Part 9
»Ik ben even vrij en onafhankelijk als jij... ik heb je niet noodig. Ik heb m’n kind.” Haar onderlip trilde. Een traan perste zich uit haar strakke oogen.
»Juist om... dat kind, Clarine, moet je die... dwaze trots opgeven. Ik kom je niets aanbieden, ik kom je een gunst vragen. Stoot me toch niet af! Je maakt me ellendig voor mijn verder leven...”
Ze schoot in een hysterischen lach, schril als klonk er een schreien doorheen.
»Jij ellendig, omdat ik je voorstellen niet aanneem? Ha, ha! Wat geef je om dat kind?... Er zijn er misschien wel meer van je... van anderen...”
»Clarine, bij God... behandel me toch niet zoo onrechtvaardig! Denk aan ons kind. ’t Is ons, ons kind Clarine... En ik ben niet als zooveel anderen. Ik heb nooit een andere vrouw... nooit een vrouw misleid...”
Zij klampte zich aan dat eene woord: ons kind. ’t Klonk haar als een beleediging. ’t Was een kind van zijn lust en niet van zijn liefde...
»Ons kind?!” barstte ze uit. »Ons kind?!” Ze waren op een eenzaam pad. Beiden stonden stil. »’t Is mijn kind, versta je? Mijn kind, omdat ik ervoor geleden heb...”—ze snikte—»omdat ik daarom alles verloren heb, omdat ik ervan hou’ met heel mijn ziel. Even innig als ik jou haat. Haat, haat, haat, hoor je dat?! Ik haat je... met je huichelachtige gezicht en je praatjes ... Mijn kind heeft niets met jou uit te staan. Ons kind! ’t Is om te lachen! Wie staat je ervoor in, dat jij de vader bent, zeg?! Je hebt geen achting voor me, en je houdt niet van me. Ontken ’t als je durft!” Ze keek hem woest aan. »Wie garandeert je, dat ’t kind van jou is?!”
Cornelis stond verbluft, verplet, bleek als een doode. Had ze dan al haar schaamtegevoel afgeschud, alleen om hem te beleedigen?
»Je bent buiten jezelve, Clarine,” klonk zijn zwak protest.
»Ontken ’s, dat je geen zier achting voor me hebt, dat je niet van me houdt. Ontken dat ’s!”
Haar oogen stonden wijd open. Ze leek een furie in haar wilde hartstocht. De jonge man wist niet wat hij daartegen in moest brengen. Hij meende ’t zoo goed, zoo goed!
»Je zwijgt. Natuurlijk, ik wist het. Me hier te komen aanbieden om als genadegift jou bescherming aan te nemen, je naam te dragen, en dat terwijl je zou treuren om ’n ander—om die nonna!—en mij minder zou tellen dan die kiezelsteen daar!”
En ze schopte tegen een steentje op het pad.
»’n Mooi bestaan! Je verwacht zeker, dat ik me daar gelukkig, zalig bij zou voelen, en iederen dag God zou danken voor jou genade! Nee, je vergist je, m’n waarde heer. Ik kan buiten je. Ik heb eigen middelen genoeg, en als ik ze niet had, zou ik me liever half dood werken om de kost te verdienen voor mij en mijn kind, dan uit medelijden jou naam te mogen dragen!”
Er was iets theatraals en stuitend onwaardigs in Clarine’s optreden, dat Cornelis zeer onaangenaam trof, afgescheiden van ’t, in zijn oog, onredelijke van haar weigering. Hij was geheel uit het veld geslagen. Bleek en ontdaan liet hij haar uitrazen. Hij hield den blik vóor zich op den grond.
Toen hij dien na een oogenblik opsloeg, had Clarine zich omgekeerd, en verwijderde ze zich schijnbaar kalm in de richting van haar huis.
»God, God, wat nu?” mompelde hij. En hij zuchtte diep. Toch juichte er iets in hem—diep in zijn hart.
XI.
EN ALS NIEUWGEBOREN KINDERKENS...
Laura had sinds lang haar gewone leven van opoffering en toewijding hervat. Haar taak bij den jongen Udoma was volbracht. Er waren bange tijden geweest in de maanden van zijn lijden. En dankte hij veel aan de behandeling van zijn chirurg—een specialiteit uit Utrecht—en de zorgen van den huisarts, zeker dankte hij ’t behoud van zijn leven aan zijn nichtje Laura. Zij was ’t geweest, die hem gered had uit den poel van wanhoop en zelfverwijt, waarin hij telkens dreigde weg te zinken, zij had hem opgebeurd en getroost, hem kracht—zedelijke kracht, naast de lichamelijke—geschonken, om naar beterschap te verlangen. Ze wist hoe levenslust meer doet dan medicijn, om genezing te bespoedigen. Hij was eindelijk, eindelijk herrezen uit zijn lijden. ’t Had drie maanden geduurd. Wel was hij zwak en bleek, wel was hij ernstig en stil, maar hij had levensmoed en geestkracht genoeg, om aanvechtingen van zwaarmoedigheid te onderdrukken. En om iets anders diep weg te bergen in zijn hart, een gevoel waarvoor hij zich schaamde tegenover zijn geweten. Hij mocht, hij wilde er niet aan toegeven. ’t Was even onzinnig, even laf als ’t verlangen naar den huiselijken haard voor den krijgsman, die ten strijde trekt voor een heilige zaak. Want, ondanks allen tegenspoed—Clarine’s hardnekkig stilzwijgen, en ’t mislukken van Laura’s poging om een onderhoud met haar te hebben—bleef Cornelis bij zijn voornemen, om niet te rusten, voordat hij alles gedaan had wat hij mogelijkerwijze kon doen, om zijn betrekking tot Clarine en haar kind te zuiveren. Laura had haar ontmoeting in den Haag en Clarine’s woest optreden bij die gelegenheid eerst in ’t geheel niet willen vertellen; maar na eenig nadenken besloot ze toch, hem althans mede te deelen, dat ze een mislukte poging gedaan had, om de predikantsdochter te spreken. Van de ruwe bejegening daarbij ondervonden zei ze niets. Waartoe zou ’t dienen? had ze gedacht. Cornelis zou nòg meer afkeer van Clarine gekregen hebben dan hij reeds had, en in de gegeven omstandigheden was die klapgeschiedenis eigenlijk niets nieuws voor iemand, die Clarine’s aard doorzag als zij: ’t paste geheel in de voorstelling, die Laura daarvan had. En zij sterkte hem in zijn goede voornemens. Ze gaf hem hoop, dat Clarine nog wel tot inkeer zou komen, dat hij—als al zijn nasporingen naar haar verblijf mochten falen—ten slotte wel van haar zelf zou vernemen waar ze was. Haar brief indertijd uit Delmond geschreven moest ze toch ontvangen hebben; want haar vertrek uit den Haag was verscheidene dagen later geweest. En daaruit had ze immers kunnen zien, hoe ernstig Cornelis het met haar meende. O, ze zou vroeg of laat tot inkeer komen. ’t Was alles verblinding, hartstocht geweest... Dit alles zeide ze tot Cornelis, vol vertrouwen en overtuiging. Hoe weinig besefte zij, dat juist het zenden van dien brief Clarine razend gemaakt had: dat het feit van haar confidenteschap voor ’t jaloersche meisje onuitstaanbaar was geweest!
En Cornelis ging weer aan zijn studie te Leiden, terwijl hij niet ophield in den Haag navraag te doen. Hij deed het zoo voorzichtig mogelijk, steeds angstig, dat hij te veel persoonlijke belangstelling voor haar aan den dag zou leggen. Men gaf hem geen enkele behoorlijke inlichting: deze wist het niet, en gene hield zich dom. Maar nog ’t meest bleek hem oprechte verwondering over ’s predikants plotseling vertrek, gepaard met ontslagname als geestelijke. »Ze zeggen, dat-i in Parijs is gaan wonen,” zeiden hem enkele leveranciers, bij wie hij wist, dat de familie Dauteville zich voorzag. Dat was alles. Sommige kennissen, die hij sprak, glimlachten op een onuitstaanbare manier, wanneer ze Dauteville’s naam noemden. Zoo ineens uitgeknepen, om zich in Parijs te vestigen, omdat hij zich oud begon te voelen en ’t leven in den Haag hem niet meer aanstond—hm, hm.
Nu, Cornelis wachtte af.
Ondertusschen studeerde hij. Hij deed ’t nu anders dan vroeger. Wat was de wetenschap vroeger voor hem geweest? Een vervelend droog ding voor geleerden en voor arme schooiers, die er zich een baantje uit moesten kloppen. Hij had gewerkt voor zijn »meesterstitel”. Hij had dat etiket noodig geoordeeld, om een deftig mensch te wezen later, meer niet. En zijn vader wilde dat nu eenmaal zoo. Hij had ’t als een noodzakelijk kwaad beschouwd. Verbeeld je, dat hij toen iets verhevens in zijn studiën gezien had! Alsof iemand dat er eigenlijk ooit in zag! Zij, die beweerden, zich aan ’t vak te wijden, die de rechtsstudie »breed opvatten”—zooals ze zeiden—waren immers »schooiers”, »proleeten”, van die aanstellers, die zich sociologen noemden. Er waren repetitoren, die beweerden met het vak te dwepen—och kom! Zoo had je in Leiden een jong meester in de rechten, die zich met Toynbee-werk en meer zulk fraais afgaf. Die hield cursussen voor werklui en loopjongens, terwijl zijn vrouw dienstmeisjes onderwees. Allemaal aanstellerij, om zich wat naam te maken, anders niet. Wie kon er als fatsoenlijk mensch pleizier in hebben omgang te zoeken met zulk smerig volk. Die «Toynbee-kerel” was dan ook zoo’n zoogenaamde socioloog—anarchist zeggen ze ook wel. Vee, de heele zooi! Neen, Cornelis Udoma en zijn vrienden lieten zich daar niet mee in, ja zelfs zijn contub Frits Seemans »zag er ’t nut niet van in.” Onder die vrienden was hij de eenige, die er niet bepaald op neerzag, en er zich niet minachtend over uitliet. Cornelis’ clubgenooten waren overigens eenstemmig in hun spot.
Hoe anders dacht de jonge man thans! Hoe dwaas scheen hem thans zijn vroeger leven, hoe ledig en hol leken hem zijn levensinzichten van dien tijd, vóor den grooten ommekeer. Hij schaamde zich hartgrondig, dat hij jaren had laten voorbijgaan in ijdel zelfzuchtig streven. Hij besefte ten volle, hoe een jonge man met geestes- en hartegaven als hij, en bovendien vermogend, verantwoordelijkheid droeg tegenover de groote vraagstukken, de nooden en behoeften der menschheid. O, hoe rijk, hoe onuitputtelijk rijk was het leven! Welk een onmetelijk veld van edel streven bood het den goedgezinde! En hoe droevig weinig verstonden jongelieden als hij gewoonlijk die roeping! Hij keek rond in den kring zijner vrienden en kennissen: ’t was bijna overal ’t zelfde ontmoedigende schouwspel. Wie onder die allen, gefortuneerd, ontwikkeld en schrander als hij, dacht eraan zich met iets anders te bemoeien dan wat zijn onmiddellijk eigenbelang diende? Ze droegen mooie jasjes en broekjes, naar den laatsten smaak, ultra-nieuwe dasjes en hoedjes, gingen naar »de kroeg,” om er eenige uren daags te verlummelen, te bitteren en schuine aardigheden te verkoopen; ze gaven «fuiven”, waar de »sjempi” stroomde, en »klabakken” van uit het raam met dubbeltjes-havana’s werden vereerd; ze »dronken koffie”, dat wil zeggen: kwamen periodiek bij elkaar, om dure lunch-partijtjes te houden, waar zalm en pâté de foie gras gewone zaken waren; ze »ontgroenden” stumpers van nieuwelingen, en wijdden die in in de geheimen van Bacchus, Gambrinus en Venus; ze »gingen met ’n bakje” naar ’t Haagje, en »foven” dat ’t daverde bij een fijn gekamerd juffie, de beschermelinge van een hunner, en nog meerdere vrouwelijke »kennisjes” waren daarbij tegenwoordig; ze hoereerden en zopen op kostbare, «fatsoenlijke” manier, en »negeerden” of bespotten den armen, werkzamen, ernstigen, geregeld levenden student, dien ze »spoelhond” of »varken” noemden...
Cornelis was maar weinig anders geweest. Dat hij niet meedeed aan den ijverigen Venus-dienst zijner kennissen was eenvoudig vergedreven epicurisme, geen deugdbeginsel. En hij vond er voor hen niets bizonders in.
Nu walgde hij van dat alles, en ’t kostte hem moeite zijn afkeer te verbergen. Toch wilde hij zijn oude vrienden en kennissen niet afstooten. In naïef zelfvertrouwen, zoo eigen aan vurige bekeerlingen, hoopte hij op die verdoolden—dat waren ze immers—invloed te kunnen oefenen. Hij zou hun de oogen openen. Om dat te doen, mocht hij ze niet afstooten. Allengs woû hij trachten door vertrouwelijke gesprekken, op echt kameraadschappelijke wijze, verandering te brengen in hun denkbeelden en gedrag.
’t Eerste gevolg van zijn optreden was verkoeling, vervreemding. De vrienden vonden hem »raar,” ze begrepen hem niet, en begonnen hem te mijden.
Toen Cornelis, verlangend naar anderen omgang, het, na lange aarzeling, gewaagd had een bezoek te brengen aan den repetitor Steenkamp, en hij verslag daarvan deed aan zijn contub Frits Seemans, was deze verwonderd.
»Je wordt toch geen sociale, wil ik hopen?,” zei Frits lachend. »Daarvoor heb je te veel fortuin, mijn manneki.”
»Och, loop! ’t Ouwe praatje! Juist omdat ik fortuin heb, wil en kan ik me uitstekend inlaten met maatschappelijke kwesties. En dan dat woord «sociale!” Schaam jij je niet dat te gebruiken? Jij, zoo’n ontwikkeld ernstig mensch”—er zweefde een glimlach om Cornelis’ mond—moet jij evenals een verwaande livrei-knecht hol geschetter van levenmakers en ernstig edel streven van ontwikkelde mannen verwarren?
Frits zweeg. Hij was nog de beste van Cornelis’ vrienden. ’t Was »’n sekure,” al had hij ook de meeste vooroordeelen der anderen.
Frits begon te merken, dat zijn contubernaal het meende. De omgang met »die Steenkamp” werd voortgezet. Cornelis stond in ’t eerst verlegen over de vriendelijke welwillende ontvangst, die hem telkens ten deel viel ten huize van den repetitor. Hij voelde, dat zijn vroegere houding van hooghartig negeeren en bespotten hem waarlijk niet zulk een bejegening had doen verdienen. Hij vond Steenkamp en zijn vrouw hoogst aangename en belangwekkende menschen. En ieder gesprek, dat hij daar ten huize voerde, vervulde hem met nieuwe sympathie voor die beiden en de schoone denkbeelden, die zij voorstonden.
Cornelis’ lievelingsstudie werd de maatschappelijke toestand der vrouw en daarmee in verband het huwelijksrecht. O, hij wilde een degelijk werk schrijven, en daarin de vruchten van onderzoek en nadenken neerleggen. Wat deerde ’t hem, of hij »zijn meestertitel” niet zoo spoedig haalde als hij eerst voornemens was. Wat gaf ’t etiket als de wijn niet deugde! Zoo’n meestertitel werd immers gevoerd door de grootste ezels, door nullen in optima forma! Hij zag ze bij dozijnen afleveren, de mannen met het gemakkelijkst te halen akademisch graadje, jaar in jaar uit, en onder elk dozijn was er immers nauwelijks een, die den naam van rechtsgeleerde verdiende. Trouwens, ze zouden zelven niet naar die eer dingen, die leekebroeders in de orde der wetenschap. Onder hen was »geleerd” immers hetzelfde als vervelend, »zuur,” ongenietbaar, en—proleetig. Een fatsoenlijk mensch wàs niet geleerd! Een gedachte, die hem nu telkens inviel, wanneer Cornelis dacht aan die drommen van leeghoofdige meestertjes, die de universiteit—neen, de instampende repetitor—jaarlijks de wereld inzendt, was: hoeveel meer kans om in diezelfde wereld vooruit te komen zouden de arme, maar bekwame en ijverige juridische studenten hebben, als voor ’t halen van dien meestertitel wat ernstiger studie noodig, en zoo de mededinging naar goede betrekkingen minder groot werd gemaakt. Al de stumpers en sukkelaars, die thans met hun geld zich konden laten africhten door repetitors, moesten zich niet met studie inlaten: die was niet voor hen; maar voor de ijverigen en bekwamen, arm of rijk.
Nu, hij zou ’t voorbeeld geven, meende hij: de studie van zulk een schoon vak, dat de hoogste belangen der menschheid binnen de perken van zijn onderzoek omvat, zou hij met ernst en waardigheid behartigen. Waarom, waarom, dacht hij dikwijls in sombere oogenblikken, verblindt de rijkdom zoovelen, die kracht genoeg in zich zouden hebben, om bij te dragen tot het heerlijk werk der beschaving, den vooruitgang der maatschappij?
Cornelis begon oogen en ooren heel nuttige zaken te vinden: hij nam waar, stelde belang in allerlei, dat hem vroeger niet de moeite waard geleken had; las veel, maar zag en hoorde nog meer; want hij wilde nu zien en hooren. Soms voelde hij geestdrift, en gaf er uiting aan, iets dat hij vroeger erg »proleetig” gevonden zou hebben.
Zoo reisde hij veel, en zag veel menschen.
Hij was gelaten, en wachtte af. De groote smart van zijn leven maakte hem wat stil en in zichzelf gekeerd; maar sloeg hem niet meer neer. Geen dag ging er voorbij, zonder dat ’t lot van Clarine en haar kind—ook zijn kind!—hem in de gedachten kwam. Dan zuchtte hij, doch ’t besef van zijn onmacht, om iets aan den toestand te veranderen, dwong hem tot berusting.
En zijn liefde voor Laura? Die leefde een hardnekkig leven, rustend in de koele diepte van zijn ziel, slechts nu en dan wonderglanzen afstralend, die haar vervulden met een weelde van licht. Dat waren de oogenblikken, dat zijn zelftucht verslapte, en de verbeelding vrij spel had in slaap- en mijmertoestand.
’t Was nu drie maanden, dat hij haar niet gezien had, neen langer... Hij vermeed haar, en dat was niet moeilijk in haar en zijn werkzaam leven. Zelfs correspondeerde hij niet. Ze mocht denken wat ze wilde, dacht hij in arren moede: beter, dat ze hem onhartelijk, zelfs ondankbaar vond, dan dat ze de waarheid zou vermoeden. Zijn wantrouwen van eigen kracht bracht hem er zelfs toe, een oud portret van Laura—als zestienjarig meisje, echt kinderlijk en onbeholpen naïef—als verboden waar weg te bergen in een afgesloten laadje van zijn schrijftafel. Hij had geen ander portret van haar. Clarine’s beeltenis had haar eereplaats op de schrijftafel behouden: kabinetformaat in ’t sierlijke gepolijst koperen lijstje, dat zij er zelf voor uitgekozen had. Hij had er zich aan gewend den blik erop te richten, dagelijks wanneer hij zich aan den arbeid zette. ’t Was als een boetedoening, die hij zich oplegde, steeds zich te doordringen van ’t schuldbesef tegenover haar, en zich te herinneren wat zijn plicht was, zoodra hij in staat zou wezen, die tegenover haar en hun kind te vervullen. En—vreemde werking van de verbeelding! dacht Cornelis—telkens wanneer Clarine’s rond, weelderig, zinnelijk gezichtje vol overmoed hem tegenlachte van ’t portret verscheen in zijn geest het beeld dier andere: ’t weemoedige zachte gelaat van Laura, zooals hij haar gezien had aan zijn ziekbed. ’t Oppervlakkige en degelijke, wuftheid en karakter tegenover elkaar. God, waarom moest hij zoo vaak die tegenstelling voelen!? Was het om zijn zelfoverwinning des te grooter te maken? En hij begroef zich in zijn werk.
Eens, in den Haag vertoevende, stond hij op de tram te wachten, die hem naar een zijner kennissen brengen zou. ’t Was op ’t Plein in den namiddag tegen etenstijd, en de ingang van de Lange Poten—onpoëtisch klinkende naam voor een aardige straat—vertoonde zijn gewone mooiweers-namiddag-drukte. Terwijl Cornelis daar zoo stond, uitkijkend naar het voertuig, dat zich wachten liet, en vergelijkingen maakte tusschen het verkeerswezen in onze hoofdstad en dat in ons residentiestadje, viel er op korten afstand van de plaats waar hij stond een heldergekleurd voorwerp naast hem neer. Hij keek er naar, zag dat het een brief was, en had hem opgeraapt, voordat de persoon, die er aanspraak op maakte, tijd had gehad hetzelfde te doen. Een dame—jong en knap, Cornelis herkende haar dadelijk als een van Clarines’s intiemen—stond met hoogroode kleur vóor hem. Cornelis nam zijn hoed af, en boog, terwijl hij den brief overreikte.
»O, neem me niet kwalijk,” stamelde de jonge man. Zij knikte even, en verwijderde zich haastig zonder een woord. Hij zag haar verdwijnen in de drukte der straat.
Dat was een toeval, éen kans uit duizenden. Hij wist Clarine’s adres: »Sainte-Marie des Ardennes” had hij onwillekeurig op den omslag gelezen! Hij had een gevoel, alsof hij een onbescheidenheid gepleegd had. Wat was die jonge dame verlegen en zenuwachtig geweest! Hij kon ’t niet helpen in allen geval...
Nu was dus de beslissing gevallen. Hij moest daarheen en weder Clarine spreken, haar de opoffering van zijn geluk gaan aanbieden, neen gaan afsmeeken als een gunst... Nu de werkelijkheid zoo nabij vóor hem stond, huiverde hij. ’t Kleine voorval had hem vreeselijk geschokt. Maar hij moest, hij moest, en er steeg een roes van offerwilligheid in hem op, die weldra alle andere gevoelens beheerschte. Hij veranderde zijn plan voor dien dag: zijn kennis in den Haag wachtte hem immers toch niet. En in plaats van de tram naar ’t Banka-plein te nemen, stapte hij in die naar ’t Hollandsche-Spoor station.
’t Was vier uur. Even naar huis, dan kon hij nog den avond-sneltrein naar Brussel halen.
»Wat kijk je sip!” riep kleine Frits, toen hij Cornelis haastig zijn kamer zag binnenkomen. Hij had juist de thee laten aanrukken, en zat in een luie houding de Rotterdammer te lezen. Even keek hij vragend op met half dichtgeknepen oogjes, zooals zijn gewoonte was. Cornelis groette vluchtig. Zijn gezicht was vertrokken en bleek.
»Hm, hm,” bromde Fritsje, »de oude spookgeschiedenis?”
»Ik ga uit de stad!” zei de ander zonder overgang en droomerig.
Fritsje keek nog eens op; staarde ditmaal wat langer op ’t gelaat van zijn vriend.
»Zoo, geen thee dus? Zeker wat gehoord?”
»Ik weet waar ze is,” antwoordde Cornelis onder ’t heengaan.
Hij verdween achter den voorhang in zijn slaapkamer.
Frits Seeman wist er alles van. Hij wist hoe de zaken stonden, hoe »die geschiedenis” den ander nog steeds vervolgde. Hij vond ’t een hard gelag voor zijn vriend, maar had weinig medelijden: de vent was zot, bepaald zot! Hij had er al eens zijn meening over gezegd; maar de ander woû niet hooren, en hij liet het erbij. Cornelis moest ’t maar zelf weten, en hij dacht niet, dat de man ooit achter dat adres komen zou. Neen, edelmoedigheid, eergevoel: alles best, maar na zoo’n behandeling van haar kant zou hij er hartelijk voor bedanken. De meid verdiende ’t niet, nee, waarachtig niet. En Cornelis was zoo’n beste kerel! Ze had ’m zot gemaakt, of wat was ’t? Jammer van de vent, enorm jammer. En nu zal ze ’m nog nemen ook, God betere ’t!
Zoo dacht Fritsje in zijn leuningstoel, en trok waardig aan zijn gouwenaar. Hij hoorde Cornelis weer binnenkomen, na enkele minuten.
»Zoo, dat ’s vlug! Is dat alles wat je meeneemt?” Hij wees met zijn pijp op ’t handkoffertje.
»Ja. Nu, ik ga.”
»Kom, kereltje, woû je nu werkelijk gaan? Je meent ’t immers niet? Zet dat koffertje neer, en wacht tot morgen. Je bent zoo wonderlijk heet gebakerd tegenwoordig! Kom, ga hier zitten, en laten we wat praten. ’t Is heusch beter morgen.”
Cornelis weifelde even. Daarop stak hij zijn hand uit, bleek, bevend, zenuwachtig. »Tot ziens, Frits. Ik moet er heen...”
»Don Quichot!” zei Fritsje zijn hand grijpende. Hij lei zijn krant neer en stond op.
Hij woû sarcastisch kijken, maar ’t ging hem slecht af.
»Nu dan, manneke, ’t beste hoor,” zei hij hartelijk.
»Wanneer kom je terug?” liet hij volgen.
De ander was al buiten de deur.
»Ik zal ’t je laten weten.”
De voordeur sloeg dicht.
Avond en nacht volgden voor Cornelis in onrust en zelfmarteling. De gedachte aan zijn kind, dat hij nu werkelijk zien zou, of waarvan hij wellicht vernemen zou, dat het gestorven was, hield hem nog ’t meest bezig. Hij voelde zich zonderling te moede, en begreep de tinteling niet, die door zijn borst voer, wanneer hij zich vóor den geest trachtte te brengen wat dat voor hem beteekende: mijn kind heeft aanspraak op mijn bescherming, ik ben zijn vader. Als voor iederen man, die vader wordt, kregen die banale woorden kind en vader voor hem een veel inniger dieper zin dan te voren: ze stelden niet meer alleen gedachten, denkbeelden voor, maar drukten gevoelens, gewaarwordingen van den heiligsten aard uit. Ook hier werden de diepste lagen van zijn gemoed beroerd; maar de gewaarwordingen hadden niet ’t heerlijk extatische zuivere gehalte als bij den man, die »vreugdedronken zijn kind aanschouwt en de aangebeden vrouw, die ’t hem geschonken heeft.”
Cornelis voelde een schuwe vrees, een ineenkrimping van zijn hart als ’t ware, wanneer hij aan de moeder van zijn kind dacht. De moeder! De dartele, onbesuisde Clarine moeder! Hij kòn er zich niet indenken... Hij was benieuwd en beangst tevens. Hoe zou hij zich houden, wat moest hij zeggen? Zou hij haar vader, dien... onuitstaanbaren mooidoener van een Dauteville moeten ontmoeten? Oh! de man deed hem walgen! ’t Zou zijn schoonvader worden... Dat ook nog. Maar wat stoorde hij er zich eigenlijk aan? Hij zou den vent links laten liggen, als eenmaal die zaak met Clarine beklonken was. Toestemming van dien kant was zeker, natuurlijk. Wat graag! zou die oude heer wel denken.
En zijn eigen vader? Bah! Hij was drie en twintig, en deed wat hij verkoos. Zijn vader mòcht hem niet beletten zijn plicht te doen. Dit was zijn plicht, zeker, ’t was zijn plicht, zijn heilige plicht! En Laura was ’t met hem eens...—Cornelis betrapte zichzelven op een traan.—Neen, hij mocht niet aan die gevoeligheid toegeven...