Zuid-Tirol De Aarde en haar Volken, 1907

Chapter 3

Chapter 33,844 wordsPublic domain

Bij het verlaten van Paneveggio een laatste blik op de Cimone della Pala en de Cima di Vezzana; dan langs een goed beschaduwd bergpad, aanvankelijk tamelijk vlak, maar ten laatste zeer steil naar den Lucia-pas. Hier vindt men twee herbergen; de eene is reeds gesloten en in verval, de tweede scheen mij toe neiging te hebben om dat voorbeeld te volgen. Maar met die herbergen houden we ons maar weinig op, om des te meer aandacht te wijden aan het heerlijke uitzicht; nog eens de Dolomieten van Primör, verderaf voor het eerst de Rosengarten; en daarachter nog even met flauwe lijnen zichtbaar de Oetztaler Alpen; deze groepen houdt men bij het afdalen voor zich, doch het pad biedt overigens weinig afwisseling aan; het kronkelt van de eene berghelling op de andere, is soms beschaduwd, maar geeft ten laatste niets dan helle zon. Het was dus eene welkome verrassing eindelijk Moena te zien liggen; nog eene korte wandeling op den straatweg langs eene wild bruisende rivier en dan het marktplein van Moena, een schilderachtige plek, maar zoo warm dat ik blijde was de Albergo Alpino in de onmiddellijke nabijheid te vinden. In dat afgelegen oord woonde ik de eenvoudige oplossing bij van een zeer ingewikkeld vraagstuk; na het eten, onder het rooken eener sigaar nog wat vertoevende, zag ik eerst eenige militairen en douanenbeambten de gelagkamer binnentreden, kort daarop door een geestelijke gevolgd. Aanvankelijk wilde het gesprek tusschen die heeren niet vlotten, maar bij het tweede en derde glas bier ging dat al beter; een tweede geestelijke trad binnen; bij het vierde glas levendige gedachtenwisseling en groot verschil van meening; bij het vijfde glas dezelfde levendigheid maar volkomen overeenstemming,--de wereldlijke en geestelijke machten waren tot eensgezindheid gekomen! 't Speet me toen, dat ik reeds een glas Tiroler special-wijn had gedronken, anders had ik me bij ervaring kunnen overtuigen van de bewonderenswaardige uitwerking van dat bier. Hoe 't verder is gegaan weet ik niet, want de tijd maande tot opstappen, en ik had nog eene flinke wandeling tot Vigo. Daar kwam ik het beroemde dolomietendal in, in zijne volle lengte doorstroomd door de Aviso.

't Was wel wat warm, maar 't was toch een prettige wandeling. Aan de linkerhand had ik nu de voornaamste Dolomietenketen, den Rothwant en den Rosengarten; vooruit de statige vormen van den Langkofel, helder uitkomend tegen de blauwe lucht; rechts eene reeks van dichtbegroeide bergen. Het dal werd steeds ruimer; de weg was goed en het uitzicht steeds prachtiger, zoodat de milde zon vergeten werd en 't nog maar kort geleden scheen toen de hoogte, waarop Vigo ligt, links voor mij lag. Nog wat klimmen en het dorp was bereikt, 't Was mij bekend dat te Vigo een duitsch en een italiaansch hotel was, maar daar Baedeker geen van beiden met een sterretje vereerde, was ik weifelend welk te kiezen, toen er iets gebeurde wat mij ten platten lande nog nooit overkomen is. Een heer aan den ingang van het dorp sprak me vriendelijk aan en deelde 't een en ander over Vigo en zijne omstreken mede; hij eindigde zijne toespraak met de verklaring, dat ik, als volkomen vreemd, niet beter kon doen dan in het hotel Corona te gaan,--dat was het italiaansche. Zijn raad werd opgevolgd en bleek goed te zijn. In den loop van den avond zag ik denzelfden persoon in de veranda van het hotel verschijnen en hem na een kort gesprek een glas bier voorzetten,--waarschijnlijk zijne eerlijk verdiende provisie voor het aanbrengen van een gast.

Vigo is een aardig middenpnnt voor bergtochten in den omtrek, maar op zichzelf een onbeteekenend dorp. De reiziger, die herstelling noodig heeft aan zijne kleederen, moet er op rekenen een paar uur op zijne kamer te moeten blijven, want kleermaker of schoenmaker zijn daar niet; die wonen in een verderop gelegen dorp, en de reparatuur moet heen en weêr gebracht worden.

't Was erg gezellig in die veranda van de Corona, maar vroeg naar bed was de leus. De volgende dag toch was bestemd voor een zeer inspannenden bergtocht. Ik wilde van Vigo over de Vajolethütte en het Tierser Alpenjoch naar het Seiser-Alpenhaus. Deze tocht zou van de gansche reis het neusje van den zalm zijn; 't was prachtiger en merkwaardiger dan alles wat ik tot nog toe gezien had.

Welgemoed toog ik met den gids op weg; 't was een gezellige prater; Van de Water zouden wij hem hier genoemd hebben; daar heette hij Dall Acqua.

Eerst een paar kronkelwegjes door het dorp en toen langs een slingerpad tamelijk steil den berg op. Die klim van ongeveer twee uur in de volle zon, was eene zware inspanning, die echter wat mij aanging spoedig vergeten was bij het niet te beschrijven heerlijke uitzicht, dat men van den top van den Ciampedie geniet. De hoog opstaande rotsen, aan drie kanten om ons heen, waren zoo helder door de zon verlicht, dat zij, zonder nog den indruk van sneeuw te geven, helder tegen de blauwe lucht afstaken; het waren zonder uitzondering dolomieten van de echte soort. Omlaag vooruit het wilde Vajoletdal. De waardin der alpenhut had heerlijke koele dranken, en in de schaduw van het huis kon men naar hartelust van het wondervolle uitzicht genieten. Links tegen de berghelling, als een wit vlekje, de Vajolethut, dan de langzaam oploopende Mongrinigroep, op wier kam de rotsen als lage bouwvallen van vestingwerken troonden. Dan in de grilligste vormen de Rosengarten; de vreemdste rotsvormen, ook een op zich zelf staande hooge zuil, met eenigszins overhangenden top, de Delagospitsen, dan als een kraaiennest tegen eene vervaarlijke rots rustende, de Vajolethut; de Winkler; de Stabela; verder op de Larsekgroep, wier diep gekloofde wanden een allerbekoorlijkst licht en schaduwspel deden ontstaan. Weer wat verder schoot de krachtige Langkofel omhoog, en daarnaast de Sellagroep, die gekroond werd door de fraaie lijnen van de met sneeuw bedekte Marmolata. 't Was ongeveer al de pracht en de heerlijkheid van het dolomietenland, die daar met een oogopslag te overzien waren.

De waardin in de alpenhut, praatgraag als velen, deelde mede dat er den vorigen dag bij het bestijgen van de bovenvermelde rotszuil een treurig ongeluk gebeurd was. Een reiziger was met zijn gids goed en wel boven gekomen; toen zij zich gereed maakten om af te dalen, dikwijls en ook hier het moeilijkste deel van het werk, was de gids vooraan gegaan langs een touw, om dit beneden te spannen en zoodoende den reiziger het afdalen gemakkelijk te maken. Maar het ongeluk wilde dat het touw oversloeg en op een scherpen rotskant kwam te liggen, die het, door het met rukken afdalen van den gids, doorsneed. De man stortte in de diepte en was zonder twijfel dadelijk dood; men had hem dan ook des avonds reeds te Vigo thuis gebracht. De reiziger was door anderen, op zijn hulpgeblaas--de echte bergbeklimmers hebben daartoe altijd een hoorn bij zich--toegesneld, omlaag geholpen, maar vertoefde nog in de Vajolethut, omdat hij zoo ontsteld was door dat ongeluk, dat hij nu zelfs den betrekkelijk gemakkelijken weg niet meer omlaag durfde.

Dit geval was zeer treurig en een bewijs, dat zelfs de meest geoefenden bij dat werk, wel eens falen kunnen,--maar dit soort van bergbeklimmen ligt reeds sinds eenige jaren boven mijne krachten, en daarom sloeg ik er verder ook geen acht op. Maar ik had een reismakker, die reeds zonder dergelijke verhalen niet vrij was van duizeligheid op smalle bergpaden, en nu deed dit bij hem den beker overloopen. Toen we ons gereed maakten om op te breken en nog meer heerlijkheden te gaan aanschouwen, verklaarde hij al spoedig het verder klimmen op te geven. Loyaal liet hij mij de vrijheid, alleen met den gids verder te gaan, maar hij zag er zelf van af. Daar stond ik nu; ik zag het beloofde land en zou het niet betreden, want na eene korte aarzeling besloot ik den oud-vaderlandschen regel: samen uit, samen thuis te volgen, en we keerden dapper te zamen naar Vigo terug. Nog even een terugblik, want 't was toch wel pijnlijk: ik zou nu den mooisten dolomietenberg, den Schlern, niet beklimmen!

Na ons in Vigo wat verfrischt te hebben, werd eene andere reisroute opgemaakt, en de reis naar de Karersee aanvaard. Zij had weinig bizonders, alleen links een mooi uitzicht op de bergwanden van het Luciadal, die we den vorigen dag afgedaald waren en westelijk, flauw in de verte, de Oertler en Oetzthaler Alpen. De Karerpas is eerder eene hoogvlakte; aan het einde biedt hij fraaie berggezichten op den Rothwand en den Latemar, en men vindt er drie uitstekende hotels: de Alpenrose, het Karerseehotel en het Hotel Latemar.

Ik koos het laatste, en was als voetreiziger spoedig in de hanebalken ingekwartierd, 't Was overigens een keurig hotel en men was vol oplettendheid voor de gasten. Later maakte ik er het bureau opmerkzaam op, dat men eene fout had begaan. Ik was tevreden met mijne kamer, maar het zou, meende ik, verstandiger zijn geweest, indien men mij bij aankomst gevraagd had, of ik in de toeristenafdeeling wenschte te logeeren of niet; dan was de keus aan mij geweest en waarschijnlijk het voordeel aan hunne zijde.

Na rust, verfrissching en een goed middagmaal togen we er op uit, om de Karersee te zoeken. Wegwijzers met duidelijke aanwijzingen maakten dit zeer gemakkelijk. Het voetpad liep door een bosch met hoog hout, doorkruist met tal van beekjes, die men aan alle kanten hoort murmelen. Diepe schaduw en volkomen stilte. Bij een bocht raakte het pad den zoom van het woud, en daar had ik nog een pijnlijk oogenblik--we zagen den Schlern voor ons liggen!

Na eenigen tijd komt men op den straatweg en ziet het Karersee-hotel liggen, een prachtig gebouw in een sierlijken aanleg. Alles wat de nieuwere reiswereld voortreffelijks heeft, wordt daar aangeboden: telegraaf, telefoon, allerlei soort van baden, rijtuigen, rijpaarden en auto's ter keuze. Die snuivende, stinkende dingen maakten in die omgeving geen prettigen indruk. Een kwartier voorbij het hotel komt men aan de Karersee, een klein waterbekken, waar men 's avonds en 's morgens vroeg de heerlijkste spiegelingen van de omliggende bosschen en bergen heeft. Het was mooi, en toch, dat grootsteedsch gedoe was per slot van rekening in tegenspraak met de omgeving, en ofschoon de hotels mooi gebouwd zijn en heerlijk liggen, en ofschoon de Karersee niet onaardig is, komt het mij toch voor, dat voor deze punten te groote reclame gemaakt wordt. De reclame dient hier om de hotels bezoekers te bezorgen en vooral om ze als zomerverblijf in aanmerking te doen komen; maar zooals veel reclame zondigt zij niet zoozeer door onwaarheid, als wel door groote overdrijving. Het was een genot uit al die groote drukte rondom het meertje weer terug te zijn in het bosch met zijn frissche, kabbelende beekjes, en dezelfde wandeling nog eens terug te maken.

Mij dunkt, de roep der meren in dit gedeelte van Tirol is wat overdreven. De ligging is gewoonlijk aardig; sommigen geven prachtige spiegelbeelden van de omliggende bergen, maar ze zijn klein. De Alleghe See was mij het aangenaamste. Waarschijnlijk is de indruk bij de vreemdelingen zoo sterk, omdat het land over 't algemeen arm aan water is.

Het ging nu den volgenden morgen zeer vroeg het Eggenthal in, in de richting van Bozen. De morgen was nog frisch, maar de zon beloofde reeds wat voor den dag. De Karersee--de weg liep er langs--was in den vroegen morgen al niet veel beter dan op den middag. De weg kronkelde langs de berghellingen omlaag, verder van tijd tot tijd de schaduw van hoog hout. Achterwaarts kon ik een afscheidsblik op den Rosengarten en de Latemargroep werpen. Rechts stak van tijd tot tijd de Schlern zijne klippen omhoog, en vooruit vertoonden zich, heel in de verte de sneeuwkoppen van de Oertler alpen, die ik voor drie jaar, op eene voetreis door Grauwbunderland, beklommen had. Frissche wilde beken stortten hier en daar van de bergen neer; in de weiden was veel vee, en de schilderachtige houtzaagmolens gaven van tijd tot tijd een aangenaam rustpunt aan het oog, vermoeid van het rondzien in de groote ruimte van het dal.

Welschnofen is de eerste plaats die men doorkomt, een aardig gelegen dorp, waar tal van kleine hotels gelegenheid tot zomerblijf aanbieden; ze waren alle goed bezet. In het Kreuz-hotel nam ik eene korte rust en een landelijk ontbijt. De zon begon te braden; er was een oude weg, die door het dorp, en verder door bosch en kreupelhout, dat eenige schaduw gaf, voerde en die later weder op den straatweg uitkwam. De zon steeg hooger en hooger; en daar er geen wind was, werd de hitte ondragelijk. Het stof warrelde op voor de voeten en kwam warm op aangezicht en handen neêr. Tegen mijne gewoonte was ik genoodzaakt onder de boomen rust en wat koelte te zoeken; maar--de weg moest toch afgelegd worden. Bijna twee uur na het verlaten van Welschnofen, bereikte ik het onaanzienlijke dorp Bernabrück; al maar verder; een paar uur later een bord langs den weg, waarop een kastelein aankondigde, dat hij altijd versche forellen kon opdienen, met keur van frissche wijnen en bier van het vat! Al maar verder, door de brandende zon, op den gloeienden weg. Eene bergbeek die mij gezelschap kwam houden, was nog te ver beneden den weg, om verfrissching te kunnen aanbrengen. Eene herberg met eene inrichting waarvoor ik die menschen toen onuitsprekelijk dankbaar was. Zij hadden daar nl. den straatweg en eene ruimte naast het huis overdekt met planken, flink hoog; dit keerde zon en licht en gaf een weinig tocht; wel eene kunstmatige maar toch eene heerlijke oase. De waardin had al hare tafeltjes met bloemen versierd; toch was dit de ware plaats nog niet; de man van de versche forellen woonde nog verder. Al maar voort! een frissche watermolen en eindelijk de herberg Zum Wasserfall. Daar nam ik rust; het was op 22 kilometer van de Karersee en nog 11 kilometer van Bozen.

De man had ook eene rustplaats voor zijn huis, maar niet overdekt en dus veel te warm. Op raad van eene vriendelijke dienstdoende werd dus plaats genomen in de eetzaal. Eenige daar aanwezige gasten hadden zich allen naar de heerschende temperatuur gekleed, of liever gezegd, de heeren hadden alles af- en uitgedaan, wat men zoo in het openbaar maar verwijderen kon, en de dames hadden dat voorbeeld gevolgd, zoodat zij voor 't meerendeel in groot gala schenen.

De forellen waren aanwezig in een vijver naast de eetzaal en werden op bestelling gevangen. Arme beesten! 't Was hun waarschijnlijk ook te warm om veel pogingen tot ontsnappen te doen. Een eenvoudig goed maal met forellen en nog wat, en een glas lichte koele wijn, deden het hunne om de rust tot eene hoogst aangename te maken. De wandeling werd daarna hervat; het dal werd eng maar de beek, die reeds lang den straatweg gevolgd had, had in kracht gewonnen en bracht nu althans eenige verfrissching aan, dubbel noodig, want het dal werd steeds enger en werd nu eene reusachtige kloof aan weêrszijde begrensd door hooge, steile porphier-wanden. De rotspartijen waren ontzettend stout, en de Karneidbach stroomde er dartelend in de grilligste wendingen en met de stoutste sprongen door. Verscheidene tunnels geven nog wat schaduw en wat koelte; bij den uitgang van een dier tunnels een flinke waterval. Voor de liefhebbers was een brugje over den stroom geslagen, van waar men den val nog beter kon zien. Ik was te loom om op dat brugje te klimmen. De zon stond nu bijna loodrecht boven de kloof, er was geen schaduw meer. Een heerlijk uitzicht op het kasteel Karneid, een in den oorspronkelijken oud-duitschen stijl gerestaureerd kasteel, dat boven op een der rotswanden liggende, indertijd blijkbaar gebouwd was om de toegangen tot de kloof te beheerschen,--was ter nauwernood in staat om mij uit den dommel te wekken, waarin ik langzamerhand geraakt was. Een dorpje Kardaun, en een station! De dienstregeling wees aan, dat na een kwartier wachtens een trein zoude passeeren, die te Waidbrück stopte. Waidbrück zou de plaats zijn geweest waar de voorgenomen tocht over de Vajolethut en den Schlern mij gebracht zoude hebben, en waar de koffer stond!

Het station Kardaun lag óók al in de volle zon, en het was alsof de laatste dag mijner voetreis met gloeiende stralen in mijn geheugen geprent moest worden. Vreeselijke ironie,--te Waidbrück zoude ik in de Zon logeeren! Maar gelukkig lag die Zon in de schaduw, en het eigenaardig ingericht hotel was juist geschikt voor dat weêr. Het hoofdgebouw bevatte de slaapkamers, was niet hoog en lag onder zware boomen; de vertrekken waren dien ten gevolge koel. De eet- en conversatiezalen waren aan de overzijde van de straat, iets achteruit gebouwd, en bij eene warmte als toen, zaten de gasten allen aan tafeltjes op dat pleintje en op de straat. Kwam er een wagen of rijtuig voorbij, dan stond men maar op en zette zijn tafeltje wat op zijde, om de noodige ruimte te maken.

Waidbrück is een aardig gelegen, onregelmatig gebouwd dorp aan de Eisak. De huizen langs den stationsweg liggen in tuinen en zijn zelf met bloemen versierd en bovendien met meer of min geslaagde muurschilderingen bedekt; vooral het hotel de Zon muntte uit door bonten tooi.

De avond werd intusschen aangenaam op de straat doorgebracht. Men had mij al dikwijls, wanneer ik om warm eten vroeg, Kaiserfleisch aangeboden; veiligheidshalve had ik echter tot nu toe aan meer bekende gerechten de voorkeur gegeven. Nu scheen het wel boven aan te staan, en ik wilde Tirol niet verlaten, voor dat ik met dien schotel kennis had gemaakt. Het Kaiserfleisch kwam en bleek te bestaan uit gekookt mager varkensvleesch, waarbij eene goede portie zuurkool toegediend werd. Een vreemd gerecht in die warme zomerdagen, maar 't smaakte goed, naar ik ook den spraakzamen waard op zijne vraag mededeelde. De man vertelde me onder veel meer ook nog, dat het dien dag daar ook zoo onmenschelijk heet geweest was, zeker wel de warmste dag van het jaar. Eene ware opluchting, want onder al het uitgestane had de vrees mij bekropen, dat niet de warmte zoo overweldigend geweest was, maar dat mijn weerstandsvermogen te kort schoot, eene onaangename gedachte voor een voetreiziger van zeer rijpen leeftijd. Des avonds maakte ik nog eene slenterwandeling door het dorp en had ik nog een aardig kijkje op het slot Trostburg, dat heel hoog op de bergen ligt. Den volgenden morgen nog eene frissche wandeling langs de Eisak, en toen in den trein.

Het ging in eens door tot Innsbrück, waar in het station juist tijd genoeg was om een goed en vlug gediend middagmaal te gebruiken, en toen weer verder doorgespoord naar Bregenz. Ik had het meer van Constanz nog nooit gezien en wenschte daar op de terugreis kennis mede te maken. Des avonds tegen 7 uur kwam ik in het hotel Montfort te Bregenz aan. In den tuin van het hotel gebruikte ik het avondmaal en ging toen eene wandeling door de stad en langs het meer maken, en dat te eer, omdat ik onder tafel had hooren rondbellen, dat de Vereeniging voor Volksvermaken dien avond een groot concert gaf in de promenade, met giorno-verlichting.

Het was reeds avond toen ik door eene smalle kastanjelaan het meer naderde, om bij eene buiging van den weg de zon heerlijk boven het meer te zien ondergaan, met eene vreemde maar allerprachtigste weêrspiegeling in het water. De watervlakte was bladstil, maar in de verte voorbijvarende stoombooten veroorzaakten eene lichte deining, die het zonnebeeld op allervreemdste wijze onderbrak. Er loopt, zoo ver de stad en eene vooruitspringende landtong gaan, eene goed geplaveide kade om het meer; er waren tal van visschers en wandelaars en tal van soldaten en officieren vertegenwoordigden in verschillende uniformen het oostenrijksche garnizoen.

De promenaden der stad, een zeer sierlijke en goed beplante aanleg, waren over een gedeelte afgezet met koorden, en om de afgezette ruimte, waar een uitstekend orkest speelde, te betreden, betaalde men 10 cents. Die avond aan het meer was uiterst genotvol. Ik genoot op eene bank vlak aan het water van de muziek. Links van mij was de open watervlakte eenigszins verlicht; vooruit en rechts was alles zwart en donker door de weerspiegeling van hooge met bosch begroeide bergwanden. Tal van roeibootjes bewogen zich zachtjes op 't water heen en weer, allen met een roode lantaarn voorop, die wanneer de bootjes zich verwijderden en men het plassen der roeispanen niet meer hoorde, den indruk gaven van zwevende lichten, van ronddwarrelende gloei-kevers. Het talrijke publiek was zeer kalm; zweeg de muziek, dan hoorde men weinig meer dan het kabbelen van eene doorkomende deining tegen den kaaimuur. Daar togen eenige sloepen onder vol zeil de bocht uit, en manoeuvreerden sierlijk om elkander henen, naar buiten in het verlichte deel van het meer, kalm en statig, want er was bijna geen wind. Slechts nu en dan een zuchtje. 't Trok de aandacht, dat die door elkaar dwarrelende sloepen op een gegeven oogenblik allen terugkeerden; en toen zij in het donkere water kwamen, ontstaken zij achtereenvolgens juist genoeg bengaalsch vuur om het eigen tuig te belichten, zonder verder licht te verspreiden. Een heerlijk gezicht, die sterk rood en wit gekleurde zeilen in die geheel donkere omgeving, altijd in beweging en steeds in de diepste stilte. De muziek speelde lang, en in de pauzen telkens zoo'n lichtfeest op het water--geen wonder dat ik tot aan het einde bleef en eerst laat in het hotel terugkeerde. Het was een onvergetelijke avond daar te Bregenz aan de Bodensee!

Den volgenden ochtend vroeg weer naar de haven, om met de boot naar Constanz te varen. Weder een zonnige dag; we voeren langs de oostzijde van het meer en hadden een vriendelijk uitzicht op de vlakke landstreek met hare aardige dorpjes en steden; de westzijde had nu het scherpe zonlicht en verloor daardoor veel van het fraais, dat anders het berggezicht moet opleveren. Ik geloof dat het te Lindau was, waar we van boot moesten veranderen, zoodat we in Oostenrijk aan wal stapten en eenige schreden verder in Duitschland weer aan boord gingen. Het was bijna eene tooneelvoorstelling, zooals we door de eene douane gingen, een eind langs de haven kuierden en daar weer door eene andere douane moesten passeeren eer we aan boord konden gaan. De beambten hadden tegenover onze eenvoudige verklaring geen bezwaar en lieten alle reizigers ongemoeid door.

Tegen den middag kwam de boot te Constanz. Daar geeft men zijne bagage in het Zollamt in bewaring en gaat dan de stad in. Bij vertrek wordt de bagage onderzocht.

Constanz is een merkwaardig oud stadje, met veel bezienswaardige oude gevels; onder meer het raadhuis met eene schilderachtige binnenplaats.

De zeer nieuwe bouwstijl heeft zich in de aanbouw zijnde nieuwe stadswijken niet onbetuigd gelaten. Men duizelt van die afwijkende vormen, waarbij het schoone, naar het schijnt, vooral gezocht wordt in het zonderlinge. Eene wandeling langs den Rijn, die hier reeds met kracht verder stuwt, is zeer de moeite waard.

Te ongeveer drie uur verliet ik Constanz weer, na nog genoten te hebben van eene aubade aan een inspecteerend generaal, en na eene wandeling in den stadstuin, onder hoog opgaand geboomte aan den oever van het meer.