Entre Nous: Lectures françaises à l'usage des écoles primaires - I

Part 5

Chapter 52,356 wordsPublic domain

De nouveau, opnieuw. la croisée, de vensterbank. regarder _par_ la fenêtre kijken _door_ het venster. quels tours jouait le vent, welke kunsten (poetsen) de wind uithaalde (letterlijk: speelde). une voiture à bras, een handkar. tirer, trekken. le vent enlève la casquette, de wind neemt de pet af. emporter, meenemen. bien loin, heel ver. au milieu, in het midden. il court à toutes jambes, hij loopt, zoo hard hij kan. pour attraper, om te pakken. il se baisse, hij bukt (zich). pour la ramasser, om ze op te rapen. presser, drukken. attendre, wachten. un moineau, een musch. qui s'abattent _dans_ la rue, die neerstrijken _op_ straat. des miettes, kruimels. le vent les pousse, de wind duwt ze weg. presque, bijna. se tenir, zich staande houden, staan blijven (letterlijk: zich houden). leurs petites pattes, haar pootjes. ils voient, zij zien. une graine, een korreltje. ils doivent souvent _courir zij moeten het vaak _naloopen_. après_, justement, juist. il a attaché, hij heeft vastgemaakt. reprendre, weer nemen. continuer son chemin, zijn weg vervolgen. une vieille, een oude vrouw. avancer, vooruitkomen. elle marche tout _près des_ zij loopt heel _dicht bij de_ huizen. maisons, souffler, blazen. s'arrêter, staan blijven. ses jupes sont tendues haar rokken zijn gespannen tegen haar contre ses jambes, beenen. pauvre vieille, arm oudje. comme ça Marie voit, zoo ziet Marie.

XXIV.

Voler, vliegen. veux-tu sortir avec moi, wil je met me uitgaan? aller _prendre à_ l'école, gaan _halen uit_ school. petite Mère, Moesje. pas du tout, heelemaal niet. chaudement habillées, warm gekleed. d'abord, eerst. un magasin de nouveautés, een modemagazijn (winkel). le marchand _en_ montre de koopman laat _er_ verscheidene plusieurs, zien. choisir, kiezen. il _fait_ si froid, het _is_ zoo koud. elles entendent une cloche, zij hooren een bel. deux à deux, twee aan twee. bien en rang, net in de rij. celui-ci, deze. jusqu'à la porte, tot aan de deur. il court _vers_ sa mère, hij loopt _naar_ zijn moeder. et les _voilà_ partis tous en _nu_ gaan ze alle drie weg. les trois, _au_ coin de la rue, _op den_ hoek van de straat. le vent essaya encore une de wind probeerde nog eens. fois, Jean le tenait, Jan hield hem vast. ils ont les joues bien zij hebben heel roode wangen. rouges,

XXV.

Il nous faut travailler tous, wij moeten allen werken (lett.: het moet, dat....). comme j'ai faim, wat heb ik een honger! _en rentrant_ de l'école, _toen hij thuis kwam_ van school. une bonne maladie, een goedaardige ziekte. le dîner te guérira, het middagmaal zal je genezen. il mangea _comme_ quatre, hij at _voor_ vier. la faim disparut, de honger verdween. maman préparait le thé, mama zette thee (letterlijk: bereidde). il s'était endormi, hij was ingeslapen. ils faisaient beaucoup de zij maakten veel lawaai. bruit, ils jouaient au vent, zij speelden, dat het woei. qui, _d'un_ bras, poussait, die, _met een_ arm, duwde. il l'avait lancée, hij had ze (geworpen) geslingerd. vous faites trop de bruit, jullie maakt te veel lawaai. papa ne peut pas _se papa kan niet _uitrusten_. reposer_, _pendant_ un moment, _voor_ een oogenblik. tranquille, rustig. le bruit recommença, het leven begon opnieuw. il faisait tant de vent, het woei zoo erg! doucement, zachtjes. papa se réveillera, papa zal wakker worden. il ne se sera pas bien zal hij niet goed gerust hebben. reposé, ils s'amusaient si bien, zij hadden zoo'n pret. nous dormons _la nuit_, wij slapen _'s nachts_. fatigué, vermoeid of moe. pour gagner de l'argent, om geld te verdienen. ce manger, dit eten. il faut de l'argent, men moet geld hebben. allons, kom. je vous apprendrai, ik zal je leeren. une poésie sur cinq petits een versje van vijf mannetjes. bonshommes, je n'en ai guère, ik heb bijna niets. comment faire? wat te doen? savez-vous, weet je.

XXVI.

Les cinq doigts de la main, de vijf vingers van de hand. c'est le pouce, dat is de duim. l'index, de wijsvinger. qui remarque tristement, die treurig opmerkt. le majeur ou doigt du milieu, de middelvinger (majeur, vroeger: groot; nu: meerderjarig). l'annulaire, de ringvinger. le petit doigt ou de kleine vinger of pink. auriculaire, c'est tout juste comme dans dat is net zoo als in Klein Duimpje. le Petit Poucet, ils demandèrent, zij vroegen. raconte-nous l'histoire, vertel ons het verhaal. ils désiraient beaucoup, zij wilden graag. un bûcheron, een houthakker. demeurer, wonen. le bois, het bosch. sa femme, la bûcheronne, zijn vrouw, de houthakster. le cadet, de jongste. il s'appelait, hij heette. nourrir, voeden, eten geven. toutes ces petites bouches, al deze (kleine monden) mondjes. il gagnait, hij verdiende. il n'avait plus rien à leur hij had niets meer om hun te eten donner à manger, te geven. je vais aller perdre les ik zal maken, dat ik de kinderen enfants dans le bois, kwijt raak in het bosch (letterlijk: ik ga gaan verliezen). j'aime mieux, ik heb liever. ils meurent de faim, zij sterven van honger. elle consentit enfin _à_ zij stemde eindelijk toe, _in_ wat ce que son mari voulait, haar man wilde.

XXVII.

Suite, vervolg. le lendemain, den volgenden dag. partit, vertrok. qui s'était caché, die zich verborgen had. derrière la porte, achter de deur. le soir, des avonds (letterlijk: de avond). il avait emporté des hij had blanke (witte) keisteentjes cailloux blancs, meegenomen. jeter, werpen. la route, de weg. quand le père fut parti, toen de vader weg was. et que les six frères en toen de zes broertjes schreiden. pleuraient, suivez-moi, volgt mij. retrouver, terugvinden. en suivant, door te volgen. rester, blijven. quelque temps, eenigen tijd. le père avait reçu, de vader had gekregen (lett.: ontvangen). quand il n'eut plus d'argent, toen hij geen geld meer had. il résolut, hij besloot. il emporta du pain, hij nam brood mee. les laissant seuls, en liet hen alleen (letterlijk: hen alleen latende). les enfants voulurent de kinderen wilden naar huis rentrer, terugkeeren. il n'y avait plus de miettes, er waren geen kruimels meer. les voilà tout seuls, nu waren ze heelemaal alleen. grimper, klimmen. une lumière, een licht. il descendit de l'arbre, hij klom naar beneden (lett.: hij daalde af van den boom). les voilà _en route_, nu gingen ze _op weg_. longtemps, lang. ils frappèrent, zij klopten. s'ils pouvaient, of ze mochten. ils avaient peur _du_ loup, zij waren bang _voor den_ wolf. la nuit, in den nacht of des nachts. cette maison était _à_ son dit huis was _van_ haar man. mari, l'ogre, de menscheneter. les cacher jusqu'_à_, hen verbergen _tot_. elle entendit, zij hoorde. le lit, het bed.

XXVIII.

Fin, einde. tout de suite, dadelijk. je sens la chair fraîche, ik ruik versch vleesch (letterlijk: het versche vleesch). partout, overal. tuer, dooden. le veau, het kalf. rôtir, braden. demain, morgen. s'endormir, inslapen. le déjeuner, het ontbijt. furieux, woedend. mettre ses bottes, zijn laarzen aantrekken. les bottes de sept lieues, de zevenmijlslaarzen. il _courut après_ les hij _liep_ de kinderen _na_. enfants, ceux-ci, deze. ils s'étaient cachés, zij hadden zich verstopt. il passa _devant eux_, hij liep (ging) _ze voorbij_. se coucher, liggen gaan. la mousse, het mos. il sortit de sa cachette, hij kwam uit zijn schuilhoek. il coupa la tête, hij sneed het hoofd af. il lui ôta ses bottes, hij trok hem de laarzen uit. mais lui-même, maar hijzelf. ensuite, vervolgens, daarna. le roi était en guerre, de koning was in oorlog. il lui apporta des nouvelles, hij bracht hem berichten. l'armée, het leger. il fit tant de commissions, hij deed zooveel boodschappen. un sac _de_ pièces d'or, een zak _met_ goudstukken. celui-ci fut bien content de deze was heel blij (hem te zien le voir arriver, aankomen), dat hij terugkwam. ils vécurent, zij leefden.

XXIX.

La neige, de sneeuw. comme toujours, zooals altijd. il remarqua, hij merkte op. quelque chose, iets. qui ne l'avait jamais frappé, dat hem nooit getroffen had. son papa à lui, _zijn_ (met nadruk) vader. un somme, een slaapje. revenir, terugkomen. le monde renversé, de omgekeerde wereld. un tel papa, zulk een vader. Jean avait raison, Jan had gelijk. les contes de fées, sprookjes. mauvais, slecht. il neige, het sneeuwt. le rideau, het gordijn. ils virent, zij zagen. le flocon, de vlok. le ciel, de hemel. d'abord, puis, bientôt, eerst, dan, weldra. un peu plus, een weinig meer. on _ne_ voyait _plus que_ men zag niets anders _meer_ dan wit. du blanc, ils n'avaient _pas envie_, zij hadden _geen lust_. monter, naar boven gaan. ils pensèrent, zij dachten. le lendemain, den volgenden morgen. un tapis, een tapijt of kleed. épais, dicht. couvrir, bedekken. jeudi, Donderdag. ils se jetèrent _des_ boules zij wierpen elkaar _met_ sneeuwballen. de neige, le traîneau, de slede. la glissade, de glijbaan. qu'elle était amusante la wat was de sneeuw prettig! neige,

XXX.

Comme ça, zoodoende. en même temps, te gelijk. Jean apprenait à M. Jan leerde aan M. _en_ voyage, _op_ reis. le village, het dorp. la plainte, de klacht. font leur plainte de concert, klagen samen. l'abri, de beschutting. plus d'abri, geen beschutting meer. percer, dringen door. surtout, bovenal. partager, deelen. le goûter, de namiddag-boterham (de boterham die Fransche kinderen om 4 uur eten, als men laat 't middagmaal gebruikt). les trous du voisinage, de schuilhoekjes (letterlijk: de gaten) in de buurt. joyeux tapage, vroolijk rumoer. le toit, het dak. les pauvrets, de arme bloedjes, de zieltjes. prendre courage, moed scheppen. gaîment, vroolijk, lustig, welgemoed. braver, trotseeren.

XXXI.

Quatre fois deux _font_ sept, viermaal twee is (letterlijk: maken) zeven. elle _aura_ congé, zij _is_ vrij (letterlijk: zij _zal hebben_). inviter, uitnoodigen. que c'est amusant, wat is dat prettig! Il faut qu'elle reste, toute dan moet zij den heelen dag blijven. la journée, la maman de N. allait un peu het ging wat beter met de mama van N. mieux, passer, doorbrengen. commander, bestellen, bevelen. montrer, laten zien. la voiture, het rijtuig. les joujoux, het speelgoed. voilà d'autres visites, daar komen andere gasten. Louis s'en va, Louis gaat (heen). _à quoi_ joueront-elles, wat (letterlijk: waaraan) zullen zij spelen. M. et N. s'assoient, M. en N. gaan zitten. H. marche _de long en large_, H. loopt _heen en weer_. la table de cinq, de tafel van vijf. je ne la sais pas, ik ken ze niet. je t'aiderai, ik zal je helpen. commence _toujours_, begin _maar_. ce n'est pas ça, dat is zoo niet. les tables de multiplication, de tafels van vermenigvuldiging. compter, tellen. elle _y_ est bien vite _comme _zoo_ is ze _er_ heel gauw. ça_, mais à vrai dire, maar om de waarheid te zeggen (letterlijk: maar om waar te zeggen).

XXXII.

A présent, nu. jouer à autre chose, iets anders spelen. un service à thé, een theeserviesje. un plateau, een theeblad. la théière, de theepot. le pot au lait, het melkkannetje. la tasse, het kopje. la soucoupe, het schoteltje. enfin, eindelijk. une boîte, een kistje (doos). la cuiller, de lepel. de l'eau bouillante, kokend water. infuser, trekken. le chauffe-thé, de theemuts (Eng. the cosy). venir _en_ visite, _op_ visite komen. vous allez bien? gaat het goed? (letterlijk: gij gaat goed). quel temps, n'est-ce pas, wat 'n weer, niet waar? le gamin, de straatjongen. ils vous jettent _des_ zij gooien je _met_ (sneeuw)ballen. boules, asseyez-vous, gaat zitten. puis-je vous offrir, mag ik je aanbieden. prenez-vous, hier: gebruik je. remplir, vullen. sans renverser une goutte, zonder een droppel te morsen. sa tasse à elle, _haar_ (met klem) kopje. verser, schenken. ce n'est pas joli, 't is niet aardig. un bain de pied, een voetbad. _à_ ses visites, _tegen_ haar gasten. je vais appeler, ik zal roepen. en toile, van linnen. en son, van zemelen. en faïence, van aardewerk. à la bonne heure, mooi zoo! réparer, herstellen. une boîte _en fer blanc_, een _blikken_ trommeltje (kistje, doosje). elle les offre, zij presenteert ze. grignoter, knabbelen. un grand coup, een harde slag. de frayeur, van schrik.

XXXIII.

Une grande cocarde blanche, een groote witte plek (letterlijk: kokarde). les restes, de overblijfselen. une balle, een kogel. on se bat, men vecht. un gros bonhomme, een groote pop. rouler, rollen. deux grosses jambes, twee dikke beenen. une grosse boule, een dikke bal. représenter, voorstellen. le corps, het lijf, het lichaam. au milieu de la tête, in 't midden van het hoofd. un peu aplatie, een beetje afgeplat. au-dessus, boven. à droite et à gauche, rechts en links. une pierre, een steen. les yeux, de oogen. il est né, hij is geboren. à présent, nu. bombarder _de_, bombardeeren _met_. lancer, werpen, slingeren. _c'est comme ça qu_'il y _daardoor_ is er een. en a, effrayer, verschrikken. comme elles sont debout, nu zij opgestaan zijn. comme les garçons s'amusent, wat vermaken de jongens zich. qui reçoit des visites, die bezoek (gasten) ontvangt. se mouiller, zich nat maken. faire attention, er aan denken. prendre garde _à_, oppassen _voor_. courir à toutes jambes, hard loopen. suivre, volgen. mettre une branche, een stokje (takje) steken. la bouche, de mond. il aura gagné, hij heeft gewonnen (letterlijk: hij zal gewonnen hebben). ils sont bien occupés, zij zijn druk bezig. ramasser, oprapen. continuer _à_, voortgaan _met_. fumer, rooken. siffler, fluiten. _autour de_ ses oreilles, _om_ zijn ooren. bouger, zich verroeren, bewegen. toucher, raken. viser, mikken. elle s'amuse _tant_, zij heeft _zooveel_ pret (zij vermaakt zich zoo). elle rit _de tout coeur_, zij lacht _hartelijk_. cela ne lui arrive pas dat gebeurt haar niet vaak. souvent,

XXXIV.

La glace, het ijs. un nouvel amusement, een nieuw vermaak. geler, vriezen. de suite, achtereen. l'étang, de vijver. couvrir, bedekken. la couche, de laag. ils ne savaient pas, ze konden niet. patiner, schaatsenrijden. emmener, meenemen. il n'y avait pas de vent, er was geen wind. briller, schitteren. réchauffer, verwarmen. se mettre en route, zich op weg begeven. comme ils marchaient _d'un daar zij _flink op_ liepen. bon pas_, descendre, afdalen. la glissade, de glijbaan. glisser, glijden. tout le temps, aldoor, telkens. _que de_ patineurs, _wat een_ schaatsenrijders! se croiser, zich kruisen. dans tous les sens, in alle richtingen. il _y_ =en= avait tant que, _er_ waren =er= zooveel, dat. près du bord, dicht aan den kant. tout ce _monde_, al deze _menschen_. avoir envie, lust hebben. le patin, de schaats. j'aimerais tant, ik zou zoo graag. arrivèrent lui dire bonjour, kwamen hem goeden dag zeggen, hem groeten. vous avez tellement chaud, jullie bent zoo warm. attraper froid, kou vatten. pour nous reposer, om uit te rusten. se remettre en marche, weer verder gaan. ils avaient disparu, zij waren verdwenen. faire le tour des étangs, om de vijvers heenwandelen.

XXXV.

Oter, uittrekken. le gant, de handschoen. dehors, buiten. elle ne s'en était pas zij had het niet gemerkt. aperçue, sentir, voelen. ne te mets pas près du poële, ga niet dicht bij de kachel staan. les mains te feraient mal, je handen zouden je zeer doen. un jeu, een spel. Marie s'assied, Marie gaat zitten. _en face d_'elle, _tegenover_ haar. taper, klappen. la paume, de palm van de hand. _en_ mesure, _op_ de maat. jusqu'au bout des doigts, tot aan de toppen der vingers. s'agiter, zich bewegen. entrez vite en danse, begin vlug te dansen. frapper, slaan.

XXXVI.