Zuid-Tirol De Aarde en haar Volken, 1907

Chapter 2

Chapter 23,760 wordsPublic domain

Nog eene fraaie wandeling berg op bracht mij op den Giau-pas; zoo'n laatste stijging na een marsch van eenige uren is altijd een zwaar werk, maar in dit geval werd het alweder ruimschoots beloond. De pas ligt tusschen twee tamelijk steil opgaande bergtoppen, de Punta di Zonia en de Monte Gusella, en biedt aan weêrszijden een wonderlijk mooi uitzicht. Ik rustte er langer dan noodig was, om te bekomen van het laatste klimmen en gaf me telkens weder over aan 't genot van het uitgebreide vergezicht, nu prachtig door de zon beschenen. Van af den Giau-pas gaat het steil omlaag in het Codalinga dal; het pad kronkelt sterk, waardoor men geniet van steeds wisselende vergezichten,--om na een uurtje gaans te komen aan de Refugio in Som la Cresse, eene woning op eene vooruitspringende rots gelegen, met een aardig terras, van waar men een heerlijk uitzicht op het beneden-gedeelte van het dal heeft.

Hier had ik de eerste moeielijkheden met het italiaansch, welke taal ik niet machtig ben; het was tijd om wat te gebruiken na den vermoeienden tocht, en de waardin bood mij van alles aan, waarvan ik niets verstond; eindelijk gebruikte zij een paar woorden gebroken duitsch, en ik begon te begrijpen dat ik soep met rijst en brood benevens boter en kaas zou krijgen. Ze had stellig alles in blikjes, want een goed kwartier later werd mij een prachtige erwtensoep voorgezet, dik gemaakt met rijst. Het smaakte voortreffelijk en 't brood met geurige boter en goede kaas, was een uitstekend nagerecht. Een paar werklieden die bezig waren het huis te herstellen en te vergrooten, trachtten mij blijkbaar met ingenomenheid in te wijden in de schoone omstreken der herberg,--maar ik begreep er niet veel van, en bespeurde van tijd tot tijd aan het kwalijk verholen lachen van mijn gids, dat mijn ja en neen wel eens verkeerd klopte. Van Som la Cresse voeren twee wegen naar Caprile; een over Selva omhoog, met een mooi uitzicht over het dal; een andere langs de hellingen van den Monte Paré, over een zeer schaduwrijk pad, langs en door Santa-Lucia; dezen laatsten weg verkoos mijn gids; bij Santa Lucia komt men op den straatweg, die zich rechts naar de Cordevole keert. Deze thans bijna droge rivier schijnt zeer te kunnen spoken; men was bezig herstellingen aan den weg te maken, en de breuken en gaten, die hier en daar geslagen waren, getuigden van grooter kracht, dan men van dat onnoozele beekje zoude verwachten. Links van den weg gingen de rotswanden steil omhoog; zij waren afgehouwen om den weg mogelijk te maken. In die afgehouwen wanden vertoonden zich zeer merkwaardige rotsvormen. Steenen banden, meerendeels van de zelfde lengte en dikte, waren allen krom gebogen en aan alle kanten door elkaar gewrongen, zoodat de vreemdste en ingewikkeldste figuren ontstonden. De zon ging weder schuil en de lucht werd erg betrokken toen we, de Cordevole overstekend, in Caprile aankwamen, waar de "Posta" eene bekende goede herberg is. Het logies was zeer eenvoudig maar toch voldoende; in de gelagkamer trof ik eenige duitsche toeristen, met wie ik een gezelligen avond doorbracht, waarbij het voortdurend misverstand over de namen der gerechten aan 't avondeten dikwijls aanleiding tot groote vroolijkheid gaf.

Den volgenden ochtend kon ik niet voldoende genieten van de fraaie ligging van Caprile met de Civettagroep als hoogen achtergrond. De lucht zat weêr vol regen; toch was de wandeling langs den oever der Cordevole een groot genot; de rivier, hoewel weinig water hebbende, kronkelde behaagziek door het dal; en gaf vooral een heerlijk landschapsbeeld, waar zij met een groote bocht aan de overzijde het dorp La Grazie naderde, dat door een eenvoudige groepeering van wit en geel gekalkte huizen, en eene aardige kerk met slanken toren, zijn naam alle eer aandeed.

Maar alles werd overtroffen toen ik het liefelijke Alleghe-meer naderde, voor ongeveer 150 jaar gevormd door eene instorting van den Monte Forca. De zon kwam door en verlichtte dat heerlijke landschap voor mij juist op het rechte oogenblik; ik liet me met een bootje overzetten, om een beter overzicht te hebben. De jongens die me overbrachten, waren zeer verbaasd toen ik hun een goede fooi beloofde, als zij langzaam roeiden. Dien blik op het dorpje Alleghe, aan den linkeroever en aan de uitmonding van het Val Lander gelegen, zal ik niet licht vergeten. Aan het zuid-einde van het meer gaat men over eene zware houten brug op den rechter oever der Cordevole over; daar is een kleine maar driftige waterval, die met het einde van het meer als haven, gebruikt wordt als drijfkracht van eene houtzagerij; men is daar tevens te midden van het zware bergpuin, dat den loop der rivier versperde en daardoor indertijd het meer deed ontstaan. Langs alle kanten heeft men de heerlijkste vergezichten.

't Gaat nu in het dal der Cordevole omlaag; meestal door weelderig kreupelhout, dat zich hier en daar tot bosch ontwikkelt; men volgt met groote bogen de kronkelende rivier; van tijd tot tijd goede kijkjes op bergen met sneeuwtoppen. Eenige huizen zijn de voorboden van het dorp Cencenighe; nog een houtzaagmolen, eene flinke houten brug over de rivier, en na een draai in den weg staat men op de marktplaats, waar, behalve de kerk, de herberg Stella het hoofdgebouw is. 't Was nu middag, en de zon wreekte zich over het lange schuilvinkje spelen; ik nam in de Stella mijn middagmaal en mijne middagrust. De waardin beklaagde mij omdat er zooveel "furiosa mousquito's" waren, en inderdaad die italiaansche insekten schenen verbitterd op den vreemdeling, en dreven mij te vroeg van daar.

Juist ging de kerk uit; er scheen een feestdag te zijn en er stonden ook allerlei kramen, waarin de meest uiteenloopende voorwerpen te koop werden geboden. Schilderachtig waren de kleederdrachten der vrouwen; ook wanneer ze, zooals gewoonlijk, niet in de eigenaardige landsdracht waren, hadden ze zich bont versierd met hoofddoeken met afhangende linten, en met kleine kleurige doekjes over de schouders. Elke persoon op zich zelf was nu niet zoo bijster smaakvol gekleed, maar de bonte menigte dooreen op het kleine marktplein, onder eene stralende zon, was aardig en vol leven. Het aangeknoopte gesprek met een paar jongelui wilde in 't geheel niet vlotten; we verstonden elkaar te weinig en gingen telkens weêr lachend uiteen.

Cencenighe ligt aan de samenvloeing van de Cordevole met hare zijrivier de Biois; deze gaat men over en bereikt spoedig Fac; het dal is daar enger geworden en er ligt overal veel bergpuin; aan het einde dezer wilde streek ligt het dorpje Listolade aan de uitmonding van twee dalen; de vallei wordt nu weêr breeder en ruimer, met een heerlijken plantengroei; de vrouwen waren aan het hooien en men scheen haast te hebben om den oogst binnen te brengen. Kleine kinderen werden met groote, zware hooibundels beladen, om die thuis te brengen.

Men komt Agordó langs een breeden straatweg binnen, en krijgt al dadelijk aan de linkerhand eene kerk, die met drie inderdaad fraaie marmeren beeldengroepen versierd is. Het opmerkelijke in deze groepen was, dat het blijkbaar oorspronkelijk grieksche en zeer wereldsche voorstellingen waren, die door enkele bijvoegsels maar ter nauwernood tot kerkversiering geschikt waren gemaakt, Voorbij de kerk komt men op een groot plein en staat spoedig onder eene arcade, die een deel uitmaakt van de Albergo â la Minière. Vreemde toegang: op herhaald bellen kreeg ik geen gehoor; dan maar binnengestapt in een groote ruimte; naakte muren met hier en daar wat ouden rommel in de hoeken opeengestapeld; een steenen trap op; nog eens, en toen eene kamer die er eenigszins bewoonbaar uitzag; deze binnen gegaan; nog niemand; eindelijk in eene tweede groote kamer eenige slordig gedekte tafels,--blijkbaar de eetzaal, en gelukkig eene bel.--Eene bedaagde dienstbode kwam te voorschijn; zij verstond mij niet; met enkele woorden en gebaren werd het haar duidelijk, dat ik logeeren wilde. Ik werd nog een trap hooger in een ruim slaapvertrek gelaten, met eenige oude meubels en een reusachtig bed er in; alles erg versleten, maar toch met eenige aanspraak op sierlijkheid.

Ter nauwernood was ik begonnen me wat gemakkelijk te maken, toen er weder een vrouw binnentrad, groot, geheel in het zwart gekleed, zwart haar, olijfachtige gelaatskleur, donkere oogen, eene krijschende stem, en een vuil servet over den arm. Dit bevallig schepsel praatte wat tegen mij, nam toen plotseling mijnen ransel en mijne schoenen op en wenkte me om mede te gaan. Met loome schreden volgde ik, onder onbegrepen protest; mijne bezittingen zag ik reeds in handen der reuzin boven op een wenteltrap verdwijnen; daarboven aan den vierden trap was een ruim portaal, waarop 11 deuren uitkwamen, en in een van deze verdween het geheimzinnige groote wezen. Later is mij verklaard, dat men overwogen had, dat de prachtkamer voor den eenvoudigen toerist te kostbaar zoude zijn, en men daarom eene goedkoopere aangewezen had. Ellendiger hotel heb ik nooit bezocht, en die zwarte reuzin, de spotvorm van een bevallig dienstmeisje, is tot het laatste oogenblik mijn schrik gebleven. Reizigers die Agordó bezoeken, zoude ik eerder het hotel Roma aanbevelen, al is het dan ook minder aangenaam gelegen.

Agordó is een aardig stadje; het groote plein is het glanspunt. De rij huizen waarvan de Albergo à la Minière met hare breede arcade deel uitmaakt, is een flink stadsdeel; de tweede zijde van het plein wordt geheel ingenomen door het thans onbewoonde paleis der familie Manzoni; de derde zijde is een groot nieuwerwetsch gebouw, gedeeltelijk ingenomen door belastingkantoren en gerechtsgebouwen en gedeeltelijk door groote zalen, voor feesten en openbare bijeenkomsten bestemd.

Er was dien avond feest in Agordó; het lid der kamer van afgevaardigden voor dat distrikt, een vermogend fabrikant, was eens uit Rome overgekomen om zijne staatkundige vrienden te ontmoeten. Men heeft daar voor de staatslieden eene zeer aangename wijze om die ontmoetingen te doen plaats grijpen. Elders wordt het welhaast gebruik, dat de kamerleden in hunne distrikten komen om zich te verantwoorden over hun spreken of zwijgen;--dit laatste een steeds minder voorkomend geval. Te Agordó gaat dat anders; de afgevaardigde laat zich daar huldigen; hij ontvangt deputatiën, die hij welwillend toespreekt; zit aan een maaltijd aan, hem door zijne kiezers aangeboden; ontvangt serenades, en--daarmede begon het belang dat ik bij al die zaken had,--al die plechtigheden grepen plaats aan de overzijde van het plein, en de muziek, die 't zonder twijfel tegen onze vermaarde dorps-harmonie afgelegd zou hebben, bleef op het plein doorspelen, 't Was een zoele avond en dat plein met zijne monumentale omgeving, zijne fakkelverlichting en rondom de statige lijnen der bergen die het stadje omringen, eene wel opgewekte maar niet luidruchtige menigte, 't was alles te zamen een inderdaad prettig geheel voor den vreemden bezoeker.

Den volgenden morgen meende ik vroegtijdig op te stappen, maar men verzuimde mij te wekken. 't Dienstdoend personeel uit het hôtel had ook de feesten van den afgevaardigde bediend; vandaar 's avonds groote verwarring en den volgenden morgen groote slaperigheid, waarin ik werd medegesleept; vandaar ook die vreemde ontvangst. Ik bleef nu te Agordó hangen tot den namiddag en aanvaardde toen de reis naar Primièro over den Cereda-pas, met het plan om dien tocht in twee gedeelten te doen en me op te houden waar 't mij 't beste toescheen. De wandeling bracht mij aanvankelijk weer den weg op waarlangs ik gekomen was; bij 't gehucht Buignac ging ik over de Cordevole en nam ik afscheid van deze bevallige reisgenoote.

Verder ging het steeds met groote slingers omhoog; de uitzichten op Agordó en zijne omgeving werden met elken stap fraaier; de Monte Agner vertoonde vreemde dolomietvormen, doorloopend tot de Croda Grande. 't Was niet alleen het drukkend warme weder, dat me aanhoudend deed verwijlen, want eiken en kastanjes gaven overvloedig schaduw, maar het dal van Agordó werd steeds mooier en mooier en het uitzicht telkens uitgestrekter. Een dorpje dook in het dichte groen op, en eenigszins van den weg af een groot steenen huis, met in groote letters Albergo Venezia. Dat zag er alles zoo vriendelijk uit, en ik was nu eenmaal uit het land der hotels in dat der albergo's overgegaan, dat ik maar besloot daar nachtkwartier te nemen. De eerste zomergast werd vriendelijk ontvangen; het was er eenvoudig maar huiselijk en zindelijk; de waardin bediende zelve en zette een keurig maal voor. Dat was wat anders dan dat eten te Agordó, gediend door die zwarte draak!

Na tafel werden eenige aanteekeningen gemaakt en daar op eens kletterde de regen tegen de ramen en rolde het onweer door de bergen. Gelukkig dat ik niet verder gegaan was, en nog gelukkiger dat het wel den ganschen nacht doorregende, maar dat de regen 's morgens vroeg ophield; de stof was verdwenen en onder de aangenaamste indrukken werd de wandeling hervat.

Hoewel een gids overbodig was, was deze tocht wat ingewikkelder, en moest met eenige zorg uitgezien worden naar de roode of blauwe teekens, die op rotsblokken, boomen, hekpalen of huizen waren aangebracht. Door een prachtig bosch en over bergpaden over de Aorine-pas naar Gosaldo; al verder door bosch en langs bergpaden; aan de overzijde van het dal ligt tusschen het geboomte het dorp Sagron,--naar het dorpje Miste; dit gedeelte van den weg is het moeilijkst te vinden wegens de vele uiteenloopende paden; maar men komt nu en dan menschen tegen, en op een op vragenden toon geuit "à la Miste?" krijgt men een vriendelijk "Si Signor", en is men op het verkeerde spoor, dan wordt met woorden en gebaren gaarne de goede weg gewezen.

Bij eene beek stapt men weder over de Oostenrijksche grenzen, om spoedig eene uitgestrekte weidevlakte te bereiken; dit is de Ceredapas. Tot hiertoe was de wandeling over hoog en laag een ongestoord genot; italiaansche grensjagers, bontgekleede vrouwen, die haar wasch in eene beek uitspoelden, en toen weder een gemoedelijke oostenrijksche grensjager, hadden het landschap aardig gestoffeerd. Op den Ceredapas kwam mij een schilderachtig groepje te gemoet. Een deftig aangekleede boer voorop, met eene reusachtige parapluie op den schouder; een ezel met pakjes beladen, gedreven door een guitigen jongen, een meisje van ongeveer 20 jaren met eene groote mand op den rug, waarin een plat rond vat met wijn. Dat vrachtje zal wel 30 kilo bedragen hebben, en daarmede was het meisje den berg opgeklommen! Ik bespreek dit gezelschapje niet alleen omdat het een opvallend groepje was in die omgeving, maar ook omdat het een type is. De baas droeg niets dan zijn parapluie; de jongen liet den ezel zijn vrachtje dragen; het meisje was het lastdier. Dat ziet men hier in allerlei vormen overal, en toch was dat meisje de meest ontwikkelde der drie; ze sprak aardig wat duitsch en drukte zich beschaafd uit.

't Ging nu weder berg af, aanvankelijk door weiden en laag hout; in die weiden bloeiden hier en daar prachtig gekleurde leliën, die ik voor en na niet meer gezien heb. Hoewel de omgeving schilderachtig blijft, is de wandeling geen genot meer, en wordt zij langzamerhand een pijniging, doordat het pad bedekt is met hoekige losse steenen, een plaveisel dat bij een hellenden weg een uitvinding des duivels is. Het prachtige uitzicht op het kasteel La Pietra, een bouwval als een arendnest boven op eene alleenstaande rots gelegen, wordt dien ten gevolge maar ten halve genoten, en men wordt eerst weder opgewekt als men te Primièro aankomt. Primièro of Feira di Primièro, in het duitsch Primör, ligt aan de samenkomst van het Canali-dal en het Cismone-dal; de bevolking is daar voor het meerendeel romaansch, zij stamt uit Grauwbunderland; het landschap is zuidelijk; velden met maïs, kastanje-, note- en moerbezieboomen geven er een afwijkend karakter aan, en de bouw van het plaatsje, doet ook aan een warmer klimaat denken. Groote gebouwen met zware muurpanden, kleine vensters en platte daken, geven het een voor ons ongewoon aanzien. Er is één duitsch hotel, waar men goed logeert; er waren juist zomeroefeningen van de reservetroepen, zoodat er aan militair vertoon, muziek en zoo meer geen gebrek was; de bevolking scheen dit, voor zooverre zij niet mede schutterde, op te vatten als een publieke vermakelijkheid. Eene avondwandeling door Primör was inderdaad een genot; het kerkje met zijne slanke torenspits tegen den achtergrond van de hooge bergen, die men in het noorden zag, was schilderachtig, en het opgewekt verkeer in de straten was aangenaam.

Den volgenden morgen weer vroeg op pad, want het einddoel was dien dag Paneveggio, tusschen welke plaats en Primör een hooge bergpas ligt. Eerst van Primör naar Siror en dan langs tal van keerwegen in het Cismone-dal omhoog. Prachtige wandeling; de straatweg is steeds stijgend, maar zoo zacht dat er gelegenheid te over is om den geheelen omtrek al wandelend op zijn gemak op te nemen. Heerlijk die terugblik op Primör en in het dal. Aanvankelijk is de weg kaal, zoodat het uitzicht langs alle kanten vrij is; oostwaarts ziet men de uitgetande rotstoppen van de Rosetta, de Cima di Ball en van den Sass Maor, trotsche berggroepen, die zich heerlijk tegen de lucht afteekenen. We zijn nu bezig om de hoofdberggroep van Zuid-Tirol, de Marmolata, om te trekken; op hooge, vrije punten hebben we haar gedurende de vorige dagen links gezien, nu ontwaren we hare sneeuwtoppen rechts. De zon, die we overigens zeer dankbaar mogen zijn voor de prachtige belichting, begint reeds weder te veel van het goede te geven, maar gelukkig zijn we zachtjes aan wat hooger gekomen en nu weder in statige mastbosschen. Wat een prachtig hout en welke heerlijke doorkijkjes langs dien donkeren voorgrond heen op de fel belichte bergen voor en achter. De weg is lang, maar verveelt geen oogenblik; de Cismone-rivier houdt u voortdurend gezelschap, en heeft niettegenstaande de langdurige droogte nog water genoeg om het landschap vriendelijk te stoffeeren, wanneer ze hier en daar tusschen wat engere rotsoevers met grooter kracht gedreven, schier wild voortspoedt. We krijgen nog eenige fraaie partijen aan de rivier, o.a. bij een groote houtzaagmolen, en ook nog eene donkere boschpartij, en op eenmaal ligt San Martino di Castrozza voor ons. Dat was een der glanspunten van de reis. Van een dorp heb ik niets gezien; het was een verzameling van hotels en het punt wordt zeer te recht steeds drukker bezocht. Voor Panzer's Dolomieten-hotel is een terras gebouwd, waar men uitzichten heeft die maar zelden geëvenaard en nooit overtroffen worden. Eerstens in het dal van Primör, maar bovenal op de prachtige bergwanden van de Vette di Feldre; aan de eene zijde de Cavallazza, de Colbricon en Fognola; aan de andere zijde de Rosetta, de Cima di Ball en den Sass Maor. Zij worden vooral bij avondbelichting hoog geprezen; ik was er op den middag bij felle zon, en zal dat heerlijke tafereel nooit vergeten. Door het heldere licht scheen het wel of die reuzen-gevaarten in de onmiddellijke nabijheid waren; die scherpe, kale rotsen, licht van kleur en zoo gekloofd, dat de slagschaduw van den eenen rug, den anderen bedekte, waaruit de bekoorlijkste lichtspelingen ontstonden. De lucht was strak en blauw, en de bergen teekenden zich daar licht tegen af. In Panzer's hotel gebruikte ik een goed middagmaal, een niet onwelkome versnapering na gedurende eenige dagen albergo's in plaats van hotels bezocht te hebben,--en toog na nog eenigen tijd gerust te hebben welgemoed verder. Eerst door bosch steeds omhoog, later door weidevelden. Steeds met hetzelfde uitzicht op die prachtige bergen. Ik moest den Rolle-pas over en meende dien reeds bereikt te hebben, omdat de weg bijna vlak liep; toch stroomden de beken mij nog altijd te gemoet, een bewijs dat ik nog niet over het hoogste punt heen was. Bij eene scherpe kromming in den weg, trof ik eene verbazend groote kudde vee, die door herders opgedreven werd naar de nabijzijnde stalling. Dat ging niet kalm en zacht; onder allerlei uitroepen en gebaren, heftig dreigen met lange stokken en wilde sprongen trachtte men het vee schrik aan te jagen. Toen het in eene bergkom gedreven was werd het vee kalmer en elk beest zocht van zelf zijne plaats in den stal op. 't Was een woelig gezicht, en te midden der groote bergstilte, maakte bij dat rumoerig tooneel het geschreeuw en getier der herders een ruwen, onaangenamen indruk. Van het voetpad kwam ik weder op den straatweg en bereikte nu weldra den Rolle-pas, waar een alleenstaande herberg het eenig teeken van menschelijk leven was. De eenige bezoekers dier herberg zijn de grensjagers en eenige vreemdelingen, en 't trok mijne aandacht dat deze herberg, zooals ik al meer op bergpassen gezien had, of ook wel op eenzame punten in de dalen--eene Staats-herberg was. Waarschijnlijk is het bezoek te gering om de gewone nijverheid tot het daarstellen van een dergelijke inrichting te prikkelen; eene schuilplaats zal toch noodzakelijk zijn, en dan neemt de regeering het zaakje maar in de hand. Mij verschafte zij eene welkome gelegenheid om mij nog eens te vergasten aan het gezicht op die heerlijke dolomieten. Van hier uit is de Cimone della Pala het best te zien; eene slanke rotsnaald, die trots omhoog staat, en die niet onjuist de Matterhorn van Tirol genoemd wordt. Hoewel de avond reeds begon te vallen, had ik niet het geluk de zoo hooggeroemde avondbelichting hier waar te nemen.

Nu nog een paar uurtjes omlaag; aanvankelijk nog door drassige weiden, maar dan spoedig in prachtige mastbosschen. De reusachtigste woudreuzen wedijverden daar met elkaar, en merkwaardig was het te zien met hoeveel zorg in die bosschen gekapt werd, en met hoeveel meer zorg nog de ontstane leegten weder aangevuld werden. Elk plantje werd op zichzelf door een spaansch ruitertje beschermd.

Bij het vallen van den avond bereikte ik Paneveggio, een zomerverblijf te midden der bosschen. Ik was zeer blijde in het hotel Paneveggio mijnen koffer te vinden; na al die warme wandelingen was een opfrissching zeer gewenscht. In Baedeker staat bij het hotel aangegeven "bei Frau Gerber", en die aanduiding was oorzaak dat ik mij eene bijzondere voorstelling van de omgeving waarin ik terecht zoude komen, gemaakt had. Ik dacht hier een eenvoudig, huiselijk hotel te vinden, waar de waardin naar ouderwetschen trant, zich voortdurend vriendelijk in het bedrijf mengde. Maar 't viel anders uit! Ik werd ontvangen door eene groote, deftig in zwarte zijde gekleede dame, met gemaakt deftige manieren, die me niettegenstaande de vele gasten nog wel een kamer in het "alte Theil" wilde geven. De kamer was, hoewel eenvoudig, toch gelukkig voldoende. Van uit de gangen van het hotel, waarheen men langs eene hooge gemetselde stoep met trappen opsteeg, kwam men door oude, lage en overwelfde vertrekken, in het "Neue Theil", eene groote eetzaal, met allerlei bonte taferelen uit het bergleven beschilderd; gemzen en korhanen; vreeselijke bergstroomen, figuren in de volksdracht en wat al niet meer. Op die eetzaal kwamen de vertrekken van den nieuwen aanbouw uit.