Zoologische Philosophie Of Beschouwingen Over De Natuurlijke Hi
Chapter 1
Hoofdstuk VII
Van den invloed der omstandigheden op handelingen en gewoonten der dieren en van deze als oorzaken die hun samenstelling en deelen wijzigen
Het betreft hier niet een redeneering zonder meer, maar het onderzoek van een positief feit, algemeener dan men denkt en waaraan men verzuimd heeft die aandacht te schenken, waarop het zonder twijfel recht heeft, omdat het meestal moeilijk te onderkennen is. Dit feit bestaat uit den invloed, dien de omstandigheden uitoefenen op de aan hen onderworpen levende wezens.
Men heeft inderdaad reeds sinds lang den invloed opgemerkt van de verschillende toestanden van ons organisme op ons karakter, onze neigingen, handelingen, jazelfs op onze ideeën, maar het komt mij voor dat niemand nog (omgekeerd) dien van onze handelingen en gewoonten op ons organisme heeft leeren kennen. Daar nu deze handelingen en gewoonten geheel afhangen van de omstandigheden, waarin wij gemeenlijk verkeeren, zoo zal ik trachten aan te toonen hoe groot de invloed is, dien deze uitoefenen op den algemeenen vorm, den toestand der deelen en zelfs op de samenstelling der levende wezens. Zoo zal er dan van dit zeer wisse feit in dit hoofdstuk sprake zijn.
Hadden wij niet veelvuldig gelegenheid gehad den klaarblijkelijken invloed te leeren kennen, uitgeoefend op levende wezens die zijn gebracht onder geheel nieuwe omstandigheden, zeer verschillend van die, waaronder zij zich eerst bevonden, en hadden wij de daaruit volgende veranderingen niet voor onze oogen zien ontstaan, zoo zou het belangrijke feit, waarom het hier gaat, voor altijd onbekend gebleven zijn.
De invloed der omstandigheden op al wat leeft is overal en altijd daadwerkelijk geldig; maar wat voor ons dien invloed moeilijk merkbaar maakt is, dat zijn gevolgen eerst na langen tijd voelbaar of herkenbaar worden, vooral bij de dieren.
Alvorens nu de gronden uiteen te zetten voor dit feit, dat onze aandacht verdient en zeer belangrijk is voor de _Zoölogische Philosophie_ willen wij den draad van onze begonnen beschouwingen weer opvatten.
In het voorgaande hebben wij gezien, als een tegenwoordig onweerlegbaar feit, dat men bij de beschouwing van den "levensladder" in een richting, tegengesteld aan de natuurlijke, in de samenstellende elementen een aanhoudende maar onregelmatige _trapsgewijze afdaling_ vindt, een toenemende vereenvoudiging in de organisatie der levende wezens en tenslotte een overeenkomstige afname van het aantal functies.
Dit wel bekende feit nu kan een belangrijk licht werpen op het systeem, dat de natuur gevolgd heeft in het voortbrengen van de tot aanzijn geroepen dieren. Maar het zegt ons niet, waarom de dierlijke organisatie in haar groeiende samenstelling vanaf de onvolmaakste tot de meest volkomene een _onregelmatige_ _trapsgewijze opklimming_ vertoont, wier verloop veelvuldige afwijkingen te zien geeft, die in hun verscheidenheid geen enkele klaarblijkelijke regelmaat hebben. Als men bij het zoeken naar de reden daarvan nagaat het resultaat der invloeden door oneindig-verscheidene omstandigheden in alle deelen van den aardbol uitgeoefend op algemeenen vorm en deelen der dieren, dan wordt alles duidelijk verklaard. Het zal inderdaad blijken, dat de toestand, waarin wij alle dieren aantreffen eenerzijds het product is van de toenemende _samengesteldheid_ van bewerktuiging, die streeft naar het vormen van een _regelmatige opklimming_ en anderzijds van een menigte uiteenloopende omstandigheden, die voortdurend trachten dien regelmaat te verstoren.
Hier wordt het noodig een verklaring te geven omtrent den zin, dien ik hecht aan deze uitdrukkingen. _De omstandigheden beïnvloeden vorm en bewerktuiging der dieren_, d.w.z. dat zij, zelf anders wordende, door overeenkomstige wijzigingen mettertijd zoowel vorm als bewerktuiging veranderen.
Zeker, als men deze uitdrukkingen letterlijk opvatte, zou men mij een fout kunnen verwijten; immers, welke ook de omstandigheden zijn, zij beïnvloeden nooit _direct_ vorm of samenstelling der dieren.
Maar, groote veranderingen in omstandigheden brengen groote wijzigingen in de behoeften der dieren teweeg, en deze noodzakelijkerwijze weer in de handelingen. En als de nieuwe behoeften constant of van langen duur worden nemen de dieren nieuwe _gewoonten_ aan, even duurzaam als die behoeften. Ziedaar iets gemakkelijk aantoonbaars dat zelf geen enkele verklaring behoeft om als waar gevoeld te worden.
Het blijkt dus duidelijk, dat zoodra een groote verandering in omstandigheden standvastig geworden is voor een dierenras, zij tot gewoonten leidt.
Als nu voorts nieuw-bestendigde omstandigheden een dierenras nieuwe, tot _gewoonte_ geworden handelingen hebben bijgebracht, dan zal gevolgelijk het betreffende deel bij voorkeur boven andere gebruikt worden, in andere gevallen ook een of ander nutteloos geworden onderdeel geheel in onbruik geraken.
Niets van dit alles moet als bloote onderstelling of persoonlijke meening beschouwd worden; het zijn integendeel waarheden die tot hun rechtvaardiging slechts opmerkzaamheid en waarneming van feiten vereischen.
Door het noemen van bekende en getuigende feiten zullen wij noodzakelijk zien, dat eenerzijds, zoodra nieuwe gewoonten een orgaan noodig gemaakt hebben, zij dit ook werkelijk door aanhoudende inspanning doen ontstaan, en dat voortdurend gebruik het zoetjesaan versterkt, ontwikkelt en tenslotte aanzienlijk vergroot. Anderzijds zullen wij zien, dat wanneer in sommige gevallen nieuwe omstandigheden en behoeften een of ander onderdeel geheel nutteloos hebben gemaakt, het totale onbruik daarvan dan oorzaak is, dat het gaandeweg ophoudt met ontwikkeld te worden, terwijl de andere organen daarmee voortgaan; dat het meer en meer vermagert en tenslotte, als het lang zoo duurt, eindigt met te verdwijnen. Dat alles is zeker: ik stel me voor, er de meest overtuigende bewijzen voor te geven.
Bij de planten, waar in het geheel geen "handelingen" voorkomen en bijgevolg ook geen eigenlijk gezegde _gewoonten_, brengen groote veranderingen in omstandigheden niettemin groote verschillen in ontwikkeling der deelen mede; zoodat sommige ontstaan en zich ontwikkelen, andere verminderen en verdwijnen. Maar hier voltrekt zich alles door veranderingen, teweeggebracht in de voeding van het gewas, in zijn absorptie en uitwaseming, in de hoeveelheid warmte, licht, lucht en vochtigheid, die het anders gewoonlijk ontvangt; tenslotte in het overhand nemen van sommige levensfunctiën boven andere.
Tusschen de individuen van dezelfde soort, waarvan sommige voortdurend goed gevoed worden en verkeeren in gunstige ontwikkelingsvoorwaarden, andere daarentegen in tegengestelde positie, ontstaan hoe langer hoe opmerkelijker verschillen in gesteldheid. Hoeveel voorbeelden zou ik niet kunnen opsommen van dieren en planten, die deze beschouwing bevestigen! Indien wijders de toestand der slecht gevoede, lijdende of kwijnende dieren bestendigd wordt onder dezelfde omstandigheden, zoo wordt daardoor tenslotte hun inwendige samenstelling gewijzigd. En hun nageslacht bewaart de verkregen veranderingen en eindigt met een zeer afwijkend ras te leveren.
Een zeer droge lente veroorzaakt slechten groei der weidegrassen, die mager en armzalig blijven en desondanks toch bloeien en vrucht geven.
Een lente met afwisselend warm en vochtig weer doet deze zelfde grassen welig groeien en de hooioogst is dan voortreffelijk.
Maar indien een of andere oorzaak de ongunstige omstandigheden bestendigt zullen zij overeenkomstig gaan afwijken, eerst in hun algemeen voorkomen en vervolgens in meerdere karakter-eigenschappen.
Als bijvoorbeeld een korrel van een of ander weidegras hoogerop overgebracht wordt naar een droog steenachtig winderig berg-weidje, en er ontkiemt, dan zal de daar opgroeiende plant altijd slecht gevoed worden. En als de nakomelingen ad hoc hun bestaan onder die slechte omstandigheden voortzetten zal er een ras ontstaan, wezenlijk verschillend van het in de vlakte levende waarvan het afstamde. De leden van dat nieuwe ras zullen klein zijn en minnetjes van afmetingen en sommige hunner deelen zullen eigenaardige verhoudingen vertoonen, als zijnde meer ontwikkeld dan andere.
Zij die veel hebben waargenomen en de groote verzamelingen geraadpleegd, hebben zich kunnen overtuigen, dat naarmate de omstandigheden van woonplaats, ligging, klimaat, voedsel, levensgewoonten enz. voor de dieren veranderen, de eigenschappen van wasdom, vorm, verhoudingen tusschen de onderdeelen, kleur, gesteldheid, bewegelijkheid en kunstvaardigheid [25] zich overeenkomstig wijzigen.
Wat de natuur in den loop der eeuwen volvoert, dat doen wij altoos, wanneer wij plotseling voor een levend gewas de omstandigheden veranderen, waaronder al zijn exemplaren verkeerden.
Alle plantkundigen weten, dat de gewassen, bij overbrenging van hunne oorspronkelijke groei-plaatsen naar kweektuinen, van lieverlede veranderingen ondergaan, die hen tenslotte onherkenbaar maken. Vele planten met sterke beharing verliezen deze geheel of ten naaste bij; verscheidene liggende of kruipende vormen richten hun stengel weer op; andere verliezen er hun stekels of ruwe oppervlak; weer andere veranderen hunne houtachtigheid in de tropische groeiplaatsen tot een kruidachtigen toestand bij ons en sommige daaronder zijn nog slechts eenjarige planten. Ten slotte ondergaan de afmetingen hunner deelen zelf zeer aanzienlijke wijzigingen. Deze gevolgen van klimaatsverandering zijn zoo bekend, dat de botanici bij voorkeur geen tuinplanten beschrijven, tenzij eerst voor kort aangevoerd.
Is de gekweekte tarwe (Tricitum sativum) niet door den mensch tot zijn tegenwoordigen toestand gebracht? Men zegge mij in welk land een dergelijke plant van nature voorkomt, d.w.z. zonder ergens in de buurt te zijn gecultiveerd?
Waar vindt men in de natuur onze koolen, saladen, enz. zóó als in den moestuin? Staat het niet evenzoo met verscheidene dieren die de getemde staat ingrijpend gewijzigd heeft?
Wat een verschillende rassen van huis-hoenders en -duiven hebben we niet gekregen door ze te fokken in verschillende landen en omstandigheden en hoe vergeefs zou men die thans in de natuur terugzoeken!
Zij die het minst veranderd zijn (ongetwijfeld door hun recente temming en door niet in een vreemd klimaat te leven), laten niettemin in sommige deelen groote verschillen zien, veroorzaakt door de gewoonten, die wij hen hebben laten aannemen. Zoo vinden we onze eenden en ganzen terug in hun wilde verwanten, maar de onze hebben het vermogen verloren om zich in de hooge regionen van de lucht te verheffen en groote afstanden vliegende af te leggen; in een woord, er heeft zich een werkelijke toestandsverandering voltrokken, vergeleken met de dieren van de oorspronkelijke soort.
Wie weet er niet, dat een of andere vogel uit onze luchtstreken, dien wij in een kooi grootbrengen, en een jaar of vijf zes in het leven houden, vervolgens weer, aan zijn natuurlijke vrijheid teruggegeven, niet meer in staat is om te vliegen als zijn soortgenooten, die de vrijheid nooit hebben gemist? Deze kleine verandering van omstandigheden heeft weliswaar bij dat exemplaar niets gedaan dan het zijn vliegvermogen te ontnemen en zonder twijfel geen enkele verdere wijziging teweeggebracht. Maar indien gedurende een lange reeks van generaties individuen van diezelfde soort geruimen tijd in gevangenschap waren gehouden, zou zonder twijfel hun gestalte in allen deele ingrijpende veranderingen ondergaan hebben. _A fortiori_ indien dit terzelfder tijd vergezeld was gegaan van een sterkere klimaatswijziging en die exemplaren gaandeweg gewend waren geworden een ander soort voedsel en andere methoden om dat te bemachtigen; voorwaar, deze omstandigheden zouden tezamen, constant geworden, een geheel nieuw, apart ras hebben doen ontstaan!
Waar vindt men thans in de natuur die menigvuldige _hondenrassen_ die wij als huisdieren tot hun tegenwoordigen toestand hebben gebracht? Waar die doggen, hazewinden, poedels, patrijshonden, langharige schoothondjes, enz. enz., welke rassen onderling nog meer verschillen, dan in het wild levende, die wij als echte soorten onderscheiden?
Ongetwijfeld is een enkel uitgangsras, zeer verwant met den wolf--indien al niet deze zelf--te eeniger tijd tot huisdier getemd. Dat ras, dat toen nog geen enkel verschil tusschen zijn individuen aan kon wijzen, is gaandeweg door den mensch in verschillende landen en klimaten verspreid; en na eenigen tijd hebben deze zelfde individuen onder den invloed van de verblijfplaatsen en verschillende gewoonten die men hen in elk land heeft doen aannemen, doordaar merkwaardige veranderingen ondergaan en onderscheidene bijzondere rassen gevormd. Nu kan de mensch--die zich voor handels- of andere belangen over enorme afstanden verplaatst--in een groote stad verschillende hondenrassen, uit verre landen stammende, tezamengebracht hebben en kan hun kruising achtereenvolgens het aanzien gegeven hebben aan alle tegenwoordige rassen.
Voor de planten bewijst het volgende feit, hoezeer de verandering van een belangrijke omstandigheid de vormen kan beïnvloeden.
Zoolang _Ranunculus aquaticus_ ondergedoken leeft zijn de bladeren alle fijn ingesneden met haarvormige slippen; maar als de stengels de oppervlakte bereiken worden de lucht-bladen verbreed, afgerond en eenvoudig gelobd. Indien eenige scheuten van dezelfde plant komen te groeien op vochtigen, niet-ondergeloopen grond, dan zijn de takken kort en de bladen nooit haarvormig ingesneden, wat dan aanleiding geeft haar als een zoogenaamde aparte soort, _Ranunculus hederaceus_ te onderscheiden.
Ongetwijfeld geldt voor de dieren dezelfde invloed; maar hier voltrekken zich de veranderingen veel langzamer dan bij de planten en daardoor voor ons meer onmerkbaar en onnaspeurlijker.--Onder de machtig-omvormende omstandigheden wordt ongetwijfeld de invloedrijkste plaats ingenomen door de verschillende woonplaatsen; maar daarnevens werken tal van andere krachtig in op de organen.
Men weet, dat de aard van een landstreek in nauw verband staat met haar ligging, gesteldheid, en klimaat, 't geen men terstond opmerkt bij het doorreizen van verschillende typische gebieden. Hier ligt al een oorzaak van variatie voor de betreffende dieren en planten. Maar wat men niet genoeg in het oog houdt en zelfs weigert te gelooven, is, dat elke plaats zelf mettertijd van betrekkelijke gesteldheid, klimaat, en natuur verandert, schoon zóó langzaam, vergeleken met onze tijdsmaat, dat wij haar volkomen standvastig wanen. En met dit veranderen der verblijfplaatsen vervlieten ook de omstandigheden, die op de bewoners van invloed zijn.--Men voelt daaruit, dat al mogen er uitersten in die wijzigingen zijn, er ook schakeeringen zijn, d.w.z tusschengelegen graden. Bijgevolg zijn er ook nuances in de kenmerken der dusgenoemde _soorten_.
Klaarblijkelijk vertoont dus het heele aardoppervlak in aard en plaatsing van zijn verschillende zelfstandigheden een verscheidenheid van omstandigheden, overal in samenhang met die der vormen en deelen van de dieren en onafhankelijk van die bijzondere verscheidenheid, die voor elk dier noodwendig voortvloeit uit de voortschrijdende organische ontwikkeling.
In elke voor dieren bewoonbare streek blijven de heerschende omstandigheden zeer lang dezelfde, en veranderen slechts zòò langzaam in wezen, dat de mensch het niet direkt vermag op te merken. Hij moet de achtergelaten gedenkteekenen raadplegen om te erkennen, dat op al die plaatsen de bestaande toestand niet steeds zoo geweest is, noch ook zoo blijven zal.--Hunne dierlijke bewoners moeten dus ook geruimen tijd hun gewoonten getrouw blijven; vandaar die schijnbare standvastigheid van de als "_soorten_" betitelde rassen, die hen even oud als de natuur zelf heeft doen wanen.
Maar op de verschillende punten van het aardoppervlak vormen aard, ligging en klimaat voor dier en plant _verschillende omstandigheden_ in allerlei graad. De betreffende dieren moeten dus niet alleen onderling afwijken in specifieken trap van organisatie, maar bovendien naar gelang van de gewoonten waartoe de leden van elke soort gedwongen zijn. Zoodra dan ook de natuuronderzoeker op zijn wereldreizen een eenigszins belangrijke verandering der omstandigheden waarneemt, ziet hij strijk en zet ook de soorten zich overeenkomstig wijzigen.
Als de werkelijke regels van dit alles heeft men dan ook te erkennen:
1e. Dat elke eenigszins ingrijpende en duurzame verandering van de omstandigheden bij elke diersoort een werkelijke wijziging van behoeften teweegbrengt.
2e. Dat elke wijziging van behoeften nieuwe handelingen noodig maakt, om daaraan te voldoen, en daardoor andere gewoonten.
3e. Dat daardoor bepaalde deelen meer gebruikt worden dan voorheen, hetwelk ze aanzienlijk ontwikkelt en vergroot, ja, door de inspanning van het innerlijke gevoel onmerkbaar nieuwe deelen doet ontstaan, hetgeen ik zoodadelijk met bekende feiten hoop te staven.
Als deze onweersprekelijke waarheden eenmaal erkend zijn zal men spoedig gewaar worden _hoe_ die nieuwe behoeften bevredigd kunnen zijn en de gewoonteverandering zich voltrokken hebben, indien men eenige aandacht schenkt aan de volgende twee, door de waarneming steeds bevestigde natuurwetten.
Eerste Wet
Bij elk dier, dat het eindpunt van zijn ontwikkeling nog niet voorbij is, versterkt herhaaldelijk, voortdurend gebruik gaandeweg elk orgaan, ontwikkelt en vergroot hetzelve en geeft het een vermogen evenredig met den duur van dat gebruik; anderzijds doet voortdurend onbruik het onmerkbaar verzwakken, degenereeren, beperken en ten slotte verdwijnen.
Tweede Wet
Al wat de natuur heeft doen verwerven of verliezen door de afzonderlijke individuen van een soort onder invloed van lang-aanhoudende omstandigheden, erft over op de nieuwe individuen, mits beide sexen, of wel de (ongesl.) voortbrengsters daarvan die verkregen veranderingen vertoonen.
Deze twee blijvende waarheden kunnen slechts miskend worden door hen, die nooit de levende natuur hebben gadegeslagen of die zich door de hier gewraakte dwalingen hebben laten meeslepen; bij de aanschouwing van het nauwe verband tusschen vorm en functie der lichaamsdeelen hebben de natuurvorschers gemeend, dat vorm en toestand dier deelen hun gebruik zouden hebben meegebracht; dit nu is een misvatting, want de waarneming toont aan, dat integendeel behoefte en gebruik de organen ontwikkeld hebben, ze (bij ontstentenis) zelfs hebben doen _verrijzen_ en bijgevolg den huidigen toestand hebben veroorzaakt.
Als dat niet zoo was, zou de natuur zooveel vormen van dierlijke lichaamsdeelen hebben moeten scheppen, als door de levensomstandigheden vereischt werden en deze noch gene ooit doen veranderen. Maar zoo staat het zeer zeker niet met de bestaande levende wezens want in dat geval hadden wij geen Engelsche renpaarden naast de logge, zware trekpaarden; immers, iets dergelijks heeft de natuur zelf nooit voortgebracht. Evenmin zouden we dashonden met hun kromme pooten hebben, noch snelvoetige windhonden of poedels; staartlooze kippen noch pauwstaartjes, enz. Ten slotte zouden we, zoo lang het ons behaagde, wilde planten kunnen kweeken in den vetten, vruchtbaren grond onzer tuinen zonder eenige wijziging te zien optreden.
Reeds lang heeft men ten deze de waarheid gevoeld en uitgedrukt in het alom bekende spreekwoord: _de gewoonte wordt een tweede natuur_. Voorzeker, indien de gewoonten en aard van elk dier onwrikbaar vast stonden, zou dat spreekwoord fout geweest zijn en nooit zijn ontstaan, althans zich niet gehandhaafd hebben.
Bij ernstige overweging van mijne uiteenzettingen gevoelt men, dat ik in mijn werk _Recherches sur les corps vivans_ (p. 50) terecht de volgende stelling geponeerd heb:
"Niet de organen van het dier, d.w.z. de natuur en vorm der lichaamsdeelen hebben het aanzijn gegeven aan zijn gewoonten en bijzondere functies, maar integendeel hebben gewoonten, levenswijze en de omstandigheden der voorouders zijn lichaamsvorm, aantal en aard der organen, kortom al zijne vermogens bepaald."
Het belang en de gegrondheid van deze stelling blijkt ten duidelijkste bij hare beproeving en vergelijking met de waarneembare feiten, die de werkelijkheid ons voortdurend biedt.
Gelijk reeds opgemerkt, zijn tijd en gunstige omstandigheden de twee voornaamste door de natuur gebruikte middelen tot al hare voortbrengingen: men weet, dat voor háár de tijd onbegrensd is en bijgevolg steeds ter beschikking. Wat betreft de omstandigheden, die elken dag benut worden tot varieeren van al het voortgebrachte, men kan ze in zekeren zin onuitputtelijk noemen. De voornaamste komen voort uit den invloed van het klimaat: de verschillende temperaturen van den dampkring en van de overige omgeving; uit de verscheidenheid en ligging der woonplaatsen; uit de werking der gewoonten, de meest-gewone bewegingen en de meest-herhaalde handelingen; ten slotte uit de levenswijze, de middelen om zich te verdedigen, te handhaven, zich voort te planten, enz.
Als gevolg van deze verschillende invloeden nu breiden de functies zich uit en versterken zich door het gebruik, slaan verschillende richtingen in door het aannemen van nieuwe, vaste gewoonten, en onmerkbaar gaan vorm, gesteldheid, i.e.w. aard en toestand der organen deelen in de gevolgen van al die invloeden en worden bewaard en overgedragen door de voortplanting.
Deze twee waarheden, vanzelf volgende uit de twee bovengenoemde natuurwetten, worden in ieder geval bevestigd door de feiten; zij wijzen duidelijk den gevolgden weg aan van de natuur bij haar verschillende voortbrengingen.
Maar laat ons, inplaats van ons met de algemeenheden tevreden te stellen--die wellicht hypothetisch te noemen waren--de feiten direct onderzoeken en de gevolgen nagaan van gebruik of onbruik der dierlijke organen op henzelve, overeenkomstig de aan elke soort opgedrongen gewoonten--Ik zal dus bewijzen, dat aanhoudend gemis aan oefening een lichaamsdeel knotwiekt, het gaandeweg doet verworden en eindelijk verdwijnen als dat onbruik zich lang achtereen voortzet bij de achtereenvolgende geslachten van de betreffende soort. Vervolgens zal ik echter aantoonen, dat bij elk dier, dat het eindpunt van reductie nog niet bereikt heeft, de gewoonte, een orgaan te oefenen, hetzelve niet alleen verbetert en de functie verrijkt, maar bovendien een ontwikkeling en afmetingen doet verkrijgen, die het onmerkbaar doen wijzigen, zoodat het mettertijd sterk gaat afwijken van hetzelfde, doch minder gebruikte orgaan bij een ander dier.
_Een tot gewoonte geworden voortdurend onbruik doet een orgaan geleidelijk aan verarmen en vernietigt het ten slotte volkomen._
Daar een dergelijke stelling slechts op voldoende bewijs kan worden toegegeven en niet op eenvoudige uitspraak, zoo willen wij haar bepleiten door de voornaamste bekende, bewijskrachtige feiten aan te voeren.
De gewervelde dieren, wier schema overal vrijwel eender is, ondanks de vele verschillen in onderdeelen, hebben kaken, bewapend met _tanden_. Diegene intusschen, die door de omstandigheden de gewoonte hebben aangenomen, hun prooi _ongekauwd_ in te slikken, ontwikkelen daarmee hun tanden niet. Dan zijn deze òf tusschen de beenplaten der kaken verborgen gebleven zonder naar buiten te kunnen komen, òf zijn zelfs reeds in hun aanleg vernietigd.
Bij den walvisch (Balaena), dien men geheel verstoken van tanden waande, heeft _Geoffroy_ deze bij het _foetus_ aangetroffen, in de kaken verborgen. Bij vogels heeft deze hoogleeraar voorts de groeve gevonden, waarin de tanden moesten staan; maar henzelf ziet men er niet meer in.
Bij de klasse der zoogdieren, die de hoogst ontwikkelde levende wezens bevat,--in de eerste plaats diegene, waarin het organisatieplan der vertebraten het volledigst is uitgevoerd,--is niet alleen de walvisch tandeloos, maar ook de miereneter (_Myrmecophaga_), die het kauwen al sinds lang voorgoed heeft opgegeven.
Een kenmerk van een groot aantal verschillende dieren en een wezenlijk deel van het bouwplan der vertebraten is het bezit van oogen in den kop. Nochtans heeft de mol, die door zijn levenswijze het gezicht weinig gebruikt, slechts uiterst kleine, nauwelijks zichtbare oogen, doordat hij dit orgaan weinig oefent--_Aspalax_ (Olivier, _Voyage en Egypte et en Perse_, II, pl. 28, f. 2), die gelijk de mol een onderaardsch leven voert, en zich waarschijnlijk nog minder dan deze aan het daglicht blootstelt, heeft het gezichtsvermogen geheel verloren, en vertoont dan ook nog slechts sporen van het betreffende orgaan; en deze zijn nog geheel bedekt door de huid en eenige andere lagen en ontvangen niet het minste licht meer.
De Olm (_Proteus_), een verwante van de salamanders die in diepe, duistere holen-wateren leeft, heeft evenals _Aspalax_ nog slechts sporen van gezichtsorganen, op dezelfde wijze verborgen en bedekt.
Dit feit is voor ons huidige onderwerp beslissend.
Het licht dringt niet overal door; bijgevolg missen de dieren der duisternis de gelegenheid, hun gezichtsorgaan te oefenen, zoo zij er een hebben. Dieren, behoorende tot een systeem van organisatie met oogen, moeten deze intusschen van huis uit gehad hebben. Daar men onder hen echter niet-ziende vormen aantreft met nog slechts verborgen sporen van oogen is het verarmen en verdwijnen daarvan klaarblijkelijk het gevolg van een voortdurend gebrek aan oefening.
Een bewijs hiervoor is, dat het gehoororgaan nimmer in dat geval verkeert en altijd aanwezig is bij de dieren, wier organisatie zulks vereischt, en wel om de volgende reden:
De _geluidsstof_ [26], die door een trillend lichaam in beweging gebracht, den ontvangen indruk aan het oor mededeelt, dringt overal door, zelfs in de dichtste lichamen. Bijgevolg heeft elk dier, in wiens plan van organisatie het gehoor een wezenlijke plaats inneemt, steeds de gelegenheid dit te oefenen, wààr het ook wone. Onder de _Vertebraten_ is er dan ook niet een verstoken van een gehoororgaan, maar daarna vindt men het bij geen enkel lid der volgende klassen meer().
Anders is 't met het gezicht gesteld, want oogen ziet men afwisselend verschijnen en verdwijnen naar gelang van de al of niet bestaande mogelijkheid tot gebruik door het dier.--Bij de acephale weekdieren had de groote ontwikkeling van den mantel de oogen en zelfs den kop geheel nutteloos gemaakt. Ofschoon in het betreffende bouwplan opgenomen hebben deze organen moeten verdwijnen door voortdurend onbruik.
Tot het organisatie-plan der reptielen ten slotte behooren vier knokige ledematen. Bijgevolg zouden dan ook de slangen er vier moeten hebben, temeer, daar ze volstrekt niet de laatste orde der kruipende dieren vormen en verder afstaan van de visschen dan kikvorsch, salamanders, enz.--Daar intusschen de slangen de gewoonte hebben aangenomen om op den grond te kruipen en onder het kruid zich te verbergen, heeft door de steeds herhaalde inspanning om zich uit te rekken--tot het passeeren van nauwe openingen--het lichaam een aanzienlijke lengte gekregen buiten verhouding tot de dikte. Pooten zouden dan ook voor deze dieren ten eenen male van onwaarde geweest zijn en dus overbodig. Want lange pooten zouden bij het kruipen hebben gehinderd, en zeer korte--slechts ten getale van vier beschikbaar--het lichaam onmogelijk hebben kunnen bewegen. Het voortdurende onbruik dezer organen bij die dieren heeft hen geheel doen verdwijnen, ofschoon zij een wezenlijk deel uitmaakten van het bouwplan der betreffende klasse.
Veel insecten, die volgens de kenmerken van hun orde--of zelfs geslacht--vleugels zouden moeten hebben, missen door niet-gebruik deze vrijwel volkomen. Een menigte schild-, recht-, vlies-en half-vleugeligen vertoonen daar voorbeelden van; hunne gewoonten beletten voortdurend het gebruik der vleugels.
Maar het is niet voldoende een verklaring te geven van de oorzaken voor den toestand der organen bij verschillende dieren voor zoover die toestand voor een soort standvastig blijft; men moet bovendien de wijzigingen laten zien, daarin uitsluitend door een groote verandering van de bijzondere specifieke gewoonten teweeggebracht bij één individu in den loop van zijn leven. Het volgende uiterst merkwaardige feit bewijst afdoende den invloed der gewoonten op de bewerktuiging en hoezeer blijvende veranderingen in de eerste op de daarbij tepas komende organen ingrijpen.
Tenon, lid van de Academie, heeft aan de Wetenschappelijke Klasse medegedeeld, dat bij onderzoek het spijsverteringskanaal van hartstochtelijke gewoonte-drinkers altijd buitengewoon verkort bleek, vergeleken met normale personen.--Zooals men weet, nemen de echte dronkaards zeer weinig vast voedsel tot zich; de overvloedig genoten drank is voor de voeding voldoende.--Daar nu vloeibare spijzen, vooral spiritualiën, niet lang blijven in maag en ingewand, zoo ontwennen deze bij de drinkebroers aan normale uitzetting, even als bij personen met een zittende levenswijze en voortdurend met geestelijken arbeid bezig, die zich aan het gebruik van weinig spijzen gewend hebben. Gaandeweg trekt zich hun maag samen en verkorten zich de darmen.--Het gaat hier volstrekt niet om een inkrimping, waarbij de gewone uitrekking nog mogelijk zou zijn, als die leege ingewanden weer eens gevuld werden; neen, er is hier sprake van een echte en belangrijke vernauwing en verkorting, zoodanig, dat de betreffende organen eerder zouden bersten, dan ineens tot hun gewonen omvang uitdijen.
Vergelijk onder overigens gelijke omstandigheden van leeftijd, enz. eens een man, die door zijn studeerend leven--'t welk de spijsvertering bemoeilijkt--zich aan weinig eten gewend heeft, met een ander die veel beweging neemt, uitgaat en flink eet; de maag van den eerste is tot weinig meer in staat en reeds met weinig spijs gevuld, terwijl die van den tweede haar vermogen bewaard en ontwikkeld zal hebben.
Ziehier dus een in afmetingen en functies sterk gewijzigd lichaamsdeel, enkel en alleen door verandering der gewoonten gedurende het individueele leven.
_Veelvuldig, door gewoonte bevestigd gebruik verrijkt de functies van een orgaan, ontwikkelt het en doet het ganschelijk nieuwe afmetingen en kracht verkrijgen._
Aan den anderen kant hebben wij gezien, dat onbruik het zelve wijzigt, verarmt en ten slotte vernietigt.
Thans ga ik aantoonen, dat onafgebroken functie van een lichaamsdeel en de inspanning,--onder omstandigheden die zulks vereischen--om er grootelijks voordeel van te trekken, het sterkt, uitbreidt en vergroot of nieuwe organen schept, die de noodige verrichtingen kunnen uitvoeren.
De vogel, door nooddruft naar den waterspiegel getrokken, spreidt de teenen uit om al trappende te zwemmen. Door dit voortdurend uitbreiden verkrijgt het huidje aan de basis der teenen de gewoonte, zich te strekken. Zoo zijn mettertijd de groote zwemvliezen van de eenden, ganzen, enz. tot hun tegenwoordigen toestand vervormd. Dezelfde zwem- of liever roei-pogingen hebben de zwemvliezen doen optreden bij kikvorsch, zeeschildpadden, otter, bever, etc.
Anderzijds hebben de van geslacht op geslacht in de boomen levende vogels noodzakelijk langere en anders gevormde teenen dan de watervogels. Gaandeweg hebben hun nagels zich verlengd, toegescherpt en klauwvormig gebogen om de takken te omknellen, waarop de dieren zoo vaak rusten.
Evenzeer gevoelt men, dat een oevervogel, die niet van zwemmen houdt en toch voor zijn levensonderhoud aan den waterkant moet verblijf houden, voortdurend gevaar loopt, in den modder te zinken. De vogel doet nu, om zijn lichaam droog te houden, al zijn best, om de pooten uit te rekken en te verlengen. Deze langdurige gewoonte van die vogelsoorten doet hen ten slotte a.h.w. op stelten staan op hun lange naakte pooten, d.w.z. tot de dijen (en vaak nog verder) onbevederd. (_Système des animaux sans vertèbres_, p. 14).
Men zal ook inzien, dat dezelfde vogel door den wensch om te visschen zonder zich nat te maken, zich voortdurend moet inspannen zijn hals te strekken. Het gevolg van deze aanhoudende inspanning moet dan ook mettertijd een merkwaardige halsverlenging zijn geweest, die men inderdaad bij alle waadvogels kan waarnemen.
Dat bepaalde watervogels met korte pooten, zooals zwaan en gans, niettemin zeer langhalzig zijn, komt door de gewoonte om bij het zwemmen aan de oppervlakte den kop zoo diep mogelijk onder te dompelen tot het vangen van waterlarven en ander klein dierlijk voedsel terwijl zij geen enkele poging doen tot het strekken der pooten.
Laat bij het zoeken van voedsel een dier al maar trachten zijn tong zoo ver mogelijk uit te steken, en zij zal een aanzienlijke lengte verkrijgen (miereneter, groene specht); laat het de behoefte hebben, er iets mede te grijpen, en de tong zal zich vorkvormig splijten. De grijptong der colibri's en de tast-tong van hagedissen en slangen zijn het bewijs daarvoor.
De steeds door de omstandigheden opgewekte behoeften en de volhardende inspanning om deze te bevredigen bepalen zich niet tot het wijzigen der organen, maar ze slagen er ook in deze zoo noodig te verplaatsen.
Daar de visschen, die gewoonlijk in overvloed van water leven, zijwaarts zien moeten, zoo liggen inderdaad de oogen terzijde in den kop. Hun al naar de soort min of meer afgeplatte lichaam snijdt het water in een richting loodrecht op zijn oppervlak en de oogen staan zoo, dat elke platte zijde er een heeft. Maar die visschen, die hun levenswijze naar vlakke kusten voert, werden gedwongen op hun zijde te zwemmen, ten einde den oever nog dichter te kunnen naderen.() Daar zij in deze ligging meer licht van boven dan van onder krijgen heeft de behoefte om steeds acht te geven op de bovenwereld een der oogen doen verschuiven en de zeer eigenaardige plaats innemen, die men kent van tong, tarbot, schar, etc. (_Pleuronectes_ en _Achirus_). Deze oogen staan niet meer symmetrisch, wijl de draaiïng niet volledig is geweest. Bij de roggen echter is dit wel het geval() en is de dwarse afplatting van lichaam en kop geheel horizontaal, zoodat de beide naar boven gekeerde oogen opnieuw symmetrisch zijn geworden.
De slangen, die op het aardoppervlak kruipen, hadden hoofdzakelijk naar boven te kijken. Deze behoefte heeft van invloed moeten zijn op de plaats der gezichtsorganen en inderdaad zijn deze zij- en opwaarts in den kop ingesteld, zoodat zij gemakkelijk naar boven en opzij kunnen schouwen maar bijna niet kunnen zien, wat vlak vóór hen is. Ten einde nu aan dit gebrek tegemoet te komen en het hoofd niet te stooten hebben zij hun weg slechts kunnen verkennen met behulp van de tong, die uit alle macht werd uitgestoken. Deze gewoonte heeft er niet alleen toe bijgedragen om de tong dun, lang en zeer samentrekbaar te maken, maar ook om zich bij de meeste soorten te splijten, teneinde meerdere voorwerpen tegelijkertijd te kunnen bestrijken; jazelfs, om aan het einde van de snuit een opening te vormen tot het doorlaten van de tong bij gesloten bek.
Nergens hebben de gewoonten merkwaardiger dingen teweeggebracht dan bij plantetende zoogdieren.
De viervoeters, wier geslachten zich sinds onheugelijke tijden aan plantenkost gewend hebben, in overeenstemming met de door de omstandigheden meegebrachte behoeften, loopen het grootste deel van hun leven op vier pooten over den grond, in het algemeen met een matige snelheid. Het tijdroovende naar binnen werken van elken dag weer hetzelfde voedsel doet zoo'n dier zijn gemak houden en zijn ledematen slechts gebruiken om te staan en te loopen, maar nooit om in de boomen te klauteren.
Deze gewoonte om dagelijks groote hoeveelheden plantaardig voedsel te gebruiken, die de ingewanden deden uitzetten, gevoegd bij de geringe bewegelijkheid, heeft het lichaam van deze beesten aanzienlijk verdikt, zwaar-massief en volumineus gemaakt, zooals bij olifant, neushoorn, rund, buffel, paard, etc.--De gewoonte, langdurig achtereen overeindstaande te grazen heeft een dik hoornig omhulsel om de vingereinden doen ontstaan; en daar die vingers slechts tot steun dienden, met uitsluiting van elke andere beweging, zoo zijn ze voor een deel verkort, verkleind en eindelijk verdwenen. Zoo hebben sommige _dikhuidigen_ pooten met vijf genagelde teenen, dus een vijf-deeligen hoef; andere echter vier en weer andere slechts drie. Maar bij de oudste zoogdieren, die zich uitsluitend tot den beganen grond bepaald hebben: de _herkauwers_, zijn er niet meer dan twee vingers aan den voet en bij de _eenhoevers_ (paard, ezel) zelfs nog maar een enkele.
In eenzame streken loopen echter juist onder de _herkauwende_ planteneters sommige voortdurend gevaar, ten prooi te vallen aan roofdieren en kunnen zij hun heil slechts vinden in een overhaaste vlucht. Noodgedwongen hebben zij zich dus in het rennen geoefend en door die gewoonte zijn lichaam en pooten veel slanker en ranker geworden, bijvoorbeeld bij gazelle, antilope, enz. In onze luchtstreken veroorzaakt bij herten, reeën, damherten de voortdurende jacht van den mensch overeenkomstige gewoonten en lichaamsvormen.
Daar bij die ruminantia de pooten slechts zijn ingericht tot steunen en de weinig krachtige kaken tot afbijten en kauwen van gras, zoo kunnen ze alleen vechten met kopstooten, het voorhoofd vooruit.--Bij de--vooral bij de mannetjes veelvuldige--driftbuien richt het sterk gespannen inwendige gevoel een krachtiger bloedstroom naar dat deel van den kop en er zet zich hoorn af, bij sommige vergezeld van beenstof, waardoor stevige uitsteeksels ontstaan als oorsprong van de geweien en horens, waarmee de kop dezer dieren meestal bewapend is.
Een merkwaardig gevolg van levensgewoonten ziet men in de afwijkende gestalte van de giraffe (_Camelopardalis_). Men weet dat dit hoogste aller zoogdieren woont in vrijwel droge binnenlanden van Afrika, wier kaalheid het noopt het gebladerte der boomen af te knabbelen onder voortdurend ingespannen reiken. Ten gevolge van deze algemeene en lang-volgehouden gewoonte zijn de voorpooten langer geworden dan de achterpooten en de hals dermate verlengd, dat de giraffe in gewoon-opgerichte houding tot een hoogte reiken kan van zes meter, of bijna twintig voet.
Onder de vogels danken de niet-vliegende struisen waarschijnlijk hun eigenaardige, zeer hooge pooten aan overeenkomstige omstandigheden.
Andere, even merkwaardige gevolgen hebben de gewoonten teweeggebracht bij de roofdieren.--Die soorten van zoogdieren, die zich gewend hebben om te klimmen of den grond om te krabben of een prooi te verscheuren hebben de vingers van hun ledematen noodig gehad, hetgeen de uiteenspreiding daarvan heeft begunstigd en ze met klauwen heeft bewapend.
Bij sommige vleeschetende dieren moet de dagelijksche behoefte (en dus gewoonte) de klauwen diep in het vleesch van andere dieren te slaan, om ze al vasthakende te verscheuren, door herhaalde inspanning deze klauwen dermate vergroot en gekromd hebben, dat ze ten slotte lastig werden bij het loopen op steenachtigen bodem en jagen van de prooi. Daardoor waren zij verplicht die uitspringende nagels in te trekken, en zoo is gaandeweg die eigenaardige scheede ontstaan, waarin _kat_, _tijger_, _leeuw_, etc. hun klauw in rust opbergen.
Langen tijd regelmatig in een bepaalde richting volgehouden inspanning tot bevredigen van--door natuur of omstandigheden geëischte--behoeften vergrooten de betreffende lichaamsdeelen tot afmetingen en een gedaante die zij zonder die geregelde inspanning van het dier nooit zouden verkregen hebben. Waarnemingen bij alle bekende dieren leveren daarvoor de overvloedige bewijzen.
Een van de treffendste voorbeelden toont wel de kangoeroe. Dit dier heeft een opgerichte houding aangenomen, steunende op achterpooten en staart en verplaatst zich slechts door te springen, daarbij overeind blijvende ten behoeve van de jongen, die in een buidel aan het onderlijf worden meegedragen. Ziehier de resultaten.
1e. De voorpooten, uitsluitend gebruikt tot steun in de oogenblikken, waarin de opgerichte houding verlaten wordt, hebben zich nooit evenredig met de andere deelen ontwikkeld en zijn mager, klein en vrijwel krachteloos gebleven.
2e. De achterpooten daarentegen, bijna voortdurend in actie tot steun of sprong, zijn zeer groot en sterk ontwikkeld geworden.
3e. Ten slotte is de in rust en beweging zoo krachtig meewerkende staart aan den wortel buitengemeen stevig en dik geworden.
Deze overbekende feiten vermogen zeker wel voor eenig orgaan of lichaamsdeel de gevolgen te bewijzen van geregeld gebruik. En mocht men nu van een of ander bijzonder krachtig ontwikkeld orgaan beweren, dat zijn voortdurende oefening daar niets aan toe doet--of rust niet àf doet--en dat het er altoos zoo geweest is sedert de schepping van de betreffende soort, zoo zou ik vragen, waarom dan de wilde eenden beter kunnen vliegen dan de tamme? En ik kan daarenaan een menigte voorbeelden toevoegen, aan ons eigen organisme ontleend, die de verschillen bewijzen, teweeggebracht door al- of niet gebruik onzer eigen lichaamsdeelen. Weliswaar worden deze niet erfelijk voortgezet, want dan zouden zij nog veel belangrijker zijn.
In het tweede deel zal ik aantoonen, dat als een dier het een of ander wil verrichten, de betreffende organen terstond tot de handeling aangezet worden door het toevloeien van fijne zenuwfluiden, die de bepalende oorzaak van de beweging worden. Talrijke waarnemingen staan hiervoor zonder eenigen twijfel borg. Het gevolg is, dat veelvuldige herhaling dezer levensverrichtingen de ervoor noodige organen versterkt, uitbreidt, ontwikkelt, jazelfs nieuw vormt. Men heeft slechts nauwgezet acht te geven op alles, wat te dezen opzichte voorvalt, om zich te overtuigen van deze ware oorzaak van organische ontwikkeling en verandering.
Elke wijziging in een orgaan, verkregen door een voldoende regelmatig gebruik, erft vervolgens over, indien het gemeenschappelijk eigen is aan de beide parende individuen. Zoo wordt die wijziging overgedragen op alle volgende geslachten, die aan dezelfde omstandigheden onderworpen zijn zonder haar zelf langs direkten weg te moeten verwerven.
Bij de paring verhindert overigens noodwendig de menging tusschen individuen met verschillende eigenschappen en vormen de constante voortplanting daarvan. En dat verhoedt juist, dat bij den mensch--aan omstandigheden van zoo uiteenloopenden invloed onderworpen--toevallig opgedane gebreken of eigenschappen worden overgeërfd. Als in zoo'n geval steeds twee zoodanige individuen paarden, zouden zij dezelfde eigenaardigheden voortbrengen, en indien dan de opvolgende generaties zich tot zulke huwelijken bepaalden, zou er een bijzonder, apart ras gevormd worden. Maar aanhoudende menging van onderling afwijkende menschen doet alle in ongewone omstandigheden verkregen bijzonderheden weer verdwijnen. Zonder de afstanden tusschen de menschelijke verblijfplaatsen zouden dan ook voorzeker door de geslachtelijke vermenging de algemeene, characteristieke onderscheiden tusschen de verschillende volkeren verdwijnen.
Indien ik hier alle klassen, orden, geslachten en soorten de revue zou willen laten passeeren, zoo kon ik aantoonen, dat in allen deele de bouw der tegenwoordige dieren, hun organen, vermogens, enz. overal het uitsluitend gevolg zijn van de omstandigheden, waaronder elke soort zich van nature bevonden heeft en van de opgedrongen gewoonten, maar geenszins van een aanvankelijken vorm, die tot de huidige levensgewoonten genoopt zou hebben.
Gelijk bekend, verkeert de z.g. "_Ai_" of luiaard (_Bradypus tridactylus_) voortdurend in een dergelijken staat van zwakte, dat hij slechts uiterst langzame en beperkte bewegingen uitvoert en moeilijk op den grond loopt. Zóó traag beweegt hij zich, dat hij, naar beweerd wordt, slechts een vijftigtal stappen per dag kan doen. Ook stemt de organisatie van dit dier, naar bekend, volkomen overeen met zijn zwakheid of ongeschiktheid tot loopen en is buiten staat tot eenige beweging, anders dan de bovenomschrevene. In de veronderstelling nu, dat de Ai van nature deze bewerktuiging ontvangen had, heeft men gemeend, dat deze hem tot zijn gewoonten en ellendigen levensstaat doemde.
Wel verre van aldus te denken ben ik overtuigd, dat oorspronkelijk noodgedwongen aangenomen gewoonten onvermijdelijk hebben moeten leiden tot de huidige organisatie van den luiaard. Voortdurende gevaren mogen deze soort vroeger voorgoed de wijk hebben doen nemen in de boomen, en er zich doen voeden met bladeren; blijkbaar zal zij zich dan hebben moeten spenen van allerlei bewegingen, eigen aan de bodem-dieren. Alle behoeften van den Ai zullen zich dus hebben bepaald tot hangerig langs de takken te kruipen om bladeren te plukken en dan maar werkeloos in den boom te blijven, zorgende niet te vallen. Die luiheid zal overigens nog door de hitte van het klimaat in de hand gewerkt zijn, welke warmbloedige dieren toch al meer tot rust dan tot beweging noodt.--Als nu de ai gedurende langen tijd een boomleven geleid heeft met zijn langzame en weinig gevarieerde bewegingen--maar voldoende voor de behoeften--dan zal zijn bewerktuiging zich gaandeweg aan de nieuwe behoeften hebben aangepast, en het gevolg daarvan zal zijn geweest:
1e. Dat bij de voortdurende pogingen dezer dieren om de boomtakken gemakkelijk te omklemmen de armen zich verlengd hebben.
2e. Dat door het aanhoudende klauteren de klauwen zeer lang en krom uitgegroeid zijn.
3e. Dat de nooit afzonderlijk geoefende vingers alle onderlinge beweeglijkheid verloren hebben, zich vereenigd hebben en slechts tot gemeenschappelijk buigen en strekken in staat blijven.
4e. Dat door telkens weer omvatten van stam of dikke takken de dijen gaandeweg ver uit elkaar zijn gaan wijken, hetgeen zal hebben bijgedragen tot bekkenverwijding en tot verplaatsen van de bekkenholte naar achteren.
5e. Dat tenslotte een groot aantal beenderen samengesmolten zijn en een gesteldheid en gedaante verkregen hebben, overeenkomstig de gewoonten dezer dieren, met uitsluiting van alle andere.
Dit staat onweersprekelijk vast, gelijk dan ook inderdaad de natuur ons in duizend andere gevallen doorloopend overeenkomstige voorbeelden laat zien van den invloed der omstandigheden op de gewoonten en van deze weer op vorm, gesteldheid en verhoudingen der dierlijke lichaamsdeelen.--Daar het opsommen van meer aanhalingen echter volkomen overbodig is zetten wij hier het hoofdpunt van de discussie nog eens kortelijk uiteen.
Een feit is, dat naar gelang van geslacht en soort de verschillende dieren elk bijzondere gewoonten hebben en een daarmee volmaakt overeenstemmende organisatie.--Uit de beschouwing daarvan kan men naar believen een dezer twee--beide onbewijsbare--gevolgtrekkingen afleiden, t.w.:
_Tot nu toe aangenomen conclusie_: bij het voortbrengen der dieren heeft de natuur (of haar schepper) alle mogelijke levensomstandigheden voorzien en aan iedere soort een standvastige bewerktuiging en in allen deele bepaalden, onveranderlijken vorm gegeven, die hen dwong te leven in huidige woonplaatsen en klimaten en hier hun geijkte gewoonten getrouw te blijven.
_Mijn eigen conclusie_: bij het achtereenvolgens voortbrengen van alle diersoorten heeft de natuur, door met de eenvoudigste te beginnen en met de meest volkomene te eindigen, hunne bewerktuiging trapsgewijze gecompliceerd. En bij de algemeene verspreiding over alle bewoonbare streken van den aardbol heeft elke soort onder invloed der omringende omstandigheden--van lieverlede--hare huidige gewoonten verkregen en zijn hare organen tot hun tegenwoordigen staat omgevormd.
De eerste dezer beide gevolgtrekkingen wordt tot heden vrijwel algemeen aangenomen. Naast onveranderlijke organisatie der dieren, neemt zij aan, dat de omstandigheden hunner woonplaatsen zich nimmer wijzigen. Want indien dat wel het geval ware, zouden dezelfde dieren er niet meer kunnen leven; en de mogelijkheid om elders overeenkomstige omstandigheden op te kunnen zoeken stond nog te bezien.
De tweede gevolgtrekking is mijn eigene. Zij veronderstelt, dat onder invloed der gewoonten--middellijk veroorzaakt door de omstandigheden--de organische omstandigheden bij elk dier verstrekkend gewijzigd kan worden en tot hun huidigen toestand gebracht zijn.
Om deze laatste opvatting te ontzenuwen valt eerst te bewijzen, dat elk punt van het aardoppervlak zichzelf in aard, betrekkelijke gesteldheid, klimaat, enz. steeds gelijk blijft, en vervolgens, dat geen enkel dierlijk orgaan, zelfs na een lang tijdsverloop, ooit eenige wijziging ondergaat door het veranderen der omstandigheden en door de noodzaak, die hen dwingt tot anderen handel en wandel dan de gewone.
Indien nu ook maar in een enkel geval een sinds lang getemde diersoort afwijkt van den stamvorm en men bij zoo'n huisdier een groote individueele vormverscheidenheid aantreft naar gelang van de verschillende hun aangewende gewoonten, dan strookt voorzeker de eerste conclusie volstrekt niet met de natuurwetten, de tweede daarentegen wèl.
Alles wijst dus in de richting van mijn opvatting, t.w., dat geenszins de dierlijke lichaamsvormen aanleiding geven tot de gewoonten en levenswijzen, maar deze laatste integendeel, met alle andere invloedrijke omstandigheden, mettertijd de gestalte der dieren in allen deele bewerkstelligd hebben. Tegelijk met de nieuwe vormen werden nieuwe vermogens verkregen en gaandeweg is de natuur al omvormend tot de huidige dieren gekomen.
Kan er in de natuurlijke historie wel een gewichtiger beschouwing bestaan en onze aandacht meer waard zijn dan deze zoo juist uiteengezette?