Entre Nous: Lectures françaises à l'usage des écoles primaires - I

Part 4

Chapter 42,200 wordsPublic domain

Jean va _partir_, Jan vertrekt (letterlijk: gaat vertrekken). la porte _s'ouvre_, de deur _gaat open_ (letterlijk: opent zich). l'aîné, de oudste. il _s'appelle_, hij _heet_ (lett.: noemt zich). en entrant _dans_ la chambre, als hij de kamer binnenkomt (lett.: binnenkomende). _à quoi_ jouez-vous? _wat_ speel jullie? (_jouer à_ bij een spel; _jouer de_ bij een muziekinstrument). nous jouons au docteur, wij spelen doktertje. ajoute, voegt er aan toe. il a remis, hij heeft gezet. _s'écrie_, _roept uit_. ils se mettent à rire, zij beginnen te lachen. en voyant, als ze zien (lett.: ziende). il _va_ nous chanter, hij _zal_ (letterlijk: _gaat_) voor ons zingen. appuyé _à_, geleund _tegen_. le dossier, de leuning. que _savez_-vous chanter, wat _kun_ je zingen? (letterlijk: _weet_). il ne répond _toujours_ pas, hij antwoord _nog altijd_ niet. il se met à chanter, hij begint te zingen. Marie _croit_, Marie _denkt_, meent (letterlijk: gelooft). vraiment, waarlijk. que c'est son petit garçon dat haar kleine jongen zingt (lett.: qui chante, dat het is haar kleine jongen, die zingt).

X.

Ainsi que, evenals. elle _en_ est très contente, zij is _er_ heel blij mee (letterlijk: zeer tevreden _over_). pourtant, toch. le second couplet, het tweede versje. car, want. elle connaît, zij kent. qu'est-ce que Paul chante? wat zingt Paul? _écoutez_ ces quatre petites _luister naar_ deze vier stemmetjes. voix, vous le saurez, ge zult het weten. cocorico, kukeluku. à voix pleine, luidkeels. vont chantant, zingen (lett.: gaan zingende). en picotant, terwijl ze oppikken (letterlijk: oppikkende). en buvant, terwijl ze drinken (letterlijk: drinkende). le soleil luit, de zon schijnt. s'il va pleuvoir, als het gaat regenen. la plaine, de vlakte.

XI.

Vrai, echt (letterlijk: waar). la chambre d'à côté, de kamer ernaast. sont assis, zitten (lett.: zijn gezeten). ils _prennent_ une tasse de zij _drinken_ een kopje thee thé, (letterlijk: nemen). Maman pose son porteplume, Mama legt haar penhouder neer. un petit-four, een koekje. j'ai mal aux dents, ik heb tand- of kiespijn. elle verse, zij schenkt in (lett.: zij giet). en fumant, terwijl hij rookt (letterlijk: rookende). comme les enfants font du wat maken de kinderen een leven. bruit, qu'est-ce qu'il y a? wat is er? chez eux, bij hen. ils jouent à l'école, zij spelen schooltje. si fort, zoo hard (sterk). allons voir _un peu_, laat ons _eens_ kijken (lett.: een beetje). ils se lèvent, zij staan op. pour aller voir les enfants, om naar de kinderen (te gaan) kijken. ils s'arrêtent, zij blijven staan. ils écoutent, zij luisteren. ils entendent, zij hooren. le chant est si gai, het liedje is zoo vroolijk. doucement, zachtjes. ils s'arrêtent _de_, zij houden op _met_. ils ne disent plus rien, zij zeggen niets meer.

XII.

Avoir besoin de, behoeven (lett.: noodig hebben). qu'est-ce qu'il y a donc, wat is er toch? ils éclatent de rire, zij barsten in lachen uit. eh bien! wel! qui est-ce, wie is dat? il faut que Paul chante, Paul moet zingen. je n'y comprends rien, ik begrijp er niets van. en voilà un beau docteur, dat is ook een mooie dokter. la ficelle glissait _tout le het touwtje gleed _telkens_ (_aldoor_) temps_, uit (lett.: den heelen tijd). _j'ai mis_ la ficelle, ik _heb_ het touwtje _gebonden_ (letterlijk: heb gelegd). un _drôle de_ docteur, een _gekke_ dokter. arracher une dent, een kies (of tand) uittrekken. au lieu de, in plaats van. ça ne fait rien, dat hindert niets.

XIII.

Toute seule, heelemaal alleen. deux semaines après, veertien dagen (twee weken) later. Marie _en_ était très triste, Marie was _er_ zeer treurig _om_. Jean savait si bien, Jan kon zoo goed. voilà qu'il était _parti_, en nu was hij _weg_ (letterlijk: vertrokken). était assis, zat (lett.: was gezeten). Marie le sortit _de_ sa Marie nam hem _uit_ zijn stoel. chaise, elle le prit _par la main_, zij nam hem _bij de hand_. se promener, wandelen. sage, zoet (letterlijk: wijs). elle _va conduire_ Paul à zij _gaat brengen_ (lett.: geleiden), l'école, hier, zij brengt. il faut qu'il apprenne à, hij moet leeren. calculer, rekenen. elle sonne au bouton de zij schelt aan den deurkruk. la porte, je viens conduire, ik kom brengen. mais _d'un ton_ plus bas, maar _op een_ lager _toon_. le voici, hier is hij. il faut qu'il devienne, hij moet worden. je m'en vais, ik ga heen. elle _pose_ Paul _par terre_, zij _zet_ Paul _op den grond_. un coin, een hoek. elle s'en va, zij gaat heen.

XIV.

Jour de classe, schooldag. aujourd'hui, vandaag. suspendu, opgehangen. le capuchon, de cape (mantel). le béret, de muts. le portemanteau, de kapstok. d'autres nouveaux, andere nieuwelingen. il y _en_ a, er zijn _er_. tous ont l'air timides, allen zien er verlegen uit. quel âge avez-vous, hoe oud ben je? (lett.: welken leeftijd hebt ge?) en regardant, terwijl hij aankijkt (letterlijk: aankijkende). j'ai six ans, ik ben (lett.: ik heb) zes jaar. comment vous appelez-vous, hoe heet je? vous savez faire de la je kunt muziek maken. musique, sans doute, zeker, stellig (letterlijk: zonder twijfel). mais oui, welzeker. jouer _de_ la harpe, _op_ de harp spelen. très joliment, heel mooi. une jolie chanson, een mooi liedje. sa petite voix tremblait, zijn stemmetje beefde. pourtant, toch (evenwel). écoutez seulement, luister maar. il leva le doigt, hij stak den vinger op. commencez, begin. il récita, hij zei op. c'est tout, is dat alles? (lett.: dat is alles?) cette belle poésie, dat mooie versje. une poésie sur Pierre, een versje over Pieter. s'amusait, had pret (letterlijk: vermaakte zich). en rentrant, toen hij thuis kwam (letterlijk: thuis komende). _tant_ il s'était amusé, _zooveel_ pret had hij gehad. je _te_ la réciterai, ik zal het _voor u_ opzeggen.

XV.

Qu'est-ce que, wat. promis, beloofd. très bête, zeer of erg dom. quelque chose, iets. travaillé en classe, gewerkt in de school. Paul se taisait, Paul zweeg. toujours, aldoor (letterlijk: altijd). elle allait le prendre, zij wilde (letterlijk: ging) hem pakken. _par_ le bras, _bij_ den arm. secouer, schudden. elle se rappela, zij herinnerde zich. qu'il _n_'avait _qu_'un bon dat hij _maar_ één goeden arm had. bras, le gronda, beknorde hem. seulement, alleen maar. heureusement, gelukkig. la porte s'ouvrit, de deur ging open (lett.: opende zich). _ton_ petit Paul _à toi_, _jouw_ kleine Paul. je veux bien, graag (lett.: ik wil wel). de toutes leurs oreilles, met beide ooren (lett.: met al hun ooren). Louis déclama, Louis zei op. a doré, heeft verguld. s'éveille, wordt wakker. joyeux, vroolijk. il quitte, hij verlaat. sans peine, zonder moeite. son oreiller, zijn kussen (van oreille = oor; een canapé-kussen = un coussin). soyeux, zacht (lett.: zijdeachtig; soie = zijde). au plus vite, heel vlug (zoo gauw mogelijk). il fait sa toilette, hij wascht en kleedt zich. le teint _vermeil_, de _roode_ gelaatskleur. surtout, vooral. de sa peau bien nette, van zijn zindelijke (reine) huid. les jeux, de spelen. au grand soleil, in de volle zon. parfois, somtijds. amère, bitter. le savoir, het weten.

XVI.

Quelques jours après, eenige dagen later. il savait, hij kende (lett.: wist). il savait la réciter, hij kon het opzeggen. bien content, heel blij. la lumière, het licht. _déjà_ luit, schijnt _al_. hors du lit, het bed uit. claironne, kraait. résonne, weerklinkt. réveillez-vous, wordt wakker. le second couplet, het tweede versje. c'est ça, dat is goed. poursuivit, ging voort. lève-toi, sta op. notre chèvre, onze geit. bêle, blaat. t'appelle, roept je. sans attendre, zonder te wachten op. la réponse, het antwoord. le petit air, het wijsje. suivant, volgende.

XVII.

Quel vent désagréable! Wat 'n nare wind! _quel_ vilain temps, _wat een_ leelijk weer. il pleuvait, het regende. il faisait du vent, het woei. un vrai temps de novembre, echt Novemberweer. chassait, joeg. la figure, het gelaat. Jean devait _aller_ en Jan moest naar school (_gaan_). classe, naturellement, natuurlijk. il ne voulait pas, hij wilde niet. ensemble, samen. Jean _a_ trop _peur_, Jan _is_ veel te _bang_. quelque chose de nouveau, iets nieuws. il serait _en retard_, hij zou _ten achter_ komen. comme dans la poésie, als in het liedje. il irait, hij zou gaan. le conduirait, zou hem brengen. Jean boutonna, Jan knoopte dicht. il tira, hij trok. par dessus ses oreilles, over zijn ooren. les voilà partis, daar gingen ze weg. bras dessus, bras dessous, gearmd (letterlijk: arm boven, arm onder). _tant qu_'ils étaient, _zoolang_ zij waren. entre, tusschen. donc, dus. commode, gemakkelijk. poussait , voortduwde. le plaisir était _fini_, de pret was _uit_ (letterlijk: geëindigd). souffla, blies. d'un autre côté, van een anderen kant. comme si, alsof. à la fois, te gelijk. elle résolut de le fermer, zij besloot hem dicht te doen. trop tard, te laat. le voilà retourné, hij was omgekeerd. mouillait, maakte nat. tout à fait, heelemaal. presque, bijna. arracher _des_ mains, rukken _uit de_ handen. il essayait, hij probeerde. rabattre, neerslaan. en vain, vergeefs. un sergent de ville, een (politie) agent. il tint, hij (hield) pakte. _de_ l'autre côté, _aan_ den anderen kant. de sorte que, zoodat. le vent _lui-même_, de wind _zelf_. les baleines et l'étoffe, de baleinen en de stof. il rabattit, hij sloeg neer. mais _lui il_ ajouta, maar _hij_ (met nadruk) voegde erbij.

XVIII.

Délicieux, heerlijk, lekker. bientôt, gauw, spoedig. Rose retourna, Rosa keerde terug. il ne pleuvait plus, het regende niet meer. tranquille, kalm, rustig. le vent ne pouvait pas _y_ de wind kon _er_ niet binnenkomen. entrer, chaque fois, telkens (lett.: elken keer). essayait d'entrer, probeerde binnen te komen. il soulevait, hij lichtte op. les manteaux suspendus dans de mantels, die in de vestibule le vestibule, hingen. suspendu, (letterlijk: opgehangen). il retournait, hij sloeg om. les feuilles des livres, de bladen der boeken. on lui fermait vite la porte men deed gauw de deur _voor zijn_ _au_ nez, neus dicht. rester dehors, buiten blijven. chasser, jagen. taquiner, plagen. autant que, zooveel als. _c'est ce qu_'il faisait, _dat_ deed hij. _par dessus_ les toits, _over_ de daken. il les attrapait, hij pakte ze. la cime, de top. penchait à droite et à boog naar rechts en links. gauche, les branches craquaient, de takken kraakten. les feuilles mortes, de dorre (letterlijk: doode) bladeren. s'envolaient, vlogen. partout, overal heen. elles ne savaient pas où zij wisten niet, waar ze heen zouden aller, gaan (letterlijk: waar te gaan). frayeur, angst. pour les attraper _au vol_, om ze _in de vlucht_ te vangen.

XIX.

Les saisons, de jaargetijden. s'amusaient beaucoup, hadden veel pret. bien des feuilles, heel veel blàren. ils montraient, zij lieten zien. nous sommes _en automne_, we zijn _in den herfst_. _c'est ce que_ les enfants _dat_ wisten de kinderen. savaient, mettez-vous sur le petit ga op het bankje staan. banc, monta, klom. le printemps, de lente (het voorjaar). l'été, de zomer. l'automne, de herfst. l'hiver, de winter. pas non plus, ook niet. _en_ été, _in den_ zomer. il faisait chaud, het was warm. _en_ hiver, _in den_ winter. il faisait froid, het was koud. _au_ printemps, _in het_ voorjaar. elles tombaient, zij vielen af. quelle saison aimez-vous van welk jaargetijde houd je _le mieux_, _het meest_? il poursuivit, hij vervolgde. _vous_ trouvez ça amusant _jij_ vindt dat prettig! (jij met _vous_, klem). se dit, dacht (lett.: zei) bij zichzelf. il _avait_ bien _raison_, hij _had_ wel _gelijk_.

XX.

_A_ la fenêtre, _voor_ het raam. elle aussi, haar ook. s'envolaient, vlogen weg. parfois même, soms zelfs. ce cycliste, die fietser. il pédalait, hij trapte (fietste). avancer, vooruit komen. là bas, daar gindsch. mince, dun. elle _avait l'air_ d'avoir zij _leek_ het koud te hebben. froid, elle avait l'air, letterlijk: zij had het uiterlijk. se chauffer, zich warmen. appelle-la donc, roep haar maar. elle frappa _à_ la vitre, zij tikte _tegen_ de ruit. frappe _un peu_ plus fort, tik _wat_ harder. enfin, eindelijk. Marie lui _fit signe des_ Marie _wenkte_ haar _met_ beide deux mains, handen. la fillette, het meisje. la poitrine, de borst. cela voulait dire, dat wilde zeggen. _c'est moi que_ vous appelez, roep je mij? (_ik ben het die_) elle s'approcha enfin de la zij kwam eindelijk bij het raam. fenêtre, d'ouvrir la porte, de deur te openen. la chambre bien chauffée, de goed verwarmde kamer. demanda, vroeg. comment va ta mère, hoe maakt je moeder het? (hoe gaat het met je moeder?) va-t-elle mieux, gaat het beter met haar? étonnée, verwonderd. connaissait, kende. ce n'était pas _étonnant_, dat was geen _wonder_. étonnant, letterlijk: verwonderend. arranger, in orde brengen.

XXI.

Voilà plus d'un an que la de moeder was nu al meer dan een jaar mère était malade, ziek. elle était couchée, zij lag te bed. elle se levait pendant stond ze een uurtje op (letterlijk: une heure, gedurende of voor een uur). elle cousait, zij naaide. c'était tout, dat was alles. voilà pourquoi, dat was de reden waarom. faire le ménage, de huishouding doen. aider, helpen. elle _n_'avait _que_ huit zij was _maar_ acht jaar. ans, elle avait été voir, zij had bezocht (letterlijk: zij was geweest te zien). apporter, brengen. des fortifiants, versterkende middelen. je dois aller à l'école, ik moet naar school. les classes commencent, de school (letterlijk: de klassen) begint. Jean est déjà parti, Jan is al weg (letterlijk: vertrokken). j'ai dû retourner _chez ik moest terug (letterlijk: ik heb nous_, moeten terugkeeren) _naar huis_. pour en mettre une autre, om een andere aan te trekken. c'était dommage, dat was jammer. et _voilà que_ Ninette, en _nu_ moest N. il faisait si froid, het was zoo koud. elle rougit, zij kreeg een kleur (letterlijk: zij kleurde). dis au revoir, zeg goedendag (letterlijk: tot weerziens). ta nouvelle petite amie, je nieuw vriendinnetje. qui avait bu, die opgedronken had. partit à l'école, ging (letterlijk: vertrok) naar school. tu reviendras, je zult terugkomen of je komt terug. n'est-ce pas, is 't niet?

XXII.

Marie l'avait vue partir, Marie had haar zien vertrekken. elle avait bien entendu zij had wel hooren spreken. parler, ce que c'était, wat dit was. il y avait, er (was) waren. qui faisait les lits, wie maakte de bedden op? qui faisait la cuisine, wie kookte? c'était trop drôle, dat was te gek. quand on a besoin d'un als men een mantel noodig heeft. manteau, une boutique, een winkel. pour _en_ acheter _un_, om _er een_ te koopen. apporter, brengen. une boîte, een doos. on les essaye, men past ze aan. papa paye, papa betaalt. on achète, men koopt. chérie, lieveling. pourquoi? ou: pourquoi pas? waarom _niet_? parce que, omdat. cela coûte-t-il cher, kost dat veel? (letterlijk: duur). c'est ça, goed zoo. pour causer avec Rose _du_ om met Rosa te praten _over het_ dîner, middagmaal.

XXIII.