Zuid-Tirol De Aarde en haar Volken, 1907
Chapter 1
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
Zuid-Tirol.
door G. Bosch.
Naar het land der dolomieten!
Er is in de latere jaren zoo verbazend veel over de dolomieten geschreven; men vindt er zaakkundige opstellen over in verschillende tijdschriften; men heeft ook reisbeschrijvingen van het dolomietenland, en men vindt tal van novellen, die geheel of gedeeltelijk in die streken afspelen en dan ook nog boeiende beschrijvingen van de heerlijke natuur daar bevatten. Somwijlen werd wel eens de gedachte gewekt, of dat vooropstellen van die dolomieten wel zoo geheel onwillekeurig was, en of er niet een hoofd en eene hand achter staken, die belang hadden bij het bespreken van die landstreek. De reclame stelt in deze tijden zooveel middelen in het werk, dat men wel eens achterdochtig wordt.
En het mooiste van alles is, dat dikwijls de streek, die dan besproken wordt als het land der dolomieten, en die het meest door de reizigers bezocht wordt, eigenlijk geen dolomieten heeft. De echten vindt men hoofdzakelijk op eene betrekkelijk kleine plek bijeen: 't zijn de Fassaner bergen, de Langkofel, de Rosengarten en de Schlern. De prachtige bergen in het Ampezzaner dal, zoo als de Cristallo, de Hohe Gaisl, de Sorapis, zijn geen eigenlijke dolomieten, en toch zijn het die bergen en hunne omgeving, die het meest bezocht worden. De geologen verstaan onder dolomieten kalkbergen, die rijk aan magnesia zijn. Voor den leek onderscheiden zij zich van elke andere bergvorming door sterk sprekende bijzonderheden in hun uiterlijk. Zij vormen altijd hoogst eigenaardige landschappen; de dalen zijn rijk aan groen, heuvelachtig, hier en daar in andere rotssoorten gewone vormen toonend, maar daar boven rijzen dan de dolomieten in de zonderlingste gedaanten omhoog. Scherp in lijnen, weerstand biedend aan alle verweering; torens, naalden en kanteelen, alsof ze zoo uit den bodem omhoog zijn gedreven, op overblijfselen van oude burchten gelijkend. En die vreemde vormen vertoonen zich, al naarmate zij door den regen bevochtigd, door de zon beschenen of door wolken overschaduwd worden, nu eens rozerood of zilverwit, dan donkerbruin, rood als gloeiend metaal, aschgrauw, diep indigoblauw of goudgeel.
Men kan echter de dolomieten bezoeken en tevens wat meer van Tirol zien. Heeft de lezer lust mij op een dergelijken tocht te vergezellen, dan houde hij mij ten goede, dat ik de prachtige punten tusschen ons land en Tirol onbesproken laat; hij vertrekke met mij des namiddags uit Amsterdam en reize over Keulen, Frankfort, Wurzburg, München, Innsbrück en Franzenfeste in eens door naar Niederdorf, een groot dorp, dat op zich zelf weinig beteekenis heeft, maar dat een goed uitgangspunt is voor een voetreis in Tirol. Men komt er 's avonds tegen acht uur aan, maar de treinen hebben er een standvastige vertraging, soms wel eens wat grooter dan 't geduld van den reiziger die reeds 24 uur in den trein zit.
Het hotel "Schwarze Adler" doet echter dien tegenval spoedig vergeten. Men brengt er een rustigen nacht door, en gevoelt zich den volgenden morgen volkomen uitgerust en bekwaam om de voetreis te aanvaarden; de ransel wordt gepakt en de koffer per post vooruitgezonden. Daarbij moet men er echter op letten, hem altijd aan een hotel in Oostenrijk te zenden; verzending poste-_restante_ wordt niet toegelaten, en eene bestemming naar een italiaansche plaats heeft tengevolge, dat hij op de grenzen blijft liggen.
Het was een heldere, zonnige morgen toen ik Niederdorf verliet; aanvankelijk was de weg duidelijk aangewezen, maar spoedig kwam ik aan een kruisweg, die niet op de kaart stond; het was een voetpad, blijkbaar ontstaan nadat de kaart geteekend was, en het scheen eene afkorting te zijn. Op goed geluk sloeg ik het in; Schluderbach was mijne bestemming en die wandeling, van niet meer dan 5 1/2 uur, gaf vrijheid eens een uurtje om te dolen. Nauw had ik 500 pas geloopen, toen ik aangeroepen werd door een heer, die hoopte dat ik hem den weg naar de Pragser Wildsee zou kunnen wijzen! Onze wegen liepen aanvankelijk samen, maar per slot van rekening wisten we geen van beiden of we op den goeden weg waren. De man was uit Weenen en maakte met zijne vrouw voettochtjes in die omstreken; een uurtje bleven we onder aangenaam gesprek bijeen, toen we weêr op een rijweg kwamen en de overtuiging kregen, dat we ons zonder noodzaak bezorgd gemaakt hadden, want de rijweg bleek korter te zijn dan het voetpad, alléén aangelegd ten behoeve van een paar boerderijen hoogerop tegen de berghelling gelegen. Het gezelschap sloeg rechtsaf naar de Pragser Wildsee, en ik ging recht door; de streek was liefelijk, maar onderscheidde zich in niets van eene prettige bergpartij overal elders. Ik liet het dorpje Alt-Prags links liggen, had nog een aardig kijkje op de badgebouwen daar, en bereikte tegen den middag het hotel Brückele, waar tevens de straatweg ophoudt; een aangenaam oord om wat te rusten en zich te versterken. Na een stevige wandeling door een fraai mastbosch, met prachtige uitzichten achterwaarts op den Schwalbenkofel en den Daunkofel, zag ik links den dolomietberg, den Dürrenstein zich verheffen, niet te miskennen tusschen de andere bergruggen. Daar waren nu die hoekige lijnen, met hier en daar alleenstaande torens; de geheele helling was kaal en licht gekleurd onder de felle zon. Op het bosch volgden golvende weidevelden en aan 't einde daarvan eene kleine bergvlakte, waarop een fraai gebouwd hotel, dat tot verpoozen uitlokte.
Het hotel was rijk en smaakvol, geheel als zomerhuis ingericht, en bood den gasten alle denkbare gemakken aan. Het bergpanorama was heerlijk mooi: de hooge toppen hadden allen nog sneeuw en glinsterden in volle pracht onder eene felle belichting. Verder gaande had ik eerst het gezicht op den Cadini; toen kwam de fraaie massa van den Monte Cristallo te voorschijn, en al dat fraais en al die prachtige lijnen werden op eens ondervangen door een leelijken, vormloozen sta in den weg,--een sperfort; allerlei borden wijzen aan, dat men er niet op mag, dat men niet teekenen en niet fotografeeren mag; van tijd tot tijd komt men een soldaat tegen, dien de verveling op het gezicht staat te lezen, en ofschoon men er verder niets mede te maken heeft, is het toch eene opluchting als het ding achter den rug is. Het pad kronkelt nu weder door dichte bosschen steil omlaag tot Schluderbach. Het was avond toen ik er aankwam, en na het eten moest ik mijn avondwandeling spoedig afbreken om de koude; toch was er geen wind en de lucht was helder.
Schluderbach ligt in eene verrukkelijke bergkom, tegenover het dal Popena; in de verte boven dat dal ziet men weer de Cadinigroep, nog heerlijk door de laatste zonnestralen verlicht; rechts wordt het dal bewaakt door de geweldige kalkrotsen van de Hohe Gaisl en links door den Cristallin. Plöner's Hotel te Schluderbach is misschien niet beter dan de drie anderen, maar maakte eene aangename uitzondering op den regel. In afwijking van de andere weelde-hotels, was men er even voorkomend voor den voetreiziger als voor de familiën die per auto kwamen aangestoven.
Den volgenden morgen werd de reis weêr vroeg aanvaard. Des nachts was de lucht sterk betrokken geworden en er viel vocht. De weg kronkelde langzaam in het dal Popenabassa omhoog, eene boschrijke streek met van tijd tot tijd trotsche berggezichten. Al spoedig is men de grenzen over en in Italië; een paar grenspalen en een schilderhuisje, dat als douanekantoor dienst heette te doen, wezen aan dat men een anderen bodem betrad; de grenswachters waren in eene bijna uitgedroogde beek aan 't visschen en riepen mij uit de verte wat toe; ik groette hen met vriendelijk handgebaar en kon ongestoord doorgaan.
Achterwaarts heeft men geruimen tijd een prachtig uitzicht op de bergen van Schluderbach; vooruit is het even mooi: links de Monte Pian, rechts de heerlijke Cristallin; men komt in groote weide vlakten en gaat eindelijk steil naar boven naar den Col de Sant Angelo, die weinig engelachtigs heeft behalve zijn naam. De weg slingert nu eenigen tijd door lage moerasachtige grasvelden in eene verbreeding van het dal; 't ziet er bijna somber uit. Er vertoonen zich enkele huizen, tot men op eens, om den hoek van een dier gebouwen, voor het vriendelijke meer der Missurina komt. Heerlijk uitzicht daar op die kalme watervlakte; aan drie kanten donkere en begroeide bergen; in het Noord-Oosten ziet men de Drei-Zinnen, een wonderlijke bergformatie, die ik reeds van het terras van het Dürrensteinhotel had waargenomen; die drie rotsgevaarten verheffen zich daar zelfstandig uit het bergvlak omhoog, als versterkte torens; aan hun voet ligt meestal sneeuw opgewaaid, waardoor zij nog donkerder tegen de lucht afsteken. Oostelijk van het meer de Cadini, zuidwaarts de Marmarole, de Antilao en de Sorapis. Vooral deze laatste berggroep maakte een heerlijken indruk. Licht van kleur, soms zich tegen de lucht verliezend; los van lijnen en toch zich statig verheffend en rots op rots stapelend, vormt zij den schoonsten achtergrond voor het meer, zich helder spiegelend in het donkere water.
Om het meer staan eenige hotels en herbergen, die hoe gewenscht ook voor de zomergasten, in staat zouden zijn om den indruk van het fraaie landschap te bederven, indien de Sorapis niet den boventoon behield. Wat zou dat landschap met het meer der Missurina mooi zijn, als er niet van die blufferige dingen omheen stonden!
Het weer was er niet beter op geworden. Het stofregende toen ik langs het meer over eene alpenweide weder in bosschen en in Oostenrijk kwam. Slechts een paal duidde hier de grens aan. Links kwamen de koppen der Marmarole van tijd tot tijd door de boomen gluren, rechts had ik de stoute hellingen van de Cristallo-groep. 't Was heerlijk wandelen in dat heerlijke mastbosch; prachtige zware boomen schoten als uitloopers omhoog op de wortels van oudere stronken, overblijfselen van de woudreuzen die voor honderd jaren hier het landschap beheerschten. Groene plekken, dicht met gras en tal van bloemen begroeid, noodigden tot rusten, vooral toen de zon even door de wolken brak. Dat zijn van die heerlijke oogenblikken, die slechts voor den voetreiziger zijn weggelegd. Bij betrokken lucht en dreigenden regen kan hij de omgeving bezien, de bosschen bewonderen, de lijnen der bergen volgen; maar hooger gaan zijn indrukken niet, tot op eens de wolken breken en de zon, te voorschijn tredend, alles bestraalt met eene zee van licht, duizend maal weerkaatst door de ontelbare druppels die als kristallen parels aan de bladeren hangen. De boomstronk waarop ik mij om te rusten had neergezet, was inwendig vermolmd, zoodat, ik zat als in een leunstoel en mijne geheele aandacht kon wijden aan de stoute lijnen der Cristallo-bergen. De aandacht ging over in staren op die rotsvormen, nu zoo fel door het waterzonnetje beschenen; en of het nu kwam door onwillekeurig terug te denken aan den naam dier bergen,--het kwam mij voor dat de uitstekende rotspunten, nat van den regen en bestraald door de zon, aan de omtrekken doorschijnend werden, en zoo kwam ik langzaam aan onder den indruk van een geheelen berg van glinsterend kristal voor mij te zien. Een gezelschap Engelschen, die aan mij--even vreemd dáár, als zij,--in bijna onverstaanbaar duitsch den weg vroegen, ontrukte mij aan de kristalbetoovering en de wandeling werd voortgezet. 't Gaat nu wat steiler omhoog; de eenigzins ongebaande weg wordt straatweg, en ik bevond mij op den pas Tre Croci, met een hotel van gelijken naam, een paar boerenwoningen en een groot douanekantoor. De lucht was weder betrokken en er kwam nu voor goed regen. Daar, op Tre Croci, wenschte ik voor dien dag mijn groote rust te houden, en tevens van het bergpanorama te genieten. De rust werd gaarne aangeboden; van uitzicht was geen sprake.
De gasten in het logement werden bediend door een paar knappe Tiroler meisjes in landsdracht; zij spraken alle talen, d. i. fransch, duitsch, engelsch, en italiaansch. Dit duitsch en italiaansch kent men daar in die grensstreken van huis uit, en beide talen zijn zoo weinig zuiver, dat men soms zijne toevlucht moet nemen tot fransch of engelsch, om zich goed verstaanbaar te maken. De kellnerinnen hadden hare taalgeleerdheid in Londen en Parijs opgedaan, en buitendien nog vele andere kundigheden. Van hare volksdracht trokken de omslagdoekjes het meest mijne aandacht. Laag om den hals gevouwen, over de borst gekruist en achter sluitend vastgespeld. De stof dier doeken was van zeer fijne witte wol, niet melk- of krijtwit, maar roomkleurig; zij waren met velerlei figuren in veelkleurige zijde bestikt, en stonden op het donker fluweelen keurslijf inderdaad heel netjes. Ik heb op de verdere reis, ook in grootere plaatsen, getracht van die doeken te koopen; maar 't schijnt eigen handwerk der draagsters te zijn en in de winkels vroeg men er zooveel geld voor, dat ik mijne vriendinnen thuis maar moet verzoeken zich met mijne technisch stellig onbeholpen beschrijving tevreden te stellen. Overigens zij hier opgemerkt, dat de Tiroler landsdracht, zelfs in de afgelegen dalen, zeldzaam wordt; ik zag haar niet dan bij uitzondering, en hier en daar door enkelen gedragen als sport costuum. In een vroeger tiental jaren werden de Tirolers nagevolgd door zoogenaamde salon-tirolers,--eene rijke bron van grappen voor de "Fliegende Blätter" en soortgelijke bladen maar nu bestaat er al weer een namaak van die salon-tirolers, en dat is weinig meer dan een spotvorm van het oorspronkelijke.
Maar al verdwijnt de nationale kleederdracht, en al ziet men haar voor 't meerendeel in eere gehouden zooals in Nederland de Markers dat doen, of zoo als de friessche vrouwendracht in de wafelkramen, toch heeft het Tiroler volkje in zijne bergen veel eigenaardigs bewaard. Die eigenaardigheden zijn nog het kenmerk van den oorsprong der bewoners. De meerderheid der Tirolers stamt af van de beiersche volkstammen, die zich na de groote volksverhuizingen daar nedergezet hebben; met de Zwaben en Allemannen, die met name het boven-Inndal en Vorarlberg bewonen, vormen zij het duitsch sprekende deel. In enkele dalen in Gröden, Enneberg, en in de dalen der Avisio en Cordevole treft men bewoners aan, die oorspronkelijk derwaarts kwamen uit Grauwbunderland, en tot op heden hunne eigen taal, het Ladinisch, behielden. In Oost-Tirol zijn ook nog afstammelingen der Zuid-Slaven gevestigd. In het zuiden is het land geheel italiaansch, met het eigenaardige verschijnsel, dat de meeste welvaart bij enkele daar gevestigde Duitschers wordt gevonden. Ziet men eene grootere, beter onderhouden boerderij in 't italiaansch Tirol, dan kan men er wel op rekenen, dat de eigenaar een Duitscher is. Veel sympathie voor wat Oostenrijksch of Duitsch is, moet men in dat italiaansche gedeelte niet zoeken; zijn de menschen overtuigd van met een Oostenrijker te doen te hebben, dan is eene zekere koelheid niet te miskennen. De schooljeugd vooral loopt u op een bergpad wel eens na; verschuilt zich achter boomen en rotsblokken en vermaakt zich dan met luidkeels te roepen "Leve Italië! Weg met Oostenrijk". Krachtiger uitingen van het italiaansch patriotisme heb ik echter niet bespeurd.
Eenvoud, liefde tot het land, trouw aan het vorstenhuis, heldenmoed, zijn de karaktertrekken van den Tiroler. In de afgelegen streken ontaarden die deugden en soms zijn die bergbewoners bijna menschenschuw; in godsdienstzaken zijn ze licht geneigd tot het grofste fanatisme, en al wat buiten hun gezichtskring valt, wordt met argwaan begroet. Trouwens dergelijke ontaardingen behoeft geene enkele nationaliteit zoo ver van huis te zoeken; men vindt ze overal, en daar zoowel als hier, in de afgelegen gedeelten des lands, naast dat fanatisme bovendien nog overgeërfd bijgeloof.
Rijk en schoon zijn de sagen in Tirol. De gesteldheid van den bodem, de geschiedkundige strijd om zijn bezit, zijn de voorname bron waaruit ze allen zijn ontsproten. Die daarboven elkander opgestapelde bergtoppen moesten wel de verblijfplaatsen van goede of kwade geesten worden. Zoo is in geheel Tirol de sage der "Wilde vrouwen" bekend, die in de bergen huizen, maar nu en dan nederdalen onder de bewoners om hen jarenlang als trouwe boden te dienen, zegen brengende in de gezinnen waar zij vertoeven. Dan worden ze plotseling door geheime boden teruggeroepen en moeten, zij het dan ook met leedwezen, voor eeuwig verdwijnen. De oude bouwvallen der rooverkasteelen zijn daarentegen alle bevolkt met spoken, die door de treurigste boetedoening herinneren aan de wandaden der vroegere bewoners. De sprookjes op geschiedkundigen grondslag zijn nu eens herinneringen aan den tijd der oude Rhaetiërs, dan eens aan de Romeinen. Dan weder aan den strijd van dezen tegen de Germanen; dan aan dien tusschen Franken en Longobarden, of tusschen Beieren en Slaven. Boven al die geschiedkundige figuren der overlevering verheft zich de herinnering aan den onovertroffen Diederik van Bern, den grooten koning der Oost-Gothen en aan aan zijn tocht in het tooverland van den kabouterkoning Laurin, de tegenwoordige Rosengarten. En dat tooverland met zijne dolomiet-torens en -transen, zendt nog telkens bij elken helderen zonsondergang zijne stralen uit over de omgeving, en spreidt zijnen luister over de omliggende dalen!
Na in Tre Croci getafeld te hebben, trok ik verder; de mantel werd uit den ransel genomen; dikke regen belette aanvankelijk alle uitzicht; eerst door bosch, toen over golvende weiden omlaag in het Bigontinadal, om een paar uur later in Cortina di Ampezzo doornat aan te komen. Gelukkig was mijne koffer daar, en toen tegen den avond het weer wat opklaarde, kon ik nog een prettige wandeling door het dorp maken. Als voetreiziger ging ik in het hotel Central, voor heeren alléén zeer voldoende en gezellig; kwam ik met gezelschap te Cortina, dan zoude ik Aquila Nera of Croce Bianca aanraden, naast verscheidene andere prachthotels.
Cortina droeg vroeger den duitschen naam van Heiden, maar langzaam zijn de Duitschers voor het meerendeel door Italianen verdrongen, die toen ook aan het dorp een anderen naam gaven. De plaats zelf heeft 800 inwoners; de gemeente waartoe zij behoort 3100; zij is heerlijk in het Ampezzodal gelegen en dankt aan die ligging hare welvaart, als middenpunt voor den houthandel van uit het noordelijke Pusterdal naar Italië. Trotsche berggevaarten omsluiten het dal; de reeds geprezen Cristallogroep en de Sorapis; de Tofana- en Popenaspitsen en de Antilao verheffen zich rondom. Westelijk de hooge Nivolau in zijne overal kenbare vormen. De alleenstaande kerktoren is een fraai bouwstuk uit den nieuweren tijd, en draagt meer tot versiering der plaats bij, dan het wandelpark aan de Boite. Die rivier maakt in haar onstuimigen loop in eene onregelmatige rotsbedding een goed effect, maar het parkje is een treurig geknutsel van vele smalle paadjes onder hooge boomen. De tuinarchitect, die het aangelegd heeft, heeft stellig een groot park nagemaakt, en evenveel wegen in dat kleine bestek bijeengedrongen, als er in zijn uitgestrekter voorbeeld waren. Vele eeuwen geleden, in de 7de eeuw, waren deze streken het tooneel van bloedige worstelingen tegen de toestroomende Slavische horden; zij werden echter teruggeworpen door de Beieren, en verdwenen gelukkig geheel uit deze omgeving. Thans wordt er meer, en met even goede uitkomst, aan werken des vredes gedaan, en Cortina is behalve door zijne heerlijke ligging, bekend door zijne keurige voortbrengselen van kunsthandwerk. Er is daar een druk bezochte school voor kunsthandwerk, waar uitstekende leeraars onderwijs geven. Een deel der voortbrengselen van uitsluitend huisarbeid--fabrieken of werkplaatsen vindt men er niet--wordt coöperatief verkocht; daaraan ontleent een deel der bevolking eene voldoende mate van welvaart. Sinds tal van jaren was filigrijnarbeid in goud en zilver te Cortina inheemsch,--maar zooals altijd bij zulke uit zich zelf opgekomen bedrijven, hield men vast aan enkele oude vormen, die jaar in jaar uit vervaardigd werden en dan het koopende publiek van elders, door hun eenvormigheid, verveelden. Het degelijke kunsthandwerkonderwijs heeft hierin verbetering gebracht, en thans worden de meest uiteenloopende modellen voor tal van doeleinden vervaardigd; de oorspronkelijken smaak is echter als hoofdkenmerk behouden. Daarnaast ontwikkelde zich eene afdeeling voor inlegwerk, hout op hout in verschillende kleuren, metaal op hout, enz. Daarvan waren niet alleen eenvoudige kleine voorwerpen, maar ook prachtstukken, groote kasten en kleinere meubels tentoongesteld.
Er zijn in den omtrek van Cortina tal van aangename tochtjes te maken, die de plaats zeer geschikt maken voor langduriger verblijf. Er zijn thans reeds veel hotels, en er worden nog een drietal hotelpaleizen bijgebouwd, waarbij men zich beijverde de fraaiste punten uit te kiezen.
Van Cortina koos ik voor den weg naar Caprile, dien over den Giau-pas. Voor dien tocht is het niet strikt noodig een gids te nemen,--maar mijne kaart wees me niet voldoende den weg, en daarom besloot ik ditmaal niet alleen te gaan. Het tarief was voor dezen tijd van het jaar (begin Juli) 10 kronen, en 's morgens zeer vroeg toog ik met Florinde Pompanon op 't pad. Dadelijk buiten Cortina ging het reeds door weidevelden omhoog, langs een paar gehuchten, om spoedig bij de Albergo Pocal den weg te verlaten en de bosschen in te gaan. Het weêr was opgehelderd en de wandeling onder de dichte boomen aangenaam; van tijd tot tijd een aardig kijkje op den bergrug der Cinque-Torri, vijf rotstorens die uit den bergkam omhoog schieten; weer eens over de italiaansche grenzen, en ten laatste uit het bosch, om op de weiden der Giau-Alp aan te komen. Bij een boerenhuis werd gerust en wat melk gekocht, heerlijk versch en keurig van smaak; marktprijs van melk is daar niet en voor 10 centen kan men meer krijgen dan men gebruiken kan. Maar de bewoners dier afgelegen hutten zijn arm, en een dorstig reiziger is voor hen een buitenkansje; ze wonen daar alleen des zomers, ter bewaking van het hun toevertrouwde vee en tot het maken van kaas; maar aan die tijdelijke verblijven, zoowel voor de menschen als voor het vee, wordt wel wat weinig ten koste gelegd.
Onderweg hadden reeds tal van kleine gebouwtjes, hier en daar in de bergen verspreid, mijne aandacht getrokken; we kwamen dicht langs een dier huisjes, dat niet voor woning bestemd bleek te zijn. Een armoedig gekleede man kwam er uit en begon een druk gesprek met mijnen gids; het was een voor mij ten eenenmale onverstaanbaar patois; slechts één woord hoorde ik dikwijls "finanz". Wat verder werd de gids weêr aangeroepen, en trof mij in het gevoerde gesprek weer dat zelfde woord. Hoe kwamen die arme kerels daar onder elkaar zoo druk aan 't praten over financiën? De gids gaf mij de volgende verklaring. De gebouwtjes worden in den zomer gebruikt tot het opbergen van het ter plaatse gewonnen hooi, dat dan niet dan zeer bezwaarlijk naar de lager gelegen boerderijen vervoerd kan worden. Ligt er in den winter sneeuw, dan kan het vervoer zonder groote inspanning per slede geschieden. Nu waren de huisjes nog ledig en werden dan dikwijls door smokkelaars gebruikt om goederen in te bewaren, die dan des nachts, of wanneer men de streek vrij wist van belastingambtenaren, naar eene volgende schuilplaats of naar hunne bestemming vervoerd werden. De mannen die den gids aanspraken of aanriepen, waren smokkelaars of hunne handlangers en trachtten van hem te weten te komen of er ook belastingambtenaren op weg waren, en of hij ook wist waar de ambtenaren van Cortina heen waren. De ambtenaren der belastingen worden daar met den naam van het bestuursdepartement waartoe zij behooren aangeduid als "finanzer" in het duitsch, en "finanz" in het patois. Dat was het door mij opgevischte woord. Blijkbaar was de gids zeer bereid om de smokkelaars in te lichten, en ik moet erkennen dat deze geen betere correspondenten konden uitkiezen, dan die steeds op de bergpaden heen en weêr trekkende vrienden.