hare tranen op de wangen van haar kind. Toen kwam ze bij mij, nam mijne hand en drukte die zoo innig, dat ik ervan ontroerde.

--Gij zijt een goede jongen, zeide zij.

Als ik deze kleine geschiedenis wat uitvoerig verteld heb, is het om de verandering te doen begrijpen, die van dat oogenblik af in mijn toestand plaats had. Den vorigen dag had men mij aangezien voor een knaap, die honden kunstjes liet maken en voor niets deugde als om met zijn dieren den menschen een oogenblik van vermaak te bezorgen en nu juist van pas kwam, om een ziek kind wat afleiding te geven; maar deze les scheidde mij geheel van mijn honden en mijn aap; ik werd een makker, bijna een vriend.

Ik moet hier al dadelijk bijvoegen, wat ik eerst later vernam, dat mevrouw Milligan zeer verdrietig was, dat haar zoon niet leerde of liever niet kon leeren. Al was hij ziek, zij wilde dat hij werken zou, en juist omdat die ziekte van langen duur kon wezen, wilde zij van nu af aan zijn geest de vorming geven, die hem in de gelegenheid stelde om, als hij genezen zou zijn, zijne schade in te halen.

Tot hiertoe was zij daarin niet geslaagd; al had Arthur geen tegenzin in het werken, hij had geen aandacht en vlijtig was hij ook niet. Zonder tegenstand nam hij het boek, dat men hem in de handen gaf, en hij nam het zelfs gretig aan, maar al deed hij zijn boek open, zijn geest opende zich niet, en slechts werktuigelijk herhaalde hij, zoo goed of zoo kwaad als 't ging, de woorden, die men met moeite hem inpompte.

Dit deed zijne moeder innig verdriet en zij werd er bijna wanhopend onder. Maar zooveel te blijder was zij, toen zij hem de fabel hoorde opzeggen, die hij in een half uur van mij geleerd had, en die zij verscheidene dagen lang vruchteloos getracht had hem te doen onthouden.

Als ik nu aan de dagen denk op de boot doorgebracht met mevrouw Milligan en Arthur, komen zij mij nog voor de gelukkigste van mijne jeugd te zijn geweest.

Arthur had eene innige genegenheid voor mij opgevat, en van mijne zijde gaf ik toe, zonder erover na te denken, aan hunne sympathie en beschouwde hem als mijn broeder. Nooit hadden wij den geringsten twist; van zijne zijde gaf hij nooit eenig blijk, dat hij zich boven mij verheven achtte, en ik was nooit verlegen voor hem; ik dacht er zelfs niet aan, dat ik verlegen kon zijn.

Dit lag waarschijnlijk aan mijn jaren, aan mijne onbekendheid met het maatschappelijk leven, maar zeker nog veel meer aan de kieschheid en goedhartigheid van mevrouw Milligan, die mij vaak toesprak, of ik haar kind was.

En dan die reis in eene boot was voor mij zoo rijk aan allerlei vreemde dingen. Geen oogenblik verveelde ik mij of voelde ik mij vermoeid. Van den morgen tot den avond konden wij onzen tijd besteden.

Sedert men spoorwegen heeft aangelegd, reist men niet meer door het Zuiderkanaal; men kent het zelfs niet meer; toch is het een der merkwaardigheden van Frankrijk. Het is een van de meest belangrijke gedeelten van 't land, dat het doorsnijdt en van de mooiste tevens. Als wij een van de schoonste partijen bereikt hadden, legden wij maar enkele mijlen per dag af; was daarentegen de streek eentonig, dan vorderden wij wat sneller.

De weg zelf besliste of wij zouden blijven of verder gaan. Geen van die lastige bemoeiingen, waarmede andere reizigers zich bezig hebben te houden, werden van ons gevergd. Wij hadden geen lange dagreizen te maken om een geschikt logement te vinden, waar wij zeker zouden zijn een goede tafel en een goed logies te bekomen.

Op de daarvoor vastgestelde uren werd de tafel voor ons aangericht onder de verandah, en terwijl wij van den maaltijd gebruik maakten, volgden wij kalm de oevers die voor ons voorbijschoven. Als de zon onderging, hielden wij stil waar de duisternis inviel, en wij bleven daar tot het weer dag werd.

Daar wij altijd thuis waren, kenden wij die eindelooze, vervelende avonduren niet, welke den reiziger zoo zwaar vallen. Die avonduren waren integendeel voor ons nog te kort, en de tijd om ons ter ruste te begeven overviel ons vóór dat wij nog aan slapen dachten.

Als de boot stillag en het koud was, bleven wij in het salon, waar een vuurtje werd aangelegd om het vocht en de nachtlucht te verdrijven, die voor een zieke zoo nadeelig zijn. Er werden lampen ontstoken en Arthur werd bij de tafel geschoven; ik ging bij hem zitten en mevrouw Milligan liet ons boeken met platen of photographieën zien. Evenals het schip, waarop wij waren, ingericht was voor dezen bijzonderen tocht, zoo waren ook de boeken en platen met het oog op de reis gekozen. Waren wij moe van het kijken, dan las mevrouw er het een en ander uit voor, dat wij begrijpen konden en dat ons belang inboezemde. Soms bergde zij ook de platen weg en sloot de boeken en verhaalde ons de legenden, de gebeurtenissen die plaatsgevonden hadden in de streken, waar wij ons bevonden. Onder het vertellen keek zij haar zoontje steeds aan en het was aandoenlijk te zien, zooveel moeite zij zich gaf om zóó te vertellen, dat hij haar volkomen begreep.

Wat mij betreft, als het mooi weer was, had ik ook mijne taak. Dan nam ik mijn harp, ging aan land en op eenigen afstand zette ik mij onder een boom, waarvan de schaduw mij verborg en zong en speelde dan alle liederen, die ik kende. Voor Arthur was het een groot genot in de stilte van den nacht muziek te hooren, zonder te zien wie speelde. Dikwijls riep hij: "nog eens!" en dan speelde of zong ik het lied ten tweedemale.

Dat was een kalm en gelukkig leven voor een knaap als ik, die de hut van vrouw Barberin verlaten had om rond te zwerven met signor Vitalis. Welk een verschil tusschen den schotel aardappelen met zout van mijn arme pleegmoeder en de heerlijke vruchtentaarten, de geleien en de pasteitjes uit de keuken van mevrouw Milligan. Welk een onderscheid tusschen de lange tochten te voet, door slijk en in den regen, of onder een verzengende zon achter mijn meester, en deze spelevaart door de kalme wateren.

Maar om mijzelven recht te doen wedervaren moet ik erkennen, dat ik nog gevoeliger was voor het zedelijk genot van dit nieuwe leven dan voor de stoffelijke voordeelen, die het mij gaf.

Ja, zij waren lekker, die pasteitjes van mevrouw Milligan; het was een genot geen honger meer te hebben of niet meer te lijden van koude en hitte, maar hoeveel beter en aangenamer waren voor mij die gedachten en gevoelens, die mijn hart troffen en vervulden. Tot twee malen toe had ik de banden zien verbreken, welke mij hechtten aan hen, die ik liefhad; de eerste maal toen ik aan vrouw Barberin werd ontrukt; de tweede maal toen ik gescheiden werd van Vitalis; tot tweemaal toe had ik alleen gestaan op de wereld, zonder steun, zonder hulp, met mijn dieren tot eenige vrienden en levensgezellen.

En nu had ik in mijne verlatenheid en mijn wanhopenden toestand iemand gevonden, die mij liefde had betoond en die ik lief kon hebben: eene vrouw, eene schoone, aanzienlijke dame, zacht, minzaam en teeder, een knaap van mijn leeftijd, die mij behandelde alsof ik zijn broeder was.

Welk een genot, welk een geluk voor een hart als het mijne, dat zooveel behoefte had aan liefde. Als ik Arthur aanzag, die bleek en roerloos op zijne plank lag uitgestrekt, hoe dikwijls had ik hem dan zijn geluk benijd, ik, die zoo gezond en sterk was. Niet de weelde, waarin hij leefde, benijdde ik hem, zijn boeken, noch zijn fraai speelgoed, noch zijn schip, maar de liefde, die zijn moeder hem betoonde. Wat moest hij gelukkig zijn zóó bemind te worden, tien-, twintigmaal een kus te krijgen van die schoone dame en zelf een kus te mogen geven aan die edele vrouw, wier hand ik nauwlijks durfde aanraken als ze mij die toestak.

En dan zeide ik treurig tot mijzelven, dat ik nooit eene moeder zou hebben, die mij zou kussen en die ik zou mogen kussen. Misschien zou ik nog eens mijne pleegmoeder, vrouw Barberin, terugzien, en dan zou ik mij gelukkig achten, maar dan zou ik haar niet meer moeder kunnen noemen, want ik wist nu, dat zij mijne moeder niet was.

Alleen! Altijd zou ik alleen zijn op de wereld!

Die gedachte deed mij dan ook zooveel te hooger het genot waarderen dat ik smaakte, als mevrouw Milligan en Arthur mij vriendelijk behandelden.

Ik mocht niet te veel vergen voor mijn geluk, en daar ik nooit eene moeder, een broer of familie op de wereld zou bezitten, moest ik al tevreden zijn, als ik vrienden vond.

Ik moest gelukkig zijn en dit was ik ook volkomen.

Nochtans, hoe aangenaam voor mij dit nieuwe leven ook was, weldra moest ik er mede breken en tot mijn vroeger bestaan terugkeeren.

XIII.

DE VONDELING.

Gedurende deze reis was de tijd zeer snel omgegaan en de dag was bijna aangebroken, waarop mijn meester de gevangenis zou verlaten.

Naarmate wij ons meer en meer van Toulouse verwijderden, werd de gedachte daaraan voor mij kwellender.

Het was zoo heerlijk op een schip te zijn, zoo geheel zonder zorg of kommer; maar ik moest terugkeeren en den weg, dien ik op het water had afgelegd, moest ik te voet terugmaken.

Dat zou minder prettig wezen; ik zou dan geen zacht bed meer hebben, geen melk drinken of taartjes eten en den avond nooit meer in zulk een gezelligen kring doorbrengen.

Maar het meest speet mij toch, dat ik Arthur en mevrouw Milligan zou moeten verlaten; ik zou hun liefde niet langer ondervinden en ook hen verliezen, evenals ik vrouw Barberin reeds verloren had. Zou ik dan altijd, wanneer ik van iemand hield, op zulk wreede wijze gescheiden worden van hen, met wie ik mijn ganse leven zou willen doorbrengen?

Ik moet bekennen, dat dit de eenige sombere gedachte was, die in deze gelukkige dagen bij mij opwelde.

Eindelijk op een morgen, besloot ik mijn verdriet aan mevrouw Milligan te vertellen en haar te vragen in hoeveel tijd ik naar Toulouse zou kunnen terugkeeren, want ik wilde gaarne voor de deur van de gevangenis staan, als mijn meester die zou verlaten.

Toen ik van vertrekken sprak, begon Arthur te weenen.

--Rémi mag niet vertrekken! riep hij.

Ik gaf hem ten antwoord, dat ik mijn eigen baas niet was, dat ik aan mijn meester behoorde, aan wien mijn ouders mij verhuurd hadden en dat ik weder bij hem in dienst moest gaan, zoodra hij mij noodig had.

Ik sprak van mijn ouders, zonder te zeggen, dat zij mijn vader en mijn moeder niet waren, want dan zou ik tevens hebben moeten bekennen, dat ik slechts een vondeling was; en die schande te vertellen, kon ik niet over mij verkrijgen, daar ik altijd onnoemlijk veel geleden had, als ik zag, hoe de kinderen uit het gesticht in ons dorp behandeld werden. Een vondeling! Het scheen mij toe, dat er geen ellendiger wezens op deze wereld waren.

Mijn meester wist, dat ik een vondeling was, maar hij was mijn meester, en toch zou ik liever op de plaats zelf dood zijn neergevallen, dan aan mevrouw Milligan en Arthur, die mij in hun kring hadden opgenomen, bekend te hebben, dat ik een vondeling was; zouden zij mij dan niet met afkeer van zich hebben gestooten?

--Mama, gij moet Rémi hier houden, vervolgde Arthur, die, als het niet zijn werk betrof, het meest te zeggen had en alles van haar verkreeg, wat hij verlangde.

--Ik zou Rémi gaarne bij mij doen blijven, antwoordde mevrouw Milligan, gij houdt veel van hem en ook ik ben hem zeer genegen; maar om hem bij ons te houden, moeten wij het eerst omtrent twee voorwaarden eens zijn, die van u noch van mij afhankelijk zijn. In de eerste plaats: wil Rémi bij ons blijven....

--O, Rémi wil wel, viel Arthur haar in de rede; niet waar Rémi, gij wilt liever niet naar Toulouse terugkeeren?

--Ten tweede, vervolgde mevrouw Milligan, zonder mijn antwoord af te wachten, moet zijn meester eerst van de rechten, die hij op hem heeft, afstand doen.

--Rémi, Rémi! in de eerste plaats, viel Arthur haar in de rede.

Vitalis was ontegenzeglijk een goed meester voor mij geweest en ik was hem ook oprecht dankbaar voor zijne lessen, maar er was geen vergelijking te maken tusschen het leven, dat ik bij hem leidde en dat, hetwelk mevrouw Milligan mij aanbood; ook zou ik moeilijk een vergelijking kunnen maken tusschen de genegenheid, welke ik voor Vitalis gevoelde en die, welke mevrouw Milligan en Arthur mij inboezemden.

Als ik daaraan dacht, dan zeide ik wel tot mezelf, dat het slecht van mij was om die vreemde menschen boven mijn meester te stellen, maar het was de waarheid; ik hield innig veel van mevrouw Milligan en Arthur.

--Voordat Rémi hierop antwoordt, vervolgde zij, moet hij goed bedenken, dat het geen leven van louter pleizier is, dat ik hem aanbied, maar dat hij wel degelijk moet werken; hij moet studeeren en Arthur in al zijn lessen volgen; hij moet dit wel in overweging nemen en vergelijken met zijn vorige vrijheid.

--Dit kan niet tegen elkander opwegen, mevrouw, dat verzeker ik u en ik gevoel volkomen welk een waarde uw voorstel voor mij heeft.

--Ziet ge nu wel, mama! riep Arthur, Rémi wil wel.

En hij klapte in zijn handen van genoegen. Blijkbaar had ik hem uit de ongerustheid geholpen, want toen zijn moeder van werken en boeken sprak, had zijn gelaat een angstiger uitdrukking aangenomen. Als ik eens weigerde! en deze vrees moet zeer groot bij hem geweest zijn, daar hij een afkeer had van boeken. Gelukkig echter koesterde ik niet denzelfden angst en in plaats dat ik een afkeer van boeken had, trokken zij mij veeleer aan. Wel is waar, had ik er nog niet veel gelezen, maar de boeken welke men mij gegeven had, hadden mij altijd meer genot dan verdriet verschaft. Het aanbod van mevrouw Milligan maakte mij dan ook zeer gelukkig en ik meende het oprecht, toen ik haar bedankte voor haar edelmoedigheid. Ik behoefde dus _De Zwaan_ niet te verlaten en van dit heerlijk leven zou ik geen afscheid nemen; ik behoefde van Arthur en zijn moeder niet te scheiden.

--Wij hebben nu nog slechts de toestemming van zijn meester noodig, ging mevrouw Milligan voort; ik zal hem schrijven en zeggen, dat hij ons te Cette vinden kan, daar wij niet meer naar Toulouse kunnen terugkeeren; ik zal hem de reiskosten overmaken en wanneer ik hem uitgelegd heb, waarom wij niet met den trein kunnen gaan, dan hoop ik, dat hij mijn uitnoodiging zal aannemen. Als hij mijn voorstel goedkeurt, dan behoef ik het nog maar met Rémi's ouders eens te worden, want ook zij moeten hierin geraadpleegd worden.

Tot nogtoe was het gesprek voor mij geheel naar wensch geloopen; het was alsof een goede fee mij met haar staf had aangeraakt; maar deze laatste woorden brachten mij op een wreede wijze tot de werkelijkheid terug.

Mijn ouders raadplegen!

Ongetwijfeld zouden deze alles vertellen, wat ik verzwijgen wilde. De waarheid zou aan het licht komen. Een vondeling!