Part 1
IVAN JELAKOWITCH (HERMAN HEIJERMANS)
AHASVERUS Dramatische Episode in één Bedrijf
Vrij naar het Russisch door W. v. D.
HET RECHT VAN VERTOONEN VOORBEHOUDEN VOLGENS DE WET OP HET AUTEURSRECHT VAN 28 JUNI 1881, STAATSBLAD No. 124.
BIJLAGE.
Nu de „Dramatische Episode” Ahasverus in eenigszins gekuischten vorm herdrukt wordt, lijkt ’t voor den toekomstigen snuffelaar niet onaardig den „onthullenden” brief van Juni 1893 uit het dagblad „De Telegraaf” over te nemen.
Deze brief luidde:
„AHASVERUS” en „DORA KREMER”.
Een vertaald-Russisch en een oorspronkelijk-Hollandsch stuk.
Het volgend schrijven ontvang ik heden-avond:
Geachte heer Heijermans!
In het „Journal des Débats” van Zaterdag-avond vinden wij voor Maandag 12 Juni bij het „Théatre libre” geannonceerd: „Ahasverus”, van Herm. Heijermans Jr.
Gij hebt bepaald bij uwe Fransche vertaling den naam van den Russischen schrijver Ivan Jelakowitch vergeten. Maak s. v. p. onmiddellijk den heer Antoine op deze vergissing attent en verzoek hem die bij de volgende annonce te herstellen. Of gij uw pseudoniem als vertaler (W. v. D.) al of niet volhoudt, is natuurlijk uw zaak.
Inmiddels, Hoogachtend
Uwe dienstw. dnr. Kreukniet en Poolman.
Het spijt me zeer, mijnheeren, maar aan dit verzoek kan ik niet voldoen. De volgende uitlegging zal u dit wel behoorlijk motiveeren. Alvorens die te geven zeg ik u mijn hartelijken dank, dat gij zonder ’t zelf te willen, hebt meegewerkt aan een grappige mystificatie, aan een kleine wraakoefening, waarbij gij zeker geen nadeel ondervindt. ’k Was juist voornemens met het nummer van het „Journal des Débats” bij u te komen en u de explicatie te geven, toen ’k uw briefje ontving en er de voorkeur aan hechtte, met bedwongen schaterpret voor mijn bureau te blijven zitten, om u eene historie te vertellen, die veel op ’n spookgeschiedenis lijkt.
Op een avond—ongeveer twee maanden geleden—kwam M. Mossel (gewezen concertmeester van het Concertgebouw), die voor een paar dagen uit Londen overwipte, me opzoeken. We flaneerden ’n beetje door de Kalverstraat en ontmoetten Reyding.
„Ga je mee naar de American bar?”
„Merci, ’t is al zoo laat!”
„Kom, ’t is pas één uur...”
Enfin, we namen ’m ieder onder ’n arm en zaten ’n paar minuten later voor inspireerende grocs américains.
Je mag zulke ondeugende dingen wel niet vertellen, maar Reyding en Mossel zullen ’t niet kwalijk nemen. Mossel was in een van z’n leuke buien. We schaterden om z’n laatsten dollen streek: misschien heb je ’t gehoord, hoe hij ’n jaar geleden in Rotterdam met ’n nieuwe demi-saison aan door ’n buis van de waterleiding, die op straat lag, kroop—en we babbelden zóó gezellig, als je ’t slechts bij ’n groc américain, ’s avonds na één uur, in de Bar kunt doen. Mossel vertelde van zijn succes in Engeland. Wij brachten hem op de hoogte van ’t beetje nieuws in Holland, en zoo hoorde hij toevallig, dat „Dora Kremer” ’t drama van ondergeteekende, over ’n week of drie zou worden opgevoerd.
„Kèrel, waar waag-je je an? Je wordt natuurlijk verscheurd!”
„Dat weet ’k.”
„D’r blijft geen stuk heel an! ’n Oorspronkelijk stuk door jóú geschreven! Neem ’t terug!”
„’t Kan me niks schelen... Laat ze d’r gang gaan.”
Accepteerend het fatum, dat er niets aan heel zou worden gelaten, raakten we aan ’t doorslaan over kunstzaken, tot één van ons—wie, weet ’k niet meer—plotseling ’n inval had en ’t denkbeeld aangaf eens ’n stuk te schrijven en ’t als eene vertaling te doen doorgaan.
Er gingen verscheidene weken voorbij. Mossel zag ik en Reyding sprak ik niet meer. ’k Had zelf ’t geheele plannetje vergeten, zooals ’t meer gaat bij goede voornemens van den laten avond, toen ’k een week vóór de opvoering van „Dora Kremer” er weder aan herinnerd werd. Toen heb ’k me neergezet, en heb „Ahasverus” gewrocht. Aan het „Salon des Variétés” bood ’k ’t aan als een vertaling van Ivan Jelakowitch en verzocht mijn vertalers-pseudo geheim te houden.
’t Stuk werd aangenomen.
Eén dag vóór de middag-voorstelling op 18 Mei, verscheen er in ’t „Handelsblad” en in ’t „Nieuws van den Dag” een entrefilet, later door alle bladen, zelfs door z.g. literarische, overgenomen, een entrefilet van den volgenden inhoud:
JELAKOWITCH.
„Omtrent dezen hier te lande vrij onbekenden Russischen schrijver, wiens „Ahasverus” aanst. Donderdag in den „Salon des Variétés” wordt opgevoerd, zendt een onzer lezers ons de volgende bijzonderheden, aan een Engelsch letterkundig tijdschrift ontleend:
Ivan Jelakowitch werd geboren te Nizhni-Novgorod den 3den December 1864. Zijn vader, een Israëliet, was een welgesteld koopman, die zijn zoon aan de universiteit te Kasan liet studeeren, waar Ivan zeer veel te lijden had van de onverdraagzaamheid zijner medestudenten. Hij legde zich eerst in hoofdzaak toe op Oostersche talen, daarna op de rechten, doch voleindigde zijne studiën niet, daar hij de universiteit moest verlaten toen zijn vader stierf en de overheid beslag op diens vermogen legde. Sedert 1887 verschenen verschillende werken van Jelakowitch, (o. m. „Batushka”), die de aandacht trokken.
„De roman „Zemstvo of Novgorod”, een vlijmende satire op de godsdienstvervolging in Rusland, was oorzaak, dat hij in 1891 van zijn bed werd gelicht en na drie maanden in een der ellendigste gevangenissen te hebben gezucht, over de grenzen werd gezet. Uit Kopenhagen hielpen eenige vrienden den jongen man, die in den kerker eene sleepende ziekte had opgedaan, naar Londen, waar hij nu ongeveer een jaar geleden in de grootste armoede en ellende stierf.
De „Zemstvo of Novgorod” doet soms aan Tolstoï denken, het is een krachtig geschreven, vurig pleidooi voor godsdienstvrijheid.”
Dit bericht werd door mijn vriend K. W. van Rijnswaerde aan de dagbladen ingezonden. ’t Eenige juiste van ’t roerend levensverhaal is de geboortedag 3 Dec. 1864 van den schrijver. De rest is zóó gefantaseerd, dat men zich verwondert, dat iedereen dien onzin geslikt heeft. Vergelijkt men de geschiedenis van Jelakowitch, die nooit geleefd heeft, met die van Tolstoï, dan zal men tot zekere verrassende gelijkenis komen. En dan een overheid, die zoo maar beslag legt! En eene recapitulatie van werken, die nooit geschreven werden! En een roman de „Zemstvo of Novgorod”, nog wel een vlijmende satire, terwijl Mackenzie Wallace in zijn werk „Russia” de volgende verklaring geeft van wat Zemstvo beteekent:
„The Zemstvo is a kind of local administration which supplements the action of the rural communes, and takes cognisance of those higher public wants which individual communes cannot possibly satisfy. Its principal duties are to keep the roads and bridges in proper repair, to provide means of conveyance for the rural police and other officials, to elect the justices of peace, to look after primary education and sanitary affairs, to watch the state of the crops and take measures against approaching famine, and in short to undertake, within certain clearly-defined limits, whatever seems likely to increase the material and moral well-being of the population.”
Na ’t verschijnen van ’t levensbericht van Ivan Jelakowitch onderzocht geen der critici verder. Sommige bladen deden voorkomen, of ze de ontdekking in het „Engelsch letterkundig tijdschrift” zelfstandig hadden gedaan. Ivan Jelakowitch had geleefd. Hij was dood. De mortuis nil nisi bene!... Men maakte zich op in gewijde stemming om de première bij te wonen, die geheel zonder mijn toedoen, nog een mystisch waasje kreeg door ’t geheimzinnige eener middag-voorstelling.
En terwijl de lichten gedoofd werden en een plechtige stilte in de zaal heerschte, zat daar oòk glimlachend, de geest van Ivan Jelakowitch op een der banken stalles, de geest... die zich eenigszins bitter afvroeg, of dat élite-gezelschap oók zou opgekomen zijn, als het programma vermeld had... „Ahasverus”, oorspronkelijk drama van den schrijver van „Dora Kremer”...
Terwijl men op 29 April in de Amsterdamsche bladen den schrijver van „Dora Kremer” een dier „peuterende auteurtjes” noemde, terwijl elders een criticus de „onaangename driestheid waarmede het geheel was bewerkt” constateerde, terwijl bijna alle verslaggevers meer aan den persoon van den schrijver dan aan ’t stuk dachten bij hun weldoordachte, onpartijdige, eerlijke, intelligente „kritieken”,—gebeurde op 18 Mei, dus geen drie weken later, het „wonderbaarlijke”, kon men, o. m., over denzelfden schrijver lezen:
„Nog eens moeten wij terugkomen op het eenig tafreel van Russische verdrukking, onmenschelijkheid en barbaarschheid, dat met aangrijpende en ijzingwekkende waarheid in den Salon ten tooneele gevoerd wordt.
Ziedaar nu voldaan aan den eisch der handelaars in „haute nouveauté” in zake letterkundige kunst, die beweren, geen intrige noodig te hebben voor een drama, geen onderwerp voor een roman, geen gedachte voor een gedicht.
Hier is geen intrige, maar toch wordt er een vreeselijk drama voor ons afgespeeld. Een hongerige romanschrijver had er een roman van drie deelen van gemaakt. Maar we hebben hier te doen met eene zielsuiting van een gemartelde, met de belichaming der gedachte van een kunstenaar, die een enkelen kreet van smart laat hooren, die ten hemel schreit. De dichter heeft inderdaad iets, wat hem op het hart ligt, wat hij zeggen moet.
De groote toewijding der artisten en de afspiegeling van den waren toestand zijn oorzaak van een succès, gelijk we er voor een ernstig stuk in vele jaren geen hebben beleefd.”
(De Portefeuille, 3 Juni).
De heer J. H. Rössing, een der meest welwillende beoordeelaars van „Dora Kremer”, een dier critici, die bij de voorstelling daarvan te Amsterdam tot zelfs „een vrijwillige claque” opmerkte, is over „Ahasverus” in extase. Eerst deelde hij den geheelen inhoud in „Het Nieuws van den Dag” mede—iets, dat bij Z.Ed. altijd een kenmerk van groot enthusiasme is—, daarna, dat „het geheel grooten indruk maakte” en ten slotte kwam zelfs een derde artikel met zinnen als deze:
„Dáárom is dit treurspel zoo treffend, omdat uit het geheel een ziel spreekt, omdat het geschreven is met tranen....
„Ahasverus” heeft op mij bij de lezing grooter indruk gemaakt dan bij de vertooning, hoe prijzenswaardig ook. Ik heb er het volle besef van gehouden, dat hier een hart zich lucht gaf, dat wreed gefolterd was, dat hier iemand sprak, die wat te zeggen had en niet schreef tijdverdrijf-literatuur, maar die gedreven werd om te getuigen van de ellende van het in Rusland bij velen ten onrechte zoo verachte volk van Israël!”...
Het „Handelsblad” schreef:
„Niettemin achten wij „Ahasverus” een der beste en meest aangrijpende drama’s die wij in langen tijd hier zagen opvoeren, de vreemde voorstellingen niet uitgezonderd. Realistisch is het zeker, maar van een realisme dat zich uit in reine, onopgesmukte waarheid, zonder de minste ruwheid of zonder iets van het gruwelijke, dat wij b. v. in „De Macht der Duisternis” te zien krijgen. Zoo roerend-eenvoudig is dit drama als de eenvoudigste novelle....
„Evenwel, ofschoon ook het sombere, neerdrukkende van dit drama ons doet gelooven, dat Ivan Jelakowitch zich niet aan den invloed van Tolstoï heeft kunnen onttrekken, zoo herinnert alleen het uiterlijk aan het bekende naturalistische drama. De gedachte en de opvatting zijn niet afgekeken, maar diep gevoeld. Jelakowitch—men zal zich de treffende bijzonderheden herinneren die een onzer lezers dezer dagen omtrent zijn eigen lijden mededeelde—heeft zich hevig aangegrepen gevoeld door den aanblik der ellende, waaraan de Russische Israëlieten blootstaan, en zoo kon het niet anders, of dit drama, waarin de bezieling van zijn gewaarwording met meesterschap was geuit, moest grooten indruk maken”...
Verder nog ging „De Tribune”:
„Natuurlijk is deze schets onvolledig, natuurlijk kunnen wij hier niet weêrgeven de ruwe kracht, het diepe gevoel, die uit elke lijn van dit kunstwerk spreken.
„Waarlijk, ook wie niet de geschiedenis van Jelakowitsch kent, moet gevoelen: dit stuk is niet geschreven: het is geleefd. Daar zijn tranen gevallen op die bladzijden, daar is smart, daar is hartstocht, daar is woede in die regels”...
Een ander provincieblad sprak er van als van „een kunstwerk, dat gewaardeerd en genoten zal worden”. De „Leeuwarder Courant” eindigde met:
„... Alleen heeft het mij en moet het ieder hinderen, dat op dit drama een zotte klucht volgt als De Tante van Charlie. Dwazer samenvoeging is niet denkbaar. Op dit stuk kan alleen een „Uriel Acosta” volgen om eenigszins in den toon te blijven. Als de schrijver van dit roerende drama het uitbundig gelach om het nastukje had gehoord, zou hij stellig gezucht hebben: Voilà une soirée de perdu!...”
Waarom geef ik die extracten? Die vraag kan beantwoord worden met eenige tegenvragen: Zou men van ’t Russisch drama notitie genomen hebben, als ’t geannonceerd was als „Ahasverus, door H. H. Jr.”? Zou men niet geheel vooringenomen de voorstelling gevolgd hebben, als men geweten had, dat een jong Hollander ’t geschreven had? Zou men niet gedoceerd hebben over ’t gebrekkige der lokale kleur, over de mogelijke onjuistheid der Russische toestanden? Zou men niet schoolmeesterig over ’t geheele stuk gevallen zijn? Nu stond men tegenover Jelakowitch—let wel op den mooi-klinkenden naam!—: nu had men te beoordeelen een Rus wiens geheimzinnigheid biologeerend werkte.
Deze mystificatie was noodig, omdat er something rotten is in the state der Hollandsche dagbladkritiek.
Men zal me genoeg gezond verstand toedichten, om te willen begrijpen, dat het succes van „Ahasverus” niet op „Dora Kremer” terugwerkt. Maar is het denkbeeld zoo onmogelijk, dat er tusschen de overdreven loftuitingen aan ’t adres van den Rus en de alles afbrekende beoordeelingen over den Hollander een middenweg is?
Moet ik er nadruk op leggen, dat de mystificatie alleen voor de pers berekend was en dat mijn bedoeling geen kwetsende is? Men behoeft er geen „verbannen” Rus voor te zijn, om met ellendige, walgelijke godsdienstvervolgingen mee te voelen! „Ahasverus” is een episode, een greep uit het leven, een dramatisch tafreel, zonder meer.
Ten slotte mijn excuus aan de lezers, dat ik hen zoolang met mezelf heb bezig gehouden, ’k Moest ’t doen om deze vivisectie der kunstbeoordeelingen te motiveeren...
Men heeft ’t in de laatste weken zoo druk over mijn ziel, mijn tranen, mijn gemarteld hart gehad, dat men me ’t vroolijke dezer artikelen wel zal willen vergeven.
6 Juni, 1893. Herm. Heijermans Jr.
Noot. Van de avondbladen is o. m. het „Handelsblad” ’n beetje boos. Het schrijft:
„De vraag is nu, wat is in deze waarheid? Want een vriend van den heer Heijermans, de heer F. H. J. Mijnssen, die onder het pseudoniem K. W. van Rijnswaerde schrijft, heeft ons zwart op wit verklaard, dat Ivan Jelakowitch de schrijver was, en wij hebben hem geloofd.
Jammer, dat de Rus zelf nu dood gemaakt is en geen familie heeft achtergelaten; anders zou men die kunnen raadplegen. Nu zal het geheim van het vaderschap wel nooit worden opgehelderd, tenzij de heer Mijnssen nog een uitweg weet te vinden, maar dan is het de vraag, of men hem wel weer zal gelooven?
De heeren hebben zich vastgejokt... hoe komen ze er nu weer uit?”...
Raadgeving: Doet als voorzichtige menschen. O „Handelsblad”!... en informeert bij den Burgerlijken Stand te Nizhni-Novgorod.
Na het verschijnen van dit artikel kwam een storm los. Velen van degeen, die den Russischen auteur bewierookt hadden, haastten zich den Hollander met ’n uitgezochte hoeveelheid hatelijkheden, die ’k onvermeld laat, af te maken. Geen stuk bleef ’r aan den echten schrijver van „Ahasverus” heel. Talent werd hem opnieuw met verbittering ontzegd...
’t Blad „Gelria” van den 9den Juni 1893 geeft de stemming allerjuist weer:
„Een kostelijke grap is die van Herman Heijermans Jr., die een drama schreef: „Ahasverus” en het liet doorgaan voor het werk van een gefingeerden Russischen schrijver Iwan Jelakowitch. Kostelijk hierom, dat er weer een aantal critici, zelfs van de grootste bladen zijn ingeloopen. „Handelsblad” en „Nieuws van den Dag” namen een roerend levensbericht van Jelakowitch op, de stemming was gemaakt en Rössing schreef o. a. dat het werk „geschreven is met tranen”, de „Tribune”: „daar zijn tranen gevallen op die bladzijden, daar is smart, daar is hartstocht, daar is woede ìn die regels...” Bovenal echter vermakelijk is de grap, omdat de heeren critici nu zoo boos zijn. De „Amsterdammer” heeft er een heel feuilleton voor over, om te betoogen dat haar critici ook trots de mystificatie een juist oordeel over het stuk hebben geveld, en daarna Heijermans eens duchtig in de luren te leggen. Het „Handelsblad” tracht zich een schijntje van gelijk aan te praten; maar het grappigst is J. H. Rössing in het „Nieuws”, die het wil laten voorkomen, alsof hij zelf reeds vóor Heijermans den sluier van het geheim oplichtte, het had doorgrond. Bij het lezen van al die kinderachtigheden, die halve zelfverdedigingen, komt de gedachte op, hoe klein dat Amsterdamsche bentje toch eigenlijk is. En zoo Heijermans in éen ding gelijk heeft, dan is het in zijn onderstelling, dat met zijn eigen naam geteekend, en niet mystiek voorbereid, „Ahasverus” veel minder gunstig zou zijn beoordeeld. In plaats van dit te erkennen, nog boos worden op den koop toe—wat zijn die menschen klein!”
Tot zoover de mystificatie. Den 12den Juni 1893 ging „Ahasverus” bij Antoine. Het was de eerste première van ’n Nederlandsch stuk in Parijs. De rolverdeeling was deze:
Karalyk M. Antoine. Piotr, le fils ,, Depas. Le Pope ,, Gémier. Un Paysan ,, Michelez. Le Chef des Cosaques ,, Arquillière. La Mère Mme. Barny. La Grand’mère. ,, Reynold. Kasja, servante. ,, Vinet.
Meer over „Ahasverus” heb ’k niet te vertellen. ’k Geef ’t stuk in z’n geretoucheerd-primitieven vorm. Als ’k ’r aan terug denk, denk ’k aan ’n aardig brok souvenir—en aan den nog niet geëindigden „strijd” met de „critici”, waarvan ’t gros niets geleerd heeft, niets leeren zal.
Je zou ’t nog wel ’ns over willen doen, als—’t voor jezelf niet zoo compromitant was.
Herman Heijermans.
Berlijn, December 1911.
PERSONEN:
Karalyk de Hr. Henri Poolman. De Moeder Mevr. Poolman-Huysers. Petrushka, hun zoon de Hr. L. M. Smit. De Grootmoeder Mej. Julia Ude. Kasja, de meid ,, Verschuur. Petroff, een boer de Hr. Grootveld. Batushka de Hr. Henri van Kuyk. Een Hoofdman de Hr. Onsman. 2 Kozakken { de Hr. Musch. { de Hr. Koorbergen.
De handeling heeft plaats in een klein gehucht van Nizhni-Novgorod, omstreeks 1890.
AHASVERUS.
Een smerige boerenkamer. In den achtergrond een deur en twee kleine vierkante ramen, waarvan alle ruiten gebroken zijn. Deze geven uitzicht op den landweg, zwaar besneeuwd. Een felle wind jaagt sneeuw door de openingen. Avondschemering. Tegen den linkerwand een reusachtige oven, uit steen gemetseld, met grauwe kalk bepleisterd. Van het bovengedeelte van dezen oven loopt een breede plank (palati) naar den rechterwand. Rechts, voorgrond, een ruwe bank. Daarvoor een zware withouten tafel, waarop een Samovar. Verspreid er om heen houten stoelen. Deuren rechts en links, op het eerste plan.
EERSTE TOONEEL.
Op de bank zit Karalyk, de armen onder het hoofd. Over hem, aan de andere zijde der tafel: Petroff. De moeder, links op den voorgrond. Boven op den oven hurkt de grootmoeder. Type Karalyk: sterk joodsch; gebogen neus; gegroefd, bruin gezicht. Haar lang, bedekt door muts. Baard lang, slordig, bijna grijs.
Type Moeder: mager; zwart haar; doek om ’t hoofd.
Type Grootmoeder: haar spierwit; doek om ’t hoofd; starende wezenlooze oogen. Voorkomen: dierlijk vervuild.
DE MOEDER (norsch). Kasja! Kasja!
KASJA (sloft langzaam binnen door de deur, rechts, zet een glas met olie gevuld, waarin een brandend pitje, op den hoek van den oven).
DE MOEDER (tot de meid). Doe de ramen dicht! (De meid gaat heen door de achterdeur. Men ziet haar vervelooze planken aan de buitenzijde voor de ramen plaatsen).
KARALYK. Is ’t al zóó laat?
DE MOEDER. Sabbath begint...
KARALYK. ’k Ben ongerust... ongerust.
PETROFF. De Kozakken zijn er toch!...
KARALYK (dof). Ze zijn wèl laat gekomen (stilte). ’k Ben ongerust, ongerust...
PETROFF. Wat dan? Wat dan?
KARALYK. Gister is-ie weggegaan... Hoor wel, gister!
PETROFF. Petrushka, je zoon?...
KARALYK (knikt).
DE MOEDER (plotseling heftig de vuist ballend). De moordenaars! De beulen!
KARALYK. Stil! De meid! (Deze komt weer door achterdeur binnen, maakt de planken aan de binnenzij vast. Terwijl zij daarmee bezig is, wordt er niet gesproken).
DE MOEDER (tot de meid) Neem mee! (wijst op den samovar). En help dekken. (Af met de meid door rechterdeur).
TWEEDE TOONEEL.
Karalyk, Petroff.
KARALYK. As-ie maar terug was! Gister weggegaan... (uitbarstend). Ze hebben ’m vermoord zoo as ze ’t vader hebben gedaan! (op de tafel slaand)... As dàt zoo is... (houdt zich in, laat ’t hoofd suf op de handen zakken)... As... As... Ja, wat dan? Wat dan? ’k Weet ’t niet... ’k Heb geen hersens meer...
PETROFF. Niewaar! Niewaar!... Nièmand, geen sterveling heeft ’m in ’t dorp gezien... Niemand!
KARALYK. (Voor zich heen pratend in wanhopige berusting). Jij, Petroff ben geen hònd as de anderen. Jij niet. Met jóú kan ’k praten. Jij ben rechtschaffen! ’t Paard hebben ze gestolen—m’n hebben en houen geplunderd, terwijl wij in de kelder doodsangsten uitstonden... Niks! Allemaal niks. Maar me jongen, me éénige zoon... As ze diè hebben, hebben... dan neem ’k geen hap meer—dan ben ’k in staat ’r ’n end an te maken... O, o, ’k heb ’n gevoel, ’n voorgevoel of ’r iets—iets ongehoords is gebeurd...
PETROFF. De kozakken zijn ’r nou toch...
KARALYK (bitter). Ja, ja—die zijn voor drie jaar ook gekomen—bijtijds—wel bijtijds—toen ze (de grootmoeder bedoelend) háár man, mijn vader, z’n tong hadden afgeknepen, z’n oogen met roestige spijkers... de duivels... En omdat ze te laat waren, hebben ze ’n handje meegeplunderd...
PETROFF. (Ook de grootmoeder bedoelend en op z’n voorhoofd tikkend). Nog altijd?...
KARALYK. Ja—ja.
PETROFF. ’t Is hier vervloekt koud...
KARALYK. Wij hebben de ruiten nìet stuk gesmeten...
DE MOEDER (begint te dekken. De meid draagt twee flesschen met brandende kaarsen. Op de tafel ’n gekleurd kleed, borden, glazen, brood, zout, ’n aangebroken wijnflesch) ... Denk an de Sabbath, Karalyk.
KARALYK (zonder te bewegen). Ja, ja—’k ga me wasschen...
DE MOEDER (op de tafel steunend). Mot ’k voor drie of voor—vier dekken? (Een stilte) ... Drie of vier?
KARALYK. Wat bedoel je?
DE MOEDER. ... Voor drie of vier?
KARALYK (stug). Voor vier natuurlijk.
DE MOEDER. Jawel! Jawel, ’k zie ’m kommen...
KARALYK. Wat wil je, wat zanik je?...
DE MOEDER. As-ie door de zijdeur wegsluipt, de lafbek, z’n ouwers an d’r lot overlaat, komt-ie door de voordeur terug, om z’n vreten te halen, jawel! Zoo as ze met steenen de ruiten insmeten, zóo as ze schreeuwden: „haalt ze d’r uit, de joden, de smausen!”, dacht-ie an z’n eigen lijf—was-ie vort! De ouwe vrouw had meer lef, godbeter...
KARALYK (de tafel bedreunend). ... Ben je klaar! Weet jij of je over ’n levende of over ’n dooie zwetst!...
DE MOEDER. ... Over ’n levende—dat voel ’k...