Ahasverus

Part 2

Chapter 23,742 wordsPublic domain

KARALYK. Dat voelt niemand... Beschrie ’m niet... (Stilte—de vrouwen dekken).

GROOTMOEDER (verward). Wind, hè? Wat ’n wind—wind, hè? (tot het olielicht). Licht van mijn, hè?... Mooi lichie van mijn, hè?

DE MOEDER (tot de meid). Schei uit met je gelach! (De meid lachend af. Weer ’n stilte. Buiten hoort men den wind loeien).

PETROFF (opstaand). Ik ga weg.

KARALYK. Met God!

PETROFF. Tot morgen! (de achterdeur openend). ... Jezus, wat ’n sneeuwstorm! (knoopt zijn jas dicht). Tot morgen!

KARALYK. Tot morgen!

DERDE TOONEEL.

DE MOEDER (na de deur gegrendeld te hebben, zachter). Denk an den Sabbath!

KARALYK (opstaand). Ja! ’k Ga me wasschen! (blijft bij de linker deur staan) ... Verleden Vrijdag waren w’r allemaal... (af).

VIERDE TOONEEL.

(Buiten telkens stormvlagen).

DE GROOTMOEDER (kindsch lachend). Ik... licht... uitblazen!...

DE MOEDER (snel ’t licht iets verder verzettend). Wees niet zoo lastig, moeder!

DE GROOTMOEDER (heesch). Buiten wind, hè? Wind, hé?

DE MOEDER. Kom ’r af!... Kom an tafel!

DE GROOTMOEDER. Ik, nee! Ik... niet... eten... Wind... Luisteren wind... (langzaam)... Adonoï!... Adonoï! (uit te spreken: adonòj).

(Er wordt op de luiken geklopt. De moeder schrikt, opent de deur).

VIJFDE TOONEEL.

de vorigen, Batushka.

(Type Batushka: vuil-bruin gezicht. Dronken-verloopen. Zijn oogen dwalen voortdurend. Zijn handen beven).

BATUSHKA. Stormt.

DE MOEDER (angstig). Ja! ja!

BATUSHKA. Pestweer...

DE MOEDER (wantrouwend). ... Dàt nieuwtje kom je toch niet alleen vertellen—wat?

BATUSHKA (tegen den haard op). Nee, nee. Me pooten warmen—kom drie wersten ver—Ivanoff is gestorven. Gauw ’r uit. Gestikt. Ben blind van den wind—(rondkijkend)—Smeerlappen, om zoo huis te houen...

DE MOEDER. ... En smeerlappen, die ’r na stonden te kijken, zonder ’n hand uit te steken!...

BATUSHKA. ... As ik heb staan kijken—ik—mag ’k lijjen, da’k geen gezond uur meer leef!

DE MOEDER. Jawel! Op jouw vloeken schiet ’k geen kopeke...

BATUSHKA. Leg ’k jou ’n stroo in den weg? Wat mot jij van mijn?... Op mijn vloeken schiet ze geen kopeke! As ’k woekerrente betaal, schiet jij op alles...

DE MOEDER. Dat lieg je!...

BATUSHKA. Lieg ’k dat?—Lieg ’k dat?—Heb je de laatste keer uitstel gegeven...

DE MOEDER. Uitstel an jou? Zuip niet zooveel wodky! As je nuchter ben zit je te huilen van zorg—en as je geen stoel van ’n tafel ken onderscheijen, as je je vrouw en je kinderen ’t huis uitranselt, verwensch je den jood, die jou op bedrog voorschiet! Driemaal—da’s driemaal te veel—heb-ie uitstel afgedwongen—driemaal, je gereedschappen verkoopend ben je harder gaan zuipen. ’k Heb meelij met je vrouw—al gaat ze as ’n beest tegen ons te keer. En jij—jij—’k zal me mond houen—maar gezien hèb ’k je gister, al smeet je geen ruiten in—gezien met je lol en je lachen...

BATUSHKA. As ’k dàar lol in had, zou ’k nóú toch niet anloopen? Honderd keer heb ’k je goeie raad gegeven—met of zonder me dronken kop! Waar of niet? Heb ik ’r voordeel van as jij je laat doopen? Abramoff is gedoopt—Pjoepianoff—Janowsky—wat win je met ’n hard hoofd? Rekenen Abramoff, Pjoepianoff, Janowsky géén rente nou ze christenen zijn? Hoe ken ik je vijand zijn—enkel omda’k lách? As ’k te veel wodky in heb, huil ’k genoeg—laat me is één keer vroolijk wezen, as jullie liever joden blijven met ’n stuk-gesmeten zoodje as christenen die d’r plichten waarnemen as ik...

DE MOEDER. ’t Is goed, hoor. Je wor bedankt. (Een stilte). ’k Zou me jas niet losknoopen—we motten eten.

BATUSHKA. Hùhùhù! Hùhùhù! Da’s... Da’s heel verstandig... (dronken-hardnekkig)... Christen en joden... Christen en joden... dat mot mekaar... dat mot mekaar... Waar of niet?... Dat mot mekaar...

DE MOEDER. Ja, dat mot mekaar. As je maar ophoepelt... ’k Ruik de wodky van hier...

BATUSHKA. De Czaar is ’n christen—en wij zijn christenen—’n uur lang heb ’k vanmorgen in de sneeuw op me knieën gelegen. ’n Christen...

DE MOEDER (fel) ... Liever heidin as ’n christen die ’t boeltje van ’n ander, waarvoor je ’n menschenleeftijd sappelt en wurmt, vernielt en steelt! As moeder vertellen kon wat ze doorstaan heeft! Nog geen pulletje, nog geen scherf heel gelaten! Christenen! Met z’n hoevelen leien jullie vanmorgen in de sneeuw geknield? Christenen—béésten...

BATUSHKA (dof-nijdig). ... Zou jij gister ook niet gezegd hebben, toen d’r nog geen kozakken waren... (opstaand) ... Dat zou jij... Dat mot je je éigen zoon onder z’n neus wrijven, hùhùhù!...

DE MOEDER. Kerel laat me met rust met je kletspraat! Ga je of ga je niet?

BATUSHKA. Dag. Dag, zeg ’k (bij de deur). As je—as je—as je nog uitstel wil geven heb je ’n vrind—’n vrind an me—’n vrind in ’t leven is ’n witte raaf—da’s—da’s ’n buitenkans—voor me vrinden ga ik door ’t vuur...

DE MOEDER. Daar mot je met Karalyk over praten—as ’t van mijn afhangt, zeg ’k nee—beter ’n vijand waarvoor je je in acht neemt, waarvan je ’t gezicht ken, as ’n drinkende witte raaf as jij—beter de boel op klaarlichten dag ’t huis uit gesleept, as ’t gestook en gelieg achter je rug...

BATUSHKA (dronken-nijdig) ... Jij—jij krijgt ’t thuis an je kinderen!

DE MOEDER. Goed. Maar dan niet zooas jij. Ik heb geen dochter van achttien, die—omdat ’r vader alles door z’n keelgat jaagt—geld van ’n kerel as Sjewanoff anneemt...

BATUSHKA. Dat lieg je, jodin! Dat lieg je! Nièt gelogen is—nee, bij alle verdoemenis niet!—dat jouw zoon Petrushka—gister gedoopt is—gedoopt om z’n hachie te bergen...

DE MOEDER. ... Jij serpent, jij hond—heb je niet genoeg wil van ’t opzetten van de boeren, om je schuld an ons kwijt te raken—mot je me éigen zoon tegen me uitspelen!—D’r uit! D’r uit!

BATUSHKA. As ’t niewaar is—as-ie gister niet in de kerk is geweest bij de pope—dan—dan—dan zal ’k geen stap meer verzetten!

DE MOEDER. Geen stap meer verzetten—dat kèn je toch haast niemeer, dronkelap! Hou voor mijn part wat je van Karalyk heb geleend! Geen voetstap meer in huis! Rekel—’n kind tegen z’n ouwers!...

BATUSHKA. Ik zeg dat Pe..., dat Petrushka—dat zeg ik bij honderd getuigen—dat zeg ik...

DE MOEDER (stomp op ’n stoel smakkend). ... Ik luister geen woord meer...

BATUSHKA. Dat hoeft niet—je hoeft niet te luisteren—ik zeg ’t—en wàt ik zeg is genoeg (halfwege in de deur). ... En wat je niet mot vergeten—’n vrind is ’n—is ’n... Zeg dat an den jood... (Af).

GROOTMOEDER (na een lange stilte, door ’t gehuil van den wind onderbroken). ... Wat ’n wind, hè?... Adonoj... Adonoj...

DE MEID (sloft binnen met messen, die ze een voor een aan ’r voorschoot afveegt en neerlegt—daarna af).

DE MOEDER (die onbewogen gezeten heeft, staat moeilijk op, verplaatst het olielichtje waarmee de oude vrouw tracht te spelen, luistert bij ’n venster, zit weer bij de tafel—staat opnieuw driftig op alsof ze ’n geluid hoort, luistert aan de buitendeur, grendelt die, keert naar de tafel terug, begint te bidden, breekt in gesnik los).

ZESDE TOONEEL.

De Moeder, Petrushka.

(Hij komt door de rechterdeur—’n bleeke, lange jood met verslordigden ringbaard. Bij de deur staat-ie gejaagd, zonder moed haar te storen. Dit alles rustig te detailleeren. Eindelijk schrikt ze op, kijkt hem doordringend aan).

DE MOEDER. Jij!

PETRUSHKA. Ik—ik, dat zie je toch...

DE MOEDER. Waar ben jij... (zich als met ’n ingeving in de rede vallend)... Die smeerlap—die Batushka, ben jij tegengekomen—hier, ergens anders?...

PETRUSHKA. Ja—ja—zoo veel—zoo veel—wat kijk je? (heftig). Wat kijk je moeder! Zie je niet dat ’k gek wor? (zachter) ’r Is niet één reden, niet één me an te kijken...

DE MOEDER (zich aan den stoel vast-klampend). ... Is ’t waar, dat jij—dat jij...

PETRUSHKA. Vraag niet, om Godswil vraag niet—’k kan nou niks zeggen... (wil op ’n stoel bij de deur gaan zitten).

DE MOEDER. Blijf staan! (Even denkt ze wild na—strekt den arm naar de deur uit). Weg voór je vader...

PETRUSHKA. Weg? Wat weg?...

DE MOEDER. Ben jij naar de gojjiem, de christenen, overgeloopen...

PETRUSHKA (zwijgt hijgend).

DE MOEDER (’t hoofd in de handen aan de tafel) ... Nou is ’t laatste vernield...

PETRUSHKA (over z’n moeder aan de tafel neerstortend) ... Moeder je weet niet hoe ’k...

DE MOEDER (met eenigszins plechtigen ernst). Sta op...

PETRUSHKA. Op?

DE MOEDER. Sta op.—Sta op, versta je me?—(hij doet het). ... Voor jou is an ’n Sjabbestafel geen plaats meer—die is enkel voor òns... (Verwezen schuifelt hij naar de trap bij den haard. Een langere stilte. De wind rumoert heviger).

PETRUSHKA (vertellend als in ijlhoofdigheid) ... De steenen die zoo ineens door de ruiten gingen—’t gejouw en gekrijsch... Toen ben ’k weggeslopen—weggekropen—op handen en voeten door de sneeuw en de modder—om kozakken te halen—om ’r uit te zijn—(schreeuwerig)—’r uit! As je verzuipt, doe je ook nìet anders—dan ’n vasthou grijpen—’t eerste ’t beste om niet te zinken... ’k Kon niet blijven! ’k Dorst niet blijven! Een tegen honderd—om as grootvader gemarteld te worden... An jullie heb ’k eerst gedacht, toen ’k—toen ’k... (houdt snikkend op. Een stilte—zij antwoordt niet, als-ie opkijkt)... Achter de stal zagen ze me kruipen, holden ze me na—’k heb ’t gestamp van d’r schoenen nog in me hersens... Met z’n allen zaten ze me op me hielen—smeten met drek—wat geen pijn doet—en met steenen! Twee gaten kreeg ’k in me kop—me longen braakte ’k uit, om voor te blijven, niet in d’r klauwen te vallen... ’n Wolf met de honden achter ’m kan niet harder, as ik, as ik... Een oogenblik ben ’k gestruikeld, raakte me ’n knuppel—toen weer op—weer vort—weer stikkend, stikkend—O, o, ik stik nog... (staat hijgend op, zet de wijnflesch aan de lippen, steekt haar de hand toe—zij beweegt niet)... Waarom doe je dat, moeder?—Moeder! (keert naar de trap terug) ... Ik dorst niet anders—’k ben altijd bang geweest—dat weet jij toch... Tot bij de stad hebben ze me as ’n stuk wild opgejaagd—een die me tegenkwam, stak z’n voet uit om me te laten vallen—’k heb ’m met me vuist ’t bloed uit z’n oogen geslagen... Zoo geen mensch meer—zijn wij joden, wij gevloekte joden, zijn wij menschen,—ben ’k in de stad tegen den grond gesmakt, afgebeuld, kapot... Toen, voorzichtig, bang gezien te worden, heb ’k hulp gehaald—en toen—toen—heb ’k ’n pope gesmeekt—in ’n kerk—in ’n kerk, waar ze zongen, hahaha, zingen!—waar de steenen van ’t doopvont door m’n bloed en ’t drek van m’n kleeren, bevuild werden... (Een stilte). Zeg je niks?... Blijft de Eeuwige, die ons láát folteren, geen Eeuwige of je ’m hier aanroept of daar? Is ’r ’n Eeuwige, as ze je na ’t leven staan, de moordenaars?... Zeg dan wat! Mijn hersens kloppen en jij zit of ’t je niet angaat!...

DE MOEDER. Maak je weg voor je vader komt... Ik krepeer liever dan ’m dàt zeggen—dàt. Voor ons—voor ons hoef je niemeer bang te zijn. De kozakken zijn ’r. Enkel ’t restantje leven hebben we nog te geven—’t goed is gestolen—en jij ben in de ellende mee ondergegaan...

PETRUSHKA. Ik ben ziek—ben gewond...

DE MOEDER. Daar heb je nòu ànderen voor.

PETRUSHKA. Motten we zoo van mekaar? Zonder een woord?

DE MOEDER. Voor jóú ’n woord? Nee.

PETRUSHKA. Moeder, zoo ben je toch nooit geweest...

DE MOEDER. En jij nooit zoo (houdt zich in)... Wat doet ’t ’r toe! Razen en schimpen is nutteloos (ontgrendelt de deur). Haast je wat. Dan zal ’k probeeren ’m tot z’n laatste uur wijs te maken, dat ze je vermoord hebben... Hádden ze ’t...

PETRUSHKA. Enkel je hand...

DE MOEDER. Nee.

PETRUSHKA. Dan neem ’k ’r...

DE MOEDER (heftig). Nee. Nee.

PETRUSHKA. Moeder, je weet niet wat je doet... (strekt nog eens de hand uit).

DE MOEDER. Nee.

ZEVENDE TOONEEL.

De vorigen, Karalyk.

KARALYK. (In Sabbathkleeren. blijft bij de deur verbluft staan). Ben jij ’t? Ben jij ’t? (snelt op hem toe, kust hem). M’n jongen—m’n jongen! Nou is alles weer goed! Laten ze nou de laatste brokken ook nog maar wegsleepen! Ja, lach maar groomoe—hij is d’r weer, hahaha! Ga zitten, vertel! Vertel dan! ’k Dacht dat de schoften... Daar mot ’k zelf bij gaan zitten—’t slaat me in me beenen, hahaha! Goeie God, wat ’n gebenchte Sjabbes... Waar zat je—waar was je—wat voerde je uit...

DE MOEDER. Hij heeft de kozakken gehaald.

KARALYK (verheugd). Jij?

PETRUSHKA (schuw). Ik...

KARALYK (tot de moeder). Zie je? Wat zei ’k? Wie had ’t bij ’t rechte eind? En—en hebben ze je nièt gesnapt?

PETRUSHKA. Enkel wat steenen...

KARALYK. Toch niet erg?—Toch niet erg?...

PETRUSHKA. Erg?... Nee... Nee...

KARALYK. Je ziet zoo wit...

PETRUSHKA. (aarzelend). ... Dat rennen en rennen—en de heele nacht wakker...

KARALYK. ... En niet gegeten?...

PETRUSHKA. ... Nee—geen brok van af gister...

KARALYK. Hahaha! Hahaha, da’s bijzaak—’k ruik de Sjabbessoep van hier! Opdoen moeder! Opdoen! (opstaand en den zoon omhelzend). Dat God je zegene—dat God je zegene, jongen... Wat is ’r?...

PETRUSHKA. ... Je drukt met je handen, waar d’r steenen builen hebben geslagen!

KARALYK. Builen?... De bloedhonden!... Laat kijken...

PETRUSHKA. Nee vader. ’k Wou alleen liever nièt mee-eten, wat rusten...

KARALYK. Rusten met ’n leege maag? Geen denken an!

PETRUSHKA. ’k Ben te moe om uit me oogen te kijken...

KARALYK. Dan zit je tòch mee an—dan zul je opknappen door ònze vreugde—wat, moeder?...

PETRUSHKA. ... Ik kan niet—kan niet, vader...

DE MOEDER. Je kàn wel, Petrushka. Je kan wèl. Na ’t eten kruip je na boven... (luid) Kasja! Kasja! (de meid komt in rechterdeur). ... Opdoen, na ’t gebed. An tafel, moeder!

GROOTMOEDER (dwingerig). ... Nee... Nee... Niet eten... Hier lekker warm... Hier eten... Hiér...

KARALYK. Jij heb niet geslapen, jongen—wij ook niet... Je moeder lee de heele nacht te huilen, niewaar? (de moeder knikt, bijna niet luisterend) ... En ik? Bij ’t minste gerucht ben ’k opgestaan, zes, zeven maal, denkend dat je ’r was... Wat zoo’n nacht duurt, duurt!... Gisteravond nog vóór ’t schemerde waren de kozakken ’r... Hoe ben je ’r doorgekommen?... Hoe heb je ’t zoo vlug...?

PETRUSHKA. ... Hoe? ’k Weet ’t niemeer... As ’n dier ben ’k gejaagd... Vader ik kàn niet mee anzitten—ik ben ziek van moeheid... Ik kàn niet...

KARALYK (verwonderd). ... Zijn je moeder en ik niet afgebeuld—schuiven we niet as koningen bij, dankbaar as we zijn dat God ons in gezondheid an de Sjabbestafel, na zóó’n dag en nacht van gruwel en ellende, vereenigt? De ouwe Sally is vermoord—niet om na te vertellen hoe—en de dochter van Iwan, dat kind van nog geen zestien, nog niet volwassen, hebben ze onder de oogen van ’r vader en moeder, de kleeren van ’t lichaam gerukt—en—en... Dieren zijn niet zoo duivelsch as die door God gevloekten! En te denken dat de huizen van Abramoff, Pjoepianoff, Janowsky—omdat ze zich hebben laten doopen, dóópen!—voor wat?... Uit overtuiging!—te denken dat diè gespaard zijn gebleven!—te denken...

DE MOEDER (tot de grootmoeder, die het lichtje in de handen genomen heeft) ... Moeder doe niet as ’n kind! Zet ’t neer!

KARALYK. ... Neerzetten, moeder! Da’s geen speelgoed! (De ouwe vrouw zet het neer) ... Nee waarachtig geen speelgoed!... Zijn jaartijd! De jaartijd van je grootvader—’t lichtje om òns te helpen onthouen, òns, of wij ’t ooit zullen vergeten, hoe ze ’m voor drie jaar geslàcht hebben! Straks, toen ’k met Petroff zat, tobde ’k ’r over, dat we ’t volgend jaar misschien twéé lichtjes zouen moeten branden—een voor hem—een voor jou ... Eeuwige, Almachtige, wees gedankt...

DE MOEDER (hem het brood en het zout overreikend) ... Laten we brooge maken—de meid wacht...

KARALYK. Nee. De herinnering aan vader gaat voor... (in extase biddend) ... Eeuwige, die hem tot u genomen, uit z’n zorgen en lijden—die ’t wilde, dat hij u niet aanriep, omdat z’n mishandelde tong ùw naam niet meer zeggen kon—Adonoj, onze God, wees geprezen tot in alle Eeuwigheid! Gij hebt gesproken, Almachtige: „Laat ons den mensch maken naar ons beeld, naar onze gelijkenis: Dat zij heerschen over de visschen der zee, over het gevogelte des hemels, over de geheele aarde en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt...” Gij hebt ons volk gezegend en gezegd: „Weest vruchtbaar, vermenigvuldigt, vervult de aarde, bedwingt haar, heerscht over de visschen der zee, over het gevogelte des hemels, over het gedierte dat op aarde kruipt!”... Maar de menschen, o Eeuwige onze God, luìsteren niet naar uw stem, heerschen niet over de visschen, de vogels, het kruipend gedierte—zij moorden en vervolgen en liegen en bedriegen in uw oneindigen naam! Adonoj, onze God, wij geven ons aan uwe wijsheid over—wij bidden voor de dierbare dooden en danken u voor de zegening, dat gij den zoon terug hebt geleid, dien we met heete tranen beweenden. Omein wie omein!

DE MOEDER (zacht) ... Omein... (Een stilte. De meid draagt de soep binnen. De wind juilt om het huis. De moeder vult een bord voor de grootmoeder, brengt haar dat. Terwijl snijdt Karalyk het brood, doopt het in ’t zout).

KARALYK. Maak brooge, Petrushka...

PETRUSHKA. Ik?... Mot ik...

DE MOEDER (moeilijk-ingehouden). Nee! Nee! Hij niet!... Jij vanavond...

KARALYK. Ik begrijp jou niet.—Ik begrijp jullie geen van twee... (kijkt hen wantrouwend aan) ... Jij doet zoo vreemd... Heeft Petrushka niet van z’n kinderjaren brooge gemaakt?

DE MOEDER. Dat is zoo—dat—dat spreek ’k niet tegen.—Maar—maar—(zich bedwingend) ... Petrushka, maak brooge...

PETRUSHKA (moeilijk) ... Boroeg Atto Adonoj... (smakt in den stoel terug). Ik kan niet—dat zie je toch wel—maak me niet krankzinniger dan ik ’t al ben...

KARALYK. Jij kan niet...?

DE MOEDER. Je merkt toch dat-ie overstuur is—ik zei je straks...

KARALYK. Stil—geen gepraat onder ’t gebed... (plechtig) ... Boroeg Atto Adonoj Elloeheinoe... (Een heftig geklop op de luiken. Zij kijken mekaar verschrikt aan. Er wordt sterker geklopt. De meid komt uit het kookhok, rechts).

DE MEID. Zal ik hooren? (Karalyk knikt).—(Zij gaat op de achterbuitendeur toe, roept) .... Wie daar?... (onverstaanbaar antwoord) ... Wie daar?... (hetzelfde). ... De kozakken! (opent de deur).

DE HOOFDMAN. De jood Karalyk?

KARALYK. Die ben ik.

DE HOOFDMAN. Je papieren!

KARALYK. Papieren? Wat voor papieren?

DE HOOFDMAN. Dat je hiér wonen mag...

KARALYK. Ik—papieren—ik die van m’n kinderjaren?...

DE HOOFDMAN. Geen praatjes, geen gezwets, jood—we hebben andere korvee!

KARALYK. ’k Begrijp ’r niets van. As je zegt wat je wil...

HOOFDMAN. Wil je ’t uitzettingsbevel lezen—je staat als vreemdeling ingeschreven, Karalyk...

KARALYK. Ik vreemdeling—ik die meer dan ’n halve eeuw...

HOOFDMAN (nijdig). Laat me uitspreken! Val je soort in de rede! Wat wou jij anders dan vreemdeling zijn? Heb je ooit verlof gevraagd hier te wonen? Na de herrie, de relletjes van gister en eergister, waarin jij betrokken ben geweest, is ’r vastgesteld dat je alles heb behalve papieren. Heb je papieren, ja of nee?

KARALYK (dof). Nee—wèl van ’t geld dat ze schuldig zijn...

HOOFDMAN. Die gaan me niet an.—Verkassen!

KARALYK. Verkassen?—Motten wij... Wanneer?

HOOFDMAN. Op slag.—Dadelijk.

KARALYK. Op slag—midden in ’t Sjabbesmaal?—Mòt dat?

HOOFDMAN. Anders zou ’k ’t niet zeggen, hè?—Vooruit!—Ingerukt!

KARALYK (dof). Mag ’k pakken wat ze bij de verwoesting hebben gelaten?

HOOFDMAN. Je pakt niets! Voor ’n verhuisoptocht heb ’k geen opdracht.—Alleen jij en je vrouw!

KARALYK. Goed, goed (tot Petrushka). Kom jongen. We zijn de eersten niet, zullen de laatsten niet zijn—we blijven Godlof bij mekaar...

HOOFDMAN. ’k Zeg toch weergaasch duidelijk: alleen jij en je vrouw!

KARALYK. Ja, ja. Maar m’n zoon ook. We zijn àllemaal zonder papieren, allemaal...

HOOFDMAN (kort). Nee! Je zoon hoeft niet als-ie niet wìl—staat op de lijst van de gedoopten, sinds gister.

KARALYK. Ben—jij—gister—ge—gedoopt? (Harde stilte). Ben jij gister... (vliegt op de tafel toe, grijpt ’n mes) ... Ben jij...

HOOFDMAN (hem met geweld tegenhoudend) ... Is ’t genoeg? Sta ik hier als kwajongen? Vooruit—of mot de knoet meepraten?

KARALYK (tot de vrouw) ... Wist jij dat? Mocht-ie daarom geen brooge... En voor dien schoft heb jij ’n bord an de Sjabbestafel gezet?...

HOOFDMAN (tot de kozakken). Angepakt. Duurt te lang.

KARALYK. Bij de herinnering an je eigen ouwers—laat me nog even wat zeggen an me—an me zóón...

HOOFDMAN. As je ’t kort maakt—en geen nieuwe kunsten!

KARALYK (terwijl hij spreekt, wijkt de Hoofdman, half angstig, half geparalyseerd door de woede van den grijsaard. De meid en de kozakken staan in de deuropening) ... Wou ’k zeggen—wou ’k zeggen—Petrushka—dat jij—dat jij—(barst in waanzinnige woede los) ... Hadden ze je gister liever gesteenigd, gesteenigd dat je hersens door de honden waren gevreten! Hadden ze je tong uìt-gerukt—de tong waarmee je ònzen God heb gelasterd!—Was je bij je geboorte gestikt—aan je moeder d’r borst doodgebleven, toen je van haar je eerste voedsel nam!—jij!—jij!—jij!—die daar straks ’t Boroeg Atto Adonoj in dòrst te zetten!... (snikt even hijgend—weert den hoofdman, die een gebaar maakt af, grijpt een glas van tafel, verbrijzelt het tegen den grond—dan met herstijgende drift:) ... Zoo waar als dit glas nooit meer heel wordt, de scherven mekaar niet terugvinden—vloek ik jou, Petrushka, trap ik je van me af—walg ik van je—spuw ik naar je (spuwt onmachtig)—jij grafschenner—jij die sjaggert met je God—jij erger onteerd dan de dochter van Iwan—jij voor wie geen kind ooit ’n lichie zal branden—jij laffe, laffe ellendeling... (stikkend in zijn verwenschingen stort hij neer).

DE HOOFDMAN (met ontzag, helpend hem op te beuren). Genoeg, genoeg...

KARALYK (hijgend). Ja genoeg—we gaan—we gaan—we gaan... Da’s ’t tweede glas dat ’k stuk heb gesmeten... (vreemd-glimlachend)... ’t tweede...

DE MOEDER (tot Hoofdman). Waar moeten we heen?

HOOFDMAN. Weet ’k niet...

DE MOEDER (de grootmoeder bedoelend) ... En zij?—Mot ze verhongeren?...

HOOFDMAN. Je zoon blijft. Vooruit! ’t Is kort dag...

KARALYK. Kort dag... kort dag... (Zij gaan heen in den sneeuwstorm. Angstig schiet Petrushka op de deur toe, grendelt die, luistert bij een luik).

GROOTMOEDER (dwaas van glimlach). Lichie van mijn—van mijn...

PETRUSHKA (woest). Suscht!... Hou je mond! Hou je mond! (strompelt naar de bank).

GROOTMOEDER (de vingers in het knetterend-doovend vlammetje)... Lìchie... Hèhèhè!... Adonoj... Adonoj...

April 1893.

(Doek).