Zoo'n Nonna!

Part 8

Chapter 84,089 wordsPublic domain

Steeds die onuitstaanbare ongevoeligheid voor ’t werkelijk hoogere! dacht Laura. Zijn toekomst, zijn fatsoen en wereldlijk aanzien, dat alleen kwam in aanmerking. Of zijn zoon zondigde tegen de eerste wet van ’t evangelie—naastenliefde bij en innig samengaand met godsvrucht—wat deerde het hem! Als hij maar niet zondigde tegen God Fatsoen. Hier was dus iemand, die zich Christen noemde en er niets in zag, dat men een kind het leven gaf, en er zich dan niet meer om bekommerde, evenmin als om de moeder. Ze dacht aan hàar moeder, en vond haar vader niet meer zoo slecht als vroeger. Had ze ooit ’t leven in Indië beter gekend, dan zou ze gehuiverd hebben bij de gedachte aan al de ongerechtigheid van dit soort—die hier door »fatsoen” gedekt wordt, en in Indië meer openlijk bedreven wordt. En ze zou een ruwen toestand in haar geboorteland—waar licht en lucht meer overal doordringt—verkozen hebben boven de »fatsoenlijke” huichelarij in ’t beschaafde Nederland...

Laura’s laatste hoop, om haar neef over te halen, verdween. Dat hart was onvatbaar voor zedelijke overreding. »Heb uzelf lief boven alles, en uw fatsoen als uw afgod” was nu eenmaal sinds onheugelijke jaren Udoma’s levensrichtsnoer geweest. Ze kon evengoed trachten met een brandenden lucifer een gesloten mijngang van buiten af licht toe te zenden, als met haar licht de korst van zelfzucht te doordringen, die zijn hart omsloot. Haar menschenmin was er groot genoeg voor, maar ze miste den takt, en ze miste den tijd.

Ze gaf ’t op.

Udoma stond bij de deur, en maakte een gebaar, alsof hij haar op galante wijze vóor wilde laten gaan. Ze ging. Mismoedig, met loome schreden ging ze de trap op. Ze hoorde Udoma zacht neuriënd door de lange gang weer den weg naar zijn kantoor nemen. Ze was ontevreden over zichzelve. Wat was ze naïef, wat was ze dom geweest! Ze had dan wel heel weinig menschenkennis, om zoo’n man vermurwbaar te achten... Ze had diep medelijden met den armen Cornelis. Hij had niets, niets van Clarine vernomen in al die dagen...

In gedachten verzonken kwam ze zacht de ziekenkamer binnen, en zette zich op haar gewone plaats bij ’t bed. Cornelis wist niets van ’t onderhoud en haar optreden.

De jonge man zat half opgericht in zijn bed Met gefronste wenkbrauwen zat hij over een boek te turen. Toen Laura binnenkwam, verhelderde zijn gelaat. Met een levendig gebaar wierp hij ’t boek aan ’t voeteneinde, en sloeg den blik op.

Voor Domine Dauteville’s vroegere woning in de buurt van ’t Bezuidenhout stond ’s avonds om negen uur een donkere gestalte. Achter het glas boven de deur brandde geen licht en de straatlantaarn was wat ver af. De gestalte moest dus herhaalde malen naar ’t briefje kijken, dat buitenop geplakt was, voordat ze kon lezen wat er stond. »Uit de stad, brieven en boodschappen...” jawel, dacht de jonge vrouw aan de deur, ’t gewone, maar wat heb ik daaraan? Ze begreep, dat haar tocht te vergeefs zou wezen, tenzij ze bij de buren informeeren kon? Maar, als de predikant en zijn dochter om die reden weg waren, zouden ze wel geen adres aan de buren hebben opgegeven. En aan ’t postkantoor zou men ’t niet weten. Bij die menschen, waar de »brieven en boodschappen...” och, dat zou wel een »smoesje” wezen. En, als ze ’t verblijf van de vertrokkenen wisten, zouden ze wel weten te zwijgen, afgezien nog van de onbescheidenheid, om op zoo’n laat uur daarnaar te vragen.

Laura Van Keulen slaakte een diepen zucht. Ook deze poging, om de betrekking tusschen die beiden te herstellen, zou dan mislukken. Haar plan was anders wel wanhopig schier. Ze wilde Clarine overhalen, om in een kerkelijk huwelijk toe te stemmen. Dat zou dan aan Cornelis’ bed door een priester voltrokken moeten worden. Ze had zich de illusie gemaakt, dat ze daartoe haar biechtvader wel kon overhalen! Die zou met Clarine ’s avonds stilletjes in huis worden toegelaten. Met wat overleg en Gods hulp hoopte ze haar doel te bereiken. Ze wist, dat ze dan iets liet doen, dat de wet strafbaar stelde. Maar wat was in haar oog de menschelijke wet bij de Goddelijke? Nood breekt wet, redeneerde zij. En als er een kerkelijk huwelijk was gesloten, zou hun verbintenis ten minste tegenover geloofsgenooten van de smet gezuiverd zijn, die er nu aan kleefde.

Laura was twee en twintig, vroom en idealistisch; van de grondstof, waarvan martelaressen gemaakt worden...

Weifelend en aarzelend stapte ze eenige schreden voorbij het huis van den predikant. Neen, er was niets aan te doen. Ze had gedaan wat ze kon: in vredesnaam, dan maar naar huis. Ze kon niet meer door naar Delmond—o geen idee van. Dan maar te Utrecht zien te logeeren bij die oude menschen. Die zouden haar zeker de late komst niet kwalijk nemen...

Ze stapte nu vastberaden voort in de richting van ’t Rijnspoorstation. Plotseling zag ze iemand met haastige schreden den hoek van een straat omslaan, ’t Was op ’t Bezuidenhout. De voortsnellende ging rakelings voorbij haar. ’t Was een vrouw. Ze ging dezelfde richting, naar ’t station. Een onverklaarbare opwelling deed haar aan Clarine denken. Zou zij ’t zijn? En dan naar ’t station, misschien om te vertrekken?... God wilde haar dan ten slotte toch helpen! In een oogwenk had Laura de ander ingehaald. Ze wierp haar een doordringenden blik toe. In ’t licht van een lantaarn kon ze vrij goed zien.

»Clarine!” riep ze. Laura begreep zelf niet, waarom ze plotseling dien voornaam uitsprak: de gezochte was sinds weken steeds in haar gedachten, ’t was of ze haar goed kende.

De toegeroepene stond plotseling stil, doodelijk geschrokken.

»Wie is u?” De stem klonk heesch en angstig.

Een oogenblik later wankelde Laura, en bracht de beide handen naar ’t gelaat. Ze had een slag gekregen, die haar deed duizelen. Toen ze, na even tegen een lantaarnpaal geleund te hebben, bijkwam en rondkeek, was Clarine verdwenen.

Aan ’t station gekomen, zag ze juist den trein naar Utrecht wegstoomen.

»Arme Clarine!” mompelde het jonge meisje.

X.

EEN CANOSSA-GANG.

Sainte Marie des Ardennes is een afgelegen plaatsje in de Ardennen van Zuid België. De natuur is er schilderachtig en vrij woest. Menig plekje in den omtrek zou een schilder in verrukking brengen, of een dichter bekoren. ’t Is er rustig en stil. Een honderdtal huisjes staan links en rechts van een slingerend opwaarts leidenden weg. In ’t verschiet, aan ’t uiterste hoogste einde van ’t dorp, verrijst het aardige spitse torentje der eenige kerk, die er staat.

Een huisje stond eenigszins afgezonderd van de rest, links van den dorpsweg, op wellicht tien minuten gaans van het kerkje verwijderd. ’t Onderscheidde zich overigens in niets van de andere huizen dan alleen door wat grooter zindelijkheid—of, wellicht beter—mindere onreinheid. Want over ’t algemeen liet de zindelijkheid te Marie des Ardennes te wenschen over. ’t Bewuste huisje, laag, met éen verdieping, met lei gedekt, was omringd door een tuintje. Een hek sloot dit vóor op eenige schreden van de voordeur af. Een pad leidde naar een poortje vóor in ’t hek, terwijl achter de toegang door een bouwland liep. Een paar hooge boomen deden vóor dienst als schaduwgevers. ’t Was een aardig plekje. Stond men vóor ’t huis, dan zag men neer op het dorp in de laagte en een snelvlietend riviertje niet ver daar vandaan. Achter de woning verloor de blik zich in de zwartachtige klingen der Ardennen, zich uitstrekkend in eentonige volgorde tot den wazigen horizon; pijnbosschen zoover ’t oog reikte.

’t Is een verrukkelijke dag in ’t laatst van Mei, vroeg in den ochtend. Op een groengeverfd bankje, vlak vóor tegen ’t huis onder een openstaand venster, zit een jonge vrouw met een zuigeling op schoot. Ondanks de scherpe trekken getuigend van lijden—lichamelijk en zielelijden—teekent het jonge gelaat met de omlijsting van glanzend bruin haar, toch op dit oogenblik vreugde, geluk zelfs. Met een lach van verrukking kijkt ze neer op ’t wichtje op haar schoot. ’t Ligt luide te kraaien, en spartelt druk met de bloote armpjes en beentjes. Moeder en kind zijn blijkbaar vol van elkaar: voor die twee bestaat op dat oogenblik niets anders dan elkaars aanblik. Zwichtend voor den drang van haar hart, tilt de moeder ’t knaapje op, en drukt het innig tegen zich aan.

»M’n liefste, liefste lieveling!” mompelt ze.

’t Was haar eenig geluk. Soms was ze verwonderd, dat ze dit nog had, na al de doorgestane ellende. ’t Was langzamerhand gekomen, dit geluk, allengs meer plaats innemend in haar hart, het soms gansch vervullend zooals nu. Ze was zoo diep rampzalig geweest in de vreeselijke maanden vóor de geboorte van haar kind, en zelfs daarna! Ze was dof en onverschillig geworden ten slotte, vaak vóor zich starend als versuft, wezenloos en mat. Wat anderen lotgenooten ten troost is in de reeks van lichamelijke onvreugden van dien tijd, was haar tot meerdere kwelling geweest. Het anders zoo verheffend besef van ’t naderend moederschap had haar telkens en telkens ruw onttrokken aan den toestand van wezenloosheid, waarin ze gewoonlijk verkeerde, toen ze ’t denken en wroeten in eigen boezem had opgegeven. En vlijmend scherp kwamen de oude gewaarwordingen, de oude akelige aandoeningen terug: ’t heele samenstel van folteringen uit den tijd kort na haar laatste ontmoeting met den vader van haar kind...

En nu had ze haar kind. Ze had het reeds drie maanden, zeker; maar ’t besef dat het een voelend, liefhebbend wezentje was, ’t heerlijk opgaan in moederweelde, was nieuw, en haar afgebeulde ziel had een toevluchtsoord gevonden, waar ze zich veilig voelde. Eén lachje van ’t onschuldige bekje van haar kind ontsloot een tempel voor haar, waar ze neer kon zinken in zalige aanbidding.

In die oogenblikken van zielsverrukking vergat ze ook, dat ze een vader had.

Domine Dauteville had zijn dochter naar ’t plaatsje vergezeld. Hij begreep, dat hij in den Haag niet langer wonen kon, en dat ergerde hem vreeselijk. Mokkend en steeds Clarine vervolgend met zijn verwijten, was hij met haar naar dit plaatsje in de Belgische Ardennen getrokken. ’t Was tegen wil en dank gegaan; hij had begrepen, dat het niet anders kon. Voorloopig niet althans. Nu hij meende, dat de omstandigheden geen verder verblijf te Sainte-Marie noodzakelijk maakten, wilde hij weg, zoo spoedig mogelijk. Wat deed hij in dat ellendige gat van een plaats: hij woû naar Parijs! Onbekend kon hij daar met zijn geld en de kennissen, die hij er had, nog aangenaam leven, en vergeten wat hij in den Haag verloren had. Maar Clarine verzette zich hardnekkig tegen dit plan.

»Ga alleen, als u ’t hier niet uit kan houden!” riep de jonge vrouw, telkens en telkens wanneer ’t gezanik van haar vader op nieuw begon. Hevige tooneelen hadden zoo plaats gehad in de laatste drie weken. Dauteville’s humeur was er nòg op verslechterd. Hij kniesde zich dood, en gaf er niets meer om het te toonen ook. Wat gaf hij om zijn dochter, of liever: waarom zou hij iemand sparen, die hem zijn leven totaal bedorven had, en er mee doorging het te bederven?

Hij ergerde zich dagelijks over Clarine. Toch wilde hij haar niet alleen laten: dat was te dwaas tegenover »de menschen,” beweerde hij. »De menschen” waren hier een oude man en diens vrouw, eenvoudige dorpelingen, bij wie de predikant voor zich en zijn dochter het beste deel van ’t huisje gehuurd had. Die menschen wisten, dat hij Clarine’s vader was. Neen, ’t was te gek: hij kon niet weg, als zij niet meeging. En hij begreep niet, waarom zijn dochter zoo onredelijk kon wezen, en maar steeds volhield, dat ze zich zoo nog ’t minst ongelukkig voelde. Ze woû zich aan haar kind, uitsluitend aan haar kind wijden. Ze gaf niets meer om de wereld, beweerde ze.

Nu, hij wel. ’t Wàs niet uit te houden! Waar moest dat heen op den duur? Hoe kou hij, de smaakvolle, beschaafde Dauteville, daar in dat bergdorp blijven wonen? Alles goed en wel, maar er was een grens aan zijn vaderlijke offervaardigheid. Nom d’un nom, hij was edelmoedig genoeg geweest, een ware père noble! En dat om haar, om zoo’n... nou ja, ’t was zijn dochter. Gedane zaken nemen geen keer. ’t Was naar, heel naar zooals ’t was, maar te Parijs was ’t toch nog wel uit te houden. Hij was immers onafhankelijk.

»Clarine!” klonk een ongeduldige stem van binnen. »Kom je niet ontbijten?”

»Ik heb al ontbeten, Papa!”

»Zoo, je bent gezellig!”

»Als u gezelliger was, zou ik graag samen met u ontbijten. U doet niets dan mopperen. Op die manier ben ik liever alleen. Ik heb mijn kind nog.” Dit laatste klonk bitter.

»Je kind, je kind! Ik woû, dat je land... er niet was! Ik erger me iederen dag daaraan...”

»Dat zie ik. Schande genoeg. Ga heen, als u naar Parijs wil. Wat belet u toch?”

Clarine’s trekken hadden ’t verzachtende waas verloren, dat moederliefde erop getooverd had. De uitdrukking op haar gelaat was nu hard en onverschillig. Eerbied voor haar vader had ze nooit gehad. En als ze dien ooit gehad had, zou zijn laffe houding in ’t laatste half jaar en langer wel elk spoor daarvan uitgewischt hebben.

De »domine” rammelde wat met kopjes en lepeltjes. Hij schonk zijn eigen thee in. Sinds gisteren. Vóor dien tijd had Clarine ’t nog gedaan. Met een vol kopje in de hand zette Dauteville zich bij ’t open venster aan tafel. Hij kon zoo gemakkelijk ’t gesprek voortzetten.

»Wat me belet... wat me belet...” ging de vader voort... »dat kan je niet schelen! Ik doe ’t niet, daarmee uit! Als je verstandig was, dan volgde je mijn raad.”

Clarine haalt verachtelijk de schouders op. ’t Ventje op haar schoot schijnt de plotselinge humeursverandering van moeder niet te begrijpen, en kraait door, als wilde het weer haar aandacht trekken.

»Hoû je mond!,” roept grootvader woedend. Waarom ontdoe je je niet van die... schreeuwleelijk? Ik heb ’t je zoo dikwijls gezegd: besteê hem uit...”

Clarine antwoordt niet. Ze heeft dat voorstel tot walgens toe aangehoord, in alle schakeeringen van vleiing, wrevel en gebod. In ’t eerst antwoordde ze met woedend protest. Ze heeft nu niets dan minachting. Ze wist wel, dat haar vader hem—haar heerlijk ventje!—niet uit kon staan, dat hij hem haatte, omdat hij door hem steeds aan zijn tegenspoed, aan zijn »oneer” werd herinnerd. Ze wist evenzeer, hoe de gemakzuchtige oude heer haar gaarne bij zich zou hebben als bestierster van zijn huishouden, en als vrijwel noodzakelijk sieraad van zijn huiselijken staat. Zij zou moeten »recipieeren,” en de «honneurs” waarnemen tegenover de lieden, die haar vader verkoos te ontvangen. Wie weet, wat voor menschen dat waren! Soort zoekt soort... Ze wist nu, wie haar levengever was, ze had hem leeren kennen in al de kleinheid van zijn wezen, al de verachtelijkheid zijner laagzielige neigingen. Allerlei kleinigheden waren haar opgevallen, nu ze hem eenmaal in een ander licht was begonnen te beschouwen, of, beter, nu ze hem was begonnen waar te nemen. Want, ach, vóor al de beroeringen van ’t laatste jaar, wist ze eigenlijk niets van hem. Niets, dan dat hij »haar vader,” »Papa” was, die rijk was, en een »mooie positie” had. ’t Leven had haar een ruwen stoot gegeven, en ze was ziende geworden, als sommige blinden door electrischen schok. Ze zag, dat hij een ijdel, zelfzuchtig, zinnelijk en huichelachtig mensch was. Ze weet hem haar ongeluk. Haar ziel miste de innigheid, de zelfverloochening, noodig om hem niet te minachten. En ze minachtte hem. Des te sterker trok haar het wezentje, dat in al die ellende geboren was. Ze had het lief op haar hartstochtelijke, vurige manier, met een liefde, die haar vervulde als met een roes, telkens als ze er zich aan overgaf. ’t Was haar alles, haar alles! En haar vaders onverholen haat voor ’t wicht werkte als olie in ’t vuur harer passie. Er waren oogenblikken, dat ze de vuist balde tegen haar vader, met bliksemende oogen, en zich voorover wierp op ’t wiegje van haar kind, om ’t als waanzinnig te kussen, en zoo geknield te blijven liggen, een half uur lang, in verstikt schreien.

Dauteville geneerde zich voor de huismenschen. Maar Père François, de oude boer, en zijn goedige vrouw lieten nooit iets merken; hoe dikwijls ze elkaar ook slimme knipoogjes toewierpen, naar boerenaard. Ze hadden reeds lang ’t ware vermoed, ondanks de verhalen in keurig Fransch, die le m’sieu hun opgedischt had. Ze hielden van Clarine. En zij was vriendelijk jegens hen.

Neen, ze wilde niet weg. Daar in de eenzaamheid bij die brave lieden had ze ’t goed. Ze leefde voor haar kind. De toekomst? Daar dacht ze niet aan. Wanhopig klampte ze zich aan ’t heden, met dat eene, dat eene heerlijk geluk: haar kind. En de wereld, haar verleden met al zijn genietingen, zijn zorgeloosheid, ’t was een akelige droom geworden, waarvan ze schuw haar gedachten afkeerde. Ze wilde niet terug, kon niet terug, meende zij. ’t Was immers alles anders geworden. Dat huisje, waar ze geleden had schier tot stervens toe, waar ze naar den dood verlangd had voor haar en haar ongeboren kind, in doffe wanhoop; waar ze ook met heerlijke verrassing ontwaakt was tot het nieuwe geluk, dat ze thans kende: dat huisje was haar dierbaar geworden. ’t Plekje waar ze nu zat, met het vredige uitzicht in ’t dal, de dennebosschen in ’t verschiet, de rustige landelijkheid van heel ’t oord; de brave oudjes, die zoo goed voor haar zorgden; haar slaapkamer boven vóor, waar de groene takken bijna tot haar venster reikten... neen, ze kòn dat alles niet op eens verlaten...

»Maar, Clarine...” ging Dauteville voort, nadat hij een oogenblik zijn dochter ongeduldig had aangekeken. Ze had zijn blik zelfs niet beantwoord. »Wees nu redelijk: wil je mij hier...”

Hij voleindigde zijn zin niet. Clarine was opgestaan, en wandelde met haar kind op haar arm vóor het hek uit.

Dauteville was woedend.

»Ik zal je leeren...” bromde hij. »Als dat zoo nog eenige dagen duurt, zal ik je wel weten te dwingen, wacht maar.”

En hij beet in zijn boterham, en tikte een »eitje” met bizondere geestkracht stuk. Hij voelde zich een martelaar, en had medelijden met zichzelven.

Clarine was een eindweegs het pad afgegaan, dat van het huisje naar ’t dorp leidde. Een kleine kromming onttrok haar voor enkele oogenblikken aan de blikken van haar vader, die haar vol ergernis nastaarde.

Plotseling hield ze stil. Er kwam iemand het pad op. Onwillekeurig wendde ze zich om, en ging terug op haar schreden. Toen ze het huisje binnentrad, zag ze dat haar vader de kamer verlaten had, waar hij een oogenblik te voren gezeten had. Ze ging de trap op, en legde haar kind in ’t wiegje. Daarop riep ze de kindermeid, een boeredeern van ’t dorp, blozend en dik, dom; maar handig en gedienstig.

Nog een oogenblik draalde Clarine. Toen ze zag, dat het kind rustig lag te luisteren naar ’t eentonige liedje van ’t Waalsche boerinnetje, ging ze weder de trap af. Haar gemoed was vol, en ze verlangde naar buiten. Een wandeling door veld en bosch zou haar goed doen, meende zij.

In de gang gekomen, zag ze denzelfden man, die kort te voren het pad opkwam. ’t Was Cornelis Udoma.

»Clarine!” riep hij, niet in staat iets meer uit te brengen. Hij zag haar aan. Hij zag de teekenen van ’t lijden op haar jong gelaat; hij zag ook de verandering in haar gansche verschijning—de vrouw, die de smarten van ’t leven kent, in stee van ’t zorgelooze, dartele meisje van vroeger. Hij bespeurde ook, dat haar schoonheid—de weelderige, verlokkende, vollebloeischoonheid—niet meer dezelfde was. Toch zag ze er goed uit in haar licht morgenkleed: geen spoor van moedwillige zelfverwaarloozing in haar uiterlijk: ’t was wat eenvoudiger, maar niet minder smaakvol dan vroeger.

En er lag een wereld tusschen toen en nu.

»Wat kom je hier doen?” vroeg ze bits, maar met bevende stem. Ze keek hem scherp aan.

»Heb ik je dan eindelijk, eindelijk gevonden!” ging Cornelis voort. Zijn stem klonk droevig en ontmoedigd... »mag ik een oogenblik...? Ik heb zoo naar deze ontmoeting verlangd...”

Clarine drong zich langs hem heen in de nauwe gang, en wilde het huis uitgaan, weer door de voordeur.

»Ik wil niets met je te doen hebben. Ga heen, onmiddellijk! Ik begrijp niet, hoe je ’t waagt... Ga heen, zeg ik je!...”

De jonge man had zulk een ontvangst verwacht. Maar hij was vast besloten een onderhoud met haar te hebben, ’t kostte wat het wilde. Hij volgde haar dus, niet lettend op haar protest.

»Clarine, ik moet... ik moèt je spreken,” zei hij dringend, toen beiden buiten gekomen waren.

Ze antwoordde niet. Ze ontwaarde haar vader op korten afstand, ter zijde van ’t huis. Hij liep met gebogen hoofd en de handen op den rug op en neer. Ze wilde geen hevig tooneel maken, en wist trouwens niet, hoe ze aan de vervolging van haar bezoeker ontkomen kon.

Cornelis wandelde nu naast haar.

»Kom, laten we samen dat pad afgaan. En laat me zeggen wat ik te zeggen heb.”

Ze keek hem aan koud als ijs; inwendig trilde iedere zenuw van ingehouden aandoening. Ook hij was ouder geworden, was vermagerd en bleek. ’t Kostte hem moeite haar bij te houden, want hij was eenigszins mank.

Ze merkte dat alles op met de oppervlakkige kalmte van haar geest. Daarbinnen woelde en kookte het. Ze kon niet spreken na die eerste uitbarsting; slechts voelen en schijnbaar koel waarnemen. In ’t tumult van haar aandoeningen kon ze geen uitweg vinden. Ze wist niets, begreep niets, dan alleen, dat ze moest trachten haar ontroering te verbergen en haar haat te toonen. Ze wilde hem haten, ze moest hem haten...

Hij aarzelde een oogenblik, om van haar zwijgen gebruik te maken. In zijn heele houding was iets aarzelends en weifelends, zoo geheel in tegenstelling met zijn vroegere wereldsche zelfzekerheid.

»Waarom heb je me zoo in angst gelaten?... Waarom ben je weggegaan zonder me te doen weten, waarheen je ging?...” Zijn stem was zenuwachtig, vol onrust.

Ze zweeg nog.

»Clarine, had ik geen recht zoo iets van je te verwachten?”

»Recht?” antwoordde ze schamper en als ontschoot haar ’t woord.

»Natuurlijk... voor God ben ik... je man. Ik ben de vader van je kind, Clarine.”

Ze wendde ’t gelaat af.

»Je hebt me gewantrouwd... zonder eenige reden.”

Zijn geweten weersprak hem: hij had haar niet lief, niet lief! En zij voelde ’t, zij zou ’t zien door al ’t edelmoedig geweld doen zijner neiging heen. »We hadden getrouwd kunnen zijn... M’n vader woû ’t me beletten, toen kwam dat ongeluk. O, Clarine, ’t was immers mijn schuld niet: bij God, mijn wil was zoo goed!... Ik ben nu al lang beter. Maar ik heb vreeselijk geleden, niet ’t minst om jou.” Hij keek haar aan.

Clarine staarde vóor zich uit. Als droomerig stapte ze naast hem voort, met gefronste wenkbrauwen en steeds denzelfden harden trek om haar mond.

»Of dacht je niet, dat ’t mij een kwelling was te weten, dat jij... dat jij... in zulke omstandigheden was... mij verdacht... je te willen verlaten, moedwillig je in de steek te laten...”

»Ik heb dat niet gedacht,” riep ze hevig »ik heb gedaan wat ik verkoos... ik wensch niet afhankelijk te zijn van jou goedvinden... van jou medelijden!...”

Zou hij hier ’t eenig antwoord geven, dat haar den angel uit haar hart kon nemen: de betuiging van zijn liefde?... En dan liegen? Haar troosten met een schijn? En, aangenomen, dat hij ’t komediespel met al de waarschijnlijkheid kon volhouden, dat hij al de valsche hartelijkheid in toon en houding kon leggen, die daartoe noodig was, dan nog: zou hij niet walgen van zichzelf, en ’t toch eenmaal moeten opgeven? Zou de onttoovering niet vreeselijk wezen? Neen, hij kòn niet, hij kòn niet! En toch...

»Kom, Clarine,” zei hij zacht en trachtte haar hand te vatten. Ze weerde hem af. »Er is geen sprake van medelijden. Van weerskanten moeten we ons gedrongen voelen... het kwaad te herstellen. Ik ben nu vrij: ik ben meerderjarig, en kan doen wat ik wil, ook in Holland. Maar ik schik me naar jou... Ik wil alles opgeven: mijn studie, mijn toekomst in mijn eigen land. Ik wil gaan waar je wil, wonen waar je wil, voor goed met mijn vader breken. Kom, laat er een eind komen aan al ’t misverstand. ’t Is misverstand, alles immers.” Hij had snel gesproken, als ware hij bevreesd geweest door dralen andere gevoelens te verraden dan die hij uitsprak.