Zoölogische Philosophie Of beschouwingen over de Natuurlijke Historie der dieren etc.

CHAPTER VIII

Chapter 213,899 wordsPublic domain

Hoofdstuk VIII

Over de natuurlijke Orde der Dieren en hoe hunne indeeling daarmee te doen overeenstemmen.

Ik heb in hoofdstuk V reeds opgemerkt, dat het wezenlijke doel van een indeeling der dieren zich onzerzijds niet moet bepalen tot het bezit van een lijst van klassen, geslachten en soorten, maar dat zij door hare rangschikking tegelijk een uitstekend hulpmiddel bij de studie van de natuur moet zijn en het meest geschikt om ons haar loop, middelen en wetten te doen kennen.

Intusschen schroom ik niet te zeggen, dat onze algemeene zoölogische systemen in tegengestelde volgorde gerangschikt zijn als die van de natuur zelf bij het tot aanzijn roepen van hare verschillende levende schepselen gevolgd; zoodat, als wij, naar oud gebruik, voortschrijden van de meer samengestelde tot de meer eenvoudige, wij het begrijpen van den vooruitgang in organisatie bemoeilijken, waardoor we de oorzaken daarvan alsmede zijn onderbrekingen minder gemakkelijk vatten.

Als men het nut, ja, de onontbeerlijkheid voor een gesteld doel van een bepaald ding erkend heeft, en er is geen ongerief aan verbonden, dan moet men zich haasten het uit te voeren, ofschoon het niet in gebruik moge zijn.--Zoo nu is het geval met de aan de _algemeene indeeling_ der dieren te geven _rangschikking_.

Zoo zullen wij zien, dat het volstrekt niet onverschillig is, met welk einde die indeeling begint, en dat het niet aan onze keuze is overgelaten.

Het tot op den huidigen dag gevolgde gebruik om de meest volkomen dieren aan het hoofd der rij te zetten en de onvolkomenste en eenvoudigste aan het lage einde vindt zijn oorsprong eenerzijds in onze neiging om steeds den voorkeur te geven aan de zaken, die ons het meest treffen, behagen of belang inboezemen; anderzijds doordat men liever van het bekendere naar het minder bekende voortschrijdt.

In den aanvang van de studie der natuurlijke historie lieten deze overwegingen zich ongetwijfeld zeer wel hooren; thans echter moeten zij wijken voor de behoeften der wetenschap en in het bijzonder voor zulke, die de kennis der natuur bevorderen.

Indien wij ook al door het groote aantal en de verscheidenheid der dieren in de natuur ons niet kunnen vleien, nauwkeurig de werkelijke volgorde te kennen, die zij bij hunne voortbrenging heeft gevolgd, zoo is toch diegene, die ik straks ga uiteenzetten, waarschijnlijk van de hare een vrij getrouw beeld: ons gezond verstand en alle verzamelde kennis spreken daarvoor.

Inderdaad, als het waar is, dat alle levende wezens natuurvoortbrengselen zijn, kan men niet weigeren te gelooven, dat de natuur deze slechts achtereenvolgens heeft kunnen voortbrengen, en niet alle tegelijkertijd in een ondeelbaar oogenblik. Als dat zoo is heeft men ook alle reden te denken, dat zij alleen met de eenvoudigste begonnen is en pas in de laatste plaats de meest samengestelde organismen van dieren- of plantenrijk.

De botanici hebben aan de zoölogen het eerste voorbeeld gegeven van de werkelijke rangschikking, die men in de algemeene indeeling moet aanwenden om de Orde der natuur zelve voor te stellen. Want met de _acotyledones_ of _agamen_ vormen zij de eerste klasse der planten, d.w.z. met de eenvoudigst georganiseerde en in alle opzichten meest onvolkomen planten die in het geheel geen zaadlobben en vaten in hun weefsels hebben; wier geslacht niet is uit te maken en die eigenlijk slechts uit celweefsels zijn samengesteld, dat in de verschillende uitbreidingen eenigszins gewijzigd is.

Wat de plantkundigen gedaan hebben voor de gewassen, dat moeten wij doen voor de dieren; niet alleen, omdat de natuur zelf het zoo aanwijst, en de rede het wil, maar ook, omdat de natuurlijke volgorde der klassen volgens toenemend-samengestelde bewerktuiging bij de dieren vrij wat gemakkelijker is uit te maken dan bij de planten.

Terwijl deze orde beter de natuurlijke zal weergeven, zal zij de studie der voorwerpen veel gemakkelijker maken, de dierlijke organismen en hun voortschrijdende samenstelling van klasse tot klasse beter doen kennen en nog beter de betrekkingen laten zien tusschen de verschillende graden van dierlijke organisatie en de uitwendige kenmerken, die wij meest gebruiken om de klassen, orden, families, geslachten en soorten te karakteriseeren.

Ik voeg aan deze beide beschouwingen, die niet ernstig bestreden kunnen worden nog toe, dat als de natuur die de organismen niet eeuwigdurend heeft kunnen maken, hun niet het vermogen tot de voortplanting [27] gegeven had, zij dan alle soorten direct had moeten voortbrengen, waarbij zij het echter maar tot een enkel dier en plant,--n.l. de allereenvoudigste van beide--zou gebracht hebben.

Bovendien, indien de natuur aan de handelingen van het organisme niet het vermogen gegeven had, om zichzelf hoe langer hoe samengestelder te maken, door de kracht der vloeistof-beweging--en daardoor van de organen zelf--te doen toenemen en indien ze de verkregen verbeteringen en vooruitgang in bewerktuiging niet door de _voortplanting_ vastgehouden had, dan zou ze zeker nooit die oneindig groote verscheidenheid van _dieren en planten_ voortgebracht hebben.

Zij heeft ten slotte niet maar dadelijk bij het eerste begin de functies van de allerhoogste dieren kunnen scheppen; want deze hebben slechts plaats met behulp van een zeer ingewikkeld stelsel van organen, en het bestaan hiervan heeft zij langzamerhand moeten voorbereiden.

Om dus tot den tegenwoordigen stand van zaken in de levende natuur te geraken, heeft de Natuur slechts spontaan,--d.w.z. zonder hulp van eenig organisch proces--de allereenvoudigste organismen behoeven voort te brengen; en zij brengt ze ook nog thans voort, ter gelegener plaats en tijd. Door nu aan de zelf-geschapen wezens de vermogens te geven, zich te voeden, te groeien, zich voort te planten en telkens den verkregen vooruitgang in hun organisatie vast te leggen, en vervolgens die eigenschappen op alle voortgebrachte nakomelingen over te dragen, zijn mettertijd door de enorme verscheidenheid van de altijd wisselende omstandigheden, al die klassen en orden van de levende wereld achtereenvolgens in aanzijn geroepen.

Met de _trapsgewijze opklimming_, die stellig bestaat in de toenemende samengesteldheid van de organisatie der dieren en zoowel in het aantal als in de volmaking hunner functies, verkondigt men verre van een nieuwe waarheid, want reeds de Grieken merkten haar op [28], maar zij konden er de beginselen en bewijzen nog niet van geven, omdat het hun aan de daartoe noodige kennis ontbrak.

Tot recht begrip van de beginselen, die mij geleid hebben bij het overzicht der dieren, dat ik zoo dadelijk zal geven en om beter die bewuste opklimming te doen gevoelen heb ik de organisatie-systemen over het geheele dierenrijk in zes graden verdeeld, die duidelijk van elkaar zijn onderscheiden.

Van deze zes omvatten de eerste vier de _ongewervelde_ dieren en daarmee de eerste tien klassen volgens onze nieuwe indeeling. De laatste twee daarentegen bevatten de _vertebraten_, dus de laatste vier (of vijf) dierklassen.

Met behulp van dit middel zal men gemakkelijk den door de natuur gevolgden loop bij de voortbrenging van hare dieren kunnen volgen en langs de geheele reeks de verworven verbeteringen in bewerktuiging onderscheiden en overal zoowel de nauwkeurigheid der indeeling als het gepaste der toegekende rangen controleeren door onderzoek van de betreffende kenmerken, enz.

Zoo geef ik al meerdere jaren college over de evertebraten, waarbij ik altijd van het min- tot het méér-samengestelde schrijd.

Teneinde de gesteldheid in allen deele van de algemeene reeks der dieren in haar verband des geheels beter weer te geven willen wij eerst een tabel opstellen van de veertien klassen van het dierenrijk, waarbij wij ons bepalen tot een zeer eenvoudige schets van hun eigenschappen en de trappen van bewerktuiging waarop zij staan.

Tabel I Van de trapswijze indeeling en classificatie der dieren zoo nauw mogelijk volgens hunne Natuurlijke Orde

ONGEWERVELDE DIEREN

TABLE

|_Klassen_

|I INFUSORIA. (AFGIETSELDIERTJES).

Vormlooze dieren, zich voortplantende door deeling of knopvorming; het lichaam geleiachtig, doorzichtig en homogeen, samentrekbaar en microscopisch klein; geenerlei straalsgewijze tentakels of rondwielende aanhangsels; geen enkel bijzonder orgaan, zelfs niet voor de spijsvertering.

|Ien GRAAD: Geen zenuwen; geen vaten; geen andere inwendige organen dan die voor de spijsvertering.

|II POLYPI. (POLIEPEN).

Voortplanting door knopvorming; lichaam tot zelfherstelling geschikt en zonder andere inwendige organen dan een spijsverteringskanaal met één enkele opening.

Mond eindstandig, straalsgewijze omgeven van tentakels of voorzien van gewimperde, rondwielende aanhangselen.

De meeste vormen samengestelde kolonien.

|III RADIATA. (STRAALDIEREN).

Vrijlevend en oneigenlijke eieren leggend; het lichaam tot zelfherstelling in staat. Geen kop, oogen of gelede pooten, de deelen straalsgewijze gerangschikt. Mond onderstandig.

|IIen GRAAD: Geen overlangsche ganglieketen; geen vaten voor den bloedsomloop; eenige inwendige organen buiten die voor de spijsvertering.

|IV VERMES. (WORMEN).

Oneigenlijke eieren leggend; lichaam als zoodanig tot de voortbrenging geschikt, zonder gedaanteverwisselingen en nooit met oogen of gelede pooten; geen straalsgewijze rangschikking der inwendige deelen.

|V INSECTA (GEKORVEN DIEREN).

Eierleggend, een gedaanteverwisseling ondergaande en in volkomen toestand met oogen in den kop, zes gelede pooten en zich allerwege vertakkende luchtbuizen; een enkele bevruchting in den loop van het leven.

|IIIen GRAAD: Zenuwen eindigende in een overlangsche ganglieketen; ademhaling door luchthoudende tracheeën; geen of onvolkomen bloedsomloop.

|VI ARACHNIDA(SPINACHTIGEN).

Eierleggend, altijd met gelede pooten en oogen in den kop, en geen gedaanteverwisseling ondergaande. Beperkte tracheeën voor de ademhaling; een begin van bloedsomloop; verscheidene bevruchtingen in den loop van het leven.

|VII CRUSTACEA(SCHAALDIEREN)

Eierleggend, met geleed lichaam en pooten, verschaalde huid, oogen in den kop en meestal vier sprieten; ademhaling door kieuwen; een overlangsche ganglieketen.

|IVen GRAAD: Zenuwen eindigende in hersenen of een ganglieketen; ademhaling met kieuwen; aders en slagaders voor den bloedsomloop.

|VIII ANNELIDA (RINGWORMEN).

Eierleggend met verlengd en geringd lichaam; geen gelede pooten; oogen bij uitzondering; ademhaling door kieuwen; een ganglieketen.

|IX CIRRHIPEDIA (RANKPOOTIGEN).

Eierleggend met een mantel en gelede armen waarvan de huid hoornachtig is; geen oogen; ademhaling met kieuwen; een ganglieketen.

|IVen GRAAD: Zenuwen eindigende in hersenen of een ganglieketen; ademhaling met kieuwen; aders en slagaders voor den bloedsomloop.

|X MOLLUSCA (WEEKDIEREN).

Eierleggend met week, ongeleed lichaam en een mantel van verschillenden vorm; ademhaling door kieuwen, die in ligging en vorm zich onderscheiden; noch ruggemerg, noch ganglieketen maar de zenuwen eindigen in hersenen.

GEWERVELDE DIEREN

TABLE

|_Klassen_

|XI PISCES (VISSCHEN).

Eierleggend zonder melkklieren; ademhaling volkomen en altijd door kieuwen; een begin van (2 of 4) ledematen; voortbeweging door vinnen; huid zonder veeren of haar.

|Ven GRAAD: Zenuwen eindigend in hersenen, die de schedelholte _niet_ vullen; hart met een boezem en koud bloed.

|XII REPTILIA (KRUIPENDE DIEREN).

Eierleggend zonder melkklieren; ademhaling onvolkomen, meest door longen, hetzij ten allen tijde, hetzij alleen in volwassen staat; ledematen vier of twee of geen; geen haren noch veeren op de huid.

|XIII AVES (VOGELS).

Eierleggend en zonder melkklieren; vier gelede pooten waarvan twee tot vleugels omgevormd; volkomen ademhaling door vastgehechte, doorboorde longen; veeren op de huid.

|VIen GRAAD: Zenuwen eindigend in hersenen die de schedelholte geheel vullen; hart met twee boezems en warm bloed.

|XIV MAMMALIA (ZOOGDIEREN).

Levendbarend met melkklieren; vier gelede pooten, soms echter twee; volkomen ademhaling met ondoorboorde longen. Lichaam althans gedeeltelijk behaard.

De gesteldheid van deze klassen is van dien aard, dat men altijd gedwongen zal zijn, zich er mee te vereenigen(†), zelfs al zou men hun onderlinge scheidslijnen verwerpen; en wel, omdat zij gegrond is op organisatie van de betreffende levende wezens. En een beschouwing daarvan legt de betrekkingen bloot tusschen de samenstellende elementen van elke afdeeling en den rang van elk harer in de geheele reeks.

Men zal nooit deugdelijke motieven kunnen aanvoeren, om deze indeeling in haar geheel te veranderen, wegens de zoo juist opgenoemde redenen. Maar men zal de onderdeelen kunnen wijzigen, vooral de onderafdeelingen van de klassen, wijl de betrekkingen tusschen de daaraan ondergeschikte dieren moeilijker te bepalen zijn en aan grooter willekeur onderworpen.

Om nu beter te doen gevoelen, hoezeer onze indeeling der dieren overeenkomt met de natuurlijke Orde zelve, ga ik een uiteenzetting geven van de _algemeene reeks_ der bekende dieren en hare voornaamste afdeelingen, daarbij voortschrijdende van het eenvoudigere tot het samengesteldere, volgens ons boven genoemde richtsnoer.

Mijn oogmerk zal daarbij zijn den lezer in staat te stellen om den rang te leeren kennen, dien de in dit werk meermalen genoemde dieren in de reeks innemen, en hem de moeite te besparen zich daarvoor tot andere dierkundige werken te wenden.

Intusschen zal ik hier slechts een eenvoudige lijst geven van de _geslachten_ en alleen de voornaamste afdeelingen; maar deze zal voldoende zijn om de uitgebreidheid van de algemeene reeks te laten zien, het natuurlijke van hare rangschikking en het dwingende van de plaatsing der _klassen_, _orden_ en wellicht ook van de families en _genera_. Men voelt wel, dat de bijzonderheden van alle genoemde voorwerpen in onze goede werken over zoölogie moèten bestudeerd worden, aangezien de behandeling daarvan in dit boek niet op mijn weg lag.

TABEL II, ALGEMEENE INDEELING DER DIEREN

IN EEN REEKS VOLGENS DE NATUURLIJKE ORDE ZELVE

ONGEWERVELDE DIEREN (EVERTEBRATA)

Zij hebben geen wervelkolom en bijgevolg ook geen skelet; voor zoover er steunende elementen voor de beweging der deelen zijn, liggen deze onder de huid. Een ruggemerg ontbreekt, en de bewerktuiging laat een groote verscheidenheid van vormen zien.

ORGANISATIE VAN DEN Ien GRAAD

(_Infusoren en Polypen_)

Zie tabel I (boven) [29]

KLASSE I INFUSORIA.

Zie tabel I

_Opmerkingen._

Van alle bekende dieren zijn de afgietseldiertjes het meest onvolkomen en eenvoudigst georganiseerd en het armst aan vermogens; voelen doen zij zeer zeker niet.

Oneindig klein, geleiachtig, doorzichtig, samentrekbaar, bijna homogeen en niet in staat tot het voeren van eenig bijzonder orgaan door de al te zwakke gesteldheid van hun deelen staan de _infusoren_ inderdaad niet meer dan in den voorhof van het dier-zijn.

Deze teere diertjes zijn de eenige, die zich voeden zonder eigenlijke spijsvertering(†), maar door de absorptie der huidporiën en inwendige opzuiging. In dat opzicht gelijken zij op de _planten_, wier organische bewegingen voorts ook slechts geschieden door prikkeling van buiten af. De _infusoren_ echter zijn prikkelbaar, contractiel en volvoeren plotselinge bewegingen die telkens herhaald kunnen worden, hetgeen hen van de gewassen onderscheidt.

OVERZICHT DER INFUSORIËN

ORDE I, INFUSORIA NUDA

_Zonder uitwendige aanhangselen._

Monas (Amoebe). Volvox (Boldiertje). Proteus. Vibrio. Bursaria. Colpoda.

ORDE II. INFUSORIA APPENDICULATA

_Met uitspringende deelen als haren, hoornachtige uitsteeksels of een staart._

Cercaria. Trichocerca. (Een zuigwormlarve). Trichoda.

_Opmerking._

De monade, vooral "Monas termo" is het onvolkomenste en eenvoudigste van alle bekende dieren, vermits het uiterst kleine lijfje slechts bestaat uit een geleiachtig, doorzichtig maar samentrekbaar punt. Met dit wezentje moet dus de volgens de natuurlijke Orde gerangschikte reeks der dieren beginnen.

KLASSE II. POLYPI

Zie Tabel I.

_Opmerkingen._

Bij de _infusoren_ hebben wij uiterst kleine dierkens gezien, wier teere lichaamsbouw alle stevigheid of bijzonderen vorm mist en bijgevolg ook een duidelijken mond en spijsverteringskanaal.

De _polypen_ echter, ofschoon nog zeer eenvoudig georganiseerd, zijn toch niet zoo onvolkomen meer als de infusoria. De bewerktuiging heeft kennelijke vorderingen gemaakt; want reeds heeft de natuur voor de betreffende dieren een standvastig-regelmatigen vorm verkregen; reeds zijn alle voorzien van een speciaal spijsverteringsorgaan en derhalve van een mond, den ingang van den spijsverteringszak.

Om een idee te krijgen van een _polyp_ stelle men zich voor: een klein, langwerpig lichaam, geleiachtig en zeer prikkelbaar met aan het boveneinde een mond, voorzien van raderorganen of wel van uitstralende tentakels, en welke toegang geeft aan een spijsverteringskanaal zonder verdere uitgangen. Als men hieraan toevoegt de onderlinge verkleving van verscheidene dezer lichaampjes, die aan een gemeenschappelijk leven deel hebben zal men het meest kenschetsende en opmerkelijke omtrent hen weten.

De _polypen_ zijn, als hebbende geen gevoelszenuwen noch aparte ademhalingsorganen noch bloedvaten, lager bewerktuigd dan de volgende dierklassen.

OVERZICHT VAN DE POLYPEN

ORDE I. RADERPOLYPEN (ROTIFERI)

_Mond met trilhaar- en rader-organen._

Urceolaria. Brachionus? Vorticella. (klokdiertje, een infusorium).

ORDE II. POLYPEN MET POLYPENSTOK

_Hebben rondom den mond straalsgewijze voelarmen en zijn bevestigd op een polypenstok, die niet in het water zweeft._

_1. Stok vliezig of hoornachtig, zonder duidelijke schors_ [30].

Cristatella (Mosdiertje). Plumatella (Mosdiertje). Tubularia (Pyppoliep). Sertularia (Zeemos). Cellularia (Mosdiertje). Flustra (Hoornwier). Cellepora. Botryllus (Geleikorst [31]).

_2. Stok met een hoornachtige as, door schors bedekt._

Acetabulum. [32] Corallina. Spongia (Spons). Alcyonium (Doomansduim). Antipathes (Zwart koraal). Gorgonia (Hoornkoraal).

_3. Stok met geheel of gedeeltelijk versteende as en bedekt door een schorsachtige korst._

Isis (Wit koraal). Corallium (Edel koraal).

_4. Stok geheel versteend en zonder schors._

Tubipora (Orgelkoraal). Lunulites. Ovulites. Siderolites. Orbulites. Alveolites. Ocellaria. Madrepora. (Sponskoraal). Caryophyllia (Bekerkoraal). Turbinolia (Solitair koraal). Fungia (Zwamkoraal). Pavonia. Eschara (Mosdiertje). Retepora (Netkoraal) [33]. Millepora (Hydrokoraal). Argaricia. Maeandrina (Hersenkoraal). Astraea. (Sterkoraal). Cyclolites. Dactylopora. Virgularia. (Lichtend diepwaterkoraal).

ORDE III. DRIJVENDE POLYPEN

_Stok vrij, verlengd en in het water drijvend met hoorn- of beenachtige as, bedekt met een voor alle polypen gemeenschappelijk week gedeelte; tentakels straalsgewijze om den mond._

Funiculina. Veretillum. Pennatula (Zeeveder). Encrinus. (Zeelelieachtige Zeeveders) Umbellula(ria).

ORDE IV. NAAKTE POLYPEN

_De vaak veelvoudige voelarmen stralen van den mond uit. Stok ontbreekt._

Pedicellaria. Coryne. Hydra (Zoetwaterpoliep). Zoanthus. (Zeeanemonen) Actinia. (Zeeanemonen)

ORGANISATIE VAN DEN IIen GRAAD

Zie Tabel I

(_Straaldieren en wormen_)

KLASSE III. RADIATA (STRAALDIEREN)

_Vrijlevende dieren met knop-achtige eieren; lichaam in staat tot regeneratie, zoowel in- als uitwendig straalsgewijs gebouwd. Een samengesteld spijsverterend orgaan en onderstandige, enkel- of meervoudigen mond._

_Opmerkingen._

Dit is de derde classicale scheidingslijn, die ik passend geoordeeld heb bij de natuurlijke indeeling der dieren te trekken.--Hier vinden wij geheel nieuwe vormen, die inmiddels in één beginsel, n.l. de straalsgewijze rangschikking der deelen, zoo in- als uitwendig, hun verwantschap vertoonen.

Het zijn niet langer langwerpige dieren met boven- en eindstandigen mond, meest vastzittend op een polypenstok en in een groot aantal tezamen een gemeenschappelijk leven voerend; maar de organisatie van deze dieren is veel samengestelder, als zijnde enkelvoudig, steeds vrijlevend(†), eigenaardig van gestalte en gemeenlijk om zoo te zeggen in omgekeerde houding verblijvende.

Bijna alle _straaldieren_ vertoonen buizen voor het opzuigen van water, die waterhoudende tracheeën schijnen; bij een groot aantal vindt men bijzondere lichamen gelijkende op eierstokken.

Uit een mémoire, die ik zoo juist heb hooren voorlezen in de vergadering van professoren aan het Museum verneem ik, dat een geleerd waarnemer, _doctor Spix_, een Beiersch arts, bij zeesterren en actiniën een zenuwstelsel ontdekt heeft. _Dr. Spix_ verzekert bij de roode zeester een vlechtwerk van witte knoopen en vezels gezien te hebben onder het bindweefselvlies dat als een tent over de maag is uitgespannen. Voorts waren er aan de basis van elken straal twee knoopen of gangliën, onderling door een netwerk verbonden en van waaruit andere netten naar de naburige organen verloopen, o.a. twee flinke lange over de geheele lengte van den straal, die de voetjes voorzien.

Volgens zijn waarnemingen vindt men per straal: twee zenuwknoopen, een uitstulping van de maag, twee leverlobben, twee eierstokken en tracheekanalen.

Bij de zeeanemonen observeerde _Dr. Spix_ in den voet onder de maag eenige paren gangliën rondom een middelpunt en onderling verbonden door cylindrische netten waarvan er ook naar de hooger gelegen deelen verloopen; buitendien vier ovariën rond de maag, van welker basis kanalen gaan die na zich vereenigd te hebben zich op een lager gelegen punt in de voedselholte uitstorten.--Hoe verwonderlijk, dat dermate samengestelde organen aan de aandacht der betreffende onderzoekers zijn ontsnapt!

Indien _Dr. Spix_ zich in zijn waarnemingen niet vergist heeft door aan die organen een verkeerden aard en functie toe te kennen--wat zooveel botanici overkomen is, die geslachtelijkheid bij welhaast alle cryptogamen gezien meenen te hebben,--dan is het resultaat:

1e. Dat men niet langer het zenuwstelsel moet beschouwen als te beginnen bij de insecten, maar

2e. bij de wormen, straaldieren en zelfs bij Actinia, het laatste geslacht der polypen;

3e. Dat daarom nog niet alle polypen zoo'n stelsel in beginsel behoeven te bezitten--(evenmin als bijvoorbeeld _alle_ reptielen kieuwen hebben);

4e. Dat desalniettemin het zenuwstelsel een bijzonder orgaan is, niet bij alle levende wezens voorkomend, noch bij de planten, noch bij alle dieren. Want, gelijk aangetoond, is zijn tegenwoordigheid bij de infusoriën uitgesloten en voorzeker ook bij de meerderheid der polypen; men zou het bijv. tevergeefs zoeken bij de zoetwaterpolyp, die intusschen toch tot de laatste orde van die klasse behoort, welke orde het dichtst bij de radiaten staat, als bevattende ook de actiniën.

Hoezeer gegrond dus de bovengenoemde feiten ook mogen zijn, de in dit werk uiteengezette beschouwingen omtrent de achtereenvolgende vorming der verschillende bijzondere organen blijven onaangetast bestaan, op welken trap van de scala der dieren zij ook een aanvang nemen. En altijd geldt dit: dat de dierlijke functies pas beginnen plaats te hebben bij het optreden van de betreffende organen.

OVERZICHT DER RADIATA

ORDE I. WEEKE STRAALDIEREN

_Lichaam geleiachtig; huid week en doorschijnend, zonder gelede stekels; anus ontbreekt._

Stephanomia. Lucernaria (Bekerkwallen). Physophora (Blaaskwal). Physalia (Portugeesch oorlogsschip). Velella (Zeilkwal). Porpita (Platte buiskwal). Pyrosoma (Vuurrol [34]). Beroë (Ribkwal). Aequorea (Hydromeduse). Rhizostoma (Longkwal). Medusa (Groote kwal).

ORDE II. STEKELHUIDIGE STRAALDIEREN (RADIATA ECHINODERMATA)

_Huid ondoorschijnend, korst- of lederachtig met intrekbare voetjes of op knobbeltjes bewegelijk bevestigde stekels en (dan) met rijen gaatjes._

_1. Zeesterren. Huid niet prikkelbaar maar beweeglijk; geen anus._

Ophiura (Slangster). Asterias (Zeester).

_2. Zeeëgels. Huid noch prikkelbaar, noch beweeglijk; een anus._

Clypeaster (Zeeschild). Cassidulus. Spatangus (Zeeklit). Ananchytes. Galerites. Nucleolites. Echinus (Zeeegel).

3. _Zeekomkommers. Lichaam verlengd, huid beweeglijk en prikkelbaar; een anus._

Holothuria (Zeekomkommer). Sipuncules (Spuitworm [35]).

_Opmerking._

Sipunculus is zeer verwant met de wormen; wegens het ontdekken van hun betrekkingen tot de holothuren zijn ze bij de straaldieren geplaatst(†), wier eigenschappen ze niet meer vertoonen en aan welker einde ze derhalve moeten komen.

Bij een goede natuurlijke indeeling vertoonen de eerste en de laatste genera der klassen de klassieke karaktertrekken het minst uitgesproken, wijl ze zich op den grens bevinden. En aangezien de scheidingslijnen kunstmatig zijn moeten zij wel die eigenschappen van hun klasse in mindere mate bezitten.

KLASSE IV. VERMES (WORMEN)

_Weeke dieren, zich voortplantende met oneigenlijke eieren; lang van vorm zonder kop, oogen of pooten en zonder trilhaargroepen of bloedsomloop; compleet spijsverteringsorgaan, met twee openingen. Mond bestaande uit een of meerdere zuignappen._

_Opmerkingen._

De algemeene gedaante der _wormen_ is zeer verschillend van die der straaldieren en hun zuig-mond heeft geen enkele overeenkomst met dien der polypen welke slechts bestaat uit een opening, straalsgewijze omgeven door tentakels of raderorganen. De wormen hebben in 't algemeen een zeer weinig samentrekbaar lichaam, ofschoon zeer week en het ingewand is niet langer voorzien van slechts een enkele opening.

Bij de holothuren heeft de natuur voor 't eerst den straalsgewijzen bouw verlaten en het lichaam een langwerpigen vorm gegeven, de eenige, die tot het voorgestelde doel kon leiden.

Te beginnen met de wormen zal zij voortaan streven naar het beginsel van _symmetrie tusschen gepaarde deelen_, de weg waarheen leidt over den geleden lichaamsbouw; maar in de i.z.o. tweevormige klasse der _vermes_ zijn daarvan ternauwernood de grondslagen gelegd.

OVERZICHT DER VERMES

ORDE I. ROLRONDE WORMEN

Gordius (Koordworm). Filaria (Draadworm). Proboscides. Crino. Ascaris (Spoelworm). Fissula. Trichocephalus (Haarkopworm). Cucullanus. Strongylus (Palissadenworm). Scolex (Blaasworm). Caryophyllaeus (Anjelierworm). Tentacularia. Echinorhynchus. (Hakenworm).

ORDE II. BLAASWORMEN

Bicornis (Ditrachycera). Hydatis (Worm-blaas).

ORDE III. PLATWORMEN

Taenia (Lintworm). Linguatula (Wormspin). Ligula (Vogellintwormpje). Fasciola (Leverbot).

ORGANISATIE VAN DEN IIIen GRAAD

Zie Tabel I

(_Insecten en Spinachtige dieren_).

KLASSE V. INSECTA

Eierleggende dieren, die een gedaanteverwisseling ondergaan, vleugels kunnen hebben en in volkomen staat zes gelede pooten, twee sprieten, twee facetoogen en een verhoornde huid bezitten. Ademhaling door luchthoudende tracheeën die zich in alle deelen uitstrekken; geen bloedsomloop; gescheiden geslacht met een enkele bevruchting gedurende den loop van het leven (†).

_Opmerkingen._

Bij de insecten aangekomen bevinden we bij de uiterst talrijke dieren dezer klasse een staat van zaken, totaal afwijkend van dien in de vier vorige. In plaats van een kleinen vooruitgang in bewerktuiging heeft men dan ook een belangrijken sprong gemaakt.

Bij deze dieren toch ontmoeten we bij uitwendige beschouwing voor de eerste maal een werkelijken, duidelijken _kop_; zeer merkwaardige, ofschoon nog onvolkomen oogen; gelede pooten op twee rijen geplaatst, en het beginsel van symmetrie tusschen gepaarde deelen, dat de natuur voortaan tot bij de meest volkomen dieren zal toepassen.

Inwendig treffen we een volledig zenuwstelsel aan, bestaande uit zenuwen, die uitloopen in een _ganglieketen_. Maar ofschoon volledig is het nog verre van volmaakt daar het gevoelscentrum zeer verbrokkeld is en de zinnen zelve weinige in getal en zeer duister zijn. Ten slotte vinden wij er nog een werkelijk spierstelsel en gescheiden geslachten die echter, evenals de planten, slechts tot één enkele bevruchting in staat zijn(†).

Weliswaar ontbreekt alsnog een _bloedsomloop_, welke perfectioneering van bewerktuiging men hooger in de dierenketen moet zoeken.

Aan alle _insecten_ zijn in volwassen staat vleugels eigen; diegene, waarbij ze ontbreken, hebben ze door constant geworden reductie verloren.

In het hier volgende overzicht is het aantal geslachten tot ver onder het gebruikelijke teruggebracht. Het belang van de studie, de eenvoud en duidelijkheid van de methode schenen mij die besnoeiïng noodig te maken, die overigens aan de wetenschap geen schade behoeft te doen. Alle voorhanden bijzonderheden in de eigenschappen der planten en dieren aan te grijpen om het aantal genera tot het oneindige te vermeerderen is, wel verre van de wetenschap te dienen, deze fnuiken en verduisteren, en de studie zoo samengesteld en moeilijk maken, dat zij nog slechts uitvoerbaar blijft voor diegenen, die hun heele leven zouden willen wijden aan het leeren kennen van de geweldige nomenclatuur en de pietluttige bijzonderheden ter onderscheiding dezer dieren.

OVERZICHT DER INSECTEN

[ERROR: unhandled comment start] Make SGML validator happy -->

(A) ZUIGERS

_Bek met zuigslurf, met of zonder scheede._

ORDE I. APTERA (VLEUGELLOOZEN.)

_Een tweekleppige drieledige snuit, een uit twee borstels bestaande slurf insluitend.--De vleugels gewoonlijk bij beide sexen onontwikkeld; pootlooze larve; onbeweeglijke pop in een cocon._

Pulex (Vloo)

ORDE II. DIPTERA (TWEEVLEUGELIGEN)

_Slurf ongeleed, recht of gebogen, soms intrekbaar. Twee naakte vleugels, vliezig en van aderen voorzien; twee kolfjes; larve een meest pootlooze made._

Hippobosca (Paardenluisvlieg). -- Oestrus (Schapenhorzel). -- Stratiomys (Doornrug). Syrphus (Zweefvlieg). Anthrax(Rouwvlieg). Musca (Huisvlieg). -- Stomoxys (Steekvlieg). Myopa. ) Conops. ) (Dikkopvlieg). Empis (Dansvlieg). Bombylius (Hommelvlieg). Asilus (Roofvlieg). Tabanus (Daas). Rhagio (Leptis, Snipvlieg). -- Culex (Steekmug). Tipula (Langpootmug). Simulium (Kriebelmugje). Bibio (Vliegmug).

ORDE III. HEMIPTERA (HALFVLEUGELIGEN)

_Snuit scherp, geleed, onder de borst gebogen en als scheede dienende voor een uit 3 borstels bestaande slurf.--Twee vleugels, onder vliezige dekschilden verborgen; larf zespootig; beweeglijke en etende pop._

Dorthesia (Brandnetelluis). Coccus (Schildluis). Psylla (Bladvloo). Aphis (Bladluis). Aleurodes (Motschildluis). Thrips (Blaaspoot). -- Cicada. Fulgora (Lantaarndrager). Tettigonia. -- Scutellera (Schildwants). Pentatoma (Frambozenwants). Cimex (Bedwants). Corteus (Randwants). Reduvius (Roofwants.) Hydrometra (Schaatsenrijder). -- Gerris. Nepa (Waterschorpioen). Notonecta (Rugzwemmer). Naucoris (Zwemwants). Corisa (Duikerwants).

ORDE IV. LEPIDOPTERA (VLINDERS)

_Slurf uit twee stukken bestaande zonder scheede, een buisvormige snuit gelijk en spiraalvormig opgerold in rust.--Vier vliezige vleugels, bedekt met gekleurde en meelachtige schubben.--Larf met acht tot zestien pooten; pop onbeweeglijk._

1. _Sprieten priem- of borstelvormig._

Pterophorus (Vedermot). Orneodes (Kamperfoeliemot). Cerostoma (Motten). Tinea. Alucita (Zespennige Vlinder). Adela (Mot). Pyralis (Meelmot). -- Noctua (Uil). Phalaena. Bombyx (Zijdevlinder). Hepialus (o.a. Hopvlinder, Heidewortelvlinder).

2. _Sprieten ergens verdikt._

Zygaena (St. Jansvlinders of Bloedvlekjes). Papilio (Koninginnepage). Sphinx (Pijlstaart). Sesia (Wespvlinder).

(B) BIJTERS

_Bek met bovenkaken, meest begeleid door onderkaken_.

ORDE V. HYMENOPTERA (VLIESVLEUGELIGEN)

_Bovenkaken en een uit drie min of meer verlengde stukken bestaande slurf, waarvan de basis in een korte scheede besloten is.--Vier naakte vleugels, vliezig, geaderd en ongelijk van vorm; anus van de wijfjes met een stekel of legboor bewapend; pop onbeweeglijk._

1. _Anus der wijfjes met een stekel gewapend._

Apis (Bij). Monomelita. Nomada (Wespbij, Koekoeksbij). Eucera (Langsprietbij). Andrena (Graafbij). Vespa (Wesp). Polistes (Plooiwesp). Formica (Mier). Mutilla (Mierenwesp). Scolia (Dolkwespen). Tiphia. Bembex (Bastaardwesp). Crabro (Graafwesp). Sphex (o.a. Sprinkhanenjager).

2. _Anus der wijfjes voorzien van een legboor._

Chrysis (Goudwesp) Oxyurus. -- Leucopsis (een dipteer). Chalcis (Metaalwesp). Cynips (Galwesp). Diplolepis (") Ichneumon (Sluipwesp). -- Evania (Hongerwesp). Foenus (Jichtwesp). -- Urocerus. Oryssus (Houtwesp). Tenthredo (Bladwesp). Clavellaria (").

ORDE VI. NEUROPTERA (NETVLEUGELIGEN)

_Boven- en onderkaken.--Vier naakte, vliezige vleugelen met een netwerk van aderen; achterlijf verlengd en zonder stekels of legboor; larve zespootig; metamorphose verschillend._

1. _Pop onbeweeglijk._

Perla. } Nemura. } (Perlarien) Phryganea (Kokerjuffer). Hemerobius (Gaasvlieg). Ascalaphus (Vlinderhaft). Myrmeleon (Mierenleeuw).

2. _Pop beweeglijk._

Nemoptera (Draadhalft). Panorpa (Schorpioenvlieg). Psocus (Houtvlieg). Termes (Termiet). -- Corydalis (een Grootvleugel). Chauliodes. Raphidia (Kameelhalsvlieg). Ephemera (Haft). -- Agrion (Waterjuffer). Aeschna (Glazenmaker). Libellula (Libel).

ORDE VII. ORTHOPTERA (RECHTVLEUGELIGEN)

_Bovenkaken en door een helm bedekte onderkaken. Twee rechte vleugels, overlangs opgevouwen en bedekt door bijna vliezige elytren.--Larf als het volwassen insect, maar zonder vleugels of dekschilden; beweeglijke pop._

Locusta (Sabelsprinkhaan). Acheta (Huiskrekel). Acridium (Treksprinkhaan). Truxalis. -- Mantis (Bidsprinkhaan). Phasma. Spectrum (Wandelende Tak). -- Gryllus (Krekel). Blatta (Kakkerlak). Forficula (Oorworm).

ORDE VIII. COLEOPTERA (KEVERS)

_Boven- en onderkaken.--Twee vliezige vleugels, in rust overdwars gevouwen en onder twee kortere harde of leerachtige schilden.--Larf zespootig, blind en met beschubden kop; pop onbeweeglijk._

1. _Twee of drie leden aan alle tarsen._

Pselaphus. -- Coccinella (Lieveheersbeestje). Eumorphus.

2. _Vier leden aan alle tarsen._

Erotylus (Zwamkever). Cassida (Schildpadtor). Chrysomela (Goudhaantje). Necydalis (Wespenbok). Callidium (Prachtbok). Cerambyx (Heldenbok). Galeruca (Helmkever). Crioceris (Haantje). Clytra (Zakkever). Cryptocephalus. -- Leptura (Smallebloemenbok). Stenocorus. Saperda (Populierenboktor). -- Prionus (Breede bok). Spondylis (Woudbok). -- Bostrychus (Boorkever). Mycetophagus (Zwameter). Trogosita (Meeltor). Cucujus (Schorskever). Bruchus (Erwtenkever). Attelabus (Eikenbladroller). Brenthus (Langkever). Curculio (Snuittor). Brachycerus.

3. _Vijf leden aan de tarsen van de twee voorste pootparen, vier aan die van het achterste paar._

Opatrum (Dofzwarte zandtor). Tenebrio (Meelworm). Blaps (Rouwkever). Pimelia (Vetkever). Sepidium. Scaurus. Erodius. Chiroscelis. -- Helops. Diaperis. -- Cistela. Mordella (Wigkever). Rhipiphorus (Waaierkever). Pyrochroa (Vuurkever). Cossyphus. Notoxus (Spitsrugkever). Lagria (Haartor). Cercoma. Apalus. Horia. Mylabris (Blaaskever). Cantharis (Weekschildkever). Meloë (Oliekever).

4. _Aan alle tarsen vijf leedjes._

Lymexylon (Werfkever). Telephorus (=Cantharis). Malachius (Koperen tor). Melyris. Lampyris (Glimworm). Lycus. Omalysus. Drilus (Slakkentor). -- Melasis. Buprestis (Prachtkever). Elater (Kniptor). -- -- Hydrophilus (Pikzwarte watertor). Gyrinus (Draaikever). Dryops. Clerus (Bonte kever). -- Necrophorus (Doodgraver) Silpha (Aaskever). Nitidula (Glanskever). Ips (Graveertor; Bastkevers). Dermestes (Spektor). Ptilinus. Anobium (Klappertje). Ptinus (Diefje). -- Staphylinus (Kortschildkever). Oxyporus. Paederus (Kortvleugeltor). -- Cicindela (Zandkever). Elaphrus (Ooverlooper). Scarites (Vingertor). Mantichora (Zandkever). Carabus (Loopkever). Dytiscus (Watertor). Anthrenus (Museum tor). Byrrhus (Pillenkever). Hister (Krengtor). Sphaeridium (Koemestkever). -- Trox. Cetonia (Gouden tor). Goliathus (Goliathkever). Melolontha (Meikever). Lethrus (Wingerdsnijder). Geotrupes (Mestkever). Copris (Spaansche kever). Scarabaeus (Heilige tor). Passalus (Suikerkever). Lucanus (Vliegend hert).

KLASSE VI. ARACHNIDA (SPINACHTIGEN)

Zie Tabel I

_Opmerkingen._

De spinachtige dieren, die in onze rangschikking na de insecten komen, hebben een kennelijken vooruitgang in bewerktuiging te boeken. Zoo vertoont zich feitelijk de geslachtelijke voortplanting voor 't eerst in zijn typischen vorm, daar deze dieren zich meerdere malen in den loop van hun leven paren en voortplanten (de insecten slechts één keer, evenals de planten). Voorts vinden we hier ook het eerste optreden van een bloedsomloop, want volgens de waarnemingen van _Cuvier_ treft men bij hen een hart aan, waarvanuit twee of drie paar bloedvaten loopen.

De arachnida leven in de lucht, evenals de volwassen insecten, maar ze ondergaan volstrekt geen gedaanteverwisseling, hebben nooit vleugels of dekschilden (zonder dat dit het gevolg is van reductie) en leven gewoonlijk verborgen, althans eenzaam, terwijl ze zich voeden met hun prooi, daaruit tenminste bloed zuigen.

Bij de arachniden gaat de ademhaling nog op dezelfde wijze als bij de insecten, maar dit is op het punt van te veranderen; want de tracheeën zijn hier zeer beperkt, om zoo te zeggen verworden en strekken zich niet in alle deelen van het lichaam uit. Ze zijn gelimiteerd tot een klein aantal blaasjes, volgens de mededeelingen van _Cuvier_ (Anatom. vol. IV, p. 419). Bij geen enkel dier van de hierna volgende klassen vinden we dit ademstelsel terug.

OVERZICHT DER SPINACHTIGE DIEREN

ORDE I. ARACHNIDA PALPATA

_Geen sprieten maar slechts palpen; kop met borststuk versmolten; acht pooten._

Mygale (Vogelspin). Aranea (Kruisspin). Phrynus (Zweefschorpioen). Thelyphonus (Draadschorpioen). Scorpio (Schorpioen). -- Chelifer (Boekenschorpioen). Galeodes (Rolspin). Phalangium (Hooiwagen). Trogulus. Elays. Trombidion (Loopmijt). -- Hydrachna (Watermijt). Bdella (Snavelmijt). Acarus (Mijt). Nymphon (Zeespin). Pycnogonum (Zeespin).

ORDE II. ARACHNIDA ANTENNATA

_Twee sprieten; kop en borststuk afzonderlijk._

Pediculus (Luis). Ricinus (Hondenteek).

Forbicina. Podura (Springstaart). -- Scolopendra (Duizendpoot) Scutigera (Schilddrager). Julus (Milioenpoot).

ORGANISATIE VAN DEN IVen GRAAD

Zie Tabel I

(_Crustacea, Annelida, Cirripedia en Mollusca_).

Eierleggende dieren met geleed lichaam en ledematen, verharde huid, verscheidene paren kaken en op den kop oogen en sprieten. Ademhaling met kieuwen; een hart en bloedvaten.

_Opmerkingen._

Bij de formeering der schaaldieren heeft de natuur blijkbaar weer een aanzienlijken vooruitgang gemaakt.--Vooreerst verschilt het ademhalingssysteem ten eene male van dat der spinachtige en gekorven dieren; het betreffende stelsel namelijk (de _kieuwen_) wordt tot bij de visschen toegepast. Tracheeën zullen we niet meer aantreffen en de kieuwen zelf verdwijnen pas met het optreden van cellongen.

Voorts is de _bloedsomloop_,--bij de arachniden nog pas in staat van wording,--hier tot volle ontwikkeling gekomen, want bij de _crustacea_ vindt men een hart en slagaderen, die het bloed naar de verschillende deelen van het lichaam stuwen alsmede aders voor de terugleiding naar het centrum der circulatie.

De geleding geschiedt nog op dezelfde manier als bij insecten en spinnen, waar door verharding van de huid de spier-werking vergemakkelijkt is; maar voortaan zal de natuur dit stelsel verlaten ten gunste van een ander.

De meeste schaaldieren leven in het water, 't zij zout, brak of zoet; slechts sommige houden zich op 't land op en ademen met hun kieuwen lucht in; ze voeden zich zonder uitzondering met dierlijk voedsel (†).

OVERZICHT DER SCHAALDIEREN

ORDE I. CRUSTACEA MET ZITTENDE OOGEN

_De oogen zittend en onbeweeglijk._

Oniscus (Pissebed). Ligia (Zeepissebed). Asellus (Waterspin). Cyamus (Walvischluis). Gammarus (Vlookreeft). Caprella(Spookkreeftje). -- Cyclops (Eenoog). Zoea (Larvevorm). Cephaloculus. Anymone. Daphnia (Watervloo). Lynceus. Osole. Limulus (Degenkrab). Caligus (Vischluis). Polyphemus (Roof-watervloo).

ORDE II. CRUSTACEA MET GESTEELDE OOGEN

_Twee duidelijke oogen op beweeglijke stelen._

1. _Staart verlengd, met zwemblaadjes, haken of haren voorzien._

Branchipus (Kieuwpoot). Squilla (Bidkreeft). Palaemon (Garnaal). Crangon (Garnaal). Palinurus(Langoest). Scyllarus (Beerkreeft). Galathea (Bastaardkreeft). Pagurus (Heremietkreeft). -- Ranina (Kikkerkrab). Albunea (Zandkreeft). Hippa (Bras. Graafkreeft). Corystes (Helmkrab). Porcellana (Porcelein krabbetje).

2. _Staart kort, naakt en tegen de onderzijde van het achterlijf gedrukt._

Pinnotheres. (Erwtenkrabbetje). Leucosia (Bolkrab). Arctopsis. Maia (Spinkrab).

Matuta. Orithyia. Podophthalmus. Dorippe (Camoufleerkrab). Plagusia. Grapsus (Rotskrab), Ocypode (Zandkrab). Calappa (Schaamkrab). Hepatus (Chilikrab). Dromia (Wolkrab). Cancer (Noordzeekrab).

KLASSE VIII. ANNELIDA (RINGWORMEN)

_Eierleggende dieren met verlengd, week lichaam, overdwars geringd, zelden met oogen of duidelijken kop en zonder gelede pooten. Aderen en slagaderen voor den bloedsomloop; ademhaling door kieuwen; een ganglieketen._

_Opmerkingen._

Bij de ringwormen ziet men een poging der natuur tot het verlaten van den geleden lichaamsbouw der insecten, crustaceeën en spinachtigen. Het lange, weeke lichaam, meestal eenvoudig in ringen verdeeld, geeft hun schijnbaar het onvolkomen voorkomen der _wormen_, waarmede zij verward zijn. Maar het bezit van arteriën en venen en de ademhaling door kieuwen doet deze dieren den overgang vormen van de schaal- tot de week-dieren.

Zij missen gelede pooten [36], en de meerderheid voert in plaats daarvan (bundels van) haren. Bijna alle zijn zuigers en voeden zich slechts met vloeibare stoffen.

OVERZICHT DER RINGWORMEN

ORDE I. CRYPTOBRANCHIATA (BEDEKTKIEUWIGE ANNELIDEN)

Planaria (Platworm). Sanguisuga (Bloedzuiger). Lernaea (Haantje). [37] Clavella.2 -- Furia. Nais (Zoetwaterborstelwormpje). Lumbricus (Regen worm). Thalassema (Echiuride).

ORDE II. GYMNOBRANCHIATA (NAAKTKIEUWIGE ANNELIDEN)

Arenicola (Zeepier). Amphinome.-- Aprodite (Zeemuis). Nereis (Zeeduizendpoot). -- Terebella (Schelpkokerworm). Amphitrite (Schelpkokerworm). Sabellaria (Zandkokerworm). -- Serpula (Kalkkokerworm). Spirorbis (Spiraalkokerwormpje). Siliquaria. } [38] Dentallium. }

KLASSE IX. CIRRIPEDIA (RANKPOOTIGEN)

_Eierleggende dieren met een schaal, zonder kop of oogen; een mantel bekleedt van binnen de schaal; gelede armen met hoornachtige huid; mond met twee paar kaken. Ademhaling met kieuwen; een ganglieketen, bloedvaten aanwezig._

_Opmerkingen._

Ofschoon men van deze groep nog slechts een gering aantal geslachten kent zijn de eigenschappen dezer dieren zóó singulier, dat zij de opstelling van een afzonderlijke klasse eischen.

De _cirripediën_ kunnen, als hebbende een schaal en mantel, en kop met oogen missende, geen crustaceeën zijn; hun rank-armen verzetten zich tegen een groepeering onder de anneliden en de ganglieketen tegen die bij de mollusken.

OVERZICHT DER RANKPOOTIGEN

Tubicinella. } op walvisschen Coronula. } groeiende r.p. Balanus (Zeepok). Lepas (Eendemossel).

_Opmerking._

Men ziet, dat de _rankpootigen_ nog met de ringwormen overeenkomen door de ganglieketen. Maar ze zijn al een voorbereiding tot de mollusken, hetgeen blijkt uit den mantel, waarmee de binnenzijde der schaal bekleed is.

KLASSE X. MOLLUSCA (WEEKDIEREN)

Zie Tabel I

_De meeste zijn gehuld in een schelp; bij sommige is deze meer of minder in het lichaam besloten en bij nog andere ontbreekt ze geheel._

_Opmerkingen._

De _weekdieren_ zijn het best georganiseerd van alle evertebraten, d.w.z. het meest samengesteld en den visschen het naast bestaande.--Ze vormen een rijkvertakte klasse als afsluiting der ongewervelde dieren, bij uitstek van de overige onderscheiden doordat het zenuwstelsel noch uit een ruggemerg noch uit een ganglieketen bestaat.

De natuur schijnt, op den drempel van de bewerktuiging der _vertebraten_, de noodige toebereidselen daartoe te treffen. De mollusken, die met een geleed huidskelet voorgoed gebroken hebben, zijn dan ook zeer langzaam in hun bewegingen en schijnen in zooverre zelfs lager georganiseerd dan de insecten. En voorts laten zij vooral in hun zenuwstelsel een overgangstoestand zien tusschen de ongewervelde en de gewervelde dieren en zijn in dat opzicht goed gekarakteriseerd tegenover de andere evertebraten.

OVERZICHT VAN DE WEEKDIEREN

ORDE I. KOPLOOZE WEEKDIEREN (MOLLUSCA ACEPHALOTA)

_Geen kop, oogen of kauwwerktuigen; voortplanting zonder paring. De meeste hebben een tweekleppige, scharnierende schelp._

BRACHIOPODA

Lingula. } "Armpootige Terebratula. } Weekdieren" Orbicula. }

OSTRACEAE

Radiolites. Calceola. Crania (Brachiopode). Anomia (Zadelmossel). Placuna (Zadelschelp). Vulsella (Tangmossel). Ostrea (Oester). Gryphaea. Plicatula. Spondylus (Klepoester). Pecten (Kam- of Jacobsschelp).

BYSSIFERAE

Pedum. Lima (Vijlmossel). Pinna (Steekmossel). Mytilus (Mossel). Modiola (Baardmossel). Crenatula. Perna. Malleus (Hamermossel). Avicula (Vogelmossel). --

CHAMACEAE

Ætheria (Afr. zoetwateroesters). Chama (Gaapmossel). Diceras. Corbula (Korfje). Pandora. --

NAJADES

Unio (Schildersmossel). Anodonta (Vijvermossel).

ARCACEAE

Nucula (Nootschelp). Pectunculus. Arca (Arkmossel). Cuculaea. Trigonia (Driehoekschelp). --

CARDIACEAE

Tridacna (Reuzenschelp). Hippopus (Paardevoet). Cardium (Kokkel). Isocardia (Hartkromp). Cardita.

CONCHIAE

Venericardia. Venus (Venusschelp). Cytherea. Donax (Zaagje). Tellina (Platschelp). Lucina. Cyclas (Hoornschaal). Galathaea. Capsa.

MACTRACEAE

Erycina. Ungulina. Crassatella (Dikschelp). Lutraria (Slijkschelp). Mactra (Strandschelp). --

MYIDAE

Mya (Gaper). Panopea. Anatina (Eendenschelp).

SOLENACEAE

Glycymeris. Solen (Messcheede). Sanguinolaria. Petricola. (Steenboorder). Saxicava. (Steenboorder). Rupellaria.

PHOLADIDAE

Pholas (Baardmossel). Teredo (Paalworm). Fistulana (Zandpijp). Aspergillum (Gieterschelp). --

ASCIDIAE [39]

Ascidia (Zakpijp). Salpa (Glaspijp). Mammaria.

ORDE II. WEEKDIEREN MET KOP (MOLLUSCA CEPHALA)

_Een duidelijke kop, oogen, en gewoonlijk twee of vier voelers; in den bek kaken of een slurf; voortplanting door paring. Schelp indien aanwezig, nooit tweekleppig._

I. PTEROPODA (VLEUGELSLAKJES)

_Twee zijdelingsche, vinvormige vleugels._

Hyalea. Geschaalde } Pneumodermon. } } Vleugelslakken. Clio. } Ongeschaalde }

II. GASTEROPODA (BUIKVOETIGEN)

_A. Lichaam recht, over (bijna) de heele lengte met den voet vereenigd._

TRITONIDAE

Glaucus (Zeeblauwe drijfslak). Aeolis (Draadslak). Scyllaea (Sargassumslak). Tritonia. Tethys (Zeilslak). Doris (Sterslak).

PHYLLIDIIDAE

Pleurobranchus (Schildpadslak). Phyllidia. Oscabrium (keverslak). Patella (Napje). Fissurella (Sleutelgathoren). Emarginula.

APLYSIIDAE

Aplysia (Zeehaas). Dolabella. Bullaea. Sigaretus.--

LIMACEAE

Oncidium (Zee-longslak). Limax (Veldslak). Parmacella. Vitrina (Glashoren). Testacella (Vleeschetende schaaltjesslak).

_B. Lichaam spiraalvormig; geen sipho._

HELICIDAE

Helix (Gew. Huisjesslak). Helicina. Bulimus (Veelvraatslak). Amphibulimus. Achatina (Patrijsslak). Pupa (Tonhorentje).

ORBACEAE

Cyclostoma (Rondmond). Vivipara (Moerasslak). Planorbis (Posthoornslak). Ampullaria (Kogelslak).

AURICULACEAE

Auricula (Oorslak). Melanopsis-- Melania (Levendbarende zoetwaterslak). Limnaeus (Poelslak).

NERITACEAE

Neritina. Nacella (Beekslak). Nerita. Natica (Tepelhoren).

STOMATACEAE

Haliotis (Zeeoor). Stomatia. Stomatella.

TURBINACEAE

Phasianella. Turbo (Maanhoren). Monodonta. Delphinula.-- Scalaria (Wenteltrapje). Turritella (Torentje). Vermicularia?

HETEROCLITA

Volavria. Bulla (Blaasslak). Janthina (Kwalboot- of viooltjesslak).

CALYPTRACEAE

Crepidula (Pantoffelslak). Calyptraea. Solarium (Zonnewijzer). Trochus (Tolhoren).

_C. Lichaam spiraalvormig; een sipho._

CANALIFERAE

Cerithium (Naaldslak). Pleurotoma (Slurfrand). Pyrula (Peerslak). Murex (Stekelhoorn). Turbinella. Fasciolaria (Bandslak). Fusus (Spilhoren).

ALATAE

Rostellaria. Pterocera (Duivelsklauw). Strombus (Springende slak).

PURPURACEAE

Cassis (Stormkap). Harpa (Harpslak). Dolium (Tonslak). Terebra (Schroefslak). Eburna. Buccinum (Wulk). Concholepas (Chili-purperslak). Monoceros. Purpura (Purperslak). Nassa (Fuikhoorn).

COLUMBELLACEAE

Cancellaria (Tralieslak). Marginella. Columbella (Duifjesslak). Mitra (Mijterslak). Voluta (Plooihoren).

INVOLUTAE

Ancillaria. Oliva (Olijfhoren). Terebellum. Ovula. Cypraea (Porceleinhoorn). Conus (Kegelhoorn).

III. CEPHALOPODA

_A. Schaal veelkamerig (bijna alle fossiel)._

LENTICULACEAE

Miliolites. Gyrogonites. Rotalites. Numulites. Renulites. Discorbites. Lenticulina.

LITUOLACEAE

Lituolites. Spirolinites. Spirula. Orthoceras. Hippurites. Belemnites.

NAUTILACEAE

Baculites. Turrilites. Ammonoceratites. Ammonites. Orbulites. Nautilus.

_B. Schaal met een kamer._

ARGONAUTACEAE (_Levend_)

Argonauta (Papiernautilus). Carinaria (Kielslak).

_C. Schaal ontbreekt._

SEPIALEAE

Octopus (Achtarm, Kraak). Loligo (Pijlinktvisch). Sepia (Zeekat).

GEWERVELDE DIEREN

Deze hebben een wervelkolom, samengesteld uit een reeks van korte, met elkaar geledende beenderen. Deze kolom dient tot steun voor het lichaam, tot grondslag voor het geraamte, als koker voor het ruggemerg en eindigt van voren in een beenigen schedel die de hersenen bevat.

ORGANISATIE VAN DEN Ven GRAAD

Zie Tabel I

(_Visschen en Kruipende dieren_)

KLASSE XI. PISCES (VISSCHEN)

_Eierleggende, koudbloedige vertebraten, in het water levend en ademend door kieuwen. De huid beschubd of wel naakt en slijmig; voortbeweging door vliezige vinnen, gesteund door beenige of kraakbeenige graten._

_Opmerkingen._

De bewerktuiging der visschen is veel volkomener dan die der weekdieren of der vorige klassen, aangezien zij voor 't eerst een wervelkolom vertoonen met ruggemerg benevens een hersenschedel, den aanleg van een skelet, waaraan de spieren steun vinden.

Intusschen zijn hun ademhalingsorganen nog overeenkomstig aan die der week- en schaaldieren, rankpootigen en ringwormen; en nog evenmin als deze bezitten ze een stem of oogleden.

De algemeene lichaamsvorm is aangepast aan het zwemmen en heeft de symmetrie tusschen de gepaarde deelen behouden, die reeds bij de insecten werd aangevangen. Voorts geschiedt van nu af de geleding uitsluitend inwendig, tusschen de deelen van het geraamte.

N.B. Voor de overzichten van de gewervelde dieren heb ik gebruik gemaakt van M. Dumeril, _Zoölogie Analitique_, waarbij ik mij slechts luttele wijzigingen in de rangschikking heb veroorloofd.

OVERZICHT VAN DE VISSCHEN

ORDE I. KRAAKBEENVISSCHEN

_Wervelkolom zacht en kraakbeenachtig; geen talrijke, werkelijke ribben_

1. _Geen kieuwdeksel, noch vlies over de kieuwen._

TREMATOPNEA

_Ademhaling door ronde gaten_

I. TR. CYCLOSTOMATA (RONDBEKKEN)

Gastrobranchus (Lancetvischje). Petromyzon (Lamprei of Prik).

II. TR. PLAGIOSTOMATA (DWARSBEKKEN)

Torpedo (Sidderrog). Raja (Rog). Rhinobatus (Halawi). Squatina (Zeeëngel). Squalus (Speerhaai). Aodon (Zeeduivel).

2. _Geen kieuw-deksel maar een -vlies._

_Kieuwspleten op zijde in den hals; vier gepaarde vinnen._

III.

Batrachus (Paddevisch). Lophius (Hoozemond). Balistes (Hoornvisch). Chimaera (Zeerat).

3. _Een kieuw-deksel maar geen membraan._

ELEUTHEROPOMA

_Vier gepaarde vinnen; bek onder de snuit._

IV.

Polyodon (Lepelsteur). Pegasus (Zwempaardje). Acipenser (Steur).

4. _Een kieuw-deksel en een vlies over de kieuwen._

TELEOBRANCHIA

V. TEL. APHIOSTOMA

Macrorhynchus. Solenostoma (Buismond). Centriscus (Zeesnip).

VI. TEL. PLECOPTERA

Cyclopterus (Snotdolf). Lepadogaster (Slakdolf).

VII. TEL. OSTEODERMA

Ostracion (Koffervisch). Tetrodon (Viertand). Ovoides. Diodon (Egelvisch). Sphaeroides (Ballonvisch). Syngnathus (Zeenaald).

ORDE II. BEEN-VISSCHEN

_Wervelkolom uit beenige, onbuigzame wervels bestaand._

1. _Een kieuw-deksel en een vlies onder de kieuwen._

HOLOBRANCHIA

H. APODA. (VINLOOZEN)

_Onderste gepaarde vinnen ontbreken._

VIII. HOL. PEROPTERA

Caecilia (= Sphagebranchus) Monopterus. Leptocephalus (Palinglarf). Gymnotus (Sidderaal). Trichiurus (Degenvisch). Notopterus. Ophisurus (Slangaal). Apteronotus. Regalecus (Riemvisch).

IX. HOL. PANTOPTERA

Muraena (Murena) Ammodytes (Zandspiering). Ophidium (Slangvisch). Xiphias (Zwaardvisch). Macrognathus. Anarrhichas (Zeewolf). Comephorus (Olievisch). Stromateus (Dekenvisch). Rhombus (= Peprilus, pompano).

H. HOL. JUGULARIA

_Onderste gepaarde vinnen keelstandig voor de borstvinnen._

X. HOL. AUCHENOPTERA

Muraenoides (= Pholis, botervischje). Calliomorus. Uranoscopus (Sterrekijker). Trachinus (Pieterman). Gadus (Kabeljauwachtige). Batrachoides (Sapo). Blennius (Slijmvischje). Oligopus. Kurtus (Kuitkopvisch). Chrysostomus.

H. HOL. THORACICA

_Onderste gepaarde vinnen onder de borstvinnen gelegen._

XI. HOL. PETALOSOMA

Lepidopus (Kousebandvisch). Cepola (Bandvisch). Taenioides. Bostrichthys. Bostrichoides. Gymnetra.

XII. HOL. PLECOPODA

Gobius (Grondel). Gobioides (Barreto).

XIII. HOL. ELEUTHEROPODA

Gobiomorus (Guavina). Gobiomoroides. Echeneis (Koperzuiger).

XIV. HOL. ATRACTOSOMA

Scomber (Makreel). Scomberoides (Springer). Caranx (Marsbanker). Trachinotus (Pampano). Caranxomorus (= Coryphaena). Caesio. Caesiomorus (= Trachinotus). Scomberomorus (= Cybium, Koningsvisch). Gasterosteus (Stekelbaars). Centropodus. Centronotus. Lepisacanthus (= Naucrates, Loodsmannetje). Histiophorus (Zwaardvisch). Pomatomus (= Temnodon).

XV. HOL. LEIOPOMA

Hiatula (= Tautoga). Coris. Gomphosus. Osphromenus (Goerami). Trichopus. Monodactylus (Spadevisch). Plectorhynchus. Pogonias (Trommelvisch). Labrus (Lipvisch). Cheilinus. Cheilodipterus (Kardinaalsvisch). Ophiocephalus (Slangekopvisch). Hologymnotus. Sparus (Booneknaap). Dipterodon (= Apogon, Koning van de Mul). Cheilio. Mullus (Mul of barbeel).

XVI. HOL. OSTEOSTOMA

Scarus (Papegaaivisch). Osteorhynchus. Leiognathus.

XVII. HOL. LOPHIONOTA

Coryphaena (Goudmakreel). Hemipteronotus. Coryphaenoides. Taenianotus. Centrolophus (Zwartvisch). Eques (Riddervisch).

XVIII. HOL. CEPHALOTA

Gobiesox (Schildvisch). Aspidophorus (Harnasman).

Aspidophoroides (Zeestroopertje). Cottus (Knorhaan, donderpad). Scorpaena (Drakenkop).

XIX. HOL. DACTYLEA

Dactylopterus (Vliegende poon). Prionotus (Amerik. poon). Trigla (Poon). Peristedion (Pantserhaan).

XX. HOL. HETEROSOMA

Pleuronectes. Achirus.

XXI. HOL. ACANTHOPOMA

Lutjanus (Snapper, corra). Centropomus (Bima). Bodianus (Poeroentjie). Taenionotus. Sciaena (Schaduwvisch). Micropterus (Zwartbaars). Holocentrus (Stekelvisch). Perca (Baars).

XXII. HOL. LEPTOSOMA

Chaetodon (Borsteltandkoraalvisch). Acanthinion (= Trachinotus). Chaetodipterus (= Ephippus, Oceancobbler). Pomacentrus (Rifvisch). Pomadasys (Burro). Pomacanthus (Tjamba). Holacanthus (Keizervisch). Enoplos. Glyphidodon (Catabalie). Acanthurus (Chirurg). Apisurus. Acanthopus. Selene (Ploegschaarvisch, palometon). Argyreiosus (Moonfish). Zeus (Zonnevisch). Gallus (= Alectio, Zeehaantje). Chrysostomus. Capros (Evervisch).

XXIII. HOL. SIPHONOSTOMA

Fistularia (Tabakspijp). Aulostomus (Trompet). Solenostoma (Pijpbek-zeenaald).

XXIV. HOL. CYLINDROSOMA

Cobitis. } Misgurnus } Modderkruipertje. Anableps (Vieroog). Fundulus (Modder-tandkarpertje). Colubrinus. Amia (Slijkvisch). Butirinus (= Chanos,melkvisch). Tripteronotus (= Coregonus). Ompock.

XXV. HOL. HOPLOPHORA

Silurus (Meerval). Macropteronotus. Malapterurus (Siddermeerval). Pimelodus (Congros barbosos). Doras (Gekielde of trekmeerval). Pogonathus (Pogonias). Cataphractus. Plotosus. Ageneiosus. Macrorhamphosus (Snipvisch). Centranodon. Loricaria (Pantsermeerval). Hypostomus (= Hemiancistrus). Corydoras (Gevlekte Pantsermeerval). Tachysurus.

XXVI. HOL. DIMEREDA

Cirrhites. Cheilodactylus. Polynemus (Mango- of draadvisch). Polydactylus (Barbudos).

XXVII. HOL. LEPIDOMA

Mugil (Harder). Mugiloides. Chanos. Mugilomorus (Elops).

XXVIII. HOL. GYMNOPOMA

Argentina (Zilvervisch). Atherina (Koornaarvisch). Hydrargyra (Tandkarper). Stolephorus (Zilveransjovis). Buro (Amphacanthus). Clupea (Haring). Mystus. Clupanodon (Sardine). Serpa (= Gastropelecus, Bijlvisch). Mene. Dorsuarius } (= Cyphosus, Xyster. } bocachito). Cyprinus (Karpers).

XXIX. HOL. DERMOPTERA

Salmo (Zalm). Osmerus (Spiering). Coregonus (Houting). Characinus. Serrasalmo (Zaagbuikzalm).

XXX. HOL. SIAGONOTA

Elops (Tienponder). Megalops (Tarpon). Esox (Snoek). Synodon (Synodus = hagedisvisch).

Sphyraena (Pijlsnoek).

Lepidosteus (Kaaimanvisch). Polypterus (Snoeksteur). Scombresox (Schipper).

2. _Een kieuw-deksel, maar zonder vlies._

STERNOPTYGIA

XXXI.

Sternoptyx.

3. _Geen kieuwdeksel, wel een vlies._

CRYPTOBRANCHIA

XXXII.

Mormyrus (Nijlvisch). Stylephorus (Griffeldrager).

4. _Geen kieuw-deksel noch vlies; buikvinnen ontbreken._

OPHICHTHYIA

XXXIII.

Unibranchus. Sphagebranchus. Muraenophis (= Muraena). Gymnomuraena.

_Opmerking._

Daar het skelet bij de visschen zich eerst aan het vormen is zijn de z.g. _kraakbeenvisschen_ waarschijnlijk de onvolkomenste.

KLASSE XII. KRUIPENDE DIEREN

Eierleggende, koudbloedige vertebraten; ademhaling, tenminste in volwassen staat, door longen en onvolkomen. Huid naakt, beschubd of met een beenig pantser bedekt.

_Opmerkingen._

Bij vergelijking met de visschen vindt men als merkwaardige vooruitgang in bewerktuiging hier voor 't eerst _longen_, de meest volmaakte ademhalingsorganen, daar zij ook bij den mensch voorkomen. Maar dit stelsel bevindt zich nog slechts in de kinderschoenen en bij verscheidene reptielen ontbreekt het zelfs in de jeugd: hun respiratie is inderdaad nog onvolledig, daar slechts een deel van het bloed de longen passeert.

Ook ziet men bij hen voor 't eerst vier duidelijke ledematen die als aanhangselen van het skelet in het bouwplan der gewervelde dieren meedoen.

OVERZICHT VAN DE REPTILEN

ORDE I. REPTILIA BATRACHIA (TWEESLACHTIGEN)

_Hart met een boezem; huid naakt; twee of vier pooten; in de jeugd kieuwademhaling; geen inwendige bevruchting._

URODELA (GESTAARTE AMPHIBIËN)

Siren (Voorpootsalamander). Proteus (Olm). Triton (Watersalamander). Salamandra (Landsalamander).

ANURA. (STAARTLOOZE AMPH.)

Hyla (Boomkikvorsch). Rana (Kikker). Pipa (Surin. broedpad). Bufo (Pad).

ORDE II. REPTILIA OPHIDIA (SLANGEN)

_Hart met een boezem; lichaam verlengd, smal en zonder pooten of vinnen; geen oogleden._

HOMODERMA

Caecilia (Wormsalamander). Amphisbaena (Wormhagedis). Acrochordus. Ophisaurus (Pantser-slanghagedis). Anguis (Hazelworm). Hydrophis (Distira. zeeslang).

HETERODERMA

Crotalus (Ratelslang). Scytalus. Boa (Afgodslang). Herpeton (Voelhoornslang). Eryx. Vipera (Adder). Coluber (Gestreepte slang). Platurus (Zeeslang).

ORDE III. REPTILIA SAURIA (HAGEDISACHTIGEN)

_Hart met twee boezems; huid beschubd; vier pooten met nagels aan de vingers; tanden in de kaken._

TERETICAUDA

Chalcides (Koperslang). Scincus (Woelhagedis). Gecko. Anolis. Draco. (Vliegend draakje). Agama. Lacerta (Hagedis). Iguana (Leguaan). Stellio (Slingerstaart). Chamaeleon (Kameleon).

PLANICAUDA

Uroplatus (Bladstaart gecko). Tupinambis (Salompenter). Basiliscus. Lophyrus (Lophura?). Dracaena (Tejuhagedis). Crocodilus (Krokodil).

ORDE IV. REPTILIA CHELONIA (SCHILDPADDEN)

_Hart met twee boezems; lichaam met vier pooten en door een pantser bedekt; kaken zonder tanden._

Chelonia (Karetschildpad). Chelys (Franjeschildpad). Emys (Zoetwaterschildpad). Testudo (Landschildpad).

ORGANISATIE VAN DEN VIen GRAAD

Zie Tabel I

_(Vogels en Zoogdieren)_

KLASSE XIII. VOGELS

Zie Tabel I

_Opmerkingen_.

Voorzeker zijn de vogels beter bewerktuigd dan de reptielen of de overige vorige klassen, wegens hun warme bloed, de twee hartkamers en doordat de hersenen de schedelholte vullen, welke eigenschappen ze slechts met de meest volkomene (laatste) klasse deelen.

Toch vormen klaarblijkelijk de vogels nog maar den vóórlaatsten trap van de scala der dieren, als zijnde minder volmaakt dan de zoogdieren door hun eier-leggen, het gemis van melkklieren, middenrif, blaas, enz. Ook bezitten ze minder bijzondere vermogens.

In de volgende tabel merke men op, dat de eerste vier orden vogels omvatten, wier jongen niet dadelijk na het uitkomen kunnen loopen of zich voeden, die van de laatste drie daarentegen wèl. Daarvan schijnt de 7e orde (_palmipedia_) mij weer het naast verwant met de eenvoudigste zoogdieren.

OVERZICHT VAN DE VOGELS

ORDE I. SCANSORES (KLIMVOGELS)

_Twee teenen naar voren, twee naar achteren._

LEVIROSTRES

Psittacus (Papagaai). Cacatus (Kakatoe). Ara (Amazone papegaai). Bucco (Baardkoekkoek). Corythaix (Touraco, Helmvogel). Trogon (Soeroekoe). Musophaga (Banaaneter). Ramphastos (Toekan).

CUNEIROSTRES

Picus (Specht). Yunx (Draaihals). Galbuna (Glansvogel). Crotophaga (Sinonzo, madeneter). Cuculus (Koekkoek).

ORDE II. ACCIPITRES (ROOFVOGELS)

_Een teen naar achter: voorsten teenen volkomen vrij; snavel en klauwen gekromd._

UILEN

Strix (Kerkuil). Bubo (Ooruil). Surnia (Sperweruil).

GIEREN

Sarcoramphus (Condor). Vultur (Gier).

DAGROOFVOGELS

Gryptus. Serpentarius (Secretaris). Aquila (Arend). Buteo (Buizerd). Astur (Havik). Falco (Valk).

ORDE III. PASSERES (ZANGVOGELS)

_Een teen naar achter; de beide buitenste van voren verbonden; beenen van middelmatige langte._

PAS. CRENIROSTRES

Tanagra. Lanius (Klauwier). Muscicapa (Vliegenvangertje). Cotinga. Turdus (Lijster).

PAS. DENTIROSTRES

Buceros (Neushoornvogel). Momotus (Zaagbekscharrelaar). Phytotoma.

PAS. PLENIROSTRES

Gracula (Bo). Paradisea (Paradijsvogel). Coracias (Scharrelaar). Corvus (Kraai, raaf). Pica (Ekster).

PAS. CONIROSTRES

Buphaga (Buffelpikker). Claucopis (Ellea) Trupialis Gacicus ("Voorhoofdsvogel") Sturnus (Spreeuw). Crucirostra } (Kruisbek). Ioxia. } Colius. (Muisvogel). Passer (Musch). Emberiza (Gors).

PAS. SUBULIROSTRES

Pipra. Parus (Mees). Alauda (Leeuwerik). Motacilla (Kwikstaart).

PAS. PLANIROSTRES

Apus (Gierzwaluw). Hirundo (Zwaluw). Caprimulgus (Geitenmelker).

PAS. TENUIROSTRES

Alcedo (IJsvogel). Todus (Platsnavel). Sitta (Boomklever). Orthorincus. Merops (Bijeneter). Trochilus (Kolibri). Certhia (Boomkruiper). Upupa (Hop).

ORDE IV. COLUMBINAE (DUIVEN)

_Snavel week, buigzaam, aan den wortel afgeplat; neusgaten door een washuid bedekt; goede vliegers; legsel van twee eieren._

Columba (Duif).

ORDE V. GALLINAE (HOENDERVOGELS)

_Snavel hard en hoornachtig, aan den wortel afgerond; legsel van meer dan twee eieren_

GAL. ALECTRIDAE

Otis (Trapgans). Pavo (Pauw). Tetrao (Korhoen). Phasianus (Fasant). Numida (Parelhoen). Crax (Hokko). Penelope (Sjakoehoen). Meleagris (Kalkoen).

GAL. BRACHYPTERIDAE

Didus (Dodo). Casuarius (Kasuaris). Rhea (Am. nandoe.) Struthio (Struis).

ORDE VI. GRALLAE (WAAD- OF STRANDVOGELS)

_Loop zeer lang, tot den scheen onbevederd; buitenste teenen aan hun basis vergroeid._

GR. PRESSIROSTRES

Parra (Jassana). Rallus (Waterral). Haematopus (Scholekster). Gallinula (Waterhoen). Fulica (Meerkoet).

GR. CULTRIROSTRES

Hians. Ardea (Reiger). Ciconia (Ooievaar). Grus (Kraanvogel). Mycteria (Reuzen oojevaar) Tantalus (Nimmerzat).

GR. TENUIROSTRES

Avocetta (Kluit). Numenius (Wulp). Scolopax (Houtsnip). Vanellus (Kievit). Charadrius (Pluvier).

GR. LATIROSTRES

Cancroma (Lepelbekreiger, Schoensnavel). Platalea (Lepelaar). Phaenicopterus (Flamingo).

ORDE VII. PALMIPEDES (ZWEMVOETIGEN)

_Teenen door breede vliezen verbonden; loop vrij kort (watervogels)_.

PALM. PINNIPEDES

Plotus (Slanghalsvogel). Phaeton (Keerkringvogel). Sula (Gent). Fregata (Fregatvogel). Phalacrocorax (Aalscholver). Pelecanus (Pelikaan).

PALM. SERRIROSTRES

Mergus (Zaagbek). Anas (Eend). Phaenicopterus (Flamingo). [40]

PALM. LONGIPENNAE

Larus (Meeuw). Diomedea (Albatros). Procellaria (Stormvogel). Recurvirostra (Kluit). Sterna (Zeezwaluw). Rhynchops (Schaarbek).

PALM. BREVIPENNAE

Colymbus (Fuut). Uria (Zeekoet). Alca (Alk). Spheniscus } (Pinguin). Aptenodytes }

MONOTREMATA

_Tusschenvormen tusschen vogels en zoogdieren. Viervoetig, zonder melkklieren, zonder tanden in kassen, zonder lippen en met een enkele opening voor geslachtsproducten, faeces en urine. Lichaam bedekt met haren en stekels._

Ornithorhynchus (Vogelbekdier). Echidna (Mierenegel).

N.B. Van deze dieren is reeds gesproken in hoofdstuk VI, p. 80 alwaar is opgemerkt, dat het noch reptielen, noch vogels, noch zoogdieren zijn.

KLASSE XIV. DE ZOOGDIEREN

(Zie Tabel I)

_Opmerkingen_.

In de natuurlijke Orde, die zoo kennelijk van het eenvoudigere tot het meer samengestelde voortschrijdt vormen de zoogdieren noodwendig de laatste klasse van het dierenrijk, wier leden het meest volkomen ontwikkeld, het meest vermogend, het verstandigst, kortom het allerbest bewerktuigd zijn. Van deze dieren, die het dichtst bij den mensch staan, vormen de zintuigen een meer volkomen geheel met de functies dan bij alle andere. Zij alleen zijn werkelijk levendbarend en geven hun jongen de borst.

Zoo bereikt dan de dierlijke bewerktuiging in de Zoogdieren haar hoogtepunt van volmaking, en daardoor ook het aantal functies. Zij moeten dus aan het einde komen van de geweldige reeks der bestaande dieren.

OVERZICHT VAN DE ZOOGDIEREN

ORDE I. MAMMALIA EXUNGULATA (NAGELLOOZEN)

_Slechts twee ledematen, n.l. de voorste; deze kort, afgeplat, geschikt tot zwemmen en zonder nagels of hoeven_.

CETACEA

Balaena (Walvisch). Balaenoptera (Vinvisch). Physalus. Catodon. } (Potvisch). Physeter. } Monodon (Narwal). Hyperoodon (Bottlenose). Delphinapterus (Beluga of Witte walvisch). Delphinus (Dolfijn).

ORDE II. MAMMALIA AMPHIBIA (KUSTBEWONERS)

_De twee voorste ledematen kort, vinachtig, met klauwtjes aan de vingers; de achterste achterwaarts gericht of vergroeid met het achterdeel van het lichaam, dat den vorm van een vischstaart heeft_ (†)

Phoca (Zeehond). Trichechus (Walrus). Halicore (Dugong). Manatus (Lamantijn).

_Opmerking._

Deze orde is hier slechts geplaatst wegens den algemeenen lichaamsvorm der betreffende dieren. _Zie_ de opm. op p. 79.

ORDE III. MAM. UNGULATA (HOEFDIEREN)

_De vier ledematen zijn slechts geschikt tot loopen; de vingers zijn aan het uiteinde geheel van een hoornen "hoef" omgeven._

SOLIPEDES (EENHOEVIGEN)

Equus (Paarden).

RUMINANTIA (HERKAUWERS)

Bos (Rund). Antilope. Capra (Geit). Ovis (Schaap). Cervus (Hert). Camelopardalis (Giraffe). Camelus (Kameelen). Moschus (Muskusos).

PACHYDERMA (DIKHUIDIGEN)

Rhinoceros (Neushoorn). Hyrax (Klipdas). Tapir. Sus (Zwijn). Elephas (Oliphant). Hippopotamus (Nijlpaard).

ORDE IV. MAM. UNGUICULATA (GENAGELDEN)

_Toegespitste of afgeplatte, vrije nagels aan de vier ledematen._

TARDIGRADA

Bradypus (Luiaard).

EDENTATA (TANDELOOZEN)

Myrmecophaga (Miereneter). Manis (Schubdier). Orycteropus (Aardvarken). Dasypus (Gordeldier).

RODENTIA (KNAAGDIEREN)

Halmaturus (Kangeroo). Lepus (Hazen). Coendu (Boomstekelvarken) Hystrix (Stekelvarken). Chiromys (Vingerdier). Phascolomys (Wombat). Hydromys (Australische beverrat). Castor (Bever). Cavia (Guineesch biggetje). Aspalax (Blindmuis). Sciurus (Eekhoorn). Myoxus (Zevenslaper). Cricetus (Hamster). Arctomys (Marmot). Arvicola (Veldmuis). Ondatra (Fiber Bisamrat). Rattus (Rat).

PEDIMANA (BUIDELDIEREN P. P.)

Didelphis (Buidelrat, Opossum). Perameles (Buideldas). Dasyurus (Buidelmarter). Wombatus [41]. Phalanger (Koeskoes). Phalangista.

PLANTIGRADA (ZOOLTREDERS)

Talpa (Mol). Sorex (Spitsmuis). Ursus (Beer). Cercoleptes (Kinkajoe). Taxus (Das). Nausa (Coati, neusbeer). Erinaceus (Egel). Centetes (Borstelegel).

DIGITIGRADA (TEENGANGERS)

Lutra (Otter). Mungos (Ichneumon). Mephitis (Stinkdier). Mustela (Marter). Felis (Katten). Civetta (Civetkat). Hyaena. Canis (Hond etc.)

CHIROPTERA (VLEERMUIZEN)

Galeopithecus (Vliegende Maki). Rhinolophus (Hoefijzervleermuis). Phyllostoma (Bladneus). Noctilio (Visschende vleermuis). Vespertilio (Gew. Vleermuis). Pteropus (Kalong of vliegende hond).

QUADRUMANA (VIERHANDIGEN)

Galago. Tarsius (Spookdiertje). Stenops (Slanklori). Lemur (Maki). Lichanotus (Wolmaki). Cercopithecus (Meerkat). Papio (Baviaan). Callithrix (Penseelaapje). Cebus (Capucijneraapje). Cynocephalus (= Papio) Pongo } (Menschapen [42]) Pithecus. }

_Opmerking_.

Volgens de hier toegepaste ordening omvat dus de familie der quadrumana de meest volkomene bekende dieren, vooral de laatste genera daarvan, zoodat het geslacht _Pithecus_ de geheele reeks beëindigt, gelijk _Monas_ haar aanvangt. Welk een verschil in bewerktuiging en eigenschappen tusschen die twee genera!

De natuurkundigen, die den mensch uitsluitend naar zijne lichamelijke organisatie beschouwd hebben, hebben voor hem een afzonderlijk geslacht gevormd met zes variëteiten, hetwelk op zich zelf een familie uitmaakt, op de volgende wijze gekarakteriseerd.

BIMANA (TWEEHANDIGEN)

Zoogdieren met gedifferencieerde ledematen, met nagels voorzien, waarvan alleen bij de hand de duim tegenoverstelbaar is.

HOMO

Variteiten:

Kaukasier. Hyperboreer. Mongool Americaan. Maleier. Aethiopier of Neger

Men heeft aan deze familie den naam _tweehandigen_ gegeven, omdat inderdaad alleen de handen van den mensch een opponeerbaren duim hebben, terwijl daarentegen bij de _vierhandigen_ ook de duim van den voet dezelfde eigenschap heeft.

_Eenige opmerkingen betreffende den mensch_

Indien de mensch slechts in lichamelijke bewerktuiging van de dieren verschilde, zou men gemakkelijk kunnen aantoonen, dat zijn speciale eigenschappen alle het gevolg zijn van vroegere veranderingen in handelingen en gewoonten, die aan zijn geslacht eigen zijn geworden.

Indien dan ook door den nood der omstandigheden gedwongen een of ander ras van _quadrumanen_--bij voorkeur het hoogst-staande--de klim-gewoonte op de boomen verloor en daarbij het vastklemmen der takken met handen en voeten; en indien het vele generaties lang gedwongen ware om slechts op voeten te loopen, zoo zouden ongetwijfeld--volgens onze beschouwingen in het vorige hoofdstuk--deze vier- tot _twee-handigen_ omgevormd worden en de groote teenen niet langer van de overige af-staan, aangezien ze nog slechts tot loopen zouden dienen.

Indien voorts de leden van datzelfde ras, door de behoefte om boven hun omgeving uit te steken en te zien, zich inspanden om rechtop te gaan en dit van geslacht op geslacht tot gewoonte maakten, zoo zouden zonder twijfel hun voeten zoetjes aan een voor de opgeheven houding geschikte gestalte aannemen; de kuiten zouden zich aan de beenen ontwikkelen, zoodat ten slotte die dieren nog slechts met moeite op handen en voeten zouden kunnen gaan.

Als ten slotte diezelfde individuen niet langer hun kaken als bijt-, scheur-, of grijp-wapens gebruikten of als tang om kruiden af te plukken, en de functie zich dus bepaalde tot het eigenlijke kauwen, dan zou ongetwijfeld hun gelaatshoek meer open worden,--door het verkorten van de snuit tot verdwijnens toe--waarbij dan de snijtanden een verticalen stand zouden erlangen.

Veronderstellen we eens dat zeker ras van _quadrumanen_, als zijnde het verst voortgeschreden, door standvastige gewoonten de zoo juist beschreven gestalte en het vermogen tot opgerichte houding zou verkregen hebben, en zich gaandeweg boven de andere dieren had weten te verheffen, dan zal men begrijpen:

1e. Dat 't meer geavanceerde ras door zijn heerschende positie zich van alle geschikte plaatsen op de aardoppervlakte zal hebben meester gemaakt.

2e. Dat het andere voortreffelijke rassen, die het de aardsche goederen betwistten, daarvandaan gejaagd zal hebben en hen gedwongen zal hebben zich naar onbewoonde streken terug te trekken.

3e. Dat het door het onderdrukken van die naast-verwante rassen, die in de bosschen en andere verlaten streken verbannen bleven, hun ontwikkeling geknot zal hebben, terwijl het _zèlf_, in onbelemmerde voortteling en verbreiding tot volkrijke stammen zich van lieverlede nieuwe behoeften zal geschapen hebben, die zijn vernuft zullen hebben geprikkeld en gaandeweg vermogens en eigenschappen hebben vervolmaakt.

4e. Dat tenslotte die uitnemende soort, door het verkrijgen van een volstrekte heerschappij over de andere, erin zal geslaagd zijn om tusschen zichzelf en de hoogste dieren een verschil, ja, een aanmerkelijke klove te bewerkstelligen.

Zoo kan het meest volkomene ras der vierhandigen overheerschend geworden zijn, door zijn gewoonten te wijzigen als gevolg van de gewonnen absolute overmacht over de andere en van nieuw-ontstane behoeften; het kan daardoor bij voortduring veranderingen erlangd hebben in de eigen organisatie en nieuwe, talrijke eigenschappen; de naast-ontwikkelde overige rassen op hun eigen peil ondergehouden hebben; en tusschen hen en zichzelf belangrijke onderscheiden teweeggebracht hebben.

De Chimpansee (_Simia troglodytes L._) is het hoogst-ontwikkeld van alle dieren, veel hooger dan de orang-oetan (_Simia satyrus L._). Niettemin zijn ze beide zoowel lichamelijk als verstandelijk veel lager georganiseerd dan de mensch. [43] Ze richten zich nogal eens op de achterpooten op, maar daar ze van deze houding geen vaste gewoonte gemaakt hebben, is hun lichaam er niet voldoende door gewijzigd, zoodat de _staande_ houding hun zeer moeilijk valt.

Uit verhalen van reizigers weet men, dat als een dreigend gevaar den orang op de vlucht drijft, hij fluks op vier pooten terug valt. Dat verraadt, naar men zegt, de ware afkomst van dit dier, genoodzaakt als het is om die hem vreemde, gedwongen houding prijs te geven.--Dat is ongetwijfeld waar, aangezien het dier er bij het gaan minder gebruik van maakt en het lichaam er daardoor minder is aan-gepast. Maar al moge die _staande_ houding dan voor den mensch gemakkelijker zijn, is zij voor hem dan geheel en al de natuurlijke?

Ofschoon de mensch door de geslachten-lang volgehouden gewoonten slechts rechtop kan gaan, zoo is die stand niettemin voor hem een vermoeiende, die slechts beperkten tijd kan worden volgehouden door de werking van talrijke spieren.

Indien de wervelkolom van het menschelijke lichaam de _as_ ware, en hoofd en overige deelen in evenwicht hield, zoo ware een staande mensch in rust-stand. Naar bekend is dit intusschen niet het geval. Het hoofd wordt volstrekt niet in het zwaartepunt ondersteund; borst en buik met hunne ingewanden rusten bijna geheel op het voorste deel van de wervelkolom en deze steunt op een scheeve basis, enz. Zooals dan ook _Richerand_ uiteenzet is er bij het staan voortdurend een actieve kracht noodig om het dreigende vallen te voorkomen, door gewicht en plaatsing der lichaamsdeelen.

Dezelfde geleerde vervolgt aldus: "Het relative gewicht van hoofd en ingewand trachten de zwaartelijn van het heele lichaam naar voren te brengen, welke lijn precies loodrecht op het steunpunt moest staan bij een zuiver evenwichtigen stand. Dit wordt door het volgende bevestigd: ik heb opgemerkt, dat kinderen met groot hoofd en dikken buik door het vele ingewandsvet zich moeilijk aan de opgerichte houding wennen. Pas tegen het einde van hun tweede jaar durven zij zich op eigen krachten te verlaten; nochtans loopen ze herhaaldelijk gevaar te vallen en behouden een natuurlijke neiging naar den toestand van viervoeter terug." _Physiologie_, vol II, p. 268.

Deze verhouding der deelen, die het staan voor den mensch tot een werkzame, vermoeiende inplaats van tot een rustige houding maakt zou dus zijn overeenstemmende afkomst met de overige zoogdieren verraden, indien we uitsluitend op zijn organisatie letten.

Om nu de in den aanvang geuite onderstelling geheel te vervolgen, moeten we er de volgende beschouwingen aan vastknoopen:

Na de vermeestering van alle bewoonbare plaatsen en een aanzienlijke vermeerdering van behoeften, evenredig met de toename van bevolking hebben de leden van vorengenoemd, overheerschend ras evenzeer een rijker wereld van gedachten moeten krijgen en daardoor de behoefte, deze aan elkaar mede te deelen. Daaruit zal voor hen vanzelf de noodzaak zijn voortgevloeid, om in de zelfde mate hun _teekens_ en gebaren te vermeerderen en te varieeren. Klaarblijkelijk zullen zij daarop al hun best gedaan hebben en alle beschikbare middelen hebben aangewend.

Anders is het met de overige dieren gesteld. Want ofschoon de hoogst-ontwikkelden onder hen, zooals de _vierhandigen_ meerendeels in troepen leven, zoo is, sinds de machtige opkomst van het genoemde ras, hun voortgang gestokt, daar zij overal vandaan verjaagd werden en verdreven naar wilde en verlaten streken, waar ze telkens weer ellendiglijk verontrust en van de eene schuilplaats naar de andere gejaagd werden. In zulke omstandigheden krijgt een dier geen versche behoeften, vormt zich geen nieuwe voorstellingen; en van de weinige, waardoor het beziggehouden wordt, behoeven er slechts luttele aan de anderen te worden meegedeeld.(†) Om elkaar te verstaan hebben zij dus genoeg aan een paar _teekens_, eenige bewegingen, wat gefluit en kreten, door eenvoudige stembuigingen gevarieerd.

Aan den anderen kant zullen de leden van het overheerschende ras door de behoefte aan meer _teekens_ om elkaar snel hun wassenden gedachtenvloed mee te deelen, en onbevredigd met gebarenspel of de beschikbare stem-buigingen, na verschillende pogingen gekomen zijn tot het vormen van _gearticuleerde klanken_. Aanvankelijk zullen zij die slechts in kleinen getale ter beschikking gehad hebben, samen-stemmende met hun geluidsorgaan; maar allengs meerdere, gewijzigd en verbeterd naar gelang hun behoeften toenamen en zij zich er meer voor inspanden. Inderdaad zal de voortdurende oefening van keel, tong en lippen om de klanken te articuleeren dat vermogen bij uitstek ontwikkeld hebben.

Vandaar voor dat bijzondere ras het bewonderenswaardige _spraak_-vermogen. En daar voorts de overeengekomen gebaren van zekere beteekenis vervielen, door de groote afstanden, waarover de individuen zich verspreidden, ontstonden van lieverlede ook de--zich differencieerende--talen.

Zoo zullen hier de behoeften ten slotte alles teweeggebracht hebben, zij zullen de inspanning hebben opgewekt en door het voortdurend gebruik zullen de spraakorganen zich hebben ontwikkeld.

Zulke overwegingen zouden wij kunnen koesteren indien dat bewuste ras: de mensch, louter in organisatie van de dieren verschilde en niet van een andere afkomst ware.

_Noot van den vertaler._ De diagnosen der VI "graden van organisatie", zooals die in tabel I (pag. 159 sqq.) is gegeven, worden in het origineel bij de afzonderlijke bespreking dezer groepen nog eens herhaald. In deze vertaling is echter volstaan met een verwijzing.

Voorts ben ik mij zeer wel bewust van de leemten in de twee-talige weergave der genera-lijsten in dit hoofdstuk.

J.M.

Toevoegingen aan Hoofdstuk VII en VIII

In het laatst van Juni 1809 ontving de menagerie van het Museum voor Natuurlijke Historie een gewonen zeehond, _Phoco vitulina_ die levend van Boulogne gezonden was, en had ik de gelegenheid, de bewegingen en gewoonten van dit dier waar te nemen. Sindsdien ben ik nog sterker overtuigd, dat dit kustdier [44] met de genagelde zoogdieren nader verwant is dan met alle andere, ondanks de groote verschillen in algemeenen vorm.

Zijn achterpooten, ofschoon evenals de voorpooten zeer kort, zijn zeer vrij-beweeglijk en gescheiden van den kleinen maar duidelijken staart. Zelfs kunnen er voorwerpen mee gegrepen worden als met echte handen.--Ik heb opgemerkt, dat dit dier naar believen de voeten samenvoegt--zooals wij onze handen--en dan door het uitspreiden der teenen met hun zwemvliezen een vrij breede spatel vormt om ermee te zwemmen, evenals de visschen met hun staartvin.

Op het land beweegt zich deze zeehond tamelijk snel door een golvende beweging van het lichaam, zonder eenige hulp van de achterpooten, die werkeloos uitgestrekt blijven. Daarbij dienen hem de voorpooten slechts (tot de polsen) tot steun, zonder speciaal gebruik van de handen. Hij grijpt z'n prooi òf met de voeten òf met den bek; en ofschoon de handen soms tepas komen bij het stukknauwen van den buit schijnen zij toch in de eerste plaats bij het zwemmen dienst te doen. Ook heb ik bemerkt, dat hij de neusgaten gemakkelijk en volledig kan sluiten, hetgeen hem zeer ter stade komt bij het duiken, daar het dier dikwijls vrij lang achtereen onder water verblijft waar het zelfs op zijn gemak voedsel gebruikt.

Ik zal dezen zeer bekenden zeehond niet verder beschrijven. De bedoeling was alleen om op te merken, dat de tweeslachtige zoogdieren in het verlengde van de lichaamsas geplaatste achterpooten hebben omdat zij voortdurend gedwongen zijn deze, vereenigd, bij wijze van staartvin te gebruiken onder uitspreiden van de teenen. Zoo kunnen ze deze kunstmatige vin naar rechts en links uitslaan en hun voortbeweging bespoedigen of wijzigen.--Het zou bij die achterwaartsche richting niet gebleven zijn van de zeehond-voeten: zij zouden geheel met elkaar vergroeid zijn, gelijk die der _zeekoeien_, als zij niet zoo vaak gebruikt werden tot het grijpen en wegvoeren van de prooi (†). Want de daarbij vereischte bijzondere bewegingen veroorloven aan de voeten geen duurzame, maar slechts een tijdelijke vereeniging. Bij de zeekoeien daarentegen, die zich gewend hebben aan een voeding met ondergedoken oeverplanten en hun vereenigde voeten uitsluitend bij wijze van staartvin gebruiken, zijn in de meeste gevallen de achterpooten onderling en met den staart geheel versmolten (†).

Ziehier dus bij dieren van overeenkomstigen oorsprong een nieuw bewijs voor den invloed van gewoonten op vorm en toestand der organen, 't welk ik toevoeg aan alle vroeger genoemde in hoofdstuk VII van dit werk.

Ik zou er nog een ander, zeer treffend bewijs bij kunnen voegen met betrekking tot de zoogdieren, voor welke het vliegvermogen iets zeer vreemds schijnt te zijn. Ik zal aantoonen, hoe vanaf de vèrspringers onder hen tot de goede vliegers de natuur geleidelijk de huid van deze dieren heeft uitgebreid, hetgeen hen ten slotte in staat stelde te vliegen, even goed als de vogels, zonder daarmede intusschen nader verwant te zijn.

Zoo kunnen de vliegende eekhoorns (_Sciurus volans_, _aerobates_, _petaurista_, _sagitta_, _volucella_) slechts een zeer langen sprong maken als zij zich van een boom laten vallen of van den eenen naar den anderen springen over een matigen afstand; zij hebben eerst sinds betrekkelijk korten tijd de gewoonte om hun ledematen bij het springen uit te strekken, aldus een soort _parachute_ vormend. Door veelvuldig herhalen van dergelijke sprongen is bij deze soorten de huid in de flanken beiderzijds uitgedijd tot een soepele membraan die de voor- met de achterpooten vereenigt en door een groote luchtmassa te bestrijken een plotselingen val voorkomt. Deze dieren hebben nog geen huid tusschen de vingers.

Bij _Galeopithecus_, de vliegende maki,--wiens vlieggewoonte ongetwijfeld van nog vroeger datum dateert dan van _Pteromys_ Geof.--is het valscherm nog meer ontwikkeld, niet alleen tusschen de pooten onderling maar ook tusschen de vingers en voorts den staart met de achterpooten vereenigende. De sprongen, grooter dan bij de bovengenoemde soorten, naderen dan ook het echte vliegen.

Waarschijnlijk nog veel ouder dan de _vliegende maki's_ zijn de verschillende _vleermuizen_ in de gewoonte om hun ledematen en zelfs hun vingers uit te strekken tot het bestrijken van een groote hoeveelheid lucht, waarop zij gedragen worden bij het fladderen. Door die reeds zoo lang geleden aangenomen en volgehouden gewoonten hebben zij niet alleen een zijdelingsche vlieghuid gekregen, maar ook, in voortzetting daarvan, eenerzijds flinke vliezen tusschen de buitengewoon verlengde vingers (den duim uitgezonderd), anderzijds tusschen de staart en achterpooten, al welke tezamen groote vlerken vormen, uitstekend tot vliegen geschikt.

Zoo groot is dus de macht der _gewoonten_, dat zij een merkwaardigen invloed hebben op den vorm der deelen, en aan de betreffende dieren vermogens geven, ontbrekende bij dieren met andere gewoonten.

Aan de bespreking der _kust-zoogdieren_ behaagt het mij hier de volgende beschouwingen vast te knoopen, die door al mijn waarnemingen meer en meer bevestigd worden.--Ik twijfel geenszins, of de _zoogdieren_ zijn oorspronkelijk werkelijk uit het water afkomstig, hetwelk de ware wieg is van het heele dierenrijk. Inderdaad ziet men thans nog de lagere (d.z. de talrijkste) dieren uitsluitend in het water leven, zoodat waarschijnlijk alleen dààr, althans op zeer vochtige plaatsen onder gunstige omstandigheden de natuur langs directen weg (generatio spontanea) de meest-eenvoudige georganiseerde diertjes heeft voortgebracht, waaruit dan achtereenvolgens alle andere zijn voortgekomen. Zoo wonen, gelijk bekend, de _infusoren_, _polypen_ en _straaldieren_ zonder uitzondering in het water en de _wormen_ althans niet buiten zeer vochtig terrein.

Wat nu betreft de _wormen_, die één aanvangsloot schijnen te vormen van den dierenstam,--zooals klaarblijkelijk de _infusoren_ de andere--zoo hebben zich waarschijnlijk de uitsluitende waterbewoners onder hen (d.w.z. de niet-parasitische vormen, zooals _Gordius_ en verscheidene nog onbekende) aldaar zeer gedifferencieerd; en diegene, die zich aan de lucht zijn gaan blootstellen, hebben naar allen schijn de amphibische insecten voortgebracht, zooals _Culex_, _Ephemera_, enz. enz. (†), waaruit voorts dan weer de overige, echte lucht-insecten zouden zijn ontstaan (†). Maar verscheidene soorten van deze laatste hebben, door in overeenstemming met de omstandigheden hun gewoonten te veranderen tot een eenzame of verborgen levenswijs, het aanzijn gegeven aan de _spinachtige dieren_, welke bijna alle een lucht-leven leiden (†).

Diegene van de _arachniden_ ten slotte, die zich meer en meer aan een water-leven gewend hebben, en de atmospherische lucht ten slotte geheel hebben vaarwel gezegd--hetgeen voldoende bewezen wordt door de verwantschap van de _duizend-_ met de _millioenpooten_, van deze met de _land-pissebedden_, en van deze weer langs _waterpissebed_ met de _garnalen_, etc.--zij hebben het aanzijn gegeven aan het heele rijk der _schaaldieren_ (†).

De overige water-wormen, die hun element nooit verlaten en wier mettertijd veelvuldiger en meer verschillend geworden soorten overeenkomstig zijn vooruitgegaan in de samenstelling van hun organisatie, hebben geleid tot de vorming der _anneliden_, _cirrhipediën_ en _mollusken_, welke tezamen een ononderbroken reeks vormen in de dierenscala. (†)

Ondanks de aanzienlijke _gaping_, die wij bevinden tusschen de bekende _weekdieren_ en de visschen, zoo zijn toch uit eerstgenoemde--door tusschenkomst van voorshands nog onbekende vormen--de _visschen_ gesproten en uit deze weer de _kruipende dieren_.

Als wij zoo voortgaan, den mogelijken oorsprong der verschillende dieren te overwegen, dan twijfelen we niet of de _reptielen_ hebben in twee verschillende takken,--door de omstandigheden bedongen,--eenerzijds het aanzijn gegeven aan de vogels, anderzijds aan de _amphibische zoogdieren_ en deze op hun beurt aan alle overige _mammaliën_ (†).

Daar n.l. de uit visschen ontstane tweeslachtige reptielen (_Batrachia_) en de hieruit weer voortgekomen _slangen_ allebei slechts één hartboezem hebben, zoo heeft de natuur gemakkelijk den boezem der andere kruipende dieren kunnen verdubbelen, welke twee afzonderlijke takken vormen; bij de aanvangsleden daarvan was vervolgens ook de hartkamer gemakkelijk dubbel te maken.

Zoo schijnen dan onder de reptielen met dubbelen boezem de _schildpadden_ het aanzijn gegeven te hebben aan de _vogels_ (†). Want afgescheiden nog van eenige andere onmiskenbare trekken van verwantschap ziet men welhaast geen wezenlijk verschil in algemeen voorkomen wanneer men een schildpaddekop op het lichaam van bepaalde vogels zet. Anderzijds schijnen de hagedisachtigen (_Sauria_) vooral de platstaartige, zooals de _crocodillen_, de _amphibische zoogdieren_ te hebben voortgebracht (†).

Indien uit de _schildpadden_ de vogels voortgekomen zijn zoo mag men voorts veronderstellen dat van de zwemvoetige watervogels, vooral de kortvleugelige daaronder, zooals de _pinguins_ en _vetganzen_, de _kloaakdieren_ zijn afgestamd(†).

Als ten slotte uit den tak der _hagedisachtigen_ werkelijk de _kust-zoogdieren_ zijn gesproten, dan geldt dit naar alle waarschijnlijkheid ook voor alle overige zoogdieren. Niet zonder reden geloof ik dus, dat oorspronkelijk de landzoogdieren geboren zijn uit door ons dusgenoemde _amphibische_ zoogdieren (†). Want waar deze zich, door op den duur verschillende gewoonten aan te nemen, in drie takken gesplitst hebben, daar heeft een dezer groepen geleid tot de vorming der _cetacea_, een andere tot de _ungulata_ en de derde tot de _unguiculata_ of genagelde zoogdieren (†).

Diegene van de _tweeslachtige_ zoogdieren bijvoorbeeld, die aan hun kust-leven getrouw bleven, gingen twee richtingen uit in de wijze van voeding. Sommige, zich gewennende aan plantenkost, zooals de _zeekoeien_ en _lamatijnen_, voerden later gaandeweg tot de hoefdieren, zooals _dikhuidigen_, _herkauwers_, etc.(†). De andere daarentegen, de _zeehonden_ c.s., die de gewoonte aannamen zich slechts met visch en ander zeegedierte te voeden, leidden tot het ontstaan van de unguiculaten, door middel van soorten, die al varieerende geheel tot een landleven overgingen. (†)

Aan den anderen kant hebben die zoogdieren, welke ten slotte het natte element nooit meer verlieten en slechts voor de ademhaling aan de oppervlakte kwamen waarschijnlijk het aanzijn gegeven aan de verschillende tegenwoordige _cetacea_. Het reeds uit een ver verleden dagteekenende, volslagen zeeleven der walvischachtigen heeft dan ook hun bewerktuiging dusdanig gewijzigd, dat de onderkenning van hun afkomst er thans zeer door bemoeilijkt is.--Inderdaad zijn in den loop van den onmetelijken tijd, dat deze dieren in den boezem der zeeën leven, de achterpooten, die nooit gebruikt werden, bijvoorbeeld om den prooi te grijpen, geheel en al verdwenen, evenals het gebeente daarvan en zelfs het tot steun en bevestiging dienende bekken.--Maar de invloed van omgeving en gewoonten openbaart zich bij hen ook in de voorpooten, die, geheel door huid omhuld als ze zijn, uitwendig geen vingers meer laten onderscheiden, zoodat ze beiderzijds zich nog slechts als een vin vertoonen, waarin het geraamte van de hand verborgen is.

Voorzeker bracht het plan van organisatie der walvischachtigen als zoogdieren mede, om vier ledematen te hebben met een bekken tot steun van de achterste daarvan. Voorzoover deze deelen nu hier ontbreken, is dit, gelijk ook elders, het gevolg van terugvorming door langdurig onbruik, als zijnde nutteloos geworden deelen. Gezien het feit, dat bij de _zeehonden_ het bekken slechts zwak ontwikkeld is, n.l. nauw en zonder uitspringende heupen, zal men gevoelen, dat dit veroorzaakt moet zijn door het middelmatige gebruik der achterste ledematen en dat bij geheel ophouden daarvan die pooten zelf en het bekken wel zouden kunnen verdwijnen.

De hier uiteengezette beschouwingen nu zullen ongetwijfeld slechts eenvoudige gissingen schijnen wegens de onmogelijkheid, ze met direkte, stellige bewijzen te schragen. Maar bij eenige aandacht voor de in dit werk meegedeelde waarnemingen en een deugdelijk onderzoek van de opgenoemde dieren en van het product van hun gewoonten en omgeving zal men bevinden, dat deze gissingen een groote mate van waarschijnlijkheid erlangen.

Het volgende overzicht moge het begrip van een en ander verduidelijken. Men zal eruit zien dat naar mijne meening de dierenladder begint met minstens twee afzonderlijke stammen en dat hier en daar gaande-weg eenige takken haar schijnen af te sluiten.

OVERZICHT VAN DE AFSTAMMING DER VERSCHILLENDE DIEREN

Vermes\ \ \ Infusoria / \ Polypi / \ Radiata / \ / \ / \ Insecta / \ Arachnida / \Crustacea Annelida Cirrhipedia Mollusca \ \ \ Pisces Reptilia / \ / \ / \ Aves \ | \ | \ Monotremata \ Mam. Amphibia / | / | / M. Cetacea /\ / \ / M. Ungulata / M. Unguiculata

Van elk der beide stammen, waarmede deze dieren-reeks begint, ontleenen de allereerste, eenvoudigste vormen hun aanzijn aan oer-voortbrenging of generatio spontanea. (†)

Een belangrijke oorzaak verhindert ons, de achtereenvolgens teweeggebrachte wijzigingen te onderkennen, die de dieren tot hun tegenwoordigen staat gevoerd hebben, en wel deze, dat wij van die veranderingen nooit getuige zijn. Zoo aanschouwen wij dan de voldongen feiten maar zien het proces zich niet voltrekken en zijn daardoor van nature geneigd te gelooven, dat de dingen niet gaandeweg zoo gegroeid zijn maar altijd in hun tegenwoordigen vorm bestaan hebben.

Terwijl het Geheel der natuur en hare wetten zichzelf steeds gelijk blijven worden van de veranderingen, die de natuur onophoudelijk zonder uitzondering in allen deele volvoert, diegene gereedelijk door den mensch onderkend, wier duur dien van zijn eigen leven niet aanzienlijk overtreft. Maar die, welke een langen tijdsduur vereischen, gaan hem voorbij.

Teneinde mijne bedoelingen te verduidelijken veroorlove men mij de volgende veronderstelling: Indien het menschelijk leven niet langer duurde dan een _seconde_, dan zou een iegelijk onzer den uurwijzer van een gewone, loopende pendule nooit van plaats zien veranderen ofschoon in werkelijkheid die wijzer niet stationair zou zijn. De waarnemingen van dertig geslachten zouden niets zekers leeren omtrent de verplaatsing van dezen wijzer want de in een halven minuut afgelegde weg zou te gering zijn om goed te worden opgemerkt; en indien we uit veel oudere waarnemingen zouden opmaken, dat de wijzer werkelijk van plaats veranderd is, zouden we dat niet gelooven en eerder een of andere vergissing veronderstellen, daar ieder den wijzer steeds op dezelfde plek van de wijzerplaat heeft zien staan.

Aan mijn lezers laat ik het over, alle desbetreffende toepassingen te maken.

De _natuur_, dat mateloos geheel van verschillende lichamen en wezens in allen deele waarvan een eeuwige cyclus heerscht van bewegingen en veranderingen, aan wetten onderworpen; dit geheel, alleen onveranderlijk zoolang het zijn _verheven Schepper_ behaagt het in stand te houden, moet beschouwd worden als een veeléénheid met, als zoodanig, een alleen aan zijn Schepper bekend doel en niet bestaande om der wille van een der samenstellende deelen in het bijzonder. Daar elk deel noodwendig moet veranderen en al verkeerende zichzelf opheffen, zoo druischt zijn belang in tegen dat des geheels. Zoo het verstand heeft oordeelt het dat Geheel kwalijk gesteld te zijn. In werkelijkheid echter is het Geheel der dingen volmaakt en vervult volkomen het doel, waarvoor het bestemd was.

Korte Inhoud van het Eerste Deel

pag.

Voorwoord van Professor Sluiter V

Voorwoord van den Vertaler IX

Voorrede IX

Motieven van het werk en algemeene gezichtspunten over de erin behandelde onderwerpen.

Inleiding XXIII

Eenige algemeene beschouwingen over het belang van de studie der dieren, in het bijzonder van hun organisatie, vooral van de lagere.

Eerste Deel

Beschouwingen over de natuurlijke historie der dieren, hun eigenaardigheden, verhoudingen, organisatie, rangschikking en indeeling in soorten.

Hoofdstuk I

De kunstmatige hulpmiddelen der Natuurwetenschappen 3

Hoe de systematische rangschikking, klassen, orden, families, geslachten en de nomenclatuur slechts kunstmiddelen zijn.

Hoofdstuk II

Belang van een beschouwing over de natuurlijke overeenkomsten 15

Hoe de kennis van de natuurlijke overeenkomsten tusschen de verschillende natuurvoortbrengselen de grondslag is van de natuurwetenschappen en van de algemeene rangschikking der dieren.

Hoofdstuk III

Over de _soort_ bij de levende wezens en het begrip daaraan te hechten 23

Hoe het niet waar is, dat de SOORTEN even oud zouden zijn als de natuur zelve en onderling even oud; maar dat zij zich achtereenvolgens gevormd hebben en slechts een betrekkelijke standvastigheid, een tijdelijke onveranderlijkheid vertoonen.

Hoofdstuk IV

Algemeene opmerkingen over de dieren 41

De handelingen der dieren voltrekken zich slechts door opgewekte, niet door meegedeelde bewegingen. Slechts de PRIKKELBAARHEID is een algemeene en uitsluitende eigenschap, de bron hunner handelingen, en het is niet waar, dat alle dieren gevoel zouden hebben, of wilshandelingen uitvoeren.

Hoofdstuk V

Over de huidige indeeling en ordening der dieren 54

Dat de algemeene indeeling der dieren, tenminste in haar hoofdgroepen, een reeks vormt, overeenkomstig de toenemende sámenstelling van organisatie, dat de kennis van de betrekkingen tusschen de verschillende dieren de eenige gids is, die ons leiden kan bij het opstellen van die indeeling, zoodat zijn gebruik de willekeur doet verdwijnen; dat tenslotte, daar het aantal scheidslijnen, (die in die indeeling tot het vormen der klassen getrokken moesten worden) aangegroeid is naarmate men de verschillende orgaanstelsels leerde kennen, er thans veertien klassen worden onderscheiden, zeer bevorderlijk voor de zoölogische studiën.

Hoofdstuk VI

Trapsgewijze afklimming en vereenvoudiging der organisatie van het eene einde van de Keten der dieren tot het andere 71

Dat bij het afdalen van de keten der dieren in de gewone volgorde vanaf de meer naar de minder volkomene men een toenemende afklimming en vereenvoudiging van organisatie waarneemt; dat bijgevolg bij het doorloopen van de dierenscala in òmgekeerde, d.w.z. natuurlijke volgorde een toenemend samengestelder worden van de organisatie zal opgemerkt worden, die overal regelmatig zou voortschrijden indien de omstandigheden van de woonplaatsen, levenswijze enz. er niet verschillende afwijkingen van hadden veroorzaakt.

Hoofdstuk VII

Van den invloed der omstandigheden op handelingen en gewoonten der dieren en van deze als oorzaken, die hun samenstelling en deelen wijzigen 124

Hoe de veelsoortigheid der omstandigheden van invloed is op organisatie, algemeenen vorm en deelen der dieren; hoe verandering in de verblijfplaatsen en levenswijze wijziging in de handelingen der dieren teweegbrengt en deze laatste, tot gewoonte geworden zijnde, herhaaldelijker gebruik vereischt van bepaalde lichaamsdeelen, hetgeen ze verhoudingsgewijze ontwikkelt en vergroot, een ander deel daarentegen juist weer buiten gebruik zal stellen, het geen de ontwikkeling tegenhoudt, het doet vermageren om ten slotte te verdwijnen.

Hoofdstuk VIII

Over de natuurlijke Orde der Dieren en hoe hun indeeling daarmede te doen overeenstemmen 153

Dat een waarlijk natuurlijke rangschikking der dieren in een reeks moet beginnen met de meest onvolkomene en eenvoudigste om met de hoogst-ontwikkelde te eindigen; want hun voortbrengster, de natuur, heeft hen niet alle tegelijk in het leven kunnen roepen. Dus bij hun achtereenvolgens tot aanzijn brengen heeft zij noodwendig moeten beginnen met de eenvoudigste en is aan de meest samengesteld-bewerktuigde pas in de laatste plaats kunnen toekomen. Dat de hier voorgestelde indeeling klaarblijkelijk het dichtst nadert tot de natuurlijke Orde zelve; zoodat indien er al correcties in noodig zijn, dit dan toch slechts de onderdeelen kan betreffen; gelijk ik dan inderdaad geloof, dat de naakte polypen (p. 168) de derde orde van hun klasse zullen moeten vormen en de drijvende polypen de vierde.

Toevoegingen aan Hoofdstuk VII en VIII 215

AANTEEKENINGEN

[1] Het woord "moral" is hier steeds vertaald door "psychisch" of "abstract" (Vert.)

[2] Ik noem _abstract_ (_faits moraux_) de wiskundige waarheden, d.w.z. de resultaten van qualitatieve, quantitatieve of energetische berekeningen, omdat zij niet door de zinnen maar door het verstand erkend worden. Deze abstracte feiten nu omvatten zoowel positieve waarheden, waaronder de waarneembaarheden omtrent het bestaan der lichamen, als vele andere hierop betrekking hebbende (Emend. naar Martins. Vert.)

[3] Zie het uitstekende werk van Cabanis, getiteld: _Rapport du physique et du moral de l'homme_.

[4] De emandatie van Martins hier _niet_ gevolgd! (Vert.)

[5] Nota bene (Vert.)

[6] "Alle ontdekkingen en waarnemingen der natuuronderzoekers zouden in vergetelheid verzinken en voor de maatschappij verloren gaan, als de geobserveerde objecten niet elk een naam hadden gekregen, waarmee ze dadelijk zijn aan te duiden als men 't er over heeft." _Dictionaire de Botanique_, art. _Nomenclature_.

[7] "Men heeft begrepen, dat een nauwkeurige bepaling van de eigenaardigheden van elk bereikbaar voorwerp der natuur noodzakelijk was, om ze ons ten gebruike te kunnen verschaffen. En daarom moest men hun verschillende kenmerkende bijzonderheden van samenstelling, vorm, afmeting enz. onderzoeken. Tot op zekere hoogte is men na gezette studie hierin geslaagd.

"Dit deel van den natuurwetenschappelijken arbeid is het meest gevorderd, sedert 1-1/2 eeuw heeft men, en met reden, krachtige pogingen aangewend om het te volmaken, omdat het ons helpt bij kennisnemen van nieuw ontdekte dingen en ons herinneren van oude; en omdat het nu en later de kennis moet vastleggen van nuttig gebleken voorwerpen.

"Maar daar de natuurvorschers te veel den nadruk gelegd hebben op de scheidsmuren tusschen afdeelingen van het planten- en dierenrijk en zich bijna uitsluitend op één soort werk hebben toegelegd, zonder beschouwingen van uit het ware gezichtspunt en zonder onderling overleg, d.w.z. vóóruit beginselen overeen te komen voor de begrenzing van elk deel van die groote onderneming en voor elke determineering, zijn er tal van misbruiken binnengeslopen. Zoodat waar ieder willekeurig zijn normen wijzigde voor de _klassen_, _orden_ en _genera_, en het publiek voortdurend talrijke verschillende classificaties worden voorgezet, ondergaan de geslachten onophoudelijke wijziging en veranderen de natuurvoortbrengselen als gevolg van dien gedachteloozen gang van zaken al maar van naam.

"Daardoor is de _synonymie_ afschrikwekkend uitgebreid. Elken dag wordt de wetenschap duisterder, hult zij zich in schier onoverkomelijke moeilijkheden, en verkeert zich de best bedoelde poging van den mensch tot herkenning en onderscheiding van al het door de natuur ter waarneming en gebruik gebodene in een geweldig doolhof, waarin men terecht vreest, zich te begeven." _Discours d'ouverture du Cours de 1806_, p. 5 & 6.

[8] De vertaler verontschuldigt zich voor eenige bewustelijk gebruikte germanismen.

[9] Emend. Martins gevolgd. (cf. A. Lang).

[10] _Annales du Mus. d'Hist. Natur._ vol. I, p. 235-236.

[11] Zie "_Recherches sur les corps vivans_," aanhang, p. 141.

[12] Hydrogeologie, p. 41 sqq.

[13] Hydrogeologie, p. 112.

[14] Hier staat een botanische aanteekening, refereerende aan _Hist. nat. des végétaux_, uitg. Déterville, Vol. I. p. 202, van den auteur (vert.)

[15] Letterlijk op te vatten als "indeeling in klassen;" hier verder ook weergegeven door "_groepeering_" (vert.)

[16] "Reptiles".

[17] Ter afwisseling zijn nu eens de hollandsche benamingen gebruikt (vert.)

[18] Robben (vert.)

[19] Robben (vert.)

[20] Waar de vogels doorboorde longen en tot veeren omgevormde haren hebben als gevolg van hun luchtleven, zal men mij vragen, waarom dan de vleermuizen ook geen dergelijke longen en veeren bezitten? Ik antwoord, dat de vleermuizen waarschijnlijk, als zijnde hooger georganiseerd, door de aanwezigheid van een middenrif, dat het uitdijen der longen beperkt, er niet in geslaagd zijn deze te doorboren, noch zich voldoende op te blazen, zoodanig dat de lucht, met kracht de huid bereikende, aan de hoornstof der haren het vermogen kon geven, zich tot veeren te vertakken. Immers, bij de vogels dringt de lucht het "haarzakje" binnen, verandert de basis in een buisje, en dwingt deze haren zich uit te pluimen. Bij de vleermuizen is dat onmogelijk, wijl de lucht niet buiten de longen treedt.(†)

[21] Lepas, Balanus, Coronula, Tubicinella.

[22] "Juist bij de spinnen is het hart gemakkelijk aan te toonen. Bij de onbehaarde soorten kan men het door de huid heen zien kloppen. Bij verwijdering daarvan bemerkt men een hol, langwerpig, voor en achter puntig orgaan, tot aan het kopborststuk loopende, en van waaruit ter weerszijden duidelijk twee of drie paar vaten verloopen" (_Cuvier_, _Anat. Comp._ vol. IV, p. 1419.

[23] De kever Calosma o.a. paart ongeveer 3 keer en leeft meerdere jaren (vert.)

[24] In verband met p. 31 is wellicht "industrie" hier bedoeld als de psychische gesteldheid, die aan deze verrichtingen ten grondslag ligt (vert.)

[25] Zie noot op 104.

[26] In het origineel dwaalt hier de schrijver in een noot over de "geluidstof" af naar zijn _Hydrogeologie_, p. 225.

[27] Vrij vertaald. Er staat: "la faculté de reproduire lui même d'autres individus, qui lui ressemblent, qui le remplacent et qui perpetuent sa race par la même voie;" deze tusschenvoeging maakt echter den heelen passus dubbelzinnig en is daarom hier weggelaten (vert.)

[28] Zie _Voyage du jeune Anarcharsis_, door J. J. Barthelemy, deel V, p. 353 en 354.

[29] Aldus afgekort ter vermijding van herhalingen (Vert.)

[30] Bryozoa + Hydroida.

[31] Een synasceidie.

[32] Een kalkwier.

[33] Een Bryozoon (vert.)

[34] Een Tunicaat (vert.)

[35] Een Gephyree (vert.)

[36] Ten einde de voortbewegings-organen te verbeteren bestond de behoefte om het stelsel van gelede, sceletlooze pooten te verlaten ten gunste van dat met vier knokige ledematen, 't welk de allerhoogste dieren characteriseert. Dit nu heeft de natuur bij de anneliden en mollusken a.h.w. voorbereid, om eerst bij de visschen het typische bouwplan der gewervelde dieren aan te vangen. Zoo zijn bij de ringwormen de gelede pooten verlaten en bij de weekdieren daarenboven de ganglieketen.

[37] Parasitische copepoden op visschen levende;

[38] weekdieren (slangenslak en olifantstand, vert.)

[39] Manteldieren, (vert.)

[40] Komt tweemaal voor! (vert).

[41] Identiek met Phascolomys (vert.)

[42] Blijkbaar heerscht reeds bij Lamarck verwarring in de nomenclatuur der anthropoiden.

[43] Zie eenige waarnemingen over den CHIMPANSEE in mijne _Recherches sur les corps vivans_, p. 136.

[44] "amphibie" (vert.)

End of Project Gutenberg's Zoölogische Philosophie, by J. B. P. A. Lamarck